6 20210909 Bijlage 3 Rapport Actualisatie archeologische kaart (1).pdf
Tekst van het document
37 Bijdrage van Dijkstra et alii, in: Snijders & Broertjes 2016. 38 Deeben en Rensink 2005, 186-187. 39 Arts 2012. 40 Deeben en Arts 2005, 142 en fig. 7.3; Deeben et alii 2006, 12-13; Berkvens en Arts 2003, 14-17. 41 Vos en Kiden, 2005, 14-15.
29
Figuur 16 Het herstelde Vossenbergven: 10.000 jaar geleden waren dit aantrekkelijke woongebieden voor jagers en verzamelaars.
In Laarbeek hebben vooral in de beekdalen en broekgebieden op verschillende plaatsen mensen rondgezworven/gebivakkeerd. Bijvoorbeeld in het Broek waar de gevonden voorwerpen kenmerkend voor de Midden-Steentijd bestaan uit gebruikte en ongebruikte afslagen en klingen (lange dunne spaanders), kernen en specifieke werktuigen. Zij zijn zowel gevonden op de hoge, middelhoge als lage delen van het Broek. Op twee na zijn alle vondsten geïsoleerd aangetroffen. Die twee uitzonderingen zijn vindplaatsen, gelegen op kleine zandkopjes of donkjes, met kleine concentraties voorwerpen van vuursteen en Wommersom-kwartsiet. Wellicht lagen hier verblijfplaatsen van waaruit werd gejaagd of gevist. Het aantal vondsten uit de Midden-Steentijd op Laarbeeks grondgebied is veel talrijker dan die uit de voorafgaande periode. We treffen vooral langs (zijbeken van) de Aa en Goorloop veel locaties aan, o.a. bij Croij, Heereind en Leek. Maar ook op de hoger gelegen dekzandgronden zijn op diverse plaatsen vuurstenen werktuigen aangetroffen, zoals bij de Reijakkers en Heieind. Opvallend is dat de meeste vondsten langs de Aa aangetroffen worden direct aan de rand van de broekgebieden, daar waar de vochtige grond overgaat in de iets hoger gelegen zandgronden, de donken.
2.2.3
Neolithicum of Nieuwe Steentijd (ca. 4.200 – 1.900 voor Chr.): de eerste boeren
Een van de slechtst gekende perioden uit de Noord-Brabantse voorgeschiedenis is het Neolithicum. Dit betekent onder meer dat het begin ervan niet vaststaat. Hier wordt gemakshalve uitgegaan van 4.200 v.Chr., terwijl als einddatum 1.900 v.Chr. wordt aangehouden. Lang is verondersteld dat aan het begin van het Neolithicum de leefwijze van jagen, vissen en verzamelen (de Midden-Steentijd) plaats had gemaakt voor die van een op akkerbouw en veeteelt gebaseerd bestaan. Deze overgang zou snel zijn geweest en is daarom als de 'Neolithische revolutie' aangemerkt. Het is nog maar de vraag of op de Brabantse zandgronden zo’n abrupte transformatie heeft plaatsgevonden. Het is mogelijk dat in de loop van de tijd verschillende elementen die karakteristiek zijn voor Neolithische samenlevingen, zoals aardewerk, geslepen stenen werktuigen met een snede, akkerbouw en veeteelt, geleidelijk werden overgenomen. Hoe het ook zij, de neolithische bestaanswijze zoals die aan het einde van het 6 e millennium v.Chr. (5.200-5.000 v.Chr.) met de Lineair-bandkeramische cultuur bekend is van de ZuidLimburgse lössgronden, verspreidde zich aansluitend opvallend genoeg niet over de rest van Nederland. In plaats daarvan (b)lijken in het 5e millennium v.Chr. diverse neolithische elementen in
30
Holoceen Nederland stapsgewijs en over een langere periode te zijn geïntroduceerd.42 De huidige data uit Nederland wijzen erop dat handgevormd aardewerken vaatwerk daarbij de oudste noviteit was. Van ca. 5.000-4.700 v.Chr. lijkt er een keramisch Mesolithicum te zijn geweest, dat wil zeggen dat landbouw in deze periode toentertijd nog niet werd beoefend. Rond 4.300 v.Chr. werd het neolithische ‘pakket’ gecompleteerd met de introductie van akkerbouw, hetgeen overigens niet wil zeggen dat mesolithische elementen, zoals jacht, in de voedseleconomie volledig verdwenen waren. Het is pas rond 3.500 v.Chr. dat in het westelijke kustgebied gesproken kan worden van een ‘echt’ Neolithicum of ‘Volneolithicum’, waarin akkerbouw en veeteelt de voedselvoorziening domineren. Min of meer in lijn met deze ontwikkeling is de rol die de Michelsberg-cultuur (ca. 4.200-3.800 v.Chr. in Nederland) wordt toegedicht in de neolithisatie van Zuid-Nederland.
Deze cultuur, waarvan de wortels in Duitsland of, eerder, Frankrijk liggen, zou volgens sommige archeologen via acculturatie voor de definitieve overgang naar landbouw hebben gezorgd.43 Het lijdt geen twijfel dat de Michelsberg-cultuur invloed heeft gehad op dit proces, maar zeer recente ontdekkingen te Well-Aijen in het Maasdal van NoordLimburg doen toch twijfel opkomen of die rol inderdaad zo cruciaal was.44 Daar is een ‘volneolithische’ site van rond 4.300 v.Chr. met sporen van onder mee graanverbouw opgegraven. De keramische vondsten getuigen van invloeden van de late Rössen-cultuur of de Bischheim-groep. Beide culturele complexen zijn goed bekend uit het Rijnland, waar ze aan de Michelsberg-cultuur voorafgingen. Chemische analyse van een selectie uit het handgevormde aardewerk uit Well-Aijen sluit niet uit dat een deel van de potten uit dit Duitse gebied afkomstig is. Het vaatwerk zou in onze streken via ruil of handel beland kunnen zijn, maar een andere mogelijkheid is die van potten die met immigranten meekwamen. Hoe het ook zij, de opgravingen te Well-Aijen leren dat de Rössen-cultuur en de Bischheim-groep welllicht belangrijker waren voor de neolithisatie van Zuid-Nederland dan tot dusver gedacht.
Verder is bij Breda een site palynologisch onderzocht en resultaten corresponderen slecht met bovenstaande hypotheses.45 Daarbij is stuifmeel van gerst en/of tarwe gevonden, dat dankzij C14onderzoek toewijsbaar is aan het tweede kwart van het 5e millennium v.Chr. Deze twee voorbeelden Illustreren dat de overgang naar landbouw in Zuid-Nederland nog met vele vraagtekens omgeven is. Overeenkomstig het zojuist geschetste beeld zijn in de regio Zuidoost-Brabant tot dusver nauwelijks neolithische vondsten gedaan die uit het 5e millennium v.Chr. dateren. Hetzelfde geldt overigens voor het Mesolithicum. Tot de uitzonderingen behoren in elk geval de ‘neolithische’ Rössener Keile – simpel gesteld, een doorboorde bijl die vermoedelijk als wig diende bij houtbewerking ̶ , waarvan onder meer in de gemeente Eersel een exemplaar tevoorschijn is gekomen.46 Daarbij rijst de vraag of deze vondst en vergelijkbare ontdekkingen in Zuid-Nederland getuigen van contacten tussen landbouwers en jagervisser-verzamelaars, zoals dikwijls wordt verondersteld, of van de komst van landbouwers. Of moeten de Rössener Keile nog anders worden gezien, bijvoorbeeld als objecten die door jagers-visserverzamelaars van landbouwers zijn gestolen? De algemene idee is dat met de komst van landbouw het leven meer sedentair werd, hetgeen zijn weerslag had in de bouw van duurzamere en steviger houten huizen.
Deze gedachte vindt tot dusver nauwelijks bevestiging in het aantal neolithische huisplattegronden die in het zuidoosten van NoordBrabant zijn ontdekt. Tot op heden is slechts één site met duidelijke woonstructuren bekend: Veldhoven-Habraken. 47 Daar zijn de resten van vijf huizen ontdekt met een lay-out die goed bekend is voor grote delen van continentaal Europa tussen ca. 4.000-2.000 v.Chr.: een min of meer rechthoekig grondplan en een rij palen op de centrale lengteas van het gebouw, die waarschijnlijk goeddeels de
42 Deze schets van de ontwikkeling is ontleend aan Raemaekers 2019 (met verdere verwijzingen). 43 Bijv. Verhart 2000; vgl. Berkvens en Arts 2003, 19. 44 Müller et alii 2018, in het bijzonder het hoofdstuk door Drenth et alii over het Neolithicum. 45 Kooistra et alii 2008. 46 Van der Waals 1972, 176. Zie over dit soort artefacten Raemaekers et alii 2010. 47 Van Kampen & Van den Brink 2013; zie ook Arts 2010, 193 en afb. 8.
31
daklast droeg.48 Veldhoven-Habraken is een nederzetting die tot de Stein-Vlaardingen-groep behoort, die blijkens uitvoerig 14C-onderzoek tussen ca. 2800-2600 v.Chr. is bewoond (zie figuur 17). Daarmee sluit deze site naadloos aan op het algemene beeld. Weliswaar moet de Stein-Vlaardingen-groep als geheel tussen ca. 3400-2650/2550 v.Chr. worden geplaatst, maar van de 14C-gedateerde sites van dit culturele complex valt een onevenredig groot deel in de eerste helft van het derde millennium v.Chr. Daaruit is voorzichtig bevolkingsgroei geconcludeerd, ook al omdat er aanwijzingen zijn voor intensievere contacten met de noordelijke buurcultuur, de Westgroep van de Trechterbekercultuur vanaf 3100/3000 v.Chr.49 Wat de reden was van deze bevolkingsaanwas, is vooralsnog onduidelijk. Het zou bijvoorbeeld een ontwikkeling binnen de inheems populatie kunnen zijn, maar een andere mogelijkheid is de instroom van een uitheemse bevolking.
Figuur 17 Reconstructietekening van de neolithische boerderij die ontdekt werd bij Veldhoven -Habraken (bron: M. Kriek).
Dat er al eerder boeren in Zuidoost-Brabant moeten zijn geweest, wordt duidelijk uit pollenkorrels van graan die afkomstig zijn uit de venige opvulling van het Dommeldal aan de Boutenslaan in Eindhoven. 50 De waarnemingen zijn gedaan op niveaus kort na 5009 ± 29 BP. Calibratie van deze datering levert een kalenderouderdom op van 4106-3942 v.Chr., ver voor de tot nu toe oudste boerderij in Veldhoven. Hoewel directe aanwijzingen ontbreken, mag op basis van ontdekkingen elders worden aangenomen dat vanaf ca. 3400 v.Chr. het wiel en daarmee wagens en karren reeds bekend waren en dat akkerbouw met behulp van een eergetouw geschiedde. 51 Deze primitieve ploeg keerde de zode niet, maar scheurde slechts de bodem. Voorheen zal de bodem met een stenen of geweien hak bewerkt zijn, zoals aangegeven door het tussen 4300-4000 v.Chr. bewerkte akkerland dat onlangs bij Swifterbant in de provincie Flevoland is opgegraven.52 Tot de belangrijkste cultuurgewassen in het Neolithicum op de Noord-Brabantse zandgronden behoorden, zo is de veronderstelling, tarwesoorten (emmer en eenkoorn) en gerst.53 Omdat bot in de zure zandgronden snel vergaat, is onze kennis over de Neolithische veestapel en het aandeel van wild in de voedselvoorziening verwaarloosbaar. Te oordelen
48 Zie voor een recent overzicht van de midden- en laat-neolithische huisplattegrond in Nederland Drenth et alii 2014; vgl. Peeters et alii 2017, paragraaf 4.3.3 . 49 Drenth 2019. 50 Van Haaster 2018, 110. 51 Drenth en Lanting 1997. 52 Huisman en Raemaekers 2014. 53 Zie in dit verband Kooistra et alii 2008 en de bijdrage van Kubiak-Martens et alii, in: Van Kampen en Van den Brink 2013.
32
naar vondsten uit gebieden met betere conserveringsomstandigheden speelden rund, varken, schaap/geit een belangrijke rol onder de gedomesticeerde dieren, terwijl, algemeen gesteld, wild in de loop van de tijd geleidelijk aan belang inboette.54
Figuur 18 Links een Grand-Pressigny-dolk of -mes uit een laatneolithische grafheuvel die samen met een All-Over-Ornamented-beker (rechts) te Witrijt is gevonden (Collectie Noord-Brabants Museum, foto’s: thuisinbrabant.nl).
Ten opzichte van de voorafgaande periode zijn er minder vindplaatsen bekend, maar wel valt op dat dezelfde gebieden in trek zijn. Bij voorkeur kiest men de hogere punten bij de broekgronden, zoals de Donk, een zandrug bij Croij, het Vagevuur en het gebied van de Hooge akkers, de rand van de Lange Beemd, het dal van de Aa nabij het latere Gulden Huijs, de rand van de Biezen, Heereind nabij de Goorloop en de hogere gronden bij de Bakelse Aa nabij Scheepstal. Op Aarles grondgebied zijn enkele fraaie voorwerpen gevonden, zoals drie gepolijste bijlen nabij Croij en een bijl aan de rand van de Biezen, verder een mooie lange kling, die als schrabber is gebruikt en zelfs een scherf, gevonden nabij het Vagevuur bij het Laar, die herkend werd als een scherf van een klokbeker. De vondst bij het Vagevuur en de aanwezigheid van stenen werktuigen uit die tijd is zeer interessant, aangezien dit gebied ligt in de later gevormde plaggendekken. Door de hogere ligging moeten de Hooge akkers al in de Steentijd een aantrekkelijke woonplaats zijn geweest. Van het gebied Valkendijk, dat een soortgelijke situering heeft, is dit minder duidelijk, maar ook dat zou door verder archeologisch onderzoek nog kunnen blijken. Over de grafgebruiken in het Kempense Neolithicum, tussen ca.
4.200/4000-2.650/2.550 v.Chr., zijn wij bijzonder slecht geïnformeerd, simpelweg omdat bijzettingen uit die periode in de Kempen ontbreken. Er is slechts één mogelijke uitzondering bekend. In Meerhoven werd een pot van de Steingroep opgegraven, die vanwege de min of meer complete toestand gezien wordt als wellicht een grafgift uit een grafkuil, die door bodemvorming voor het archeologische oog onzichtbaar is geworden.55 Met de kennis over het grafritueel in de tweede helft van Neolithicum is het iets beter gesteld. Vanaf ca. 2.650/2.550 v.Chr. werden door de Enkelgrafcultuur grafheuvels aangelegd, dat wil zeggen dat over het graf een min of meer ronde heuvel werd geworpen. Daarbij werden soms dolken van Frans vuursteen, dat onder meer gewonnen dan wel verzameld werd in de Midden-Franse regio Le Grand-Pressigny, aan de dode meegegeven, zoals in het geval van twee grafheuvels te Luyksgestel en Witrijt (zie figuur 18). Beide grafheuvels maken deel uit van een concentratie relicten van de Enkelgrafcultuur in de Kempen.56 Naar analogie van ontdekkingen elders in Nederland zijn in het zuidoosten van Noord-Brabant ook vlakgraven, dat wil zeggen grafkuilen waarover geen heuvel is 54 Zie in dit verband Brinkkemper et alii 2010; Drenth et alii 2008; Lauwerier et alii 2005. 55 Arts 2010, 191; Arts en Bosman 2017, 29-30. 56 Drenth et alii 2008, 154.
33
opgeworpen, te verwachten, hoewel tot op heden geen duidelijke voorbeelden aangetroffen zijn. Voor de daaropvolgende Klokbekercultuur (ca. 2.400-1.900 v.Chr.), een verdere ontwikkeling van de Enkelgrafcultuur, ontbreekt tot op heden nagenoeg elk spoor van een begraving (grafheuvels en vlakgraven). 57 Waarom tot dusver zo weinig sporen van begraving zijn ontdekt, is de vraag. Dit kan het gevolg zijn van zogenoemde postdepositionele processen, zoals recente ontginningen die geleid hebben tot de vernieling van graven. Een andere mogelijkheid is dat het vondstarme beeld een geringe bevolkingsdichtheid ten tijde van de Klokbekercultuur weerspiegelt. Te meer daar nederzettingen van de Klokbekercultuur nauwelijks bekend zijn58, iets dat eveneens opgaat voor de Enkelgrafcultuur.59
Figuur 19 Vuurstenen Neolithische bijlen en één stenen beitel (midden) uit Lieshout (links) en Beek en Donk (midden en rechts) (bron: Rijksmuseum van Oudheden).
Vuursteen werd tijdens het Neolithicum vaak aangevoerd in de Kempen vanuit de Zuid-Limburgse en aangrenzende kalksteengebieden zoals te Aken, waar veel goed vuursteen voorkomt. 60 Daarnaast vond, zoals eerder gezegd, aanvoer vanuit Frankrijk plaats. Behalve Grand-Pressigny-vuursteen werd Frans tertiair vuursteen – ook wel Romigny-Lhéry-vuursteen ̶ geïmporteerd. Bij het geïmporteerde vuursteen gaat het (waarschijnlijk) zowel om de ruwe grondstof, onvoltooide als kant-en-klare artefacten. Een belangrijke component daarbij waren geslepen bijlen en (geretoucheerde) kling, waarvan sommige als dolk worden aangeduid (zie de op figuur 18 afgebeelde dolk van Grand-Pressigny-vuursteen uit Witrijt). Frequent zijn deze bijlen en klingen ware kunstwerkjes en vermoed wordt dat sommige ervan niet eens zijn gebruikt, maar geofferd werden aan de (natuur)goden. Er worden in de regio Zuidoost-Brabant nogal eens prachtige, waarschijnlijk ongebruikte bijlen ontdekt in een moerasgebied. Een aantal neolithische bijlen van opvallende plaatsen in de overstromingsvlakte van Het Broek kunnen we mogelijk zien als dergelijke rituele deposities (figuur 19).61 Deze traditie van depositie werd voortgezet tijdens de Bronstijd en de IJzertijd. Metaal, in het bijzonder koper en goud, deed in Nederland waarschijnlijk vanaf ca. 3.400 v.Chr. zijn intrede. Het gaat om bijlen, dolken en diverse sieraden.
62 De vroegste aanwijzingen voor metaalbewerking in de vorm van stenen werktuigen (hamers en aambeelden) uit onze streken (b)lijken
57 Zie in dit verband Drenth 2014. 58 Arts en Bosman 2017; Fokkens et alii 2016. 59 Drenth et alii 2008. 60 De Grooth 2011. 61 Huijbers 1998. 62 Zie Butler 1995/1996; Fontijn 2002.
34
gerelateerd te zijn aan de Klokbekercultuur.63 Tot dusver zijn dergelijke stenen werktuigen in de Peel of de Kempen niet tevoorschijn gekomen. Nabij het Broek, in Leek, liggen vier vindplaatsen op of nabij plaatsen waar tevens vondsten uit de Midden-Steentijd zijn gedaan. Hier zijn twaalf bijlen, één fraai bewerkt dolkje en één grote schrabber aangetroffen. Tot de kleinere voorwerpen behoren bijlfragmenten die omgevormd zijn tot andere werktuigen, kleinere schrabbers, een pijlpunt en een punt van een mes. Dergelijke bijlen kunnen zijn gebruikt als wapen maar ook voor het kappen van bomen en het bewerken van hout. Vaak werden ze aan een steel bevestigd, geschacht in een stuk hertshoorn. Onder de bijlen bevinden zich exemplaren gemaakt van vuursteen afkomstig uit Rijckholt in Zuid-Limburg. Het genoemde dolkje is gemaakt van Grand-Pessigny vuursteen (zie figuur 20). De in het Broek gevonden bijlen van Rijckholt-vuursteen kunnen zijn gebruikt door mensen waarvan de gebruikte voorwerpen kunnen worden gerekend tot de zogenaamde "Michelsbergcultuur". De gebruikers van de Michelsbergcultuur leefden in de eerste helft van het Midden-Neolithicum (4000-3500 voor Christus)". Dolken van Grand-Pessigny vuursteen dateren uit de late fase van de periode waarin de zogeheten "Enkelgrafcultuur" voorkomt. De datering van de Enkelgrafcultuur ligt tussen 2900 en 2500 voor Christus.
Figuur 20 Dolk van Grand-Pessigny vuursteen daterend uit de late fase van de tussen 2900 en 2500 c.Chr. voorkomende Enkelgrafcultuur. De dolk werd in 1938 gevonden langs de Aa in het Broek . Lengte 12 cm. Collectie RMO Leiden (naar Huijbers 1998).
Deze stenen bijlen behoren tot de eerste archeologische vondsten in het Broek. In 1938 werden de eerste aangetroffen. Er zouden nog veel bijlen volgen. Een aantal ervan zijn terecht gekomen in de collectie van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Vaak hebben we een bruine kleur gekregen door de langdurige ligging in een periodiek nat milieu. De vindplaatsen zijn echter zowel op de hogere zandkopjes, rivierduinen, als op de overgangen naar de laagten en in de laagten zelf gelegen. Op twee van de hooggelegen vindplaatsen in het studiegebied komen door elkaar voorwerpen uit de Mesolithische traditie en voorwerpen in de neolithische traditie Voor. Wellicht kunnen we beide vindplaatsen, indien het nederzettingsterreinen betreffen, uitleggen als verblijfplaatsen van jagersverzamelaars die reeds enkele onderdelen van het boerenbestaan hadden overgenomen. De twee vindplaatsen zouden dan thuishoren in de overgangsfase tussen twee bestaanswijzen die hierboven is aangestipt. Omdat alle vondsten niet in hun oorspronkelijke context zijn aangetroffen en geen scherp dateerbaar materiaal is aangetroffen, is dat lang niet zeker.64
63 Drenth et alii 2013. 64 Huijbers 1998.
35
2.2.4
Bronstijd en IJzertijd (ca. 1.900 - 12 voor Chr.): een periode van grafheuvels, urnenvelden en metaalbewerking
De menselijke ingrepen in het landschap namen in de loop van de tijd dusdanige vormen aan dat de vegetatie begon te veranderen door onder meer een uitbreiding van heide. Soms ging de antropogene impact zo ver dat in Nederland zandverstuivingen ontstonden.65 Deze ontwikkelingen in de Brons- en IJzertijd (achtereenvolgens ca. 1900-800 en 800-12 v.Chr.) moeten gezien worden in het licht van de voortzetting en intensivering van een agrarische levenswijze; jacht en visvangst speelden waarschijnlijk vanaf de Midden Bronstijd (ca. 1575-1200 v.Chr.) een duidelijk ondergeschikte rol.66 Kenmerkend was een voedseleconomie gebaseerd op veeteelt en akkerbouw die gekoppeld was aan sedentaire bewoning, een levenswijze die ongetwijfeld een Neolithische traditie voortzette. Zoals gememoreerd werden tijdens de Klokbekercultuur door middel van een stenen hamer en aambeeld al gouden en koperen objecten vervaardigd in Nederland, vooral op de Veluwe. Deze fabricage was de opmaat voor een meer omvangrijke metaalbewerking tijdens de Brons- en IJzertijd.
Tijdens de laatste periode werd als grondstof voor ijzer in Zuid-Nederland lokaal voorhanden zijnde ijzeroer en moerasijzererts gewonnen, hetgeen wordt aangegeven door vondsten te Sint-Michielsgestel, Keldonk en Nijnsel.67 Daar staat tegenover dat de grondstoffen in de Bronstijd geïmporteerd moesten worden bij gebrek aan natuurlijke voorkomens van koper- en tinertsen. Dit neemt niet weg dat er verscheidene aanwijzingen zijn dat in Noord-Brabant destijds bronzen artefacten werden gefabriceerd, gelet op de vondsten van smeltkroezen te Tilburg en een gietmal te Oss-Horzak.68 Daarnaast werden metalen voorwerpen, zoals bijlen, lans-of speerpunten en zwaarden, ingevoerd uit allerlei Europese gebieden, met name Midden-Europa, Frankrijk en Engeland.69 Niet zelden worden deze metalen objecten op een selectieve plek in het landschap gedeponeerd. Daarbij zijn er aanwijzingen dat bepaalde bijlen in Centraal-Europa al vanaf hun productie bestemd waren om te deponeren. Ze zijn gemaakt van een bijzondere compositie en volgens een recept dat afwijkt van normale bijlen. 70 In het Donks- en Aarlese Broek zijn een bronzen sikkel en een bronzen lanspunt gevonden. De sikkel is in 1938 gevonden in het Donks Broek op een zandhoogte langs de Aa of er net naast.
Op het oppervlak van de sikkel is een aanslag zichtbaar die doet denken aan ijzeroxide, wat doelt op ligging in de bodem binnen het bereik van water. De lanspunt is gevonden in het beekdal van de Aa nabij de plaats van het Gulden Huis, het voormalige kasteel van Rixtel. De lans werd gevonden tijdens de verlegging van de Aa, die plaatsvond in 1938. Hoe de lanspunt en de sikkel destijds in de grond zijn terechtgekomen, weten we niet. Enkele vermoedens kunnen we wel uitspreken. Een eerste mogelijkheid is dat ze zijn verloren tijdens praktisch gebruik. Een tweede mogelijkheid is dat het beide rituele deposities betreffen. Bij rituele deposities kan het deponeren van deze voorwerpen als een uitwisseling tussen deze wereld en die van de voorouders en/of bovennatuurlijke wezens worden gezien. Mogelijk werden beekdalen en moerassen ervaren als schemerzones tussen leven en dood. Waterrijke omgevingen speelden in ieder geval gedurende de hele prehistorie, Romeinse Tijd en de Vroege Middeleeuwen een belangrijke rol in de religieuze voorstellingswereld".71 Andere vondsten die we kennen uit Aarle-Rixtel uit deze periode, zijn een drietal bronzen bijltjes en een beiteltje, die al in de vorige eeuw nabij kasteel Croij werden gevonden en een speerpunt in de nabijheid van het Gulden Huijs. 65 Van Gijn en Waterbolk 1984; Van Mourik 1988.
66 Zie in dit verband Gehasse 1995; Out 2009; Zeiler 1997. 67 Zie Arnoldussen 2017 en Arnoldussen en Brusgaard 2015 over de aanwijzingen van ijzerextractie en -verwerking in de (Vroege en Midden-)IJzertijd in Nederland. 68 Fokkens et alii 2002. 69 Arnoldussen en Steegstra 2015/2016; 2017/2018; Butler 1987; 1995/1996; Butler et alii 2011/2012; Butler en Steegstra 1997/1998; 1999/2000; 2001/2002; 2003/2004; 2005/2006; 2007/2008; Fontijn 2001/2002. 70 Kuijpers 2018. 71 Huijbers 1998.
36
Bewoningssporen uit de Bronstijd zijn betrekkelijk zeldzaam in onze streken.72 In 2006-2008 werd nabij Knooppunt Ekkersrijt echter een Bronstijdnederzetting opgegraven (zie figuur 21), die inzicht in het toenmalige leven biedt.73 Qua grootte is deze nederzetting in Zuid-Nederland ongeëvenaard. In totaal werden meer dan twintig plattegronden van huizen opgetekend uit de Midden- en Late Bronstijd (ca. 1575-800 v.Chr.), waarvan waarschijnlijk slechts twee à drie exemplaren gelijktijdig bewoond werden. In zo’n huis leefden mens en vee onder één dak; men spreekt daarom van woonstalhuizen. 74 Vooral runderen waren waarschijnlijk van belang. Noemenswaardig is dat te Son-Ekkersrijt het restant van een grafheuvel te voorschijn is gekomen. Het is, gezien andere vondsten uit Nederland, goed mogelijk dat dit grafmonument ouder was dan de bewoning en de aanleiding was ter plekke een nederzetting te stichten.75 De materiële cultuur die te Son-Ekkersrijt werd opgegraven, is goed vergelijkbaar met wat elders uit Bronstijdnederzettingen in de Lage Landen bekend is: hoofdzakelijk aardewerken vaatwerk en in mindere mate natuurstenen en vuurstenen werktuigen en afval.
Figuur 21 Sporenoverzicht van de Bronstijdnederzetting bij Ekkersrijt in Son (bron: De Jong & Beumer 2011, bijlage 1) en een reconstructie hiervan door Paul Becx hieronder.
72 Fokkens et alii 2016. 73 De Jong 2008; De Jong en Beumer 2011; 2013. 74 Fokkens 2005. 75 Bourgeois en Fontijn 2008.
37
Letterlijk de meest in het oog springende relicten uit de Vroege en Midden-Bronstijd (achtereenvolgens ca. 1.900-1.575 v.Chr. en ca. 1.575-1.200 v.Chr.) in Zuidoost-Brabant zijn grafheuvels ofwel tumuli van de Hilversum-cultuur. Verscheidene daarvan zijn onderzocht, zoals door P.J.R. Modderman bij Alphen en Bergeijk.76 Het meest bekend zijn echter de opgravingen door W. Glasbergen bij Toterfout en Halfmijl.77 Deze onderzoeker meende dat de Hilversum-cultuur van oorsprong Brits was en zich via migratie in Noord-Brabant had gevestigd. Dit idee is echter in de loop van de tijd onder vuur komen te liggen. Thans wordt veeleer de opvatting gehuldigd dat de Hilversum-cultuur zich uit de inheemse Wikkeldraadbeker-cultuur heeft ontwikkeld.78 Toch valt niet te ontkennen dat dit moet zijn gebeurd onder culturele beïnvloeding vanuit andere regio’s (Groot-Brittannië, Noord-Frankrijk en misschien zelfs Ierland).
Figuur 22 Reconstructie van de ijzertijdnederzetting bij Meerhoven in Eindhoven (tekening P.Cox).
In de Midden-Bronstijd werden al groepjes tumuli aangelegd. Dit gebruik van ‘geconcentreerde begraving’ is ook terug te vinden bij de Nederrijnse grafheuvelcultuur uit de Late Bronstijd, Vroege en begin Midden-IJzertijd in de vorm van urnenvelden.79 Naar het zich laat aanzien, betreft het hier een voortzetting van de grafgebruiken uit de Midden-Bronstijd. Lijkverbranding was zowel in de Hilversumcultuur als de Nederrrijnse grafheuvelcultuur de norm, terwijl depositie van de crematieresten in aardewerken urnen in beide culturen regelmatig voorkwam. Het feit dat frequent over urnbijzettingen uit de Late Bronstijd (ca. 1.200-800 v.Chr.) en eerste helft van de IJzertijd een heuvel werd opgeworpen, onderstreept de overeenkomsten met voorafgaande inheemse grafgebruiken. Exemplarisch is een urnenveld te Witrijt, waar de heuveltjes door een ronde greppel ofwel kringgreppels zijn omgeven.80 Ook randstructuren, die ovaal of langovaal tot rechthoekig kunnen zijn,
76 Modderman 1955. 77 Glasbergen 1954; zie tevens Theunissen 1993. 78 Theunissen 1999. 79 Niet iedere onderzoeker is overigens ervan overtuigd dat de Hilversum-cultuur en de Nederrijnse Grafheuvelcultuur zinvolle begrippen zijn en zien daarom ervan af om ze te gebruiken. 80 Van Giffen 1937.
38
waren algemeen.81 Er worden nog steeds nieuwe grafheuvels ontdekt. In 2016 bijvoorbeeld nog op het terrein van Eindhoven Airport.82
Figuur 23 Grafheuvels uit de Bronstijd werden vaak hergebruikt zoals deze in Riethoven die in 1950 is opgegraven en waarbij 178 palen zijn gebruikt voor een palenkrans rond de heuvel (bron: Van Ginkel en Theunissen 2009).
Met de komst van de urnenvelden lijkt het zo te zijn dat een groter deel van de bevolking toegang kreeg tot een bijzetting onder een grafheuvel. Deze vorm van grafritueel werd als het ware gedemocratiseerd, hetgeen inhoudt dat in een urnenveld jong en oud, man en vrouw werden bijgezet, frequent in urnen. Daarentegen zijn er enkele aanwijzingen dat in de Hilversum-cultuur een urnbijzetting (vooral) was voorbehouden aan volwassenen.83 Bij gebrek aan definitief bewijs is nader onderzoek op dit punt zeker gewenst. Tot slot, urnenvelden blijken vaak te zijn aangelegd bij een oudere grafheuvel.84 Vermoedelijk hangt dit samen met een claim op land (zie onder).
Figuur 24 Gouden stater van de Ambiani (omgeving Amiens), geslagen omstreeks 50 v.Chr., gevonden in 1999 op de Beekse Akkers te Lieshout (bron Collectie van het Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord Brabant).
In vergelijking met de exemplaren uit de Midden-Bronstijd waren de huizen uit de urnenveldenperiode in de regel kleiner.85 Nederzettingssporen zijn in Laarbeek vastgesteld bij de Oude Toren van Beek, alwaar een huisplattegrond uit de periode Late Bronstijd-Vroege IJzertijd werd opgetekend.86 De vele scherven op de akkers van Hoge Akkers, Strijp en Heereind duiden ook volop op aanwezige bewoning. Bij de opgraving in Nieuwenhof-Noord zijn ook resten van een nederzetting uit de IJzertijd gevonden. Aan de Beekseweg zijn bij opgravingen in 2001 zes huisplattegronden en meer dan 40 bijgebouwen uit 81 O.a. Drenth 2009; Drenth en Groenendijk 2009. 82 Theunissen & De Kort 2017. 83 Drenth 2016. 84 Drenth 2009, 242. 85 Hiddink 2014b. 86 Het huis is nagebouwd in Dongen, zie https://www.ijzertijdboerderij.nl/
39
de Late Bronstijd en de IJzertijd aangetroffen. In deze tijd bewoonden en beakkerden één of twee boerenfamilies het terrein. Bijzonder is een gouden Ambiani-stater uit de Late IJzertijd (ca. 50 voor Chr.), die gedeponeerd is in het paalgat van een spieker (figuur 24). Onduidelijk is of de munt verloren is, gedeponeerd is als bouwoffer bij het oprichten van de spieker of juist als verlatingsdepositie bij de afbraak ervan. Bewoning uit deze periode ontbreekt in de directe omgeving.87 Nog altijd was er tijdens de IJzertijd sprake, zo wordt aangenomen, van woonstalhuizen, maar het kleinere stalgedeelte geeft een accentverschuiving binnen het gemengde boerenbedrijf weer. De nadruk kwam vermoedelijk meer te liggen op schapenfokkerij en minder op het houden van runderen.88
Figuur 25 IJzertijdboerderijen in het Historisch Openlucht Museum in Dongen (boven) en in Eindhoven. Het huis in Dongen is gebouwd naar het opgegraven huis aan de Lieshoutseweg in Beek en Donk in 1989, (zie https://www.ijzertijdboerderij.nl/scholen/ijzertijd-weetjes/49-de-boerderij).
Een veel gehoorde theorie over de relatie tussen nederzettingen en urnenvelden is dat de urnenvelden de foci ofwel plaatsvaste sites in het landschap waren waaromheen de nederzettingen ‘zwierven’, het zogenoemde zwervende erven-model.89 De urnenvelden zouden de collectieve identiteit van de lokale gemeenschappen hebben gesymboliseerd en uitdrukking hebben gegeven aan territorialiteit. Grond zou geclaimd dan wel het bezit ervan zou gelegitimeerd zijn door met behulp van bovengronds 87 Hiddink 2005a, 220. 88 Roymans 1991, 68. 89 Schinkel 2005; zie Ball en Jansen (2018) voor meer uitleg over dit model.
40
zichtbare graven van de (vermeende) voorouders aan te geven dat land al lang in bezit van de familie dan wel de eigen sociale groep was. Dit model voor de Late Bronstijd en de IJzertijd heeft inmiddels de nodige kritiek gekregen en gewezen is op de diverse aanwijzingen voor meer plaatsvaste woonplaatsen en stabielere erven.90 De term ‘plaatsvaste nederzettingsarealen’ wordt daarbij in de mond genomen. Overigens is kortgeleden naar aanleiding van de site Baarle-Nassau-Klein Bedaf tevens gewezen op het vermoedelijke voorkomen van plaatsvaste nederzettingen in de Midden-Bronstijd.91 Ook de ontdekkingen op de al eerder genoemde site Ekkersrijt doen plaatsvastheid vermoeden. Hoewel veel erop wijst dat de lokale gemeenschappen in de Late Bronstijd en IJzertijd op de ZuidNederlandse Pleistocene gronden vooral zelfvoorzienende eenheden waren, betekent dit niet dat zij in splendid isolation leefden. Contacten met andere sociale groepen elders waren er wel degelijk, getuige onder meer het feit dat zout uit het West-Nederlandse kustgebied en tefrieten maalstenen uit het Midden-Rijngebied werden betrokken. Daarnaast was er een netwerk waarin behalve de Nederrijnse grafheuvelcultuur de Hallstatt-cultuur in Centraal-Europa deelnam.92 Op deze manier verwierf men in Zuid-Nederland metalen voorwerpen, zoals bronzen en ijzeren zwaarden evenals bronzen ketels en situla’s.
Naar het zich laat aanzien, waren binnen de genoemde regio deze contacten vooral of exclusief in handen van de elite. Met de bovengenoemde voorwerpen konden de bezitters zich onderscheiden van de andere leden van de eigen gemeenschap dan wel hun hoge sociale positie benadrukken. Bij de verspreiding van deze prestige-items of statusobjecten valt het overigens op dat zij sterk gebonden zijn aan de loop van de Rijn en vooral de Maas.
Figuur 26 Impressie van een boerenerf in de late IJzertijd met rondom raatakkers (bron: U. Glimmerveen).
Op basis van het aantal en de omvang van urnenvelden evenals het aantal gelijktijdig bewoonde huizen in een nederzetting – men gaat doorgaans uit van twee à drie exemplaren, waarbij het gemiddelde aantal bewoners per boerderij op 6 wordt geschat -, is een schatting gemaakt van de bevolkingsdichtheid aan het begin van de Vroege IJzertijd. De uitkomst is 3 tot 4,5 personen per km 2. Ter vergelijking vandaag de dag ligt de dichtheid op ca. 400 personen/km2. Het bovengeschetste beeld voor de Vroege en het begin van de Midden-IJzertijd geldt in hoofdlijnen ook voor de Midden- en Late IJzertijd (resp. ca. 500-275/250 v.Chr. en 275/275-12.Chr.). Vele gebruiken en tradities werden voortgezet, hoewel niet altijd in ongewijzigde vorm. Lijkverbranding 90 Ball en Jansen 2018. 91 Van der Veken en Müller 2016. 92 Roymans 1991; Van der Vaart-Verschoof 2017.
41
bijvoorbeeld bleef de norm, maar ingeval van structuren die de bijzettingen omgaven, overheersten niet langer ronde of ovale greppels, maar vierkante en rechthoekige greppels. 93 In de loop van de IJzertijd werd het grondplan van huizen in Zuid-Nederland veranderd: van drieschepig in de Vroege IJzertijd naar tweeschepig in de Midden- en Late IJzertijd.94 Zuid-Nederland stond tijdens de Midden- en Late IJzertijd duidelijk onder zuidelijke invloed. Een deel van het aardewerk uit de 5e eeuw en het begin van de 4e eeuw is duidelijk geïnspireerd op vormen van de Noord-Franse Marne-cultuur. Wellicht mogen inhumatiebegravingen uit Zuid-Nederland, zoals die aangetroffen te Someren-Waterdael95, vanwege de afwijkende lijkbehandeling toegeschreven worden aan Noord-Franse immigranten.96 De vondsten uit de IJzertijd worden gekenmerkt door vrij grove aardewerkscherven. Sommige scherven kunnen geïdentificeerd worden als behorend tot de Hallstatt-cultuur en de La Tène-cultuur. De dichtstbijzijnde vindplaatsen uit de IJzertijd met duidelijk aanwijsbare overblijfselen zijn gelegen te Beek bij de Oude Toren en de Hoge Akkers in Aarle-Rixtel. Hier werden in 1931 een zestal Hallstatt urnen gevonden waarvan een deel in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden terecht is gekomen (zie figuur 27). Van de Keltische La Tène-cultuur werden slechts enkele scherven gevonden.
Diverse andere vondsten werden gedaan op de zogenaamde Munnickakkers bij de Valkendijk en op de Duivenakker. 97 Achter de Oude Toren van Beek heeft op een iets hogere zandrug een klein urnenveldje gelegen. Bij de bouw van een klooster in 1938 werd het perceel gedeeltelijk uitgezand, waarbij vele urnen zijn vernield. Er werden 16 urnen verzameld.
Figuur 27 Een grafurn (links) en een bijgift in de vorm van een geoorde beker ( Henkeltöpf) uit IJzertijd (Hallstatt B), die tijdens het afgraven van een zandrug in Beek tevoorschijn kwamen ( Collectie Rijksmuseum voor Oudheden). 98
2.3
Romeinse tijd (12 voor Chr. – 450 na Chr.): een periode van groei en vooruitgang
Ria Berkvens 2.3.1
Continuïteit van late ijzertijd naar vroeg-Romeinse tijd?
Rond 50 v.Chr. viel ons gebied in handen van de Romeinen. Voor het eerst worden deze streken vermeld in historische bronnen. Julius Caesar beschrijft de strijd die hij hier voert tegen de Eburonen, een opstandige stam uit deze contreien, die door de Romeinse troepen volledig in de pan wordt gehakt. Tot nu toe ontbreken overtuigende archeologische bewijzen van de door Caesar beschreven 93 Hessing & Kooi 2005, 651. 94 Hiddink 2014b; Schinkel 2005. 95 Kortlang 1999, 150 en fig. 8. 96 Van den Broeke & Hessing 2005. 97 Coenen 1992. 98 Desittere 1968, 37 en fig. 42 nr. 4. Zie ook Huijbers 2004b, 21.
42
Gallische oorlogen met massaslachtingen halverwege de eerste eeuw v. Chr. Ook hoe de door historische bronnen genoemde grootschalige verhuizing van Germaanse stammen als de Bataven en Texuandri in de eerste eeuw voor Chr. precies voorgesteld moet worden, blijft een belangrijke onderzoeksvraag voor de komende jaren. Vooral het aantonen van veranderingen in materiele cultuur, de wijze van voedselvoorziening en bouwtradities op basis van scherpe dateringen blijft nodig, want er is nog te weinig zicht op de veranderingen die zich hebben afgespeeld in de eerste eeuw voor Chr. In het algemeen lijken locatiekeuze en bewoningsdynamiek – en alles wat daar mee samenhangt – veel minder grote verschillen te vertonen voor én na het begin van de jaartelling dan is verondersteld. In grote delen van oostelijk Noord-Brabant zijn pas in de loop van de eerste eeuw grote veranderingen te zien in huizenbouw, uitleg van nederzettingen en de import van gebruiksgoederen. Tot die tijd blijft de huizenbouw en de erfsamenstelling zeker in het zuiden nog sterk geënt op ijzertijdtradities met gemengde boerenbedrijven en kleinschalige landbouw. Grote veranderingen zien we vooral vanaf circa 70 n. Chr., na de Bataafse Opstand, wanneer het Romeinse bestuur zijn invloed en bemoeienis op oostelijk Noord-Brabant vergroot.99
Figuur 28 De verspreiding van de inheemse stammen in het noordelijk frontiergebied van Gallia Belgica rond 20/30 na Chr. (naar Slofstra 1991,185).
2.3.2
Vroeg Romeinse tijd
In Nederland begint de Romeinse tijd in 12 v.Chr., toen alle stammen in Nederland, inclusief die ten noorden van de grote rivieren, door de Romeinse veldheer Drusus waren onderworpen. Vanaf het midden van de 1e eeuw n.Chr. werd de Rijn de noordgrens van het Romeinse Rijk in West-Europa. Rond de jaartelling woonden hier verschillende groepen, die leefden in een redelijk georganiseerde maatschappij van lokale leiders en stammen. Deze groepen werden opgenomen in het Romeinse Rijk en integreren langzaam in de nieuwe Romeinse maatschappij. Langzaam komt het gebied onder het Romeinse bestuur tot grote bloei. De Texuandri, zoals de bewoners van de Zuid-Nederlandse en NoordBelgische zandgronden vanaf de eerste eeuw heten, worden administratief ingedeeld bij de Civitas Tungrorum, met thans het Belgische Tongeren als hoofdstad. In de Late IJzertijd waren de stamoudsten en leden van de elite verantwoordelijk voor de interregionale contacten. Uit de geschreven bronnen is bekend dat de leiders van verschillende stammen onderling 99 Van der Linde 2016; Ball et al. 2016.
43
verdragen en huwelijken sloten en geschenken en goederen uitwisselden.100 De macht van de elites berustte in belangrijke mate op bezit van grondstoffen, goederen en kostbaarheden (agrarische producten, vee, slaven, goud). Goederen en kostbaarheden verkreeg men door tribuut (belasting) te heffen, maar vooral ook door het houden van raids (plundertochten) bij naburige stammen. Hierdoor was het nodig dat een leider een gevolg van krijgers aan zich bond. Hij moest zich kunnen beroepen op een voorname afstamming, succesvol zijn in de strijd en ten slotte vrijgevig betonen tegenover zijn krijgers. De hele samenleving was doortrokken van elitaire gedragscodes en de bijbehorende krijgshaftigheid. Tegen deze achtergrond werd deze regio ingelijfd in het Romeinse Rijk en werd de Kempen onderdeel van een honderd km brede grenszone tussen de Rijn en het Gallische achterland. Dit gebeurde vooral na de Bataafse opstand. Omdat dit gebied nooit door een paar Romeinse legioenen gecontroleerd kon worden, schakelde men (gebruik makend van de al heersende krijgshaftige instelling) inheemse groepen in.
De stammen in de hedendaagse Benelux en aangrenzende Duitse Moezel- en Rijngebied leverden in de Vroeg Romeinse tijd maar liefst 5 alae (cavalerie) en 31 cohortes (infanterie), in totaal zo’n 18.000 manschappen.101 Dit impliceert dat mannen uit talloze families in het Romeinse leger dienden en dat het krijgshaftige karakter van de samenleving lang in stand bleef.
Figuur 29 Veel Romeinse legionairs werden gerekruteerd bij de lokale bevolking (bron: BrabantsErfgoed.nl).
Deze krijgshaftigheid komt tot uiting in het voorkomen van graven met wapens in de 1 e eeuw na Chr.102 Een dergelijk krijgersgraf is bijvoorbeeld aangetroffen in Someren. Het gaat om een graf uit de Augusteïsche of Tiberische periode, waarbij de dode is begraven met bijgiften als een Romeins zwaard, een schaar, een scheermes en een kruik. Hij was bijgezet in de greppel van een ouder graf, een zogeheten langbed binnen een urnenveld dat toen al een paar eeuwen buiten gebruik was. 103 Ook bij Bladel is een graf gevonden uit de periode voor 50 na Chr. In dit graf zijn geen wapens mee begraven, maar wel Romeinse producten die in die periode uitsluitend via contacten met het leger verkregen
100 Roymans 1990 101 Roymans 1995, 1996 102 Hiddink 2004 103 Roymans en Kortlang 1993, 33
44
kunnen zijn.104 Daarna komen een tijdlang geen wapengraven meer voor. Pas in de vierde eeuw, worden ze weer aangetroffen.105
Figuur 30 Zuidoost-Brabant maakt vanaf circa 70 na Chr. deel uit van de Romeinse provincie Germania Inferior en ligt daarbij in de Civitas Tungrorum met als hoofdstad Tongeren.
In de meeste nederzettingen in oostelijk Noord-Brabant is in de vroeg-Romeinse tijd sprake van een verspreid nederzettingspatroon met een uitleg waarbij huizen parallel naast elkaar lagen en meestal dezelfde oriëntatie hebben. Met name in de Maaskant zijn veel nederzettingen omgreppeld, een fenomeen dat we ook al zagen in de late ijzertijd. Het aantal nederzettingen groeit sterk vanaf het begin van de jaartelling, waarschijnlijk als gevolg van de vraag naar voedselmiddelen en gebruiksgoederen vanuit steden, legerkampen en de vici. Nederzettingen komen in heel oostelijk Noord-Brabant al voor vanaf het begin van de eerste eeuw en bestaan dan uit drie tot vier erven. In het laatste kwart van de eerste eeuw na Chr. worden huizen steevast op hetzelfde erf herbouwd en lijken nederzettingen te zijn ingedeeld in percelen, hoewel erfscheidingen, zoals die in Uden-Noord, maar zelden worden aangetroffen. Mogelijk zien we hier de gevolgen van gewijzigde bezitsverhoudingen en/of afhankelijkheidsrelaties die volgden op de reorganisatie van de civitates na de Bataafse opstand.
104 Slofstra 1982, 99-100 105 Van Ginkel en Theunissen 2009
45
2.3.3
Romeinse overheersing
De Romeinse aanwezigheid heeft in het gebied ten zuiden van de Rijn ruim vier eeuwen geduurd en deze resulteerde in ingrijpende veranderingen voor de inheemse samenleving van onder andere de Noord-Brabantse zandgronden. De Romeinen introduceren hier een groot aantal technische innovaties, waarbij gedacht kan worden aan gereedschappen, landbouwwerktuigen, dakpannen, waterleiding, glas, vloerverwarming, badhuizen en een uitgebreid wegennet. Voor het eerst werd met geld betaald in plaats via de traditionele ruilhandel. Een van de meest gebruikte goederen, aardewerk, werd voortaan geïmporteerd vanuit pottenbakkerijen, zoals in het Duitse Rijnland en uit het huidige Frankrijk. Een wezenlijk verschil met het inheemse aardewerk, waarvan de productie in de eerste eeuw zelfs geheel werd gestaakt, was dat het hardgebakken Romeinse aardewerk op de draaischijf was gemaakt, in tegenstelling tot het handgevormde zachtgebakken inheemse aardewerk. Ook is de invloed van de Romeinen op de inheemse agrarische economie zeer groot geweest. Er werden nieuwe gewassen ingevoerd, die sindsdien lokaal zijn verbouwd, waaronder peer, perzik, druif, selderij en walnoot en tamme kastanje. Ook in de veestapel veranderde veel, zoals onder andere de introductie van de kip.
Afhankelijk van de landschappelijke omstandigheden werd in de Romeinse tijd gekeken naar de verschillende mogelijkheden voor economische exploitatie van gronden en grondstoffen in de diverse (micro-)regio’s. Nieuwe nederzettingen als Helmond-Mierlo-Hout, Lieshout–Nieuwenhof, Uden-Noord, Veghel-Scheifelaar en Nistelrode-Zwarte Molen worden geïnterpreteerd als (grootschalige) gespecialiseerde bedrijven vergelijkbaar met de bedrijfsmatig ingerichte villa’s op de lössgronden. Een akkerbouwbedrijf zal meer opleveren op de meer leemrijke, vruchtbare en niet te natte gronden, terwijl een veeteeltbedrijf voldoende hooi- en weidegronden tot zijn beschikking moet hebben. Rond Eindhoven, Uden en Weert is mogelijk nauwelijks sprake van akkerbouw, maar wel van veeteelt. Het hoge aantal graslandpollen wijst op weilanden en het gebrek aan cultuurgewassen laat tegelijkertijd zien dat er weinig geakkerd werd. Ook waterputten in Best-Aarle hebben aanwijzingen opgeleverd voor het grote belang van veeteelt. Mogelijk hadden deze Aarlese gemeenschappen zich in de loop van de Romeinse tijd in belangrijke mate gespecialiseerd in het houden van vee. Uit Lieshout zijn twee grote nederzettingen uit de Romeinse tijd bekend.
Eén van deze nederzettingen, Lieshout-Beekseweg (zie figuur 31), bestond eigenlijk uit drie direct naast elkaar gelegen nederzettingen met een onderlinge afstand van 350 tot 300 m (figuur 31).106 De grootste nederzetting Oost dateert vanaf het begin van de eerste eeuw tot in het derde kwart van de tweede eeuw na Chr. en bestaat waarschijnlijk uit drie gelijktijdige erven. In totaal zijn hier 21 woonstalhuizen, vijf bijgebouwen, spiekers (waarvan een of twee horrea) en vijf waterputten aangetroffen. Hiddink geeft aan dat het vrijwel onmogelijk is om een beeld te krijgen van de ontwikkeling van de nederzetting door het zeer lage aantal vondsten.107 Hij geeft toch een impressie waarbij de bewoning in het begin van de eerste eeuw centraal gelegen is en langzaam naar het noordoosten en vervolgens zuidwesten opschuift. 108 Een structuur in de verschuiving van de bewoning is er niet in te ontdekken. De oriëntatie van de huizen is hoofdzakelijk noordoost-zuidwest gericht, wat ook zichtbaar is bij de nederzettingen Zuid en West. Op 300 m naar het westen lag een volgende nederzetting (Zuid) die bestond uit een omgreppeld mogelijk éénfasig erf en bewoond was in de derde eeuw. De westelijke vindplaats bevat vier verspreid gelegen éénfasige erven waarop telkens één huis aanwezig was met soms een enkele spieker en waterput. De drie huizen met een verdiepte stal dateren uit de derde eeuw.
Het noordelijke huis dateert uit de eerste of tweede eeuw en lag naast een zandweg, bestaande uit twee parallelle greppels met een onderlinge afstand van 8 m.109
106Hiddink 2005a. 107Hiddink 2005a, 133-141. 108Hiddink 2005a, 133-141. 109 Hiddink & Roymans 2015, 63; Hiddink 2005a, 133-141.
46
Figuur 31 Overzicht van de drie nederzettingen aan de Beekseweg in Lieshout (bron: Hiddink 2005a, afb. 7.1).
De andere grote nederzetting in Lieshout betreft Lieshout-Nieuwenhof Noord (figuur 32).110 De Romeinse bewoning gaat hier zonder onderbreking door vanaf de late ijzertijd. In totaal zijn er 26 huizen, 65 bijgebouwen, 19 waterputten/-kuilen, 18 greppels, een weg, een veekraal, een palissade en een graf aangetroffen. Vanwege het feit dat er erg veel structuren zijn aangetroffen én de sporen en structuren buiten het opgegraven areaal doorlopen is het niet altijd mogelijk de afzonderlijke erven goed te onderscheiden. In de vroeg-Romeinse tijd lijkt er sprake te zijn van twee tot drie huiserven maar vanaf het midden van de Romeinse tijd stijgt het aantal gelijktijdige erven gestaag naar zes tot acht. Een halve eeuw later lijkt dit aantal terug te lopen, maar het is dan duidelijk dat de nederzetting in zijn geheel groter van opzet wordt en de bebouwing zich in westelijke richting, buiten het opgegraven areaal, doorzet. Dit is ook het geval voor de derde eeuw, waarbij op het opgravingsterrein vijf geclusterde boerderijen aanwezig zijn, met mogelijk ten westen daarvan nog enkele bijgebouwen en een mogelijke villa. In deze fase zijn de afzonderlijke erven niet of nauwelijks te onderscheiden en kan beter gesproken worden van één gezamenlijk erf met meerdere boerderijen. Halverwege de derde eeuw stopt hier de bewoning.111 Direct naast de nederzetting lag een grafkuil met vele bijgiften.
Het gaat om een bekiste kuil met 23 stuks onverbrand vaatwerk uit het einde van de tweede eeuw of het begin van de derde eeuw: drie borden/schotels van terra sigillata, vier geverfde borden, twee geverfde bekers en een geverfde kom, een kruik, een ruwwandig bord en fragmenten van enkele andere vormen.112 Crematieresten ontbreken. Bij de aanleg van het vlak zijn ook wat kleine fragmenten bewerkt travertijn aangetroffen, die mogelijk afkomstig zijn van de restanten van een grafmonument. Hier wordt vermoed dat er in nabijheid sprake is van een groter grafveld, mogelijk langs de hier aangesneden Romeinse weg.113
110 Van der Weerden & Brouwer 2015. 111 Van der Weerden & Brouwer 2015, 59-110. 112 Van der Weerden & Brouwer 2015. 113 Van der Weerden & Brouwer 2015, 258-259.
47
Figuur 32 Verschillende fasen uit de nederzetting Lieshout -Nieuwenhof Noord: 0-25, 75-100, 150-175 en 200-225? (bron: Van de Weerden & Brouwer 2015, afb. 4.19, afb. 4.36, afb. 4.52 en afb. 4.61 aangepast).
In Lieshout zijn verder bij het graven van het Wilhelminakanaal, tussen 1917 en 1921, sporen van een mogelijke Romeinse nederzetting gevonden. De vondsten zijn gedaan bij het graven van het Wilhelminakanaal. Mogelijk is er een connectie met de Romeinse nederzetting die iets noordelijker bij de nieuwbouwwijk Nieuwenhof werd opgegraven. Hier werden bij de aanleg van wegen, riolering en
48
woningbouw vanaf 1989 tot en met 1994 acht gebouwplattegronden en waterputten uit de 1-2e eeuw na Chr. blootgelegd.114 2.3.4
Erf en nederzetting in de Romeinse tijd115
De belangrijkste elementen op een agrarisch erf in de Romeinse tijd zijn de boerderij met daar omheen de bijgebouwen en een waterput. Vergelijkbaar met eerdere perioden lijkt er geen sprake van een gestandaardiseerde inrichting en de aanwezigheid en aantallen van bijgebouwen, waterputten en woonhuizen verschilt sterk per nederzetting. Het is ook niet altijd duidelijk of er binnen een nederzetting sprake is van meerdere individuele erven of dat er sprake is van één samengesteld erfcomplex. In het laatste geval vormen meerdere boerderijen samen één agrarisch bedrijf. Deze nieuwe nederzettingsvorm, die in uitzonderlijke gevallen uitgroeide tot een groot landbouwbedrijf met een stenen hoofdgebouw, zijn een duidelijke verandering ten opzichte van de late prehistorie. Het inrichten van grootschaligere bedrijven hangt mogelijk samen met de verdeling van grond(bezit) en het zo optimaal mogelijk exploiteren van de bestaansbronnen in de Romeinse tijd waar we vanuit archeologische bronnen echter nog maar weinig grip of bewijs voor hebben. Deze herverdeling lijkt ook de oorzaak te zijn van het nog sterker concentreren van huizen in de Romeinse tijd.
Hoewel erfafscheidingen veelal ontbreken, lijken de huizen door de tijd heen veelal op dezelfde plek of daar direct aansluitend gebouwd te worden, ook al was daar beperkt ruimte of was er sprake van een slechte ondergrond (zoals bij het overbouwen van oude waterputten). De erven lijken daarmee systematisch verdeeld te zijn over percelen land. Dit beeld wordt goed zichtbaar in de onderzochte delen van Romeinse dorpen (vici) in de vorm van lintbebouwing, zoals zichtbaar in Cuijk en Venlo, waarbij lange percelen dwars op de straat worden ingericht met lange smalle huizen aan de voorzijden en werkruimten achterin op het perceel. Na 70 na Chr. ontstaan in oostelijk Noord-Brabant ook grotere, planmatig aangelegde nederzettingen die gericht waren op het produceren voor de markt, zoals Nistelrode-Zwarte Molen, Hoogeloon en OssWesterveld, waarbij verkavelingssystemen rond de erven en de nederzetting wijzen op landindeling. In het zuiden vindt rond 150-200 na Chr. een bouwgolf plaats wanneer de nederzettingen in Oerle-Zuid, Helmond-Mierlo-Hout en Veghel-Scheifelaar worden gesticht. In deze periode verandert ook de indeling van de nederzetting in Lieshout-Nieuwenhof naar een axiale indeling en wordt de villa van Hoogeloon uitgebreid. Er worden nieuwe nederzettingen gesticht op plekken waar eerder geen bewoning plaatsvond.
Deze nederzettingen verschilden fundamenteel van hun voorgangers uit de latere ijzertijd en vroegRomeinse tijd. Dat kan ook bijna niet anders, als men bedenkt dat de verovering door de Romeinen zorgde voor de komst van groepen nieuwe bewoners, de herverdeling van grondbezit, het betalen van belastingen, het ontstaan van een markteconomie en de groei van slavenarbeid en afhankelijke arbeiders. In sommige gevallen lijkt zelfs sprake te zijn van een bedrijf dat bestond uit diverse gebouwen met werk- en woonfuncties, zoals in de nederzettingen van Oerle-Zuid, LieshoutNieuwenhof, Helmond-Mierlo Hout (zie figuur 33) en Nistelrode-Zwarte Molen. De dicht op elkaar gesitueerde huizen met bijgebouwen zijn hier gegroepeerd rond een open plaats waarbij gezamenlijk gebruik werd gemaakt van één of meer waterput(ten). De axiale symmetrie van deze nederzettingen komt sterk overeen met villa-terreinen, de villa rustica, waarbij naast het hoofdgebouw meerdere rijen met bedrijfsgebouwen aanwezig waren. Het is goed mogelijk dat het hier dan ook gaat om grote boerenbedrijven, gesticht door de staat of grootgrondbezitters en verpacht aan pachters, waarbij naast een woonhuis, werkruimten en/of stallen, ook onderkomens aanwezig waren voor de al dan niet afhankelijke landarbeiders. Daarnaast zijn er nog andere aanwijzingen voor grootschalige productie in
114 P. Verwers en P. Kleij, 1998: Archeologische Kroniek van Noord-Brabant 1994-1996, p. 51-53. 115 Berkvens 2018.
49
de vorm van structuren voor opslag en ambachtelijke activiteiten, die aan de randen van diverse nederzettingen voorkomen.
Figuur 33 Reconstructie van de planmatig aangelegde Rome inse nederzetting bij Helmond-Mierlo-Hout, gesticht in de tweede helft van de 2e eeuw n.Chr. en in gebruik tot circa 250 n.Chr. Eén van de zijden werd afgesloten door een langgerekte spieker of spiekerij (De Jong et al. 2015, 126, afb. 75).
De grote hoeveelheid gestempelde dakpannen en de maatvoering in de nederzettingen NistelrodeZwarte Molen en Oss-Westerveld wijzen op de invloed van het Romeinse leger. Deze bouwgolf valt niet alleen samen met de bouw van de tempels bij Empel, Kessel en Cuijk aan het einde van de 1e en begin van de 2e eeuw, maar ook met de verbetering van de wegenstructuur in de Limes. Ervaring en de benodigde kennis om in steen en volgens Romeinse bouwschema’s te bouwen was in eerste instantie waarschijnlijk niet bij de lokale bevolking aanwezig. Dat gold ook voor de bouw van een villa in steen zoals in Hoogeloon. Deze vormt tot nu echter nog de enige stenen villabouw in oostelijk Noord-Brabant en zal in de 2e eeuw na Chr. gebouwd zijn door stedelijke ambachtslieden, vermoedelijk uit Tongeren. De villa van Hoogeloon (figuur 34) fungeerde als verzamelbedrijf op regionale schaal, waarbij omringende afhankelijke pachtnederzettingen vee teelden voor de stedelijke markt via de pachtheer, de villaeigenaar. De villa diende als centrale plaats van waaruit transporten richting de markt (vermoedelijk Tongeren) plaatsvonden. De transformatie van omgreppelde nederzetting in de 2 e eeuw tot een villa met steenbouw heeft, in tegenstelling tot de zuidelijkere lössgronden en het rivierengebied, in oostelijk Noord-Brabant zelden plaatsgevonden.
Volgens Roymans, Hiddink en Derks116 zou dit te wijten zijn aan de Texuandriese bewoners die hun prehistorische stamidentiteit koesterden en door de slechte bereikbaarheid van dit vermeende afgelegen gebied. Hoe de prehistorische identiteit van de Texuandri zich echter verhoudt tot de veronderstelde verdrijving van de oorspronkelijke inheemse Eburonen uit dit gebied, is niet duidelijk. Naast deze middelgrote villa van Hoogeloon worden er villa-nederzettingen zonder stenen hoofdgebouw onderscheiden. Het gaat hierbij om nederzettingen met axiale indeling en met porticushuizen of andere typen hoofdgebouwen, waarin Romeinse maatvoering, (bak)steen, vensterglas en/of ijzeren nagels in de constructie werden gebruikt. Dit gespreide en diverse beeld van de nederzettingen in het onderzoeksgebied reflecteert de complexe Romeinse maatschappij, die zowel inzette en stuurde op de exploitatie van het natuurlijke landschap door grootgrondbezitters als door afhankelijke pachters en zelfstandigen. Het zorgde voor sociaaleconomische welvaart voor haar inwoners en daarmee politieke rust in dit deel van het Rijk.
116 Hiddink & Roymans 2015, 46; Roymans & Derks 2015a, 12-18.
50
De opname van oostelijk Noord-Brabant binnen het Romeinse rijk en het daarbij horende imperiumwijd verbreid informatie- en handelsnetwerk, bracht op veel vlakken voor de inwoners veranderingen met zich mee. Naast andere bouwstijlen, zien we de veranderingen vooral in het gebruik van nieuwe producten en materialen als draaischijfaardewerk, muntgeld, vensterglas, natuursteen, ijzeren nagels en grofkeramisch bouwmateriaal. Hoewel het effect hiervan pas duidelijk zichtbaar wordt in de archeologische neerslag in de loop van de eerste eeuw, zal het begin al liggen in de eerste eeuw vóór Chr. als het zich beperkt tot de leden van de plaatselijke aristocratie. In de loop van de eerste eeuw en het begin van de tweede eeuw na Chr. begon het nederzettingslandschap op het platteland van Zuidoost-Nederland langzaam, maar zeker niet overal gelijktijdig te veranderen.
Figuur 34 Reconstructietekening van de Romeinse villa van Hoogeloon (tekening M. Kriek).
De meeste nederzettingen in oostelijk Noord-Brabant lijken te hebben bestaan uit gemengde en deels zelfvoorzienende boerenbedrijven, gerund door vrije of afhankelijke boeren, waarbij men naast het houden van vee ook deed aan akker- en tuinbouw. Een deel van de opbrengst werd in de vorm van belastingen overgedragen aan de Romeinse autoriteiten. Het grote scala aan niet-lokale producten, zoals veel aardewerk, specifieke etenswaar, dakpannen, maal- en slijpstenen, bepaalde gereedschappen, sieraden, glas en soms zelfs terracotta beeldjes, die in deze nederzettingen voorkomen, zal via de verkoop van eigen producten, op de markt zijn verkregen. De aard van deze producten en daarmee de economische specialisatie van de boeren is moeilijk te achterhalen door het gebrek aan eenduidige en grote aantallen zoölogische en botanische resten. Ook over eventuele ambachtelijke productie weten we weinig. Naast de kleinere boerenbedrijven ontstaan in de loop van de vroege en midden-Romeinse tijd ook grotere boerenbedrijven die zich gaan richten op een bepaalde vorm van veeteelt of akker-/tuinbouw. Vooral na 70 na Chr. groeit de markteconomie wat blijkt uit het verdwijnen van handgevormd aardewerk en de opkomst van de munteconomie.
In de regio rond Best, Uden en Weert wijst het hoge aantal graslandpollen op overvloedige graslanden en wordt als bestaansbasis van de nederzettingen dan ook hoofdzakelijk gedacht aan veeteelt. Of het hier dan om runderen of om schapen of geiten dan wel varkens gaat, is nog de vraag. Voor de villa van Hoogeloon en de omliggende nederzettingen wordt uitgegaan van grootschalige teelt van runderen vanwege een grote veekraal met drenkkuil en de afwezigheid van een graanopslag. De runderen werden enerzijds gefokt voor het vlees en anderzijds voor het gebruik als lastdier. Botanische analyse wijst overproductie van graan in ieder geval af, maar het telen van kruiden, groenten, fruit en noten op 51
grotere schaal, is niet uit te sluiten. Om een goed product te garanderen was kennis nodig, wat zeker bij bijvoorbeeld de productie van draaischijfaardewerk, niet in de provincie aanwezig zal zijn geweest. Hiervoor zal een beroep zijn gedaan op vaklieden in de steden, vici of het leger. De productie werd verder afgestemd op de vraag vanuit de markt, zoals het meer produceren van het bij de Romeinen geliefde varkensvlees.
Figuur 35 Reconstructie van een Romeinse waanstalboerderij zoals ze ook in Lieshout zijn aangetroffen.
2.3.5
Grafritueel
Naast grote langdurig in gebruik zijnde grafvelden komen ook nieuwe en soms kortstondig gebruikte kleinere begraafplaatsen als ook losse begravingen voor. De grote grafvelden zijn vaak al vanaf de midden of late ijzertijd in gebruik waarbij een vrijwel continu gebruik van begraven zichtbaar is tot in de midden en zelfs laat-Romeinse tijd, zoals bijvoorbeeld in Someren-Waterdael III. Oudere urnenvelden worden ook geregeld hergebruikt in de Romeinse tijd, waarbij soms bestaande grafheuvels worden gerespecteerd, maar soms wordt er ook bewust overheen gebouwd. Binnen het grafritueel overheersen de crematies; inhumaties komen nauwelijks voor, net als het gebruik van urnen. Verschillen zijn zichtbaar in het al dan niet voorkomen van randstructuren, de vorm daarvan, de verhouding van de verschillende graftypen (en daarmee de verhouding onverbrande versus verbrande bijgiften), de aardewerkassemblage, de soorten dierlijk bot, percentage graven met een munt, etc. In de Romeinse tijd lijken grafkuilen niet meer altijd gemarkeerd door een grafheuvel, maar van deze bovengrondse architectuur van de graven is nog maar weinig bekend. Het bekendst zijn de greppels of ringsloten waarmee het grafareaal in veel gevallen omsloten is. Het is vooralsnog onduidelijk wat de verschillen tussen rechthoekige en ronde grafarealen te betekenen hebben (mannelijk vs. vrouwelijk?).