6 20210721 Bijlage 3 Rapport Actualisatie archeologische kaart (1).pdf
Tekst van het document
De meest toegepaste manier van dodenbestel was cremeren, waarbij de dode op een brandstapel werd verbrand, al dan niet met bijgiften, waarna de dode werd bijgezet in een kuil. Deze vorm komt in de meeste grafvelden van oostelijk Noord-Brabant voor. Meer monumentale graven zoals een tumulus of 52
graftoren komen ook voor, maar duidelijk in mindere mate, waarbij ook kleine en grotere varianten voorkomen. Hoogeloon-Kabouterberg en Esch-Hoogkeiteren zijn grafvelden die horen bij villabewoners, terwijl het grafveld van Cuijk-Grotestraat hoorde bij de vicus van Ceuclum. Vooral in Cuijk is het cultuurverschil tussen de bewoners in de vicus en de landelijke nederzetting zichtbaar in de bijgiften, door de vergelijking met het grafveld van Cuijk-Heeswijkse Kampen. Op slechts enkele kilometers afstand van elkaar lijken twee verschillende werelden te bestaan waarbij de inwoners van Ceuclum volop deelnamen aan de Romeinse cultuur en het economisch zichtbaar goed hadden, terwijl de inwoners van Cuijk-Heeswijkse Kampen nog zichtbaar 100 jaar achterliepen in welvaart. Misschien zien we hier wel het verschil in Romeinse staatsburgers en al dan niet vrije boeren, landarbeiders en slaven.
Figuur 36 Reconstructie van de kabouterberg bij Hoogeloon met in de hoek de stenen Romeinse graftoren die dateert uit het begin van de 2 e eeuw na Chr. De toren moet ongeveer 7 meter hoog zijn geweest. Het monument is het eerste exemplaar dat aangetroffen is op het platteland in Nederland en wel in de directe nabijheid van een Romeinse villa (bro n: http://www.vu.nl).
Grafvelden liggen vaak op de flank van een dekzandrug, grenzend aan een ven of een zone met natte veldpodzolen van bijvoorbeeld een beekdal. Deze natte plekken speelden blijkbaar een rol in de wereld van de goden wat in Dinther-Retsel duidelijk werd door de vondst van intentioneel gedeponeerde bekers aan de rand van het ven. De grafvelden lagen op veel plekken waarschijnlijk nabij of naast doorgaande wegen, hoewel dat lang niet overal vastgesteld kan worden door het gebrek aan archeologische zichtbaarheid van de wegen. Alleen in Cuijk-Grotestraat is hier duidelijk sprake van, en bestaan er vermoedens van wegen bij Hoogeloon-Kabouterberg (figuur 36), Nederweert-Rosveld en Best-Aarle door de rechtlijnige oriëntatie van graven.
53
Figuur 37 Overzicht van Romeinse complexen in Laarbeek, geprojecteerd op het fysische landschap met open akkergebieden. De op twee plaatsen aangetroffen Romeinse weg is gereconstrueerd en verbonden met de oudste middeleeuwse kerklocaties van Lieshout en Beek en Donk (bron: erfgoedkaart Laarbeek 2012 aangepast).
2.3.6
Infrastructuur
In de loop van de eerste eeuw na Chr. worden door de Romeinen wegen aangelegd bij Cuijk en Boxmeer, tempels gebouwd in Empel, Cuijk en Kessel-Lith en een vicus bij Cuijk. De resten van wegen die in oostelijk Noord-Brabant tot nu toe zijn gevonden, zeggen vooralsnog niets over lokale verschillen of over primaire en secundaire verbindingen in het gebied. Buiten de brug bij Cuijk en de doorgaande weg van Nijmegen naar Xanten langs de Maas bij Cuijk en Boxmeer, is er over de infrastructuur in oostelijk Noord-Brabant nog maar heel weinig bekend. De enige Romeinse wegen die we kennen uit opgravingen zijn gevonden in Lieshout- Beekseweg en Lieshout-Nieuwenhof Noord. De 54
aanwezige wegen van 5,2 tot 6,5 m breed hebben, gezien het vondstmateriaal en de relatie tot andere structuren, gefunctioneerd in de tweede eeuw. Gezien de gelijktijdigheid van de vindplaatsen zullen de twee wegen hier in verbinding met elkaar hebben gestaan, mogelijk via Lieshout-’t Hof naar de Oude Toren van Beek waar aanwijzingen zijn voor een Romeins grafveld en een urnenveld (figuur 37). De weg loopt in de nederzetting Nieuwenhof-Noord uit op een centrale open ruimte. De weg liep vermoedelijk richting Son waar een gunstige oversteekplaats over de Dommel aanwezig was. 117 Het merendeel van de waterlopen in oostelijk Noord-Brabant bestond uit beken die maar beperkt bevaarbaar zijn geweest. Alleen daar waar de stroom breed genoeg was, zal scheepvaart hebben plaats gevonden. De rest van de beken vormden smalle stroompjes met veel veengroei. Deze beken werden op plekken waar de beek het smalste was, overgestoken. Deze voorden dateren vaak al uit de latere prehistorie. De gevonden brugconstructies bij Hoogeloon, Stamproy en Haelen, laten een damconstructie met of zonder duiker zien, waarbij een houten bekisting opgevuld was met zand, stenen en plaggen en de twee meter brede weg bedekt was met planken of boomstammen (zie figuur 38).118
Figuur 38 Reconstructie van de Romeinse dam met brug over de Kleine Beerze bij Hoogeloon.
2.3.7
De Laat-Romeinse tijd (c. 300 – 450 na Chr.): een duistere periode
Een bijzonder aandachtspunt is de dramatische demografische terugval in de Noord-Brabantse regio in de loop van de 3e eeuw.119 Vrijwel iedere landelijke nederzetting in Zuidoost-Brabant wordt in deze fase verlaten. De datering is opmerkelijk: al voor de befaamde politieke en militaire crisis van de tweede helft van de 3e eeuw. Over de diepere oorzaken van de ontvolking bestaat nog volop discussie. Maar gezien de algehele ontvolking lijkt er sprake te zijn van een van hogerhand opgelegd gedwongen vertrek. Vanaf 175 is al een terugval te zien, waarschijnlijk als gevolg van invallen van Germanen. Veel nederzettingen, zoals Hoogeloon-Kerkakkers kwamen deze klap aanvankelijk te boven. De villa verdween, maar de nederzetting bleef bestaan. Hoewel met het afval van de villa een nieuwe voorname woning gebouwd werd, werd de welvaart van de tweede eeuw niet meer gehaald. De opleving duurde kort, want tussen 200 en 270 na Chr. werden de meeste vindplaatsen definitief verlaten. In Lieshout Nieuwenhof Noord lijkt de nederzetting nog tot ver in de 3e eeuw bewoond te zijn geweest. Uit de periode 260-350 na Chr. dateren nog enkele muntvondsten maar de bewoning ontbreekt geheel.120 De meest opvallende muntvondst is een Romeinse muntschat met 2598 munten van rond 400 die werd aangetroffen langs de weg tussen Hapert en Casteren. De schat bevatte munten van o.a.
de Romeinse keizers Tetricus I, Julianus, Valentinianus I, Honorius en Arcadius. De meest opvallende Laat-Romeinse 117 Van der Weerden & Brouwer 2015, 19, 85-86. 118 Hiddink & Roymans 2015, 45-86. 119 In het Maasdal echter, continueert de bewoning plaatselijk zoals in Cuijk waar in de 4e eeuw een castellum en een brug over de Maas worden gebouwd. 120 Aarts 2000, 95
55
vondst is wel een vergulde zilveren helm die in het veen van de Peel even ten westen van Helenaveen bij Deurne is aangetroffen. De helm dateert uit ca. 320 na Chr. Na het nagenoeg ineenstorten van de Romeinse infrastructuur en bewoning in de tweede helft van de derde eeuw is er een periode van minstens 80 jaar (c. 300-380 na Chr.) waarin het oosten van NoordBrabant vrijwel onbewoond bleef. Het ontbreken van bewoning kan in verband worden gebracht met het begin van de ineenstorting van het Romeinse gezag. Deze werd vooral veroorzaakt door de verzwakte verdediging van de Rijngrens en de daardoor toenemende plundertochten van Germaanse stammen die afkomstig waren van over de grens. In de winter van 406/407 na Chr. werd de Rijngrens definitief doorbroken door de Germanen, waarmee het definitieve einde kwam aan de Romeinse heerschappij in Nederland. Hoewel het er nog altijd op lijkt dat het grootste deel van oostelijk NoordBrabant in het laatste kwart van de 3e eeuw verlaten is, zijn er wel aanwijzingen dat het gebied niet volledig werd opgegeven. De laat-Romeinse graven in de grafvelden van Someren-Waterdael en Nederweert-Promopark laten zien dat niet het hele platteland ontvolkt was. Wel lijken de bewoners een andere woonplaats in het landschap te hebben opgezocht dan voorheen. In Geldrop – Gijzenrooi zijn zeldzame sporen ven bewoning gevonden bij archeologisch onderzoek in 1989.
Het lijkt erop dat zich hier bewoners van buiten de Romeinse rijksgrens zich hebben gevestigd in een toen vrijwel onbewoond gebied. Waarschijnlijk gaat het in Geldrop om de bevolkingsgroep de Saliërs die afkomstig waren uit Germanië en die zich hier met toestemming van de Romeinen vestigden. De afwijkende huizen en hun typische hutkommen (verdiepte werkruimten) alsook hun handgevormd aardewerk wijst hierop. Geldrop is vooralsnog, naast een vindplaats in Lierop, de enige vindplaats uit de periode in de Zuidoost-Brabant. Mede door het beperkte aantal bekende nederzettingen is er relatief weinig bekend over de bewoning in deze periode. Het duurt in ieder geval enkele eeuwen voordat de bevolking van Zuidoost-Brabant weer significant zou gaan toenemen.
2.4
De middeleeuwen en nieuwe tijd
Antoinette Huijbers
2.4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt aan de hand van de archeologische en historische gegevens een beeld geschetst van de bewoningsgeschiedenis van Laarbeek vanaf het begin van de middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd, tot circa 1850. Hierbij wordt ook ingegaan op woonplaatsen die we kennen uit archiefbronnen, vooral uit de periode tot 1500. Daarnaast wordt beperkt ingegaan op landgebruik op hoge en lage gronden. Hierbij worden kaarten gebruikt ter ondersteuning van de tekst. Daarop staan archeologische vindplaatsen en plaatsen van historische vermeldingen per periode. De vindplaatsen op de archeologische kaarten kunnen plaatsen omvatten met oppervlaktevondsten uit veldverkenningen, vondsten uit boringen en sporen en vondsten van opgravingen en waarnemingen.121 Als kaartondergrond is de kaart van het fysische landschap (onderdeel van de erfgoedkaart gemeente Laarbeek 2012) gebruikt met hoge en lage gebieden, (verdwenen) veen en (verdwenen) oppervlaktewater.122 Het voordeel van die kaart is dat de hedendaagse topografie ook zichtbaar is zodat de lezer meteen kan zien waar archeologische vindplaatsen en locaties van historisch bekende nederzettingen in het huidige landschap liggen.
121 Bronnen van de gelokaliseerde vindplaatsen: archief Antoinette Huijbers te Amsterdam en archief Gina Box te Aarle-Rixtel. 122 Waarvoor dank aan dr. Karel Leenders.
56
2.4.2
De bewoningsgeschiedenis van de vroege middeleeuwen in Laarbeek
De vroege middeleeuwen wordt opgedeeld in twee perioden: de periode 450-725/750 en de periode 725/750-900. De eerste periode wordt de Merovingische tijd genoemd, de tweede de Karolingische tijd. Uit de Merovingische tijd dateren uit Laarbeek tot dusver zeven archeologische vindplaatsen (figuur 39), uit de Karolingische Tijd vijftien (figuur 45).123
Figuur 39 Kaart van het fysische landschap en de topografie van 2012 met archeologische vindplaatsen uit de Merovingische tijd (450-725/750 na Chr.) in de microregio Laarbeek. Voor nummers zie tekst. Legenda: rondje = locatie archeologische vindplaats.
Op twee vindplaatsen zijn nederzettingssporen uit de Merovingische tijd gevonden (figuur 39 nrs 2 en 7), op drie tot vier nederzettingssporen uit de Karolingische tijd (figuur 45, nrs 2, 12, 13 (mogelijk) en 14). De overige vindplaatsen uit de vroege middeleeuwen betreffen oppervlaktevondsten. De oudste vondst dateert uit de Vroeg-Merovingische Tijd en wel uit de vijfde of het begin van de zesde eeuw. Het betreft een randfragment van een pot van Merovingisch ruwwandig aardewerk (figuur 40), gevonden als oppervlaktevondst te Aarle-Rixtel in het gebied "de Valkendijk" (figuur 39, nr. 4).124
Figuur 40 Randfragment van ruwwandig Merovingisch aardewerk uit de periode 400 -550 gevonden op de hoge akker van de Valkendijk te Aarle-Rixtel. Determinatie W.J.H. Verwers. Tekening schaal 1:4 in de originele publicatie. Naar Huijbers 1995, afb. 3.
123 Zie ook Huijbers 1993, 111, appendices 5.1 en 5.2; Huijbers 1995. 124 Determinatie door provinciaal archeoloog W.J.H. Verwers, ROB (nu RCE) Amersfoort.
57
Uit de laat-Merovingische en Karolingische tijd dateren sporen en vondsten van de opgraving bij de Oude Toren te Beek en Donk (figuur 39, nr. 2 en figuur 45, nr. 2). Tot de laat-Merovingische tijd behoort een waterput, gevonden bij opgravingsproject BDOT4 (figuur 49, W5).125 Het hout van de bekisting is in 2015 dendrochronologisch gedateerd op ná het jaar 703 ± 4.126 Uit de laatMerovingische en Karolingische Tijd dateren ook in sporen van de opgravingsprojecten BDOT3 en BDOT4 gedane vondsten van aardewerk. De nederzetting te Beek en Donk-Oude Toren is vergelijkbaar met de site opgegraven te Dommelen. Die te Dommelen bestond vanaf c. 650 tot 1250. 127 Bij die opgraving werden 54 gebouwplattegronden gevonden uit de hele periode 650-1250. Bij de oude toren zijn 16 gebouwplattegronden gevonden. Als de nederzetting bij de oude toren even groot was als die te Dommelen, liggen er rond de oude toren nog 38 gebouwplattegronden in de bodem. Te Aarle-RixtelStrijp is door de Vrije Universiteit uit Amsterdam een nederzetting gevonden met bewoning vanaf de Merovingische tijd tot in de volle middeleeuwen (figuur 41).128
Figuur 41 Erf uit circa 700 n. Chr. met plattegronden van een huis (rood) en van een bijgebouw (groen) van de opgraving Aarle-Rixtel-Strijp. Het noorden is boven. Naar Kortlang en Hakvoort 2002, fig. 2 (aangepast A. Huijbers).
Figuur 42 Mogelijke Karolingische gebouwplattegrond van de opgraving Beek en Donk -Beekse Akkers. Naar Hiddink 2009, 40, fig. 5.2.
125 Huijbers in voorbereiding, hoofdstuk 18. 126 Doeve 2015, 6. 127 Theuws 1988; Theuws 1989; Theuws 1991. 128 De opgraving wordt thans uitgewerkt door E. Dekkers te Amsterdam. De catalogus van structuren is door de auteur van dit hoofdstuk beoordeeld samen met Arno Verhoeven van de UvA.
58
Uit de Merovingische tijd van de opgraving Aarle-Strijp dateren gebouwplattegronden en een metalen gesp. Uit de Karolingische tijd en vroege volle middeleeuwen dateren gebouwplattegronden, waterputten evenals twee lanspunten, waarvan een voorzien is van tekens, zichtbaar op de röntgenfoto. Een volgende vindplaats is ontdekt te Beek en Donk op het Heereind, pal naast de Goorloop. Na het afschuinen van de oever van de Goorloop in het kader van natuurontwikkeling werden sporen zichtbaar met daarin Karolingisch aardewerk, vooral Mayen aardewerk (figuur 45, nr. 12). De indruk bestond dat de Goorloop ter plaatse geen natuurlijk verloop had, maar gegraven was omdat de sporen pal naast de loop lagen in het gele dekzand. Wellicht is de Goorloop ter plaatse ooit omgeleid. Bij de opgraving door de VUhbs op de Beekse Akkers te Beek en Donk is een gebouwplattegrond gevonden zonder daterende vondsten in de sporen, maar die qua type lijkt op een Karolingisch gebouw, vanwege de lange wandpalen op de hoeken, terwijl lange wandpalen verder ontbreken (figuur 45, nr. 13 en figuur 42).129 Andere vondsten uit de vroege middeleeuwen in de microregio Laarbeek zijn losse vondsten van aardewerk (figuur 39, nrs 1, 2, 4, 5, 6 en figuur 45, nrs 1, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 10, 11 en 15) en metalen voorwerpen gevonden met een metaaldetector (figuur 45, nrs 6 en 16).
Onder het aardewerk zijn fragmenten van aardewerk uit pottenbakkerscentra te Mayen en Badorf vertegenwoordigd.130 Bij de vondsten van metaal gaat om een Karolingische mantelspeld en een Karolingisch kistbeslag, beide gevonden op de akkers van Aarle (figuur 44: nr. 6 en 16; figuren 43 en 44).131
Figuur 43 Karolingische mantelspeld. Vinder Martin Hoornweg, Helmond. Naar Huijbers 1995, afb. 6.
Figuur 44 Karolingisch kistbeslag. Vinder Martin Hoornweg, Helmond. Naar Huijbers 1995, afb. 7.
129 Gebouw 206; Hiddink 2009, 40, fig. 5.2 en fig. 11.5. 130 Zie Kemme 2021. 131 Verwers 1994a; Verwers 1994b.
59
Figuur 45 Kaart van het fysische landschap met archeologische vindplaatsen uit de Karolingische tijd (725/750-900 na Chr.) in de microregio Laarbeek. Voor nummers zie tekst. Legenda: rondje = locatie archeologische vindplaats.
Op figuren 39 en 45 is te zien dat de vindplaatsen in Lieshout, Heereind en Beek gelegen zijn op de hoge dekzandruggen, waar nu akkergebieden liggen. Te Aarle-Rixtel liggen vindplaatsen ook daarbuiten, op lage dekzandruggen. In de vroege middeleeuwen waren die verspreidingsgebieden met vindplaatsen vermoedelijk zogenaamde woon-akkergebieden. De eerst bewoonde landschappelijke gebieden in het studiegebied waren vooral hoge dekzandgebieden. Eerder werd aan leemrijke moderpodzolbodems in het dekzand van hoge dekzandgebieden gedacht en aan een relatie tussen vroegmiddeleeuwse bewoning en moderpodzolbodems.132 Echter moderpodzolbodems komen niet overal voor. In Laarbeek zien we te Beek en Donk op de Beekse Akkers, volgens het onderzoek van Hiddink, relatief leemarme bodems133 die niet wijzen op moderpodzolen, terwijl er toch bewoning in de vroege middeleeuwen zit. Het leemgehalte van de natuurlijke bodem is wel hoog op de Valkendijk te Aarle-Rixtel, waar de vijfde-/zesde-eeuwse scherf is gevonden. Daar valt een vroeg-Merovingische nederzetting te verwachten. Een laag leemgehalte van de bodem roept de vraag op of boeren extra veel bemesting moesten toepassen om land vruchtbaar te maken. Verder blijken plaatsen van verlaten, eenzaam in akkers gelegen, middeleeuwse kerken in Brabant zoals te Beek, vaak op plaatsen te liggen bij nederzettingen die terug gaan tot in de zevende eeuw.
134 De kerk was er in die nederzettingen niet als eerste. Vaak lag er al een nederzetting waar in de loop van de tijd een begraafplaats kwam te liggen, meestal niet voor het jaar 900, gevolgd door een houten of stenen kerk. Na het verlaten van de nederzetting bleef de kerk alleen achter. 135 De middeleeuwse kerktoren van Beek is, dankzij de opgravingen daar, van een oude nederzettingslocatie een concreet 132 De Bont 1993. 133 Hiddink 2005; Hiddink 2009. 134 Theuws 1989. 135 Theuws 1988; Theuws 1989; Theuws 2011.
60
voorbeeld. Maar ook het gebied bij de oude middeleeuwse kerk van Aarle kan de plaats zijn geweest van een nederzetting die in de vroege middeleeuwen begon. De oudste bewoning bij de kerken van Lieshout en Rixtel lijkt jonger te zijn, na 900/1000 (zie onder). Bijzonder is dat op het dekzandeiland van Aarle waarschijnlijk twee grote nederzettingen lagen in de vroege middeleeuwen (op Strijp en bij de kerk van Aarle). De nederzetting te Beek lag niet al te ver van die van Aarle en een oude relatie tussen beide plaatsen op het moment dat beide nederzettingen zijn gesticht is denkbaar. Het gaat bij die nederzettingen om woonplaatsen met per eeuw enkele boerderijen, zowel die te Strijp als die te Beek.136
Figuur 43 Oude kerktoren van Beek in de jaren 30 van de 20e eeuw, Brabant Collectie.
Plaatsen waar mensen hun doden begroeven zijn nog niet gevonden. In de vroege middeleeuwen werden mensen in kleine groepjes of alleen begraven op huiserven en in grote grafvelden. Te AarleRixtel zou heel goed een vroegmiddeleeuws grafveld kunnen liggen omdat er twee grote nederzettingen lagen uit de vroege middeleeuwen. Het akkergebied van Valkendijk zou een plaats van een grafveld kunnen zijn vanwege de gevonden scherf uit de periode 400-550. Merovingische grafvelden liggen echter niet altijd in de hoge akkergebieden zo blijkt uit onderzoek, maar kunnen ook aan de randen daarvan en daarbuiten hebben gelegen.137 Merovingische grafvelden kunnen zelfs in heidegebieden liggen.138 Omdat nog weinig is opgegraven in de gebieden buiten de hoge akkergebieden in Laarbeek is dat misschien de reden dat nog geen vroegmiddeleeuws grafveld is 136 Huijbers 2018a. 137 De Haas 2010. 138 Theuws 1988.
61
gevonden. Lag in Lieshout misschien ook een Merovingisch grafveld op de rand van akker en heide ten zuiden van het ’t Hof? Interessant in dat opzicht is de naam Duivelsberg in de heide (nu dennenbos) net ten zuiden van de akkers van ’t Hof. Plaatsen met prehistorische grafheuvels (waar soms ook Merovingische graven in worden gevonden139) hebben vaak namen van door het christendom gediaboliseerde, voorchristelijke, wezens.140 De mensen leefden in de vroege middeleeuwen aanvankelijk in familiegroepen, al dan niet verspreid over meerdere dekzandgebieden (woonakkergebieden met bos) en met eigen begraafplaatsen. Dit zijn de kolonisten van Brabant.141 Later, vanaf eind zevende eeuw, zien we in de bronnen de eerste tekenen van statusverschillen tussen gewone mensen en bijzondere mensen, grootgrondbezitters. De grote vraag is of die grootgrondbezitters in Brabant zelf woonden dan wel daarbuiten. Nog later, vanaf de achtste eeuw komt veel grondbezit van aanzienlijke familiegroepen in handen van kloosters zoals de abdijen van Echternach, Sint-Truiden en Lorsch.142 Ook moet veel grondbezit in koninklijke handen zijn geraakt, koningsgoed. Die nieuwe eigenaren vormden dat grondbezit om naar bedrijfseenheden: hoeven (mansi), soms met een ‘herenhoeve’ erbij (mansus indominicatus). Archeologisch vinden we van die bedrijfseenheden vrijwel niets terug.
Het exploitatiesysteem met mansi is niet archeologisch zichtbaar omdat we niet weten uit hoeveel erven een mansus bestond, of de grootte van een mansus overal hetzelfde was en of een mansus bij elkaar gelegen erven bevatte dan wel verspreid gelegen erven, met erven van andere mansi en van vrije boeren daartussen. Daarbij het woord mansus als fysieke eenheid interpreterende, wat niet voor elke onderzoeker vanzelfsprekend is. 143 Bovendien kan met het woord mansus ook een bedrijfseenheid zijn bedoeld, omvattende naast erven ook akkerland. De omvang en ligging van vroegmiddeleeuws akkerland is archeologisch zelden aangetoond144, maar dat komt ook omdat landgebruik en landafbakening in de vroege (en volle middeleeuwen) geen thematisch speerpunt is in het archeologisch gravende onderzoek in Brabant, zowel van hoge als van lage delen van het landschap. De nadruk ligt nog steeds op bewonings- en begravingssporen. Als je er niet doelgericht naar zoekt vind je het ook niet.
2.4.3
De bewoningsgeschiedenis van de volle middeleeuwen in Laarbeek
Archeologische vindplaatsen uit de periode 900-1050 Thans zijn uit Laarbeek 31 archeologische vindplaatsen uit de periode 900-1050, de eerste fase van de volle middeleeuwen, bekend (figuur 47). Daarvan zijn er twee met sporen. De eerste vindplaats met sporen is de opgraving bij de oude toren te Beek en Donk. Verschillende gebouwplattegronden dateren binnen de periode 900-1050 (figuren 48 en 49).145 De tweede vindplaats met sporen is de opgraving Aarle-Rixtel-Strijp (figuur 50). Omdat de opgraving nog niet is gepubliceerd, is onduidelijk hoeveel en welke soorten structuren uit de periode 900-1050 aanwezig zijn, maar dat die periode met structuren is vertegenwoordigd is evident.146 De overige vindplaatsen betreffen vindplaatsen met oppervlaktevondsten en vondsten uit boringen in het akkerdek. Archeologisch laat deze periode zich herkennen door de aanwezigheid van een specifieke combinatie van aardewerk-categorieën. Het betreft een combinatie van gedraaid aardewerk afkomstig uit Pingsdorf (D.) en het Midden-Maasgebied (B.) alsmede handgemaakt aardewerk uit Paffrath (D.) en zogenaamd 139 Theuws 1988. 140 Roymans 1995. 141 Theuws 2019. 142 Theuws 1988; Theuws 1991. 143 Sommigen denken dat het begrip mansus in de vroege middeleeuwen alleen een ideologische betekenis had, zie Theuws 1991. 144 Wel te Nistelrode-Zwarte Molen II (zie Huijbers 2018a). 145 Huijbers in prep.
op https://antoinettehuijbers.com 146 Kortlang en Hakvoort 2002; Dekkers in prep.
62
ADK, handgemaakt aardewerk met donkere kern.147 ADK werd voorheen Zuid-Nederlands aardewerk genoemd, maar kent naar nu blijkt een groter verspreidingsgebied in Vlaanderen en Nederland en komt voor tussen circa 850 en 1050.148 Voor het aardewerk uit het Midden-Maasgebied en Paffrath geldt dat het ook later voorkomt.149 Alleen wanneer op een oppervlakte-vindplaats combinaties van deze soorten aangetroffen worden waarbij Pingsdorf-aardewerk aanwezig is kan men een nederzetting uit deze periode vermoeden. In alle gevallen zijn op deze plaatsen nederzettingen te vermoeden of werkelijk aanwezig geweest.
Figuur 47 Kaart van het fysische landschap met archeologische vindplaatsen uit de volle middeleeuwen 1 (900-1050 na. Chr.) in de microregio Laarbeek. Voor nummers zie tekst. Legenda: rondje = locatie archeologische vindplaats, groen = oppervlaktevondst, sporen uit opgraving of waarneming, blauwgroen = boorvondst
147 Zie voor Pingsdorf: Sanke 2002; Bult 2011. Zie voor Paffrath: Verhoeven 2011. Zie voor ADK: De Groote 2008; Oudhof, Verhoeven en Schuuring 2013; Verhoeven 1993. Zie voor aardewerk uit het Midden-Maasgebied: De Longueville et al. 2006; Van Wersch et al. 2020. 148 De Groote 2008; Oudhof, Verhoeven en Schuuring 2013; Verhoeven 1993. 149 Paffrath: Verhoeven 2011; Midden-Maasgebied: De Longueville et al. 2006; Borremans en Warginaire 1966.
63
Figuur 48 De opgravingen BDOT3 (noordelijk areaal) en BDOT4 (zuidelijk areaal) ten opzichte van hun topografische omgeving in de situatie van 1990. De gebouwstructuren samen bestrijken de periode 900 1200. Het areaal van BDOT3 raakt de Orchideestraat van 1990 op de figuur omdat werkput 5 van BDOT3 (meest noordwestelijke deel van BDOT3) het wegcunet is van de nieuwe Orchideestraat. In geel is het natuurlijke dekzandoppervlak weergegeven. In donkergroen zijn alle niet aan structuren toegewezen sporen weergegeven. In de overige kleuren zijn de aan structuren toegewezen sporen weergegeven. Naar Huijbers in prep. op https://antoinettehuijbers.com. 150
150 Voor detailweergaven in vlak en coupe, beschrijvingen, vondsten en dateringen van de structuren zie de catalogus op https://antoinettehuijbers.com.
64
Figuur 49 De arealen van de opgravingen bij de Oude Toren met alleen de aan structuren toegewezen sporen. 151 De gebouwstructuren samen bestrijken de periode 900 -1200. Afkortingen structuren: G = gebouwplattegrond, GA = gracht, AG = akkergreppel, GE = greppel, GC = greppelcluster, GG = greppelvormige groep sporen, GR = graf (diergraven), OK = ovenkuil (ijzerbewerking), W = waterput . Naar Huijbers in prep. op https://antoinettehuijbers.com. 152
151 BDOT3 (noordelijk areaal) en BDOT4 (zuidelijk areaal). 152 Voor detailafbeeldingen in vlak en coupe, beschrijvingen, vondsten en dateringen van de structuren zie de catalogus op https://antoinettehuijbers.com.
65
Figuur 50 De opgraving Aarle-Rixtel-Strijp met een voorlopig overzicht van de structuren uit de periode circa 800-circa 1100. In lichte contouren gebouwen uit de Karolingische tijd, in donkere contouren gebouwen uit de volle middeleeuwen. Bij letter a het erf uit circa 700. Naar Kortlang en Hakvoort 2002, fig. 2.
Over het geheel bezien is een deel van de vindplaatsen uit de periode 900-1050 gelegen op hoge en lage dekzandgebieden die nu bedekt zijn met akkers. Ondanks dat het merendeel oppervlaktevondsten zijn, is met de vindplaatsen wel een continuïteit en duidelijke uitbreiding van bewoning en landgebruik te veronderstellen ten opzichte van de vroege middeleeuwen. Opvallend zijn de vindplaatsen te Rixtel, zelfs op lage zandgronden. Die vondsten te Rixtel lijken alles te maken te hebben met activiteiten van de lokale elite van Rixtel (zie onder). Archeologische vindplaatsen uit de periode 1050-1250 De periode 1050-1250 stond tot voor kort in Noordwest-Europa bekend als de periode van ‘de grote ontginningen’ op het platteland, met veel bevolkingsgroei en ontbossingen, maar dat beeld begint door voortschrijdend inzicht te veranderen omdat ook in de vroege middeleeuwen sprake is van ontginningen, ontbossingen en bevolkingsgroei.153 Blijkens recent synthetisch onderzoek in NoordBrabant zien we in de periode 1050-1250, met name 1050-1200, een toename van opgegraven nederzettingen in allerlei soorten en maten ten opzichte van eerdere perioden van de middeleeuwen.154 Er is sprake van een verdere openlegging c.q. her-ingebruikname van het landschap. Met name grootschalige opgravingen als die te Someren en Nistelrode toonden die expansie van bewoning en 153 Zie Keyser 2009.
154 Huijbers 2016b W-B; Huijbers 2018 O-B.
66
cultuurland.155 Een sterke bevolkingsgroei tussen 1050 en 1250, met name die in de twaalfde eeuw, is af te meten aan aantallen scherp gedateerde huisplattegronden uit opgravingen.156 Verder tonen erfsamenstellingen uit de periode 1125-1250 dat in die tijd agrarische bedrijven groter werden, met meer opslag op boerenerven en productie van gewassen.157 Laarbeek is goed vertegenwoordigd aangaande de periode 1050-1250. In deze periode zien we weer een toename van het aantal archeologische vindplaatsen ten opzichte van de voorgaande periode (5253 in getal, figuur 51). Bij de vindplaatsen 7, 8, 26, 32, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 48, 50, 51, 52 en mogelijk 53 op figuur 51 gaat het om vindplaatsen op opgravingen van sporen uit de periode 10501250 en/of opgravingen waar in sporen vondsten uit deze periode zijn gedaan, die als opspit in latere sporen terecht zijn gekomen. Bij de vindplaatsen 27, 36, 44, 45, 47 gaat het om waarnemingen van sporen uit de periode 1050-1250. Bij vindplaats 49 op figuur 51 gaat het om vondsten opgeboord uit het akkerdek. De overige vindplaatsen op figuur 51 zijn vindplaatsen van oppervlaktevondsten.158 De aardewerkcategorie, welke als gidsartefact kan dienen voor deze periode, betreft aardewerk uit pottenbakkerscentra in Zuid-Limburg. Tussen c.
1050 en 1225/1240 werden daar vooral kookpotten, tuitpotten, bekers en kannen van gewoon aardewerk gefabriceerd.159 Gewoon aardewerk omdat vanaf c. 1225/1240 uitsluitend zog. proto-steengoed werd gemaakt, wat vervolgens via bijna-steengoed overging in echt steengoed.160 Categorieën welke in de periode 1050-1250 ook voorkomen zijn Pingsdorf aardewerk, gedraaid aardewerk uit het Midden-Maasgebied, Kempisch aardewerk en aardewerk uit Paffrath en Elmpt, de laatste pas vanaf c. 1150.161 Nederzettingssporen zijn aangetroffen in alle drie de dorpen van Laarbeek: Aarle-Rixtel, Beek en Donk en Lieshout. In Aarle-Rixtel is in 1965 bij de ROB een waarneming gemeld aan de Biermanstraat 5. Het betrof de vondst van een boomstamwaterput, een kogelpot en ander aardewerk (figuur 51, nr. 47).162 Te Aarle-Rixtel zijn uit de periode vóór 1250 bij een opgraving sporen van een nederzetting aangetroffen in nieuwbouwplan "de Duivenakker". De sporen daar dateerden tussen c. 1200 en c. 1275 (figuur 51, nr. 26).163 Een tweede opgraving is Aarle-Rixtel-Het Klavier. Daar zijn zeker twee huisplattegronden uit de volle middeleeuwen gevonden (gebouwen 1 en 3), zichtbaar aan de sluitpalenparen. Verder een bijgebouw (gebouw 2) omdat het een sluitpaal heeft aan beide korte zijden. Ook is een vierde gebouw gevonden, maar dat is zo fragmentarisch overgeleverd dat de functie moeilijk is te bepalen (gebouw 4).
Tenslotte zijn drie waterputten gevonden. Met twee huizen (gebouwen 1 en 3) is sprake van tenminste twee erven, maar de gebouwen 2 en 4 kunnen ook toebehoord hebben aan twee andere erven (figuur 52).
155 De Boer en Hiddink 2012; Hiddink 2019. 156 Huijbers 2016a. 157 Huijbers 2007. 158 Zie voor een deel van de vindplaatsen appendix 5.4 in Huijbers 1993, 112. 159 Bruijn 1962-63; Verhoeven 1990; Stoepker 2011. 160 Arts 1994; Alders 1988. 161 Verhoeven 2011. 162 Archis 3 zaakidentificatienummer 2964669100; G. Beex via Ir. W. Kam (Mierlo-Hout) in archief Gerrit Beex, aar02, op http://www.dppfoundation.nl/beex/; Merkelbach 1966. 163 Opgraving Aarle-Rixtel-Duivenakker 1/Ter Cuylen 1; Box 1995.
67
Figuur 51 Kaart van het fysische landschap met archeologische vindplaatsen uit de volle middeleeuwen 2 (1050-1250 na Chr.) in de microregio Laarbeek. Voor nummers zie tekst. Legenda: geel rondje = locatie archeologische vindplaats (periode Da; oppervlaktevondst of sporen uit waarneming of opgraving), wit rondje = locatie boorvondst).
Figuur 52 Opgraving Aarle-Rixtel-Het Klavier met de gevonden gebouwplattegronden (rood) en waterputten (blauw) uit de volle middeleeuwen. In geel de opgravingsarealen, in do nkerbruin het niet opgegraven terrein. Naar Brouwer 2012 (aangepast A. Huijbers).
68
Bijzonder is de vondst van een vlechtwerkwaterput uit de periode 1000-1200 in een bouwput met daarin een schoen (figuur 51, nr. 44). In een andere bouwput werd tijdens een waarneming in een bouwput een gebouwplattegrond gedocumenteerd uit de periode 1150-1350 (figuur 51, nr. 45). Een mogelijke vindplaats met sporen uit de periode 1050-1250 is onlangs aangetoond op Schevelingen te Aarle-Rixtel door Econsultancy (figuur 51, nr. 53). Er zijn gebouwsporen gevonden, maar zonder vondsten zodat geen datering voorhanden is. Het kan gaan om middeleeuwse gebouwsporen. 164
Figuur 53 Waarneming van houten palen in het veen op de voorgrond en bakstenen muurwerk op de achtergrond in het beekdal van de Aa ter hoogte van het kasteel het Gulden Huis te Aarle -Rixtel in 1938. Naar Huijbers 1995, afb. 11.
Een vindplaats waar in 1938 en 1994 waarnemingen zijn verricht tijdens werkzaamheden is die van het kasteel van Rixtel, ook bekend als het Gulden Huis in het beekdal van de Aa. Tijdens graafwerkzaamheden ter plaatse zijn in 1938 en 1994 resten van paal- en muurfunderingen aangetroffen (figuur 53).165 Daarbij zijn geen daterende elementen in hun oorspronkelijke context aangetroffen uit de periode vóór 1250. Toch zijn op het terrein van het Gulden Huis oppervlaktevondsten gedaan van ZuidLimburgs aardewerk alsook een zilveren munt uit de dertiende eeuw (figuur 51, nr. 27).166 Indien de paalfunderingen afkomstig zijn van één of meer houten gebouwen zoals bij d'Oude Huys te Helmond 167 en niet van een brug zoals Coenen suggereert kan in samenhang met de oppervlaktevondsten een datering in de dertiende of zelfs twaalfde eeuw niet uitgesloten worden geacht. Te Beek en Donk zijn uit de periode 1050-1200 een drietal boerderijplattegronden onderzocht van de nederzetting bij de Oude Toren (figuur 51, nr. 7; figuur 49: structuren G6, G7 en G10). Verder zijn bij een opgraving aan de Lieshoutseweg van 1989 (figuur 51, nr. 8; figuur 54) greppels en een grote kuil aangetroffen uit de volle middeleeuwen, waarschijnlijk behorende tot een boerderijerf.168
164 Tunker en Hos 2020. 165 Coenen 1992, 40 en waarneming archeologische werkgroep heemkundekring "Barthold van Heessel" 1994. 166 Coenen 1992, 23. 167 Peters 2015. 168 Huijbers 1990a.
69
Figuur 54 Opgraving Beek en Donk-Oude Toren 2 aan de Lieshoutseweg (BDOT2), uit 1989, met onder andere bewoningssporen uit de volle middeleeuwen.
Figuur 55 Opgraving Beek en Donk-Beekse Akkers, gebouwplattegronden 201 en 202 (over elkaar heen) uit de volle middeleeuwen. Datering mogelijk twaalfde eeuw. Fotografie A. Huijbers, 2 juli 2006.
70
Een derde vindplaats met sporen uit de volle middeleeuwen te Beek en Donk zijn aangetroffen bij een opgraving aan de Lieshoutseweg door de VUhbs, opgraving Beek en Donk-Beekse Akkers. De sporen konden worden toegewezen aan verschillende gebouwplattegronden. Op vindplaats B is onder meer een groot bootvormig gebouw gevonden dat, gezien het ontbreken van paren palen in de korte wanden, eerder een bijgebouw dan een huis zal zijn geweest.169 Ook ligt er een waterput in de vindplaats. De gebouwen en de waterput dateren uit de volle middeleeuwen (figuur 51, nr. 43; figuur 55). Te Lieshout zijn op vijf plaatsen sporen uit de volle middeleeuwen aangetroffen. Te Lieshout moeten als eerste de opgegraven boerderij-erven uit de periode 1125-1250 genoemd worden (figuur 51, nr. 32) in nieuwbouwplan de Nieuwenhof (figuur 56, erven 1, 2, 3, 4, 5).170
Figuur 56 Erven uit de volle middeleeuwen van de opgravingen Lieshout -Nieuwenhof (erven 1, 2, 3, 4, 5) en Lieshout-Nieuwenhof Noord (erf 6). Op de erven liggen erfafbakenende en erfindelende greppels. Die zijn niet ingekleurd. Erven 1, 3, 4 dateren 1175 -1225. Erf 2 bevat twee fasen (1125-1175 en 1175-1225). Erf 6 dateert 1075-1200. Erf 5 is ongedateerd. Rood = gebouwplattegrond, in sommige gevallen (deels) gereconstrueerd. Blauw = waterput, waterkuil of putmikkuil. Voor drie van de erven (erven 1, 3, 4) zie ook Huijbers 2007, hoofdstuk 6. Naar Van der Weerden en Brouwer 2012 (aangepast A. Huijbers).
169 Gebouwen 201 en 202; Hiddink 2009, 40, fig. 5.1 en 85, fig. 11.2. 170 Huijbers 2007; Verwers 1990; 1991; 1993.
71
Figuur 57 Waarneming Lieshout-Hoofakker met bewoningssporen uit de volle middeleeuwen. Naar Huijbers 1995, afb. 10.
Ten tweede zijn sporen van een nederzetting uit de periode 1000-1200 aangetroffen in het gebied Lieshout-Hoofakker (paalkuilen en greppels; figuur 51, nr. 36 en figuur 57).171 In de derde plaats is door de VUhbs aan de Beekseweg te Lieshout een opgraving verricht waarbij sporen van zeker vier erven uit de volle middeleeuwen zijn gevonden (figuur 58; figuur 51, nr. 37). Mogelijk lag een vijfde erf ten noorden van de Beekseweg, waar een sporencluster uit de volle middeleeuwen is gevonden (figuur 51, nr. 38) .172 In de vierde plaats is aan de Ribbiusstraat een waterput gevonden uit de volle middeleeuwen (figuur 51, nr. 39).173 In de vijfde plaats is in nieuwbouwplan Nieuwenhof-Noord een erf gevonden uit de volle middeleeuwen (figuur 56, erf 6; figuur 51, nr. 40; figuur 62). Het erf dateert 1075-1200.174
171 Huijbers en Van Velthoven 1994. 172 Hiddink 2005. 173 Hiddink 2005. 174 Van der Weerden en Brouwer 2015, 125-126.
72
Figuur 58 Lieshout-Beekseweg erven A tot en met D uit de volle middeleeuwen. Geel = opgegraven areaal. Donkerbruin = niet-opgegraven gebied. Groen = depressies. Rood = gebouwplattegronden uit de volle middeleeuwen. Zwart = overige sporen uit de volle middeleeuwen. Grijs = bebouwing rond het jaar 2000. Blauw = Goorloop. Naar Hiddink 2005 (aangepast A. Huijbers).
Verder is bij het afbreken van de kerk van Aarle in 1847 een geel koperen kruisbeeld gevonden, waarvan helaas geen afbeelding bestaat. Het zou dateren uit de dertiende eeuw vanwege het Romaanse uiterlijk. Het kruisbeeld was te zien op een tentoonstelling uit 1893 te Eindhoven (figuur 51, nr. 15; figuur 59).
Figuur 59 Krantenartikel uit 1893 waarin wordt gesproken van de vondst van een dertiende -eeuws kruisbeeld, gevonden bij de afbraak van de middeleeuwse kerk van Aarle in 1847. Bron: www.delpher.nl
73
Figuur 60 Kaart van het fysische landschap met historisch bekende gebouwde eenheden uit de periode 1100-1300 in de microregio Laarbeek. Legenda: rechthoekje = locatie historisch bekende gebouwde eenheden (nederzetting, kerk of watermolen; periode Dh, vermelding in geschreven bron). Voor nummers zie tekst. 175
Plaatsen met historische vermeldingen van gebouwde eenheden uit de 12e en 13e eeuw Voordat we ingegaan op de betekenis van de archeologische vindplaatsen voor de bewoningsgeschiedenis van Laarbeek, bespreken we gebouwde eenheden en nederzettingsgebieden uit geschreven bronnen uit de periode 1100-1300 (figuur 60). Het gaat vooral om oorkonden uit de twaalfde en dertiende eeuw.176 Men dient erg voorzichtig te zijn met de interpretatie van termen in geschreven bronnen; de betekenis ervan kan in tijd en ruimte en per sociale context verschillen.177 Bovendien moet bij het lezen en gebruiken van middeleeuwse teksten altijd nagegaan worden door wie de tekst was gemaakt, met welk doel de tekst was gemaakt en voor wie die tekst was bedoeld. 178 Wat betreft gebouwde eenheden, staan in de oorkonden uit Laarbeek onder meer de termen curtis (hof: agrarisch bedrijf van een kerkelijke instelling of wereldlijke heer), curia (uithof), mansus (hoeve en/of een hoeve land) en molendinus ((water)molen). Een nederzettingsgebiedsterm is villa (landgoed en/of dorp). Verder zijn er bezitseenheden waar nederzettingen bij kunnen hebben gelegen: allodium (eigen, vrij goed) en bonus (goed). Ook de term ecclesia (kerk) zien we in de geschreven bronnen in de microregio Laarbeek van de volle middeleeuwen. Een kerk is ook een gebouwde eenheid.
Daarnaast zullen ook termen besproken worden welke indirect naar kerken verwijzen als parochia (parochie) en kunnen verwijzen als decima (de (kerkelijke) tiende). Kerken, kapellen en kloosters
175 Bronnen van de gelokaliseerde gebouwde eenheden: Knoop en Merkelbach 1987; Coenen 1992. 176 Camps 1979. 177 Niermeyer en Van de Kieft 1976. 178 Theuws 1988; Theuws 1989; Theuws 1991; Bijsterveld 1989; Bijsterveld 2007; Bijsterveld 2013.
74
Directe vermeldingen van kerken van vóór 1250 zien we te Rixtel en Lieshout; resp. in 1179 en 1194.179 Beide kerken zijn gelegen in de nabijheid van een relatief nat gebied, die van Rixtel bij een beekdal, die van Lieshout bij een depressie. Van de kerk van Rixtel is bekend dat deze op een verhoging was gelegen (figuur 60, nr. 1).180 Indirect kunnen we de aanwezigheid van een kerk te Aarle vermoeden uit de tiende van Aarle uit 1249, welke in dat jaar van het bezit van de abdij van Floreffe overgaat naar dat van de abdij Binderen (figuur 60, nr. 8).181 Met "de tiende van Aarle" wordt, naar uit de tiendgeschiedenis zal blijken, eenderde van de tienden van de parochie Aarle bedoeld in handen van Binderen. De kerk van Aarle zal zo in 1249 reeds bestaan hebben. De kerk van Aarle is in de negentiende eeuw verdwenen. Zij was excentrisch gelegen binnen een hoog, relatief vruchtbaar gebied dat waarschijnlijk in de dertiende eeuw is ontvolkt en als akkergebied in gebruik is genomen (figuur 60, nr. 8).182 De kerk van Beek wordt pas voor het eerst indirect genoemd met de vernoeming van de parochie Beek in 1368.183 Vanwege de eerst bekende vermelding ruim een eeuw na 1250 staat zij op figuur 60 niet afgebeeld. Zeer waarschijnlijk is deze vermelding niet een afspiegeling van de werkelijke ouderdom.
Dit ten eerste op grond van het feit dat het archief van het klooster Hooijdonk te Nederwetten, de eigenaar van alle aan de kerk verbonden rechten in de vijftiende en zestiende eeuw, nagenoeg geheel is verdwenen en daarmee ook de daarin eventueel aanwezige op Beek betrekking hebbende 12de/13deeeuwse oorkonden.184 Ten tweede, en dit is een veel sterker argument, op grond van het archeologisch onderzoek bij de kerk Hoven en uithoven Een curtis (hof) zien we in de geschreven bronnen te Lieshout alsmede nà 1250 ook in Rixtel (in Lieshout in oorkonden van 1179 en 1194 en in Rixtel in een oorkonde van 1289). 185 Door Knoop en Merkelbach (1987) wordt de Lieshoutse curtis geïdentificeerd met het latere gehucht 't Hof. Gezien de betekenis van curtis (hof) lijkt dit juist te zijn.
Bovendien bezat de abdij van Floreffe te Lieshout immers maar één curtis.186 Ook is sprake van een curia (uithof) te Lieshout in handen van Floreffe, in twee oorkonden uit 1246 (als curie en curia), in 1252 (als curie), in (volgens Camps) 1281 (maar er staat domus, huis) en in 1283 (als curie).187 Een curia kan volgens Niermeyer en Van de Kieft zowel een centrum zijn (en hetzelfde als een curtis) als een gebied (een landgoed).188 Omdat in een oorkonde uit 1246 sprake is van de begrenzing van de curia en villa van Lieshout lijkt curia hier een gebied te betreffen.189 Mogelijk ook een gebied met (heerlijke) rechtsmacht: een rechtsgebied. Mogelijk verwijzen de kapoencijnzen die Knoop en Merkelbach noemen uit ‘het boek van Lieshout’, genoemd in Lieshoutse akten190, niet zozeer naar cijnzen van de heer van Lieshout uit de twaalfde eeuw, maar naar heerlijke cijnzen die Floreffe inde in later tijd. Naar beide kan natuurlijk ook: cijnzen geïnd door Floreffe, met een oorsprong in heerlijke cijnzen van de heer van Lieshout in de twaalfde eeuw. Net als de cijnzen van de heer van Rixtel misschien, die wellicht een oorsprong hebben in de twaalfde eeuw. De bebouwing van 't Hof van Lieshout is in de 18e eeuw gelegen aan de rand van het relatief vruchtbare gebied, maar ook aan een laagte (figuur 60, nr. 3).
Ik vermoed dat de curtis in oorsprong direct ten zuiden daarvan lag, in de laagte zelf. 't Hof lag in elk geval pal langs de plaats van de kerk die eveneens in 1194 wordt genoemd. De curtis te Rixtel wordt in 1289 genoemd in handen van de 179 Camps 1979, nrs 71 en 82. 180 Van Sasse van Ysselt 1920. 181 Camps 1979, nrs 232 en 233. 182 Huijbers 1993, 67. 183 Gemeentearchief 's-Hertogenbosch, Rechterlijk archief 's-Hertogenbosch ("Bosch Protocol"), inv. nr. 1175, Fo 110v. 184 Frenken 1947, Arts en Van den Heuvel 1994. 185 Camps 1979, nrs 71, 82 en 439. 186 Vgl. Camps 1979, nr. 82 d.d. 1194 met Gemeentearchief Helmond (nu in regionaal Historisch Centrum Eindhoven), Huisarchief inv. nr. 126 Folio 30 Verso, cijnsregister heren van Helmond 1381-1396. 187 Camps 1979, nrs. 218 (curie), 219 (curie en curia), 243 (curie), 381 (domus) en 394 (curie). 188 Niermeyer en Van de Kieft 1976, 290. 189 Camps 1979, nr. 218. 190 Knoop en Merkelbach 1987, 21-22.
75
Tempeliers.191 In de oorkonde is in eerste instantie sprake van goederen van het huis de Brake in Rixtel en Heesbeen. Verderop in de oorkonde wordt echter naar het bezit in Rixtel en Heesbeen terugverwezen, maar dan als curtes: "...predictas curtes de Ricstelle et de Hezebinne..." (de voornoemde curtes van Rixtel en van Heesbeen). In mijn interpretatie denk ik dat met de curtes terugverwezen wordt naar centrale agrarische bedrijven in beide plaatsen waartoe de genoemde gronden en rechten behoren en niet naar het bezit in beide plaatsen als geheel. De curtis van Rixtel bestond mogelijk al voor 1214. In een oorkonde van 1214 is namelijk sprake van een overdracht van een allodium Rixtel door de graven van Megen te Rixtel naar de Tempeliers.192 De curtis zou in dat geval deel hebben uitgemaakt van het allodium zonder haar in de oorkonde bij name te noemen. Zij bestond mogelijk ook niet ten tijde van de graven van Megen. Het kan dan een door de Tempeliers tot curtis gereorganiseerde nederzetting betreffen. De ligging van de curtis in 1289 laat zich veronderstellen met een kaart van 1788 (figuur 61).193 Daarop is het bezit van de ridders van Malta ruimtelijk weergegeven.
Figuur 61 Rixtel, kaart uit 1788 met de ligging (omwaterd geel perceel met letter G onder gebouw met letter B) van de mogelijke volmiddeleeuwse curtis te Rixtel, genoemd in 1289. Naar Coenen 1992, Kaft.
Zij bezaten op dat moment te Rixtel één hoeve, gelegen bij de kerk. De ridders van Malta traden in 1312 in de rechten van de orde der Tempeliers.194 Het is mogelijk is dat het bezit van de Tempeliers en dat van de ridders van Malta tussen 1289 en 1788 onaangetast is gebleven. In dat geval kunnen we veronderstellen dat de hoeve van de ridders van Malta in 1788 de curtis van de Tempeliers van 1289 is. De hoeve van Malta te Rixtel was immers de enigste van hen daar gelegen en in 1289 is ook sprake van slechts één nederzetting te Rixtel in handen van de Tempeliers, de curtis (figuur 60, nr. 5). Hoeven uit de volle middeleeuwen
191 Camps 1979, nr. 439. 192 Camps 1979, nr. 111. 193 Coenen 1992, kaft boek en 32. 194 Streefland 1980, 142, 159; Coenen 1992, 33.
76
Mansi (hoeven) zien we in de geschreven bronnen uit de volle middeleeuwen (vóór 1250) te Lieshout. Het woord mansus kan verschillende betekenissen hebben. Mansus betekent in het MDS-gebied in de periode vanaf haar voorkomen in de teksten, vanaf de achtste eeuw meestal bedrijfseenheid, landoppervlaktemaat en/of rekeneenheid.195 Zeker vanaf c. 1200 (1199) kan het echter ook hoeve als fysiek gebouw betekenen, getuige de hoeve ter Schoot in 1199 te Lieshout.196 In de oorkonde van 1199 is sprake van vier mansi.197 Er staat: quator mansorum, quorom unus, videlicet de Scote, usuagium habebat in foresta de Lisoth, et tres reliqui in communi.198 Het feit dat een mansus een naam heeft is veelzeggend, het is dan iets gelokaliseerd, een naam van een plaats. Een mansus met een naam is dan geen rekeneenheid of landmaat. Een mansus met een naam is ofwel een boerderijnaam ofwel een boerderijnaam met de naam van het er bij horende grondcomplex. De omschrijving van de ligging van de mansi geeft aan dat zij gelegen zijn in de villa van Lieshout. Ook het feit dat in de oorkonde wordt gesproken van het gebruiksrecht van de drie overige hoeven in de gemene gronden duidt erop dat ook de drie overige mansi, boerderijen of boerderijen met grondcomplex zijn. We kunnen er niet zeker van zijn dat de mansus de Scote in 1199 op de locatie lag zoals door Knoop en Merkelbach gesuggereerd.
De hoeve kan zijn verplaatst. Molens Molens zien we vóór 1250 in het studiegebied te Lieshout en te Aarle-Rixtel. In 1246 is te Lieshout sprake van een molen.199 Gezien de ligging nabij een rivier lijkt sprake te zijn van een watermolen. De exacte ligging staat niet vast. Knoop en Merkelbach denken aan de locatie als op figuur 60 is aangegeven (figuur 60, nr. 7).200 Gezien het feit dat de molen in latere bronnen niet meer verschijnt kan dit niet meer dan een globale lokalisering zijn. De watermolen te Aarle-Rixtel (nu gemeente Helmond) is die van Scheepstal, ook genoemd in 1246.201 De ligging daarvan staat wel vast (figuur 60, nr. 9).202 Zij is in oorsprong gelegen binnen de parochie Bakel. De bewoningsgeschiedenis van de volle middeleeuwen Omdat we zowel beschikken over opgravingen uit de periode 900-1250 als oorkonden uit de twaalfde en dertiende eeuw kunnen we meer over de volle middeleeuwen (900-1250) vertellen dan over de vroege middeleeuwen. We kunnen dichter bij de mens van toen komen. Met name te Lieshout. Over het geheel bezien in de periode 1050-1250 zien we qua ligging van vindplaatsen een verdergaande verspreiding ten opzichte van de periode daarvoor (900-1050) buiten de hoge dekzandruggen en een aanhoudende ligging binnen de hoge dekzandruggen (vergelijk figuur 47 met figuur 51).
Ook als de periode 900-1250 qua vindplaatsen wordt afgezet tegen vindplaatsen uit de vroege middeleeuwen is sprake van een verdergaande verspreiding van vindplaatsen (vergelijk figuren 39 en 45 met figuren 47 en 51). Die verdergaande verspreiding wijst mogelijk op twee processen: verplaatsing van bewoning en expansie van het woon-akkergebied. Verplaatsing is met oppervlaktevondsten niet aan te tonen, wel met de opgegraven sites. Te Beek verplaatste de bewoning vanaf een hoogte binnen het hoge dekzandgebied na 900 naar de randen daarvan.203 Te Aarle-Rixtel is de situatie onduidelijk, omdat daar de zekere vroegmiddeleeuwse nederzetting te Strijp en de mogelijke vroegmiddeleeuwse nederzetting bij de kerk van Aarle reeds buiten de hoge dekzandrug van de Hoge Akkers liggen. Tenzij bij de kerk van Aarle alleen de volmiddeleeuwse fase van de nederzetting lag, vergelijkbaar met de situatie te Beek en de vroegmiddeleeuwse fase van de nederzetting van Aarle op de hoge dekzandrug. Dan zien we ook verplaatsing van bewoning in de overgang van de vroege naar de volle middeleeuwen te Aarle. Het 195 Voor de periode tot 900 in het Maas-Demer-Scheldegebied: Theuws 1991. 196 Camps 1979, nr. 89. 197 Camps 1979, nr. 89. 198 Camps 1979, nr. 89 (1199 zonder dag- en maandaanduiding); Hackeng 2006. 199 Camps 1979, nr. 218. 200 Knoop en Merkelbach 1987, kaartbijlage. 201 Camps 1979, nr. 225.
202 Coenen 1992, 46 203 Huijbers 2004b; Huijbers in prep.
77
ontstaan van Rixtel na 900 kan ook als verplaatsing van bewoning worden gezien, maar waar vandaan is onduidelijk. Vanaf het gebied bij de Valkendijk? Expansie van het akkergebied op basis van de verdergaande verspreiding van vindplaatsen in de volle middeleeuwen en in de volle ten opzichte van de vroege middeleeuwen lijkt plausibel, zeker omdat veel vindplaatsen oppervlaktevondsten betreffen, die met mest in de periode 1050-1250 op akkers terecht kunnen zijn gekomen. Tenzij in de late middeleeuwen en later veel met grond (met daarin ook scherven uit de volle middeleeuwen) is gesjouwd. Maar die grondverplaatsing van na 1250 verklaart dan niet de toename van vindplaatsen uit 1050-1250 ten opzichte van die uit 900-1050, welke toename op zich op een expansie duidt (van het woon-akkergebied). Met name de twaalfde eeuw is een periode van een grootschalige openlegging van het landschap op de relatief droge gebieden met nieuwe nederzettingen onder de hoge akkerdekken alsmede een uitbreiding van het aantal boerderijerven in reeds bestaande nederzettingen.204 Aangetekend dient te worden dat een deel van de vindplaatsen ook herontginningen kunnen inhouden op in de Karolingische Tijd opgegeven ontginningsterreinen. Met die (her)ontginningen steeg de bevolking in aantal sterk gedurende de twaalfde eeuw.
Dat blijkt ook uit de aantallen opgegraven, scherp gedateerde, huisplattegronden per eeuw tussen 900 en 1200.205 De agrarische economie bestond uit akkerbouw (rogge, haver, gerst) en veeteelt, een gemengd bedrijf. In de loop van de twaalfde eeuw wordt veeteelt steeds belangrijker, de reden waarom men in de tijd tussen 1175 en 1250 langzaam maar zeker verplaatste naar lage natte gronden. Ook in de opgraving Lieshout-Nieuwenhof zien we op twee erven dat toenemend belang van veeteelt met veekralen en mestkuilen in gebouwen. Veeteelt werd belangrijker om twee redenen: als doel op zich en voor de mestvoorziening. Mogelijk ook als specialisatie voor de opkomende markten in de Meierij tussen 1185 en 1230. Voorwerpen voor dagelijks gebruik zoals kookpotten van aardewerk werden gehaald of gebracht uit het Rijnland en het Maasland en deels zelf gemaakt. Voor circa 1200 lagen markten aan de randen van het grote zandgebied waar Laarbeek in lag, het zog. Maas-DemerScheldegebied. Vanaf circa 1200 kwamen markten op in dat zandgebied zelf. 206 Bij de aanleg van boerenerven en agrarische nederzettingen is het altijd de vraag door wie: door vrije boeren of door boeren met een afhankelijkheidsrelatie met een grondheer, of die relatie nu zwak (met een jaarlijkse cijns als erkenning van het gezag van de heer) of sterk was (met arbeidsdiensten). In dat verband zijn de geschreven bronnen belangrijk.
In 1993 ben ik daar uitgebreid op ingegaan met betrekking tot Aarle, Rixtel, Beek, Lieshout en Helmond. Vooral Lieshout is rijk vertegenwoordigd met maar liefst tien oorkonden uit de twaalfde en dertiende eeuw.207 In 1146 wordt gesproken van het bos Lieshout (silvam Litholz). In 1199 wordt gesproken van het bos en dorp van Lieshout. Lieshout als dorp lijkt haar naam te hebben ontleend aan de naam van het bos.208 Het bos Litholz kan een hogere ouderdom hebben dan de eerste helft van de twaalfde eeuw. Van Osta geeft aan dat –houtnamen teruggaan op het Germaans –hulta en worden geschreven als -holt, -hout, -out en –holz afhankelijk van tijd en plaats.209 Hij toont 200 namen op -hout, waarvan de oudste vanaf 656 dateren en dan worden geschreven als -holt. Beijers en van Bussel denken dat -houtnamen niet ouder dan vóór 1000 zijn.210 Opvallend is wel dat van de oudste vermeldingen van bosnamen die op -holt vanaf 656 en daarna vanaf begin 9de eeuw dateren, namen op -holz vanaf 922, op –hot vanaf 1086 dateren en namen op –hout
204 Huijbers 2018a. 205 Huijbers 2016a. 206 Huijbers 2016b 207 Camps 1979. 208 Camps 1979, nr. 89: ‘…in silva et villa de Lisoth…’. 209 Van Osta 2007. 210 Beijers en Van Bussel 1991, 14, naar collegedictaat bij Prof. Dr. D.P. Blok, Universiteit van Amsterdam.
78
vanaf 1114 dateren, in de 200 namen die Van Osta noemt.211 Die verschillende schrijfwijzen kunnen mijns inziens mogelijk iets zeggen over het tijdstip van benoeming van het bos. Namen op –holz zijn dan zeker vanaf de tiende eeuw gegeven aan bossen, maar mogelijk al eerder. Het bos Lieshout kan daarmee qua ouderdom teruggaan tot in de tiende eeuw, maar omdat –houtnamen in algemeen al vanaf 656 kunnen dateren (als namen eindigende op -holt) kan de ouderdom tot in de zevende eeuw teruggaan. Voorlopig gaan we uit van een maximale ouderdom in de tiende eeuw op basis van de eerste vermeldingen van bosnamen op –holz volgens Van Osta. Indien het bos ouder is dan de eerste helft van de twaalfde eeuw kan daarmee ook de villa genoemd in 1199 ouder zijn. Omdat de naam Litholz in theorie vanaf de tiende eeuw kan dateren en de nederzettingsnaam Lieshout hiervan is afgeleid kan het bewoningsgebied van de villa Lieshout eveneens vanaf de tiende eeuw dateren.
Figuur 62 Boerderij (structuur 1) uit de volle middeleeuwen zoals aangetroffen bij de opgraving Nieuwenhof-Noord in Lieshout in 2010 (uit BAAC rapport, Van der Weerden & Brouwer 2015).
De ontwikkeling van de bezitsverhoudingen te Lieshout is ingewikkeld omdat vele partijen daarin betrokken zijn. Het is hier niet de plaats daar uitvoerig op in te gaan.212 De opgegraven boerenerven in de Nieuwenhof liggen op de kaart van Knoop en Merkelbach in het akkergebied van de hoeven, die in latere tijd eigendom waren van de abdij van Floreffe. Floreffe verwierf haar bezit eind twaalfde en in de dertiende eeuw te Lieshout van diverse aanzienlijke lokale en niet-lokale personen alsmede het SintServatiuskapittel te Maastricht. Niet ondenkbaar is dat de groep van boerenerven uit 1175-1225 hoeven betreffen die door een heer met bezit in Lieshout zijn uitgegeven aan boeren tegen een jaarlijkse afdracht, een cijns en dat die hoeven door Floreffe zijn overgenomen. Het kan echter ook zijn dat de sterke toename van boerenerven uit 1175-1225 met de opkomst van het grondbezit van de abdij Floreffe (vanaf 1194 en 1201) in Lieshout te maken had, na een reorganisatie van verworven
211 Van Osta 2007. 212 Zie daarover Huijbers in prep.
79
grondbezit. In dat opzicht is interessant dat op de plaats van erf 1 het toponiem Nederhofstad lag. 213 Er kan een nederhof hebben gelegen, staande tegenover de ‘bovenhof’, het Hof. Vanuit die nederhof kan de omgeving zijn ontgonnen. Na 1175 in dat geval op basis van de aanvang van de meeste erven aldaar. De vroeger aangevangen erven 2 en 6 (1125 en1050) kunnen dan met het voormalige bezit van een heer met bezit in Lieshout te maken hebben gehad, voor de reorganisatie door Floreffe. De locaties van de vier hoeven die Floreffe in het gebied ten noorden van het Hof in bezit had, blijkens archiefbronnen van rond 1700 (de hoeven ter Schoot, de hoeve de Nieuwenhof, de hoeve aan het Bosch en de nieuwe hoeve aan het Bosch), kunnen hun oorsprong hebben in de locaties van de opgegraven boerenerven in nieuwbouwplan de Nieuwenhof. De hoeven ter Schoot, de Nieuwenhof, de hoeve aan het Bosch en de nieuwe hoeve aan het Bosch zouden dan na 1225 zijn verplaatst naar de locaties waar ze in circa 1700 lagen.214 Het is denkbaar dat de oudste van de opgegraven boerenerven in nieuwbouwplannen de Nieuwenhof en Nieuwenhof-Noord samen (de erven 2 en 6), deel waren van het allodium dat bij het bezit van het bos hoorde in de oorkonde van 1146. De vier hoeven uit de oorkonde van 1199 kunnen deel van het allodium genoemd in 1146 zijn geweest.
Naast de hoeve ter Schoot die in 1199 bij naam wordt genoemd zouden dan ook de hoeven de Nieuwenhof, de hoeve aan het Bosch en de nieuwe hoeve aan het Bosch tot het allodium kunnen hebben behoord. Ik denk zelf dat het SintServatiuskapittel meer bezit had in Lieshout dan het bos met allodium wat zij kregen blijkens de oorkonde van 1146. Daarop wijzen de patroonheilige van de kerk bij het Hof, Sint-Servatius en vooral de combinatie Sint-Servatiuskerk en curtis (‘t Hof). Beide liggen naast elkaar. Het is geen toeval dat een curtis in handen van een heer van Lieshout toevallig naast een aan Servatius gewijde kerk ligt en evenmin toevallig dat een kapittel met dezelfde naam als de patroonheilige in Lieshout bezit blijkt te hebben. Die ligging van de curtis in bezit van de heer van Lieshout direct naast de Servatiuskerk is geen toeval omdat de heer van Lieshout die curtis in mijn optiek van het Sint-Servatiuskapittel heeft toegeëigend. Te Lieshout is denk ik sprake van de klassieke ontwikkeling dat een zaakwaarnemer op kerkelijk grondbezit delen van dat bezit plus kerkelijke rechten toe-eigende en zich vervolgens heer van de parochie ging noemen.215 Ik denk dat zich in Lieshout het volgende scenario heeft afgespeeld. Er lag te Lieshout in de elfde en twaalfde eeuw kerkelijk grondbezit van het Sint-Servaaskapittel met een curtis en een kerk gewijd aan Sint-Servatius.
Bekend is dat het Servaaskapittel rond 1000 bezit kreeg van de bisschop van Luik, welk bezit oorspronkelijk koningsgoed was.216 De kerk en curtis werden al vroeg toegeëigend door de zaakwaarnemer op het bezit van het Servatiuskapittel te Lieshout, door iemand die zich heer van Lieshout ging noemen. Dat bezit zal voor 1139 zijn toegeëigend omdat Lieshout ontbreekt in een oorkonde met een opsomming van bezit van het Servatiuskapittel uit dat jaar.217 Daarnaast lag er een bos in handen van drie edelen met een allodium, mogelijk ook met een herkomst in koningsgoed op basis van de term foresta die ook voor het bos wordt gebruikt, in de oorkonde van 1199.218 Dat bos moet tussen 1139 en 1146 zijn geschonken omdat Lieshout niet in de genoemde oorkonde van 1139 staat.219 Het bos is het Servaaskapittel vervolgens kwijt geraakt tussen 1146 en 1199, want dat verklaart waarom Sint-Servaas in de oorkonde van 1199 te Lieshout alleen nog een cijns had van vier hoeven. Een van die vier hoeven was de hoeve de Schoot. Mogelijk waren de andere drie hoeven de genoemde hoeven de Nieuwenhof, aan het Bosch