6 20210721 Bijlage 3 Rapport Actualisatie archeologische kaart (1).pdf
Tekst van het document
ACTUALISATIE ARCHEOLOGISCHE VERWACHTINGEN- EN WAARDENKAART GEMEENTE LAARBEEK
Voorpagina: - Doorsnee landweer bij de Snelle Loop (foto Waterschap Aa en Maas). - Opgraving waterput Nieuwenhof Noord in Lieshout (foto BAAC ’s-Hertogenbosch) - diverse losse vondsten (Middeleeuws aardewerk Lieshout, IJzertijd urn Beek en Donk, Bronstijd hielbijl Beek en Donk en gouden Keltische munt Lieshout) (foto’s Rijksmuseum van Oudheden en Geheugen van Nederland).
2
ACTUALISATIE ARCHEOLOGISCHE VERWACHTINGEN- EN WAARDENKAART GEMEENTE LAARBEEK
In opdracht van
Gemeente Laarbeek
Opgesteld door
Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant Postbus 8035 5601 KA Eindhoven
Auteurs
Ria Berkvens & Antoinette Huijbers, met een bijdrage van Erik Drenth
Datum
Juni 2021
Status
Definitief
3
4
Inhoudsopgave 1
Inleiding ............................................................................................................................................................................................. 7 1.1
Kader en doel ................................................................................................................................. 7
1.2
Het onderzoeksgebied .................................................................................................................. 8 1.2.1 Aarle-Rixtel ......................................................................................................................... 10 1.2.2 Beek en Donk ..................................................................................................................... 13 1.2.3 Lieshout .............................................................................................................................. 15 1.2.4 Stiphout .............................................................................................................................. 17
2
Bewoningsgeschiedenis van Laarbeek ........................................................................................................................ 19 2.1
De basis van het landschap ........................................................................................................ 19
2.2
De prehistorie (ca. 300.000 – 12. V. Chr.) ................................................................................. 24 2.2.1 Paleolithicum of Oude Steentijd (ca. 300.000 – 9.000 voor Chr.) ................................... 24 2.2.2 Mesolithicum of Midden-Steentijd (ca. 9.000 – 4.200 voor Chr.) .................................... 27 2.2.3 Neolithicum of Nieuwe Steentijd (ca. 4.200 – 1.900 voor Chr.): de eerste boeren ........ 30 2.2.4 Bronstijd en IJzertijd (ca. 1.900 - 12 voor Chr.): een periode van grafheuvels, urnenvelden en metaalbewerking ............................................................................................... 36
2.3
Romeinse tijd (12 voor Chr. – 450 na Chr.): een periode van groei en vooruitgang ............... 42 2.3.1 Continuïteit van late ijzertijd naar vroeg-Romeinse tijd? ................................................. 42 2.3.2 Vroeg Romeinse tijd .......................................................................................................... 43 2.3.3 Romeinse overheersing ..................................................................................................... 46 2.3.4 Erf en nederzetting in de Romeinse tijd ........................................................................... 49 2.3.5 Grafritueel .......................................................................................................................... 52 2.3.6 Infrastructuur ..................................................................................................................... 54 2.3.7 De Laat-Romeinse tijd (c. 300 – 450 na Chr.): een duistere periode .............................. 55
2.4
De middeleeuwen en nieuwe tijd ................................................................................................ 56 2.4.1 Inleiding ............................................................................................................................. 56 2.4.2 De bewoningsgeschiedenis van de vroege middeleeuwen in Laarbeek .......................... 56 2.4.3 De bewoningsgeschiedenis van de volle middeleeuwen in Laarbeek ............................. 62 2.4.4 De late middeleeuwen en de nieuwe tijd .......................................................................... 83
3
Methoden en bronnen ......................................................................................................................................................... 108 3.1
Bronnen en aanpak .................................................................................................................... 108
3.2
Opstellen verwachtingsmodel ................................................................................................... 109
3.3
Verfijning verwachtingen op basis van het fysieke landschap ................................................ 111
3.4
Verfijning verwachtingen op basis van de archeologische inventarisatie .............................. 114
3.5
Verfijning verwachting op basis van de cultuurhistorische inventarisatie ............................. 120
3.6
Verfijning verwachtingen op basis van (mogelijke) verstoringen ........................................... 122
5
4
Archeologische waarden ................................................................................................................................................... 126
5
Vertaling van de archeologische verwachtingen- en waardenkaart naar beleid ............................ 129
6
5.1
Toelichting op de verschillende waarden en verwachtingen ................................................... 129
5.2
Beperkingen van de archeologische verwachtingen- en waardenkaart .................................. 132
5.3
Categorieën en ondergrenzen archeologie .............................................................................. 132
5.4
Tot besluit .................................................................................................................................. 135
Literatuur .................................................................................................................................................................................... 137
Bijlagen 1.
Verwachtingsmodel regio Zuidoost-Brabant......................................................................................................... 162
2.
Overzicht archeologische onderzoeken 2012-2021 ......................................................................................... 178
Losse (kaart)bijlagen Bijlage 3 Overzicht van archeologische waarden en vindplaatsen Kaartbijlage 4 Archeologische basiskaart gemeente Laarbeek Kaartbijlage 5 Bronnen (mogelijke) verstoringenkaart gemeente Laarbeek Kaartbijlage 6 Archeologische verwachtingen- en waardenkaart gemeente Laarbeek Kaartbijlage 7 Archeologische beleidskaart gemeente Laarbeek
6
1
Inleiding
1.1
Kader en doel
De gemeente Laarbeek is voornemens haar archeologiebeleid te herijken in aanloop naar de invoering van de Omgevingswet, zoals voorzien is voor 1 juli 2022. In 2012 is voor het grondgebied van de gemeente Laarbeek de eerste archeologische verwachtingen- en waardenkaart samengesteld, welke in 2013 vervolgens door de gemeente Laarbeek is vastgesteld.1 Sindsdien zijn al weer heel wat archeologische onderzoeken uitgevoerd en zijn er nieuwe wetenschappelijke inzichten verkregen over onze bewoningsgeschiedenis en daarmee het verwachtingspatroon. In het kader van de Archeologische Monumentenzorg en straks de Omgevingswet is het voor de gemeente van groot belang om over een zo volledig mogelijk en actueel overzicht van de samenstelling van het eigen bodemarchief te kunnen beschikken. De archeologische verwachtingen- en waardenkaart is in dat kader een belangrijk instrument, dat echter up-to-date moet worden gehouden. Het in 2016 in de Omgevingswet opgenomen begrip van ‘aantoonbare archeologische monumenten’ benadrukt dat transparantie en betrouwbaarheid van archeologische verwachtingen- en waardenkaarten van groot belang zijn. Periodiek actualiseren is noodzakelijk vanwege ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening en inmiddels uitgevoerde opgravingen, waardoor sommige gebieden geheel of gedeeltelijk van de kaart kunnen worden afgevoerd.
Tegelijkertijd is voortdurend sprake van voortschrijdend inzicht, onder meer door nieuwe ontdekkingen in het veld en een verruiming in tijd, waardoor ook bewoningsresten uit de vorige eeuw in het onderzoeksveld van de archeologie zijn gekomen. Om tot een verantwoorde belangenafweging te komen, is het voor de gemeente Laarbeek van belang om te beschikken over een betrouwbare en actuele archeologische verwachtingen- en waardenkaart. Doel van het actualiseren van de archeologische waarden- en verwachtingenkaart is dan ook om beter en onderbouwd inzicht te krijgen in de aanwezige en te verwachte archeologische waarden die binnen het gemeentelijk grondgebied aanwezig kunnen zijn. Hoe nauwkeuriger deze kaarten, met substantieel oog voor verstoringen en andere beperkende factoren, hoe minder vaak veroorzakers of vergunningaanvragers onterecht een archeologische onderzoeksplicht opgelegd (kunnen) krijgen. Ook kan dit leiden tot gerichter archeologisch onderzoek. Aan zowel de bekende archeologische waarden als de archeologische verwachtingszones (bv. ‘hoge verwachting’) wordt tot slot een advies gekoppeld gericht op de zorg voor het archeologisch erfgoed. Dit resulteert in een archeologische beleidskaart, die het uitgangspunt vormt voor het op te stellen paraplubestemmingsplan archeologie.
In dit rapport worden de opbouw en de inhoudelijke achtergronden van de nieuwe archeologische verwachtingen- en waardenkaart toegelicht maar wordt ook ingegaan op de kennis van de bewoningsgeschiedenis van Laarbeek op basis van met name archeologische en historische bronnen.
1 Sinds 2012 is de archeologische verwachtingen- en waardenkaart als onderdeel van de erfgoedkaart van de gemeente Laarbeek te raadplegen op de website van de ODZOB: https://odzob.nl/kaarten-erfgoed-archeologie.
7
1.2
Het onderzoeksgebied2
De gemeente Laarbeek is op 1 januari 1997 ontstaan uit een fusie van de voormalige gemeenten AarleRixtel, Beek en Donk, en Lieshout. Van de gemeenten Sint-Oedenrode en Erp werden kleine hoekjes overgenomen. De gemeente Aarle-Rixtel verloor op 1 januari 1968 127 hectare en 157 inwoners aan Helmond, maar kreeg er tegelijkertijd 358 hectare met 206 inwoners bij van Stiphout. Op 1 januari 1997 ging 313 hectare met 147 inwoners naar Helmond en de rest naar de nieuwe gemeente Laarbeek. Beek en Donk bleef wat grondgebied betreft sinds 1810 ongewijzigd tot 1997. Van Lieshout ging toen 4 hectare onbewoond gebied naar Helmond. De rest werd aan de nieuwe gemeente Laarbeek toegevoegd. Vóór 1968 hebben we in het gebied van het huidige Laarbeek dus te maken met vier gemeenten: AarleRixtel, Beek en Donk, Lieshout en Stiphout. Deze gemeenten werden in 1810 gevormd uit de gelijknamige dorpen van het Ancien Régime. De bevolking van Laarbeek nam vanaf de vroege vijftiende eeuw tot 1800 geleidelijk toe van 1550 tot 2950 inwoners. De negentiende eeuw bracht een groei met 60% en de twintigste eeuw bijna een vervijfvoudiging van de bevolking. Naam De naam Laarbeek is een samenvoegsel van de termen 'Laar' (naar het gehucht Het Laar, dat het centrum van de gemeente vormt) en 'beek' (een verwijzing naar de verschillende beken die de gemeente doorkruisen zoals de Aa en de Goorloop).
De Goorloop vormt de grens tussen Lieshout en Aarle-Rixtel en Lieshout en Beek en Donk. De Goorloop komt voor het eerst voor in een tweetal oorkonden van april 1246. In de eerste oorkonde wordt aangaande de grens tussen Lieshout en Aarle vastgesteld: dat het beekje, dat stroomt vanaf de molen Duijnhoven van bovengenoemden naar de Peesgal en verder, het allodium van Lieshout enerzijds scheidt en van de heer hertog anderzijds. In de tweede oorkonde werden onder meer de Lieshoutse beemden langs de grens met Beek aan het domein Lieshout toegevoegd: aan deze zijde van de Peesgalbeek, naar Lieshout toe, over de weg de Doreweg. Wapen Het wapenschild is in drie velden verdeeld. Deze driedeling van het wapenschild kan als verklaring worden gebruikt voor het samengaan van de drie voormalige gemeenten (drie delen) tot één gemeente (één schild) . In het bovenste veld zijn twee molenijzers opgenomen, terwijl in het onderste veld een lelie staat. Met de twee molenijzers wordt teruggegrepen op het wapen van de oudst bekende heer van zowel Aarle-Rixtel als Beek en Donk, namelijk Dirk de Rover. De lelie symboliseert Onze Lieve Vrouw, de patrones van de abdij van Floreffe. Als eigen symbool voor de gemeente Laarbeek is de dwarsbalk gekozen, die staat voor het naamdeel beek (water). Het wapen is gedekt door een z.g. baronnenkroon.
Deze kroon wijst terug op de baronnenkroon op de zegel van de schepenbank van Beek en Donk. 3
Om gevoel te krijgen bij de dynamiek van het ontstaan van de gemeente Laarbeek volgt hier een historische beschrijving van de in de loop der tijden geannexeerde kernen en hun oorsprong. Dit is van belang om het ontstaan van de archeologische monumentenzorg in de huidige gemeente te kunnen begrijpen.
2 Opgesteld door dr. K.A.H.W. Leenders. 3 D’n Effer, Het wapen en de vlag van de gemeente Laarbeek
8
Figuur 1 Het grondgebied van Laarbeek op de kaart van Verhees uit 1798.
Figuur 2 Kaart van de Helmondse Aa van Helmond tot bij Boerdonk, 1808, van H. Verhees. Titel: Caart figuratief ter bevaarbaar maken van de revier de Aa van de brug tot Kox tot aan de stad Helmont, zijnde ’t vierde stuk of vervolg van ’s Bosch de Aa rivier opwaarts tot Helmont (NAG, 4.VTH 800).
9
1.2.1
Aarle-Rixtel
De gemeentenaam Aarle-Rixtel is een eenvoudige combinatie van de dorpsnamen Aarle en Rixtel. Het gebied van de voormalige gemeente Aarle-Rixtel viel samen met dat van de voormalige statendorpen Aarle en Rixtel, gelegen in het Kwartier van Peelland. Aarle en Rixtel vormden samen met Beek en Stiphout tot 1642 een heerlijkheid. Wapen In 1340 is in Aarle sprake van een hertogelijke gerechtsdienaar; in 1359 in Rixtel en in 1368 in Aarle en Beek van schepenen. Een schepenbankszegel wordt in 1450 genoemd en afdrukken hiervan zijn vanaf 1488 bewaard gebleven. Het geeft - gezien het voorkomen van het hertogelijke wapenschild - de juridische situatie van vóór 1392 weer. Het zegel vertoont op een met sterren bezaaide ondergrond de patrones van de parochie Aarle, een gekroond Mariabeeld met kind op haar linkerarm en een tak in haar rechterhand. Heraldisch links is het gevierendeelde wapenschild van de hertogen van Brabant geplaatst. Dit zegel heette in 1714 "dorps- en gemeenschappelijk schependomszegel". Op 16 juli 1817 werd deze zegelvoorstelling bevestigd als wapen.
Figuur 3 Explicatie der Caarten van Aarle Rixtel gemaakt door P. van Oldenree anno 1720 (Brabant Collectie)
10
Aarle Aarle beslaat het grootste deel van de latere gemeente Aarle-Rixtel, met een grote hoge akker waar de dorpskom bij de kerk op ligt. De oude ontginningen en bolle akkers van Aarle-Rixtel bevatten met zekerheid hoge archeologische waarden. Het bijzondere van deze ontginningen bij Aarle-Rixtel is dat de verkavelingsstructuur- afgaande op de historische kaarten uit de 19e eeuw- in de afgelopen anderhalve eeuw nauwelijks is gewijzigd. De akkercomplexen hebben hier hun open karakter nog goeddeels behouden. Daardoor geeft de inrichting van het landschap hier een goede indruk van de kern van het historische dorpsterritoir, en de relatie met het daaraan grenzende beekdallandschap. Er dient echter te worden beseft dat het oorspronkelijke exploitatiegebied van de dorpen Aarle en Rixtel in historische tijd veel omvangrijker is geweest. Deze dorpen maakten ook aanspraak op de buiten de grenzen liggende heide en delen van het Broek en de Peel.4 Het archief van de abdij te Postel is in het bezit van een oorkonde, gedateerd: 16 juni 1249, waarin de naam "Aarle" voorkomt. Maar deze vroegste vermelding van Aarle zegt niets over de werkelijke ouderdom van dit kerkdorp.5 De eerste dorpskern heeft zich waarschijnlijk bevonden op de hoger gelegen akkergronden nabij de oude kerk van Aarle. Het meest opvallende gebied is de Hoge Akker.
De oude akkergronden werden in de loop van de 12e en 13e eeuw verlaten en daardoor kwam de kerk van Aarle alleen te staan. Nog in de 19e eeuw lag de oude kerk van Aarle afgezonderd in de akkers. De huidige dorpskern en de omliggende gehuchten vormden zich in deze periode. In de 14 e eeuw vormden Aarle en Beek een rechtsgebied of dorpsgemeenschap en er vond een ontwikkeling in de bezitsverhoudingen plaats, die vermoedelijk wijst op een afschaffing van de horigheid. Hertog Jan II van Brabant draagt dan het gebruik van de gemeenschappelijke gronden, ook wel “gemeente” genaamd, over aan de inwoners van Rixtel, Aarle en Beek. Uit deze beslissing van hogere hand is toen de kiem gelegd waaruit het huidige Aarle-Rixtel zich als gemeente heeft ontwikkeld.
Figuur 4 Aarle en Rixtel op de kaart van Hendrik Verhees uit 1790
4 Kolen e.a., 2004, 21. 5 Coenen, 1992
11
Rixtel Rixtel beslaat het zuidelijke deel van de latere gemeente Aarle - Rixtel. Het is niet eenvoudig om de omvang van de heerlijkheid en het dorp Rixtel aan te geven. De Rixtelse Akker, het gehucht Rixtel en het kasteel Gulden Huis met omgeving hoorden er zeker toe.
Figuur 5 Aarle en Rixtel op de Carte Figuratieve van Verhees uit 1808.
De geschiedenis van Rixtel is nauw verbonden aan Aarle. Rixtel zal samen met andere gehuchten als op Heuvel, Strijp en de alleen liggende hoeven en kasteeltjes voor een groot deel zijn ontstaan tussen de 12e en de 14e eeuw. In de 14e eeuw zijn er voor het eerst schriftelijke bewijzen over het bestaan van deze gehuchten en gebouwen. In veel gevallen worden de eigenaren genoemd en soms ook de pachters. De belangrijkste persoon was ongetwijfeld de heer van het huis van Rixtel. Reeds in 1246 vinden we een Gerardus, ridder, heer van Ricstelle in een oorkonde betreffende de grenzen van Lieshout, en in 1256 is hij getuige bij een akte voor de abdij van Binderen. De heren en edellieden volgen elkaar op. Ten tijde dat ridder Johannes van Rotselaer, een edelman stammend uit het geslacht der drossaarden (schout) van Brabant, het huis van Rixtel bezit is het leengoed van de hertogen van Brabant. Voor de edelman was het huis een bron van inkomsten omdat het namelijk eigen
12
leengoederen bezat onder andere te Aarle en Rixtel. In 1392 kreeg Dirk de Rover, heer van het huis Rixtel, tegen betaling de heerlijke rechten over Aarle, Beek en Rixtel en tevens over de heerlijkheid te Stipthout. Hij werd heer van Aarle-Beek en hiermee begon een nieuwe periode in de geschiedenis, die eindigde in 1642 na de inlossing van de verpanding en de verkoop van de nieuwe heerlijkheden Beek en donk en Stiphout. Voor het beter begrijpen van de periode na 1642, is het van belang dat de gevolgen van de zogenaamde ‘Tachtigjarige Oorlog’ voor Aarle-Rixtel worden benadrukt. Een van de gevolgen was dat de heerlijkheden werden verkocht door de Spaanse koning. Zo werd de heerlijkheid Beek en Donk en Rixtel apart verkocht waardoor in 1642 drie nieuwe dorpen ontstonden: te weten de heerlijkheid Stiphout met Croij, het Statendorp Aarle-Rixtel en de heerlijkheid Beek en Donk.6 Na 1680 hoorde Rixtel onder de schepenbank van Aarle-Rixtel en leverde daarin enkele schepenen. Het oude dorp Rixtel is dan helemaal verdwenen en hoewel de naam Rixtel behouden is in de naam Aarle-Rixtel, is van Rixtel zelf niets meer te vinden. Achthonderd jaar geleden was Rixtel het centrum van de macht in de regio. Na bijna 800 jaar een aparte ontwikkeling te hebben doorgemaakt komen Aarle-Rixtel, Beek en Donk en Lieshout weer bij elkaar.7 1.2.2
Beek en Donk
De gemeentenaam is een eenvoudige samenvoeging van de dorpsnamen ‘Beek’ en ‘Donk’. Het gebied van de voormalige gemeente Beek en Donk viel samen met dat van de voormalige heerlijkheid Beek, gelegen in het Kwartier van Peelland. Beek en donk, een belangrijke kern van de huidige gemeente Laarbeek, vormde in de Middeleeuwen een onderdeel van het graafschap Rode. Wapen Tussen 1642 en 1645 was er geen "justitie" ter plaatse. In 1646 zal een eigen schepenbank zijn gaan functioneren. Een schepenbankzegel is bekend vanaf 1649. In 1692 spraken de schepenen van hun gemeenschappelijk schependoms- en heerlijkheidszegel. Het zegel vertoont de beeltenis van de kerkpatroon, de aartsengel Michaël, met een schild aan zijn linkerarm en met zijn rechterhand een zwaard boven zijn hoofd zwaaiend. Voor hem staat een gekroond wapenschild met het wapen Van Leefdaal. In 1815 vroeg de [eerste] burgemeester - J. de Jong van Beek en Donk - aan de gouverneur der provincie om zijn familiewapen in plaats van dat van Van Leefdaal te mogen voeren, aangezien het gebied al meer dan 70 jaar in bezit was van de familie. Dit verzoek werd niet gehonoreerd. In 1819 werd toch een wapen verleend. In 1888 en 1889 vroeg de gemeenteraad om toekenning van een nieuw wapen.
6 Coenen, 1992. 7 Vogels, Philipsen, 1993, 20-24.
13
Figuur 6 Beek en Donk op de Carte Figuratieve van Verhees uit 1808.
Beek De dorpsnaam is een van de vele die “Beek” luiden. De eerste vermelding is te vinden in de akte uit 1300 waarin Hertog Jan van Brabant gemene gronden aan de inwoners van Rixtel, Aerle en Beek in leen uitgeeft. De naam betekent: natuurlijke waterloop, in dit geval zal dat De Aa zijn. 8 Beek is blijkbaar het gedeelte van Beek en Donk ten zuiden van een laagte, de Lage Recht. Beek was een hoge heerlijkheid die te leen gehouden werd van de hertog van Brabant en na 1648 van het leenhof van Brabant in Den Haag. Het dorp viel onder de schepenbank van Beek en Donk, waarin het enige schepenen leverde. Het dorpsbestuur bestond uit drossaard, schepenen, twee burgemeesters, naburen en ingezetenen. Beek en Donk hadden van oudsher, al vanaf de Late Middeleeuwen, niet geringe belangen in de Peel. Op 1 maart 1326 verkocht Jan II, hertog van Brabant het gehele stuk ten noorden van de Peel van Deurne in eigendom van de inwoners van Bakel, Aarle en Beek, waar ze vrijelijk turf konden steken en konden plaggen.9
8 Heemkundekring de Lange Vonder Beek en Donk 9 Boeijen, Philipsen, 2000, 31-40.
14
Figuur 7 Minuutplan uit 1840 van Beek en Donk
Donk Ook de naam “donk” is heel algemeen. Hier komt de naam al in 1304 voor. De betekenis is ‘zandige opduiking in moerassig terrein’. 10 De natuurlijke barrière, het vroegere moerassige gebied tussen beide dorpsdelen werd over het algemeen als grens gezien. Nu dit terrein grotendeels bebouwd is, of in cultuur gebracht is met vijvers en plantsoenen, zal voor veel nieuwkomers in het dorp de vraag rijzen: wat is nu Beek en wat is Donk? Natuurlijk is er nooit een echte grens geweest of bepaald. Enkel bij de splitsing in 1894 van de parochie Beek en Donk tot de parochie Beek en de parochie Donk is er een duidelijke parochiegrens aangegeven. 1.2.3
Lieshout
Er is in de cijnskring geen nederzettingsnaam met zoveel schrijfvarianten. Het is een samengestelde naam uit twee afzonderlijke elementen, nl. 'lies' en 'hout'. Hout duidt op bos of geboomte. Het eerste deel geeft problemen. Van Berkel prefereert de prominente aanwezigheid van liesgras, een weinig gewaardeerde grassoort. De lokale historici hebben een andere visie en gaan uit van 'lide' = weg, gang, 10 Van Berkel en Samplonius, 1995, 48.
15
pad en ’holt' = bos. De 'lide' was het pad dat langs de oostrand van het dichte bos (het Lieshouter Bosch) liep en de doorgang vormde door de overwegend moerassige strook tussen de twee hoger gelegen gebieden als onderdeel van de oude zuid-noord route waarvan Romeinse sporen zijn aangetroffen. In de middeleeuwen lag het centrum van bewoning bij het Hof. Rondom het bij het Hof horende akkerland kwamen van het Hof afhankelijke en door horigen geëxploiteerde hoeven te liggen. Het gebied ten westen en zuiden van de bebouwde kom van Lieshout heeft dus zijn ruimtelijke hoofdstructuur – afgezien van geomorfologische processen- in hoofdzaak verkregen in de Middeleeuwen. Uit de hoeven van de horigen ontstonden na verkoping en splitsing in latere eeuwen gehuchten als Achterbosch, Deense Hoek, Vogelenzang en ’t Hof. Deze hoeven behoorden toe aan de Abdij van Floreffe. 11 Omstreeks 1190 schonk de heer van Lieshout het domein aan de abdij van Floreffe. Tot 1714 was de heerlijkheid Lieshout in handen van de abdij van Floreffe en die van Postel, daarna waren leken er heer.
Figuur 8 Bonnekaart van Lieshout uit 1900.
Lieshout was een allodiale hoge heerlijkheid binnen de Meierij van Den Bosch en het hertogdom Brabant. Een allodium is een vrij en eigen bezit, waarover de landsheer geen eigendomsrechten of daarvan afgeleide rechten kon doen gelden. Als zodanig was het domein Lieshout een zogenaamd erfgoed, waarvan het eigendom door vererving werd verkregen. Het overgrote deel van het domein was omgeven door water, dat meestal tevens de grens van het domein vormde: het Rooijven, de Goorloop, de Lieshoutse Beemden, het Moorssele met het Keelgras en tenslotte het Broek. In het westen viel de
11 Kolen e.a., 2004, 17,18.
16
grens van het domein ongeveer samen met die van het Lieshouter Bosch. In de 11 e en 12e eeuw krijgt het verdwijnen van het loofbos ten zuiden en ten noorden van het domein zijn beslag en ontstaan geleidelijk aan de heidevlakten. De huidige gemeentegrenzen op de voormalige heidevlakte gaan nagenoeg ongewijzigd terug op de verdeling van de gebruiksrechten tussen de omliggende nederzettingen. Rond ging Floreffe er toe over het Lieshoutse domein te verpachten. Intussen was het domein al min of meer tot een dorpsgemeenschap uitgegroeid. Het aantal inwoners zal in 1300 tussen de drie- en vierhonderd hebben gelegen. In 1698 deed Floreffe zijn bezittingen te Lieshout en de heerlijkheid over aan Postel. Postel verkocht nog datzelfde jaar de hoeven en het grootste gedeelte van het Hof – de kern van het oorspronkelijke domein – aan diverse gegadigden en in 1714 de heerlijkheid Lieshout aan Adriaan Bout. Na de komst van de Fransen, die in 1794 de Zuidelijke Nederlanden bezetten, kwam in het kader van de rechten van de mens en burger nu de macht aan het volk en sprak men voortaan van de Municipaliteit (gemeentebestuur) van Lieshout. De eerste verkiezing van een dorpsbestuur door de eigen inwoners had in Lieshout plaats op 23 april 1795; het zou tevens tot 1848 de laatste zijn. Wapen Een schependomszegel is bekend vanaf 1518, doch is gezien de belettering van oudere datum.
In de tweede helft van de 16de of begin 17de eeuw is het vervangen door een identiek zegel, dat tot 1811 in gebruik moet zijn gebleven. In het zegel staat in het midden een gemijterde abt, met in zijn linkerhand een kromstaf met sluier, in zijn rechterhand een sleutel. Rechts van de abt staat een kleiner menselijk figuur met een eveneens gebogen staf in zijn hand, mogelijk een pelgrims- of priorstaf. De centrale figuur moet worden verklaard als de abt van Floreffe, die ter plaatse heer was, hier voorgesteld met waarschijnlijk zijn meester, provisor of prior ter plaatse. Waarom deze dan naast zijn staf een sleutel vasthoudt, is niet duidelijk, maar dat komt blijkens het "Corpus Sigillorum Neerlandicorum" op zegels van geestelijken [deken, kanunnik, officiaal, custos] meer voor. Meestal worden abten voorgesteld met kromstaf en boek, soms met een monstrans. Het is niet uit te sluiten dat de abt het symbool van de plaatselijke patroon - Sint-Servaas - in zijn hand houdt. De burgemeester schreef in 1815 aan de gouverneur der provincie dat het zegel Sint-Servaas vertoonde, patroon van de gemeente. De Hoge Raad van Adel bevestigde op 16 juli 1817 het wapen met bovenstaande beschrijving, maar tekende in plaats van de vermeende heilige een armzalig figuurtje met een kaalgeschoren kruin, rozenkrans aan de gordel en een kruis in zijn rechterhand. 1.2.4
Stiphout
Stiphout was een hertogsdorp, maar de hoge, middelbare en lage heerlijkheid ervan werd, sinds 1393, herhaaldelijk in leen uitgegeven. Zo bleef het tot 1795 een hertogelijk leengoed. Stiphout had zijn eigen schepenbank met 7 leden. Het dorpbestuur werd gevormd door de drossaard, schepenen en twee burgemeesters. Wapen Schepenen en schependomszegel zijn bekend vanaf 1428. Het zegel vertoont het gevierendeelde wapen van de hertogen van Brabant en moet derhalve van vóór 1392 [zie hiervoor] dateren. Het oudste
17
type kent als randschrift: [SEGEL] DER SCEPEN' DES GHEMEI[NTS VAN STIPHOUET]. Van het volgende zegel, zijn voorbeelden bekend vanaf 1623. In 1704 werd een nieuw zegelstempel gesneden: twee wapenschilden onder een kroon en het randschrift: "sacrum convicium (1704)." Het wapen Van Leefdaal werd herkend, het wapen met de vier leeuwen werd als vermoedelijk het wapen van Brabant en Limburg geïnterpreteerd. Het afgebeelde wapen Van Leefdaal - mét het hartschild met de schuinbalk - is identiek aan dat van Philips Baron van Leefdaal (1659). Het zegelstempel uit 1704 is in 1815 door de arrondissementscommissaris van Eindhoven toegezonden aan de burgemeester van Tongelre, als zijnde dat van Tongelre. Een en ander leidde toen tot de bevestiging van dat wapen voor de gemeente Tongelre. De burgemeester schreef in 1815 aan de gouverneur der provincie dat het van oudsher gebruikelijke dorpszegel onder het Franse bestuur aan de prefect was toegezonden en nooit werd terugontvangen. Hij kon dan ook geen aftekening en beschrijving doen toekomen, noch de oorsprong daarvan opgeven. Hij achtte het niet noodzakelijk dat een kleine gemeente als Stiphout een wapen zou voeren. Daarop heeft de Hoge Raad van Adel geen actie ondernomen. Over de aanloop tot de wapenverlening in 1885 is niets bekend. Het bij Koninklijk Besluit van 15 december 1885 nr. 20 verleende wapen is omschreven als bovenstaand.
Het randschrift is op het diploma geplaatst op een banderol.
18
2
Bewoningsgeschiedenis van Laarbeek
Dankzij het archeologische onderzoek van de laatste 40 jaar zijn we veel te weten gekomen over bewoning, landschap en samenleving van de prehistorie, Romeinse tijd, middeleeuwen en nieuwe tijd van het huidige Noord-Brabant. Voorheen bestond alleen een beeld van de middeleeuwse bewoning en landschap met historisch-geografisch onderzoek. Daarbij werd verondersteld dat de huidige dorpsnederzettingen vanaf de vroege middeleeuwen lagen waar ze op de kadasterkaart van 1832 lagen. Dankzij grootschalige opgravingen onder hoge akkerdekken vanaf circa 1980 is dat beeld grondig herzien. Veel woonplaatsen van gewone mensen lagen tot circa 1250 waar in 1832 hoge akkers lagen.
Ook in Laarbeek is veel opgegraven en conclusies uit die opgravingen passen
grotendeels in het nieuwe beeld van heel Noord-Brabant. Grotendeels, want elk dorp heeft zijn eigen geschiedenis, zo ook de dorpen in het hedendaagse Laarbeek. Hieronder volgt een beknopt overzicht van de bewoningsgeschiedenis van Laarbeek. Geordend naar archeologische periode geven we een kort overzicht van de dichtheid en variëteit in archeologisch belangwekkende vindplaatsen en bijzondere vondstgroepen in de gemeente Laarbeek en geven we een beschrijving van de bewoningsgeschiedenis welke mede is gebaseerd op regionaal archeologisch onderzoek. Omdat de bewoning sterk samenhangt met het onderliggende landschap, wordt eerst een kort beeld geschetst van het ontstaan van het huidige landschap.
2.1
De basis van het landschap
12
De geologisch-landschappelijke structuur van oostelijk zand-Brabant is gevormd in het tijdvak dat Carboon wordt genoemd, circa 350 tot 285 miljoen jaren geleden. In dat tijdvak ontstonden diepe scheuren in de aardkorst van een groot gebied waartoe ook Oost-Brabant hoorde. Door die scheuren of breuken werd Oost-Brabant verdeeld in noordwest-zuidoost gerichte landdelen, ook wel schollen genoemd. Eén van die schollen draagt de naam Centrale Slenk, een andere de naam Peelhorst. In de Centrale Slenk ligt ook het grondgebied van Laarbeek. Vanaf de periode in de geologische geschiedenis die het Elsterien heet, maakte de Peelhorst een stijgende beweging, terwijl de Centrale Slenk een dalende beweging maakte. Ondanks deze tegengestelde beweging is het hoogteverschil tussen beide landdelen miniem gebleven. Dat kwam doordat de Centrale Slenk altijd een opvulbekken is geweest, te vergelijken met een grote zandbak die voortdurend vol raakt met materiaal. Die opvulling liep gelijk op met de daling van de Slenk. De huidige daalsnelheid van de Slenk is ongeveer 0,8 millimeter per jaar.13 De oostelijke breuklijn, de Peelrandbreuk, levert af en toe nog aardbevingen op. Het gedaalde gebied tussen beide breuken werd geleidelijk opgevuld met zand-, leem- en kleilagen: materiaal dat van de hogere omgeving weggeërodeerd was.
De grove Maasafzettingen zitten daar dus diep weggestopt onder die opvullagen. Toch tekent de Roerdalslenk zich nog af als een gebied dat wat lager ligt dan de wijdere omgeving. De laatste laag materiaal die in de Centrale Slenk terechtkwam, wordt dekzand genoemd. Dekzand, omdat dit zand oudere lagen afdekte. Dit gebeurde in meerdere fasen; men spreekt dan ook van oud en jong dekzand. Oud dekzand is lemiger en vertoont meer afzetlagen dan jong dekzand. Het dekzand werd afgezet door de wind onder winterse omstandigheden bij een bevroren bodem tijdens de laatste
12 Berkvens & Leenders e.a. 2012; aangevuld met Huijbers 1998. 13 Geluk e.a. 1994; Van den Berg e.a., 1994.
19
fase van de laatste ijstijd, het zogenaamde Weichselien (tot 10.000 jaar geleden). De wind kwam toen vooral uit het zuidwesten, uit het gebied van de Noordzee, die toen droog stond. Het dekzand werd afgezet in verschillende vormen. Onder meer ontstonden toen langgerekte ruggen, grote afgeronde zandlichamen maar ook kleine steile koppen. Omdat de bodem permanent bevroren was, ontstonden er tussen de dalen ook dooimeren waarin leem en loess tot bezinking kwam. Deels is dit zand door de werking van rivieren verder verplaatst. Op de hoogste plateaus is de oudste “fluvio-periglaciale” dekzandlaag dun, maar in de dalen kan de dikte ervan oplopen tot meerdere meters. Vrijwel overal, met uitzondering van de diepste dalen, werd hierna een leemlaag afgezet.14 De dekzandafzetting kwam ten einde vanaf ca. 10.000 jaar geleden. Vanaf dat moment nam de temperatuur toe als gevolg waarvan de zeespiegel begon te stijgen en de plantengroei toenam. Die plantengroei belemmerde langzaam maar zeker het verstuiven van zand, waardoor de dekzandafzettingen hun definitieve plaats en vorm kregen.
Figuur 9: Deze geologische kaart van Noord-Brabant toont de geologische afzettingen die direct onder het oppervlak liggen of onder een laag dekzand van hooguit twee meter dik. De kaart geeft met een oranje kleur de duidelijk begrensde, van zuidoost naar noordwest lopende, Roerdalslenk aan, die in de laatste honderdduizend jaar is opgevuld met beekafzettingen en dekzanden. Zowel in het westen als in het oosten komen deze afzettingen slechts plaatselijk en veel minder dik voor. De Peelrandbreuk vormt hier de opmerkelijk rechte grens tussen de Roerdalslenk en de Peelhorst (bron: http://www.aardkundigewaarden.nl/aardkundigemonumenten ).
Naast deze algemene afdekking met zand en leem, werden er in deze periode ook grote zandruggen gevormd die tientallen kilometers lang waren. De Midden-Brabantse dekzandrug is er zo een. Deze loopt bij de noordelijke grens van Laarbeek helemaal richting het midden van Brabant. Daar belemmert deze rug als een barrière de afvoer van het water, zodat ten zuiden daarvan een hele reeks grote vennen ontstond en de beekdalen er tot meren en moerassige vlakten werden. In de middeleeuwen heeft men hier gebruik van gemaakt om in de “poorten” door de Midden-Brabantse dekzandrug 14 Van Oosten 1967, 140.
20
watermolens te bouwen. Op veel plaatsen is de Midden-Brabantse dekzandrug nu een merendeels bebost gebied met landduinen. De Mariahoutse Heide is daar een voorbeeld van. De Midden-Brabantse dekzandrug heeft ook vanaf haar ontstaan de Aa in haar loop naar het noorden belemmerd. Daardoor was de Aa gedwongen naar het oosten af te buigen. Op het punt waar deze rug de Peelhorst ontmoette, was de Aa in staat zich opnieuw een weg naar het noorden te banen. Deze oostelijke afbuiging veroorzaakte, samen met de samenkomst van Aa en Kleine Aa, een grote waterstagnatie. Die stagnatie was jaarlijks zo groot dat de Aa de hoeveelheid water niet meer kon verwerken. Omdat het gebied ten zuiden van de langgerekte zandrug, het Broek, zowat even laag lag als het beekdal van de Aa, was een periodiek terugkerende overstroming daarvan onvermijdelijk. Aan de west- en zuidzijde van de overstromingsvlakte zijn aan het einde van de laatste ijstijd, het Weichselien, een aantal hoger gelegen gebieden ontstaan. Dit zijn het gebied van de Beekse Broekkant, het gebied van de AarleRixtelse Broekkant en het gebied van de Aarle-Rixtelse Heikant. Daarnaast zien we ook nog een reeks kleinere zandhoogtes opduiken in het Broek. Zij liggen binnen de grote overstromingsvlakte in het noorden en het oosten. Ze worden ook wel rivierduinen genoemd.
In Oost-Brabant deden zich ook veranderingen voor in het stelsel van waterlopen, de rivieren en de beken. Oost-Brabant wordt gedomineerd door twee beekstelsels, dat van de Dommel en dat van de Aa. De centrale beken van beide stroomgebieden worden aan de ene kant gevoed door respectievelijk het Kempisch plateau in de Limburgse Kempen (B.) en de zuidelijke Peel. Aan de andere kant spelen in dit opzicht ook tal van zijstroompjes een rol van betekenis, In het stroomgebied van de Aa komen die uit verschillende richtingen. Een belangrijk aantal zijstroompjes watert af vanaf de Peelhorst aan de oostelijke zijde. Een veel geringer aantal watert af vanaf het hoogst gelegen gebied tussen de Dommel en de Aa aan de westelijke kant. Het hoogst gelegen gebied tussen twee beken noemt men de waterscheiding. De Peelhorst is ook zo’n hooggelegen gebied tussen twee rivieren, te weten de Maas en de Aa. De Peelhorst is als waterscheiding echter beduidend omvangrijker en hoger dan de waterscheiding tussen Aa en Dommel. Tenslotte wateren ook een aantal beken af op de Aa, die niet vanaf een waterscheiding komen maar dichtbij de hoofdstroom ontspringen of verbindingen vormen tussen de Aa en een andere stroom. In Laarbeek wateren op deze manier vanuit westelijke richting af op de Aa de rivieren de Goorioop, de Donkersvoortse Beek, de Heijeindse Loop en de Schevelingse Loop.
Vanuit oostelijke richting wateren in de gemeente de Snelle Loop en de Broek-Aa af op de Aa. De situatie in de oppervlaktewaterhuishouding zoals die zich nu voortdoet, is ontstaan op het grensvlak van het Weichselien en het Holoceen, ca.10.000 jaar geleden. Het Holoceen is het geologische tijdvak waarin wij thans nog leven. In het Weichselien, de laatste ijstijd tot dusver, toen de bodem permanent bevroren was, vertoonde het landschap tal van vlechtwerken van ondiepe verwilderde stromen. Pas toen het warmer werd, aan het begin van het Holoceen, kwam in deze situatie verandering. Door het ontdooien van de ondergrond konden waterstroompjes zich diep insnijden en een blijvende plaats krijgen. De huidige beekstelsels kregen hun beslag. Op de hoge gronden werd in deze periode een groot aantal uitblazingslaagten gevormd. Dit zijn ovale laagten, soms langgerekt, met aan de noordoostzijde een klein paraboolduin als afsluiting. Deze structuren werden gevormd doordat zand werd weggeblazen. Dit ging door totdat een vaste laag (klei of leem) of het grondwater bereikt werd. Het opgenomen zand werd op korte afstand weer afgezet, waardoor het duin ontstond. Er zijn heel grote structuren met duinbogen die kilometers lang zijn en ruime centrale vlakten. Er zijn er ook waar een ringduin ontstaan is, of waar zelfs meerdere ringen op elkaar aansluiten.
Ook zijn er grote duinruggen waarin hele reeksen kleine paraboolduintjes en uitblazingslaagten aan elkaar geregen zijn.
21
Ook komen in het min of meer vlakke gebied tal van min of meer afgeronde laagten zonder randwal voor. Sommige van deze laagten liggen in snoeren, wat de indruk wekt dat het afgedamde oude stroomdalen zijn. Soms duiken deze laagten op in de grotere uitblazingslaagten in de duingebieden: laagten binnen laagten. De juiste genese van deze structuren kan alleen door onderzoek ter plaatse vastgesteld worden. Belangrijk is nu vooral dat deze laagten later soms de uitgangspunten voor veengroei werden.
Figuur 10 Overzicht van het fysieke landschap van de gemeente Laarbeek.
Veen werd niet alleen gevormd in de randwalloze laagten en in de uitblazingslaagten van de duinen, maar ook in de beekdalen. Daar heersen voortdurend natte omstandigheden, zeker waar de beken stuiten op barrières zoals de Midden-Brabantse dekzandrug. Dat zijn uitstekende omstandigheden voor veengroei. Nadat ter weerszijden en vooral bovenstrooms meer en meer grond ontgonnen werd, stroomde daar meer zandig en lemig materiaal weg, waardoor het beekdalveen later plaatselijk een afdekking met beekklei of zand kreeg. Ook de middeleeuwse en latere mens heeft nog heel wat zand op de beekdalbodems uitgestort om de hooilanden te verbeteren en zelfs op te waarderen tot akkerland. Tevens heeft hij zich beijverd om turf te steken in de dalen, waardoor het veen (deels) verdween. Ten zuiden van de Midden-Brabantse dekzandrug komt haast langs alle beken veen voor.
22
Toen rond 9.500 v. Chr. de definitieve klimaatverbetering inzette (Holoceen), werd het water niet meer door een stelsel ondiepe geulen en beken afgevoerd, maar ontstonden de huidige dieper ingesneden riviertjes, beken en lopen. Doordat deze beken in het begin nog van tijd tot tijd droogvielen en er in deze drooggevallen dalen geen planten groeiden die het zand vasthielden, kon de wind vat op dit zand krijgen. Zo ontstonden, bijvoorbeeld aan de oostzijde van de Aa, plaatselijk zandophopingen. Hier kon namelijk het uit het dal gewaaide zand weer door planten worden vastgehouden. In de beekdalen en aansluitende lage terreinen werd bij hoge grondwaterstand beekzand en leem afgezet, terwijl in deze dalen door plantengroei tevens veenvorming plaatsvond. Ook in drooggevallen bochten van de beken kon zich veen vormen. De natuurlijke ondergrond wordt in grote delen van de gemeente Laarbeek geaccentueerd door de aanwezigheid van plaggendekken. Deze gronden liggen meestal als relatief hoge, langgerekte ruggen in het landschap in de nabijheid van de oude bewoningskernen en op de overgang van hoog naar laag. Ze zijn het resultaat van een eeuwenlange plaggenbemesting van akkers op de voedingsarme hogere dekzandgronden waardoor deze kunstmatig zijn opgehoogd.
In tegenstelling tot het huidige wisselende grondgebruik in de landbouw werd het gebruik van akkers en weilanden in de Middeleeuwen niet afgewisseld. Materiaal uit de potstal, bestaande uit een mengsel van stalmest, huisafval, bosstrooisel en heide- of grasplaggen, werd eeuwenlang over de akkers uitgestrooid. Door het geaccidenteerde uiterlijk worden ze aangeduid als hoge of bolle akkers. Door een geleidelijke ophoging van de (post)middeleeuwse akkergronden worden archeologische resten beschermd tegen moderne landbouwmachines die met een gemiddelde ploegdiepte van 40 cm niet tot in het sporenniveau doordringen.
Figuur 11 Het reliëf van het dekzandlandschap onder de Zuid-Nederlandse dorpsakkers is in de loop van de tijd grotendeels verborgen geraakt onder het plaggendek (naar Hiddink en Renes 2007).
Opgravingen in plaggendek gebieden hebben het afgelopen decennium aangetoond dat deze op verscheidene locaties uitgestrekte prehistorische landschappen afdekken. Dit beeld contrasteert met dat van de arealen die tot in het begin van de 20e eeuw behoorden tot de 'woeste gronden' of 'heide'. Hier zijn vindplaatsen uit perioden tot en met de vroege ijzertijd talrijk, maar zijn resten uit het tijdvak midden-ijzertijd - Middeleeuwen schaars.15 15 Hiddink en Renes 2007.
23
Figuur 12 Rixtel met de ligging van het Slotje en de oude akkergebieden met aangrenzende beekdalen van de Goorloop en de Aa op de topografische kaart van 1930.
2.2
De prehistorie (ca. 300.000 – 12. V. Chr.)
Erik Drenth Hieronder volgt een beknopt overzicht van de bewoningsgeschiedenis van Laarbeek. Geordend naar archeologische periode geven we een kort overzicht van de dichtheid en variëteit in archeologisch belangwekkende vindplaatsen en bijzondere vondstgroepen in de gemeente Laarbeek en geven we een beschrijving van de bewoningsgeschiedenis welke mede is gebaseerd op regionaal archeologisch onderzoek.
2.2.1
Paleolithicum of Oude Steentijd (ca. 300.000 – 9.000 voor Chr.)
De oudste menselijke sporen in de regio Zuidoost-Brabant dateren uit het Midden-Paleolithicum (ca. 300.000-35.000 v.Chr.). Het gaat om stenen artefacten ofwel door mensenhanden bewerkte stenen, waarbij vooral vuursteen als grondstof diende. Van Wolfsputten bij Aarle-Rixtel is een vuurstenen mes uit het midden-Paleolithicum bekend. Deze vroegste archeologische vondsten moeten in verband gebracht worden met de welbekende Neanderthalers en mogelijk andere hominiden ofwel mensachtigen (Homo Heidelbergensis en/of Homo erectus).16 De vondsten uit Esbeek-Diessen worden gezien als artefacten van late Neanderthalers. Lange tijd was de overheersende gedachte dat de midden-paleolithische hominiden aaseters waren. Maar recente vondsten geven aan dat jacht (op groot wild zoals bosolifanten en paarden) een belangrijke rol in de voedseleconomie speelde. Houten speren uit Duitsland en Engeland spreken voor deze theorie.17
16 Zie in dit verband Stringer en Andrews 2017. 17 Thieme 2007.
24
De bewoning ten tijde van het Paleolithicum in Noordwest-Europa is onlosmakelijk verbonden met het klimaat. Soms was het zo koud dat menselijke bewoning simpelweg geen optie was. Aan het einde van de laatste ijstijd tijdens het Pleistoceen, het Weichselien, heersten tussen ca. 23.000-14.000/13.000 v.Chr. slechte woonomstandigheden en sporen van menselijke aanwezigheid zijn dienovereenkomstig schaars.18 Daarna zette een klimaatsverbetering in en werd de Noordwest-Europese Laagvlakte opnieuw gekoloniseerd door Homo sapiens sapiens ofwel de hedendaagse mens. Van de oudste fase van deze herbewoning kennen we geen overblijfselen in het onderzoeksgebied. Ze behoren tot het Magdalénien, een cultuur die primair leefde van rendieren. Vanwege het jaarlijkse trekgedrag van deze dieren langs de Maas sloeg het Magdalénien waarschijnlijk zijn tenten voornamelijk op in het Maasdal en de directe omgeving. Dit verklaart waarom resten van deze cultuur in de Kempen ontbreken. De dichtsbijzijnde Magdalénien-vindplaats zou gevonden zijn te Griendtsveen.19 De oudste bekende laatpaleolithische sporen zijn nederzettingsresten en losse vondsten van de Federmesser-cultuur.20 De Federmesser-cultuur lijkt in tijd vooral gebonden te zijn aan de chronozone die wordt aangeduid als het Allerød (ca. 11.900-10.900 v.Chr.), maar lijkt al aanwezig te zijn aan het einde van Dryas 2 (in zijn geheel ca.
12.200-11.900 v.Chr.) en door te lopen tot in het begin van Dryas 3 (ca. 10.900-9.500 v.Chr.).21 In deze relatief warme periode werd voornamelijk jacht gemaakt op standwild, zoals eland, wild zwijn en edelhert.
Figuur 1 Reconstructietekening van een kampement in de late fase van de ijstijd, het Weichselien (naar Van Ginkel en Theunissen 2009).
De Ahrensburg-cultuur is de jongste van de laatpaleolithische culturen in Zuid-Nederland, met Vessem-Rouwven en Geldrop-Aalst A2 als de meest bekende sites in de regio.22 Deze cultuur bestond tussen grofweg 11.000-9.000 v.Chr. tijdens de laatste koude fase van de laatste ijstijd, de zogenoemde 18 Deeben en Rensink 2005, 171-172. 19 Wouters 1983. Het probleem is evenwel dat terecht getwijfeld wordt aan de echtheid en juistheid van verscheidene archeologische ontdekkingen waarmee de heer A. Wouters op de een of andere wijze verbonden is (Niekus et al. 2018). 20 Deze cultuur wordt ook wel als Tjonger-cultuur aangeduid. De Creswell-cultuur die door sommigen wel als een aparte archeologische cultuur wordt gezien, wordt hier gemakshalve als een variant binnen de Federmesser-cultuur beschouwd (zie voor meer informatie Arts 1988; Deeben en Rensink 2005, 179-180). 21 De Bie en Caspar 2000, 20; Deeben en Rensink 2005, 181-183; Lanting en Van der Plicht 1995/1996, speciaal 109-110. 22 Arts en Deeben 1981; Tump et al. 2014.
25
Jongste Dryas (Dryas 3), en het begin van het Holoceen, toen met het begin van het Preboreaal (ca. 9700 v.Chr.) het klimaat warmer werd. Deze klimatologische veranderingen komen ook tot uitdrukking in wat vooral op grond van buitenlandse bronnen bekend is over de economie. Aanvankelijk lag bij het dierlijke voedsel de nadruk op koudeminnende, aan toendra-achtige omstandigheden gebonden soorten, zoals rendieren, sneeuwhaas en sneeuwhoen. De uit het Preboreaal overgeleverde faunaresten laten een ander beeld zien. Onder de zoogdieren domineren ree, oerrund en edelhert. Zij wijzen op een warmer bebost milieu. Bij de jacht zal zeker gebruik gemaakt zijn van pijl en boog, zoals blijkt uit de ontdekking van houten pijlen te Stellmoor nabij Hamburg. De zoölogische data van de Ahrensburg-cultuur getuigen van een nauw verband tussen bewoning en klimaat. Dit komt ook naar voren in het gegeven dat de oorsprong van deze cultuur gezocht moet worden in Scandinavië. Vanwege een drastische klimaatverslechtering tijdens Dryas 3 trok men naar zuidelijker streken en vestigde zich in onder meer Zuid-Nederland.23 De samenhang tussen bewoning en klimaat zal ongetwijfeld ook zijn weerslag gevonden hebben in het mobiliteitspatroon en het nederzettingssysteem van de Ahrensburg-cultuur.
Aan het begin van de jaren 80 van de vorige eeuw is een model hierover opgesteld.24 Een van de uitgangspunten is dat de Ahrensburg-cultuur voornamelijk afhankelijk was van rendieren, een diersoort die in het voor- en najaar migreert in kuddes van aanzienlijke omvang. Dienovereenkomstig zou deze cultuur tijdens de winter verbleven hebben in de Ardennen en in de zomer op Zuid-Nederlands gebied. Inmiddels is duidelijk dat dit beeld op verschillende punten, zoals met betrekking tot de voedseleconomie (zie boven), bijgesteld moet worden.25 Maar het lijdt weinig twijfel dat de Ahrensburg-cultuur hoogst mobiel was in de periode dat binnen de voedselvoorziening het accent op het rendier lag.
Figuur 2 In dit bodemprofiel bij Mariahout is onder de dikke laag ‘jong’ dekzand de donkere laag Bøllingveen zichtbaar (uit Ginkel, E. van, & L. Theunissen, 2009) .
Aan de hand van de bekende vindplaatsen binnen Laarbeek kunnen we concluderen dat hier vooral de hoge randen aan weerszijden van de Aa en de Goorloop destijds door rendierjagers zijn bezocht. De
23 Lanting en Van der Plicht 1995/1996, special 117-118. 24 Arts en Deeben 1981. 25 Deeben en Rensink 2005, 194.
26
afslagen van vuurstenen werktuigen stellen ons niet in staat om de vondsten te dateren. Daarvoor hebben we de kenmerkende werktuigen uit die tijd nodig, zoals steelspitsen, die voor de jacht gebruikt werden, schrabbers, die toegepast werden voor het schoonmaken van huiden en stekers.26 In het noordelijke deel van het stroomdalletje van de Heieindsche Loop, dat deels nog een meanderend verloop heeft, bevindt zich Bøllingveen in de ondergrond (zie figuur 14). Geomorfologische gezien vormt het stroomdal samen met de Broekkant één groot complex van overstromingsvlakten. Restvoorkomens van Bøllingveen zijn in Nederland zeldzaam. Ze bevatten palynologische informatie over het toendralandschap in het Bølling-insterstadiaal van het Laat-Pleistoceen. In de aangrenzende zone zijn –aan het oppervlak- ook steentijdvindplaatsen aangetroffen. Dergelijke vuursteenstrooiingen kunnen zich echter ook bevinden in oude oppervlakken onder esdekken en zelfs in afzettingen in het stroomdal. In dat geval kunnen ze relatief goed geconserveerd zijn.
Samen met de veenresten en de beekdalafzettingen vormen de archeologische vindplaatsen een belangrijk landschapshistorisch complex, dat informatie bevat over de Laat-Pleistocene en Vroeg-Holocene ontwikkeling van de beekdallandschappen in Peelland en het gebruik ervan door de mens.27 Tot op heden zijn eenduidige resten van laatpaleolithische behuizingen in de regio Zuidoost-Brabant nog niet ontdekt. Wel is onlangs voor de site Geldrop/Mie Peels/1985 beweerd dat de okervlekken die hier zijn opgegraven de resten zijn van een windscherm gemaakt van huiden – bij de bewerking en preparatie ervan zou oker zijn gebruikt, vandaar de okervlekken.28 Dit scherm zou de nederzetting opgesplitst hebben in een slaapgedeelte en een (afval)dump aan de noordzijde.
2.2.2
Mesolithicum of Midden-Steentijd (ca. 9.000 – 4.200 voor Chr.)
De Ahrensburg-cultuur staat aan de wieg van het Mesolithicum, de periode die in de Kempen tussen ca. 9.000-4.200 v.Chr. geplaatst moet worden. Zoals ook voor het Paleolithicum geldt, werd het Mesolithische leven sterk bepaald door het natuurlijke landschap. De definitieve opwarming van het klimaat met het Preboreaal en daarmee het begin van het Holoceen betekende dat de schaars beboste toendra van het einde van de laatste ijstijd plaatsmaakte voor een steeds dichter begroeid boslandschap. Aanvankelijk domineerden berken en dennen de boomvegetatie. Onder invloed van de klimaatswijziging veranderde vanzelfsprekend ook de dierenwereld. De mens zag zich genoodzaakt deze nieuwe voedselbronnen aan te spreken, wilde hij overleven. Voortaan was hij aangewezen op dieren die verspreid of in groepjes het woudlandschap en de open plekken daarbinnen en daartussen bevolkten. Naast jacht en visvangst was het verzamelen van wilde planten (bijvoorbeeld wortels van lisdodde en mannetjesvaren), noten (vooral hazelnoot) en vruchten van allerlei bomen (o.a. appel en kers) belangrijk. Het laat zich raden dat de voedseleconomie in vergaande mate de aard en duur van de bewoning bepaalde.
Maar om verschillende redenen is het nederzettingssysteem binnen het ZuidNederlandse Mesolithicum nog niet ontrafeld.29 Zo zijn van de Brabantse zandgronden nagenoeg uitsluitend anorganische vondsten bekend en blijkt frequent dat dezelfde locaties gedurende verschillende perioden bewoond zijn geweest. Kenmerkend voor het Mesolithicum zijn werktuigen die vanwege hun kleine afmetingen microlieten worden genoemd. Ze worden vaak als onderdelen van pijlbewapening gezien. Bovendien heten ze chronologische indicatoren te zijn.30 De samenstelling van microlietassemblages is reden om binnen
26 Coenen 1992. 27 Kolen 2004. 28 Deeben en Schreurs 2012. 29 Verhart en Arts 2005, 240-241; Verhart en Groenendijk 2005, 170-171. 30 Zie laatstelijk Drenth 2018, met een typologische en chronologische studie naar microlieten van ongeveer 30 vindplaatsen uit Zuid-Nederland, België en Duitsland.
27
het Mesolithicum drie fasen te onderscheiden. De vroege fase is tussen ca. 9.000-7.800 v.Chr. te dateren, de midden-fase tussen ca. 7.800-6.400 v.Chr en de late fase van ca. 6400-4900/4200 v.Chr.31 Tijdens vooral het Midden- en Laat-Mesolithicum werd behalve vuursteen voor het maken van werktuigen Wommersom-kwartsiet gebruikt. De laatstgenoemde grondstof komt van nature voor bij Tienen (België) en zal daarom in de Kempen geïmporteerd zijn. Mogelijk werd ook ftaniet ingevoerd, waaruit bijvoorbeeld artefacten gevonden te Netersel, zijn gemaakt.32 In het Belgische Ottignies bevindt zich een kolenkalkontsluiting waar dit materiaal in primaire context voorkomt; hemelsbreed ligt deze locatie op ca. 32 km van Tienen. Ftaniet komt echter van nature in secundaire geologische positie voor in Maasafzettingen in Zuid-Nederland. Belangrijke Mesolithische vondsten zijn gedaan op de Oirschotse Heide op de Midden-Brabantse dekzandrug, juist ten oosten van het Philipscomplex. Hier zijn in 1957-58 en in 1983-84 delen van kampementen uit het Midden- en Laat-Mesolithicum opgegraven. Deze vindplaats, Oirschot V geheten, bevat tientallen vuursteenconcentraties en haardplaatsen die met jachtkampjes in verband worden gebracht. In de jaren ’80 van de vorige eeuw werd binnen deze bekende vindplaats bovendien een crematiegraf ontdekt.
C14-dateringen maken duidelijk dat het graf ergens in het Boreaal (ca. 8.0007.000 v.Chr.) moet zijn aangelegd.33 Crematiegraven zijn overigens in Europa niet de norm voor het Mesolithicum; meestal gaat het om lijkbegravingen.34
Figuur 15 Impressie van een mesolithische nederzetting in Nederland.
Een andere belangrijke vindplaats betreft de Kapeldijk in Westelbeers, direct ten zuiden van de MiddenBrabantse dekzandrug gesitueerd. Hier werden tussen 1967 en 1990 bij steentijdopgravingen in totaal 31 Zie in dit verband Deeben en Niekus 2016; Drenth 2018; Woltinge et al. 2019; Verhart en Arts 2005. 32 Arts en Deeben 1977. 33 Archis-waarnemingsnr. 37327: Aerts-Bijma et alii 1999; Arts en Hoogland 1987; Lanting en Van der Plicht 1997/1998, 148. 34 Grünberg 2000.
28
acht mesolithische en laatpaleolithische concentraties vuursteen opgegraven.35 Naast ruim 33.000 vuursteenvondsten zijn ook verscheidene vuurplaatsen opgegraven en daarnaast drie mesolithische woonstructuren, gekenmerkt door een ronde palenconfiguratie. Vondstgroep A betreft een vroegmesolithisch complex dat voor een deel stratigrafisch gescheiden is van de laatpaleolithische vondstgroep B (Tjonger-Federmesser concentratie), die middels C14-datering van verbrand bot gedateerd is in 11.510 ± 60 BP. In een stuk profiel is een zogenaamde Usselobodem bewaard gebleven, die de overgang vormt van Jong Dekzand II naar Jong Dekzand I. Op verschillende plaatsen in Nederland, zo is de claim, zijn mesolithische huisplattegronden of, beter, hutresten aangetroffen, zoals te Baarn-De Drie Eiken, Kampen-Reevediep en Soest-Staringlaan.36 De vorm van het grondplan varieert van achtereenvolgens min of meer afgerond-rechthoekig, min of meer rond en ovaal. Daarbij zijn de afmetingen bij benadering respectievelijk 4,8 x 3,25 m, 5 x 4 m en 5,5 m. In het geval van Baarn-De Drie Eiken en Soest-Staringlaan heet de woonvloer verdiept te zijn. Kortgeleden is een verslag verschenen van opgravingen te Westelbeers, waarin drie (vermeende) woonstructuren worden gepresenteerd.37 Een ervan, nr.
I, is incompleet, maar het grondplan lijkt min of meer of bijna rond te zijn geweest, zoals in het geval van de woonstructuur II, dat ca. 5,6 x 4,8 m meet. De derde woonstructuur (nr. III) heeft een afgerond-rechthoekige vorm en meet ca. 8,9 x 5,4 m. De grootte van voornoemde structuren doet een beperkt aantal bewoners vermoeden, bijvoorbeeld een gezin. Hoe zien vindplaatsen uit het Paleolithicum en het Mesolithicum er uit? In de regel betreft het een strooiing van (vuur)stenen werktuigen en afval. De doorsnede van zulke vindplaatsen is meestal minder dan 20 m. Het merendeel van de vindplaatsen uit het Paleolithicum en Mesolithicum in het oosten van Noord-Brabant en Midden-Limburg is gelegen op ruggen en terrasranden met een goed drainerende ondergrond van dekzanden in de nabijheid van een waterbron (ven, meer, rivier of afgesneden meander). In deze zogenoemde gradiëntzones, de overgangen tussen de hogere en drogere delen en de lagere en nattere delen, had de mens de verschillende natuurlijke bestaansbronnen op een zo kort mogelijke afstand binnen bereik. De iets hogere delen rondom beken, vennen en plassen waren daarom waarschijnlijk de landschappelijk meest gunstige bewoningsplaatsen. Bij de locatiekeuze nabij open water lijkt er een voorkeur te zijn geweest voor de (zuid)oostelijke flank van dekzandruggen in verband met de overheersende (noord)westelijke winden.
Waarschijnlijk waren er ook in en nabij rivieren beekdalen nederzettingen die later zijn geërodeerd of afgedekt met sedimenten.38 Het betreft vermoedelijk steeds tijdelijke kampementen die enkele dagen tot enkele weken bewoond zullen zijn geweest. De opgraving te Milheeze-Stippelberg laat zien dat de vondstniveaus uit het LaatPaleolithicum en Mesolithicum kunnen verschillen.39 De materiële resten van de laatpaleolithische Federmesser-groep worden aangetroffen onder, in en juist boven de Usselo-bodem, een vuilgrijze laag met kleine stukjes houtskool, die door de inwerking van planten ontstond gedurende een relatief warme periode tijdens de laatste ijstijd. Zowel Ahrensburg- als de vroeg-mesolithische vondstniveaus bevinden zich in het dekzand (Jong Dekzand II) boven de Usselo-bodem. De afdekking van laatstgenoemde sites wijst er ook op dat nog gedurende het Preboreaal dekzand is afgezet.40 Steentijdresten in het pleistocene gebied zijn het best bewaard gebleven onder deze lokaal voorkomende deklagen, zoals onder stuifzanden maar ook onder esdekken. Evenals de esdekken hebben de stuifzandgronden de oorspronkelijke pleistocene ondergrond afgedekt, waardoor eventuele, waardevolle steentijdsporen bewaard kunnen zijn gebleven.41 35 Snijders & Broertjes, 2016. 36 Geerts et al. 2018; Peeters en Niekus 2005; Woltinge et alii 2019.