6 20210224 Bestemmingsplan Bijlage 8 - Rapportage quickscan flora en fauna.pdf
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna Msg. Verhagenstraat te Beek en Donk (1907/198/JOW-01, versie 0)
documentkenmerk: 1907/198/JOW-01, versie 0
Quickscan flora en fauna
in opdracht van Plan Ros T.a.v. de heer R. Kerstens Torenallee 20 Videolab ruimte 2B 5617 BC EINDHOVEN betreffende locatie Monseigneur Verhagenstraat Beek en Donk (gemeente Laarbeek) documentkenmerk 1907/198/JOW-01 versie 0 vestiging Nuenen datum 17 maart 2020
opgesteld door: ing. J.H.J. van Bree
gecontroleerd door: ing. A. Paulusse
Projectleider ecologie
Projectleider ecologie
Dit document is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. Het document mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. Door derden aangebrachte wijzigingen en/of toevoegingen dan wel oneigenlijk gebruik van het document vallen niet onder de verantwoording van Tritium Advies.
Tritium Advies B.V. Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid
Tritium Advies is gevestigd in:
T.
088 44 02 900
E.
info@tritium.nl
Arkel >> Neer >> Nuenen >>
I.
www.tritium.nl
Prinsenbeek >> Rijkevoort
KvK-nr.
17108024
documentkenmerk: 1907/198/JOW-01, versie 0
Inhoudsopgave pagina 1
Inleiding
1
2
Bronnenonderzoek
3
2.1
Gebieden
3
2.2
Soorten
5
3
Veldbezoek
7
4
Resultaten
8
4.1
Flora
8
4.2
Vogels
8
4.3
Grondgebonden zoogdieren
9
4.4
Vleermuizen
10
4.5
Amfibieën, reptielen en vissen
12
4.6
Ongewervelden/ overige soorten
12
5
Conclusies
13
5.1
Beschermde gebieden
13
5.2
Soorten
13
5.3
Zorgplicht
14
5.4
Eindconclusie
15
5.5
Advies
15
6
Literatuurlijst
16
Bijlagen aantal pagina's (excl. voorblad) 1.
situatietekening plangebied
1
2.
fotobijlage veldbezoek van 11 maart 2020
15
documentkenmerk: 1907/198/JOW-01, versie 0
1 Inleiding In opdracht van Plan ROS is een quickscan flora en fauna uitgevoerd ten behoeve van het voornemen om op de locatie aan de Monseigneur Verhagenstraat te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, circa 45 woningen te realiseren. Het plangebied betreft de kadastrale percelen gemeente Laarbeek, sectie C, nummers 1140, 1218, 1219, 1240, 1241 en 1287 en heeft een oppervlakte van circa 3.955 m2. Het onderzoeksgebied is thans bestemd als “Wonen” en “Bedrijf” en is in de huidige situatie in gebruik als bedrijventerrein en woongebied.
Figuur 1: huidige situatie plangebied (blauw omlijnd) (bron: www.perceelloep.nl)
Het plan is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Voor deze locatie wordt derhalve een juridisch-planologische procedure doorlopen conform de Wet ruimtelijke ordening. In het kader van deze procedure dient onder andere een quickscan flora en fauna te worden uitgevoerd. Hiermee kan worden voorkomen dat in strijd met de geldende natuurwetgeving wordt gehandeld. Doel van het onderhavige onderzoek is om te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). Het is noodzakelijk om voorafgaande aan ruimtelijke ingrepen en inrichting te toetsen of de geplande activiteiten geen negatief effect hebben op beschermde plant- en/of diersoorten en leefgebieden. Op basis van de ecologische waarden van een planlocatie zal uit een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) blijken of er een overtreding te verwachten is van de Wnb. Tevens wordt vastgesteld of er meer soortgegevens nodig zijn door middel van inventarisatie en of er een uitgebreide studie noodzakelijk is naar de effecten van een ruimtelijke ingreep. In veel situaties zal het uitvoeren van een verkennend onderzoek echter reeds voldoende zijn om aan te tonen of een plan uitgevoerd kan worden met of zonder enkele eenvoudige maatregelen of aanpassingen om een overtreding van de Wnb te voorkomen.
pagina 1 van 16
documentkenmerk: 1907/198/JOW-01, versie 0
Uit onderstaande luchtfoto (figuur 2) kan worden opgemaakt dat het plangebied in de bebouwde kom van Beek & Donk is gelegen. In bijlage 1 is een situatietekening van het plangebied opgenomen.
Figuur 2: luchtfoto van de omgeving van het plangebied (rood omcirkeld) (bron: Google Earth)
pagina 2 van 16
documentkenmerk: 1907/198/JOW-01, versie 0
2 Bronnenonderzoek Onderhavig onderzoek richt zich met name op soortenbescherming en in beperktere mate op het gebiedsbeschermingsdeel van de Wnb (Natura 2000). In het uitgevoerde bronnenonderzoek is gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Onder andere is hierbij gebruik gemaakt van de zoogdierenatlas (Broekhuizen et al., 2016), de “Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant” en enkele digitale verspreidingsatlassen. De bevindingen van dit literatuuronderzoek zijn weergegeven in de navolgende twee paragrafen.
2.1 Gebieden In navolgende figuren 3 en 4 is het plangebied met haar ecologisch waardevolle gebieden in highlights weergegeven. In figuur 3 is het Natura 2000-gebied met de gele en lime groene kleur aangeduid. In figuur 4 (op de volgende pagina) betreffen de groene en oranje highlights het Natuurnetwerk Nederland (verder: NNN) in de provincie Noord-Brabant ook wel Natuurnetwerk Brabant (verder: NNB) genoemd. De Natura 2000-gebieden liggen grotendeels binnen het NNN. Van de gebieden die binnen NNN zijn gelegen worden, naast de specifieke soorten en habitattypen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), ook de wezenlijke kenmerken en waarden beschermd.
Figuur 3: plangebied en omgeving (rood omcirkeld) met relevante natuurgebieden (bron: https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten)
Uit figuur 3 kan worden afgeleid dat het plangebied niet in Natura 2000-gebied is gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op een afstand van circa 13 kilometer ten zuiden van het plangebied gelegen en betreft de “Strabrechtse Heide”.
pagina 3 van 16
documentkenmerk: 1907/198/JOW-01, versie 0
De Strabrechtse Heide, ten zuidoosten van Geldrop, is het grootste aaneengesloten open heidegebied van Noord-Brabant. Van bijzondere betekenis is de nagenoeg intacte overgang van de heide naar het beekdal van de Kleine Dommel en de aanwezigheid van het dal van de Witte Loop, dat z'n oorsprong op de heide heeft. Aan de oostzijde van het gebied ligt het Beuven, het grootste heideven van Nederland, dat bekend staat om zijn waardevolle zachtwaterflora. De Strabrechtse Heide bezit een afwisselend landschap met droge heide op de zandkoppen en natte heide en vennen in de laagten. In het noorden en zuiden grenst de heide aan aangeplante naaldbossen. Aan de westzijde is een natuurlijke overgang aanwezig naar het beekdal van de Kleine Dommel met hooilanden en vochtige bossen. De droge heide wordt gezien de aard van de bodem gerekend tot de stuifzandheiden. Verspreid over de heide komt jeneverbes voor, op de meeste plekken in de vorm van solitaire exemplaren of als kleine groepjes. De vochtige heide is evenals de droge heide van goede kwaliteit en vormt in het geaccidenteerde terrein fraaie mozaïeken met de droge heide en vennen. Het betreft alles bij elkaar een van de grootste oppervlakten aan vochtige heide in het zuiden van ons land. De Strabrechtse heide is een van de weinige gebieden in Nederland waar het gentiaanblauwtje nog volop voorkomt.
Daarnaast hebben heikikker en rugstreeppad hier grote populaties. Talrijk zijn de boomleeuwerik en de nachtzwaluw, evenals de roodborsttapuit. In de wintermaanden is de Strabrechtse Heide het beste gebied in Noord-Brabant om een klapekster te zien. Verspreid over de heide liggen diverse vennen, die variëren in omvang en hydrologie en daardoor een verschillend karakter hebben. De vennen, met het Beuven voorop, zijn belangrijk voor moerasvogels. De dodaars en de geoorde fuut zijn overal te vinden, maar de grootste betekenis kan worden toegekend aan het jaarlijkse voorkomen van de roerdomp en de woudaap. Ook de aanwezigheid van andere moerasvogels als de bruine kiekendief, het porseleinhoen, de blauwborst en de rietzanger draagt bij aan de status van het Beuven als een van de belangrijkste moerasvogelgebieden van Zuid-Nederland. In de navolgende figuur 4 (volgende pagina), overgenomen uit de kaart van het Natuurbeheerplan van de provincie Noord-Brabant is wederom het aandachtsgebied omcirkeld. Ook uit deze figuur blijkt dat het plangebied niet in een beschermd gebied ligt. Het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende tot het NNB is op een afstand van circa 25 meter ten westen van het plangebied gelegen.
pagina 4 van 16
documentkenmerk: 1907/198/JOW-01, versie 0
Figuur 4: kaart NNB. Het plangebied en omgeving is rood omcirkeld (bron: https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan)
Effecten beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNB. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In dit geval betreft het NNB-gebied een watergang, Zuid Willemsvaart, en is er tussen het plangebied en het NNB-gebied nog een weg gelegen waardoor een negatief effect op het gebied niet is te verwachten. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is met circa 13 kilometer op relatief grote afstand gelegen (bij Natura 2000-gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd). Tevens betreft het een beperkte ingreep (sloop van gebouwen en realisatie circa 45 woningen). Gezien deze afstand en de beperkte aard van de ingreep valt een significant negatief effect niet te verwachten.
2.2 Soorten Aan de hand van literatuuronderzoek is informatie verzameld over het voorkomen van soorten in de directe omgeving van het plangebied. Hierbij is onder andere gebruik gemaakt van voornoemde zoogdierenatlas en de “Werkatlas amfibieën en reptielen van Noord-Brabant”. In de werkatlas wordt het voorkomen van soorten per kilometerhok aangeduid. In de zoogdierenatlas wordt dit aangegeven per atlasblok, met afmetingen van 5 bij 5 kilometer. Het plangebied is gelegen in kilometerhokken X:171 / Y:394 en X:172 / Y:394. Aangezien het plangebied slechts een klein gedeelte van de kilometerhokken c.q. het atlasblok beslaat is het niet zeker dat de geregistreerde soorten ook daadwerkelijk voorkomen binnen het plangebied.
pagina 5 van 16
documentkenmerk: 1907/198/JOW-01, versie 0
Uit gegevens van de zoogdieren verspreidingsatlas en de NDFF blijkt dat de volgende zoogdieren of sporen van deze soorten (o.a. in braakballen) in de periode van 1989 tot 2020 zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: bosmuis, ree, bever, huisspitsmuis, laatvlieger, egel, haas, steenmarter, das, dwergmuis, aardmuis, veldmuis, ondergrondse woelmuis, wezel, bunzing, beverrat, rosse woelmuis, watervleermuis, rosse vleermuis, muskusrat, konijn, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, bruine rat, eekhoorn, tweekleurige bosspitsmuis, dwergspitsmuis, wild zwijn, mol en vos. Uit gegevens van de Werkatlas amfibieën en reptielen blijkt dat enkel de volgende soorten in de periode van 1995 tot en met 2004 zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: alpenwatersalamander, kleine watersalamander, bastaardkikker, poelkikker, bruine kikker en kamsalamander. In de periode 2000-2020 blijkt uit de gegevens van de NDFF en Ravon dat de volgende soorten zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: alpenwatersalamander, kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker en groene kikker complex.
pagina 6 van 16
documentkenmerk: 1907/198/JOW-01, versie 0
3 Veldbezoek Het plangebied is op 11 maart 2020 in de ochtend bezocht. Er was sprake van bewolkt, droog weer, met windkracht 3 Bft en een temperatuur van circa 6 graden Celsius. Tijdens het terreinbezoek is zoveel mogelijk informatie verzameld met betrekking tot de aanwezigheid of afwezigheid van beschermde soorten. De te verzamelen informatie bestaat onder andere uit zichten geluidwaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Op basis van terreinkenmerken is voorts beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. Het kan voorkomen dat soorten niet worden waargenomen tijdens het veldbezoek aangezien een quickscan een momentopname betreft. Hierdoor kan slechts in beperkte mate uitsluitsel worden gegeven over de aan- of afwezigheid van soorten. Aan de hand van expert-judgement en bekende ecologische principes zal derhalve een inschatting worden gemaakt over het wel of niet voor kunnen komen van beschermde plant- en diersoorten. Verder is de quickscan geen veldinventarisatie. Veldinventarisaties omvatten meerdere opnamerondes die seizoensgebonden zijn en volgens standaardmethoden worden uitgevoerd. In de huidige situatie bestaat het plangebied deels uit (leegstaande) woningen en bedrijfspanden die in de huidige situatie als opslag worden gebruikt.
De in bijlage 2 opgenomen foto’s geven een duidelijk beeld van de huidige situatie van het plangebied.
pagina 7 van 16
documentkenmerk: 1907/198/JOW-01, versie 0
4 Resultaten Onderstaand volgen de resultaten en eerste conclusies van het uitgevoerde veldbezoek in relatie tot het planvoornemen.
4.1 Flora Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Vanwege de bestrating en de voedselrijke omstandigheden waaruit het plangebied bestaat zijn ook geen beschermde soorten te verwachten. Beschermde soorten komen namelijk vooral voor op voedselarme, kalkhoudende grond. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroep.
4.2 Vogels Uit de bevindingen van het veldbezoek blijkt dat het plangebied slechts voor een aantal soorten vogels geschikt is als onderdeel van het leefgebied. Binnen het plangebied is bebouwing aanwezig zodat het verloren gaan van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vogels niet op voorhand kan worden uitgesloten. De aanwezige bomen en struiken kunnen dienen als broedgelegenheid. Daarnaast is het gebied geschikt als foerageergebied, echter zullen niet alle vogelsoorten van het gebied gebruik maken. Met name voor vogels die in het stedelijk gebied voorkomen zijn binnen en rond het plangebied gunstige biotopen aanwezig. Voor bos-, weide-, struweel- en watervogels zijn geen geschikte biotopen aanwezig. Tijdens het veldbezoek is een aantal vogels in de directe omgeving van het plangebied waargenomen, namelijk een heggenmus (Prunella modularis), een koolmees (Parus major) en een merel (Turdus merula). Er zijn tevens enkele overvliegende vogels waargenomen, zoals twee zwarte kraaien (Corvus corone), twee kauwen (Corvus monedula) en vijf houtduiven (columba palumbus). Daarnaast zijn een dode gekraagde roodstaart (Phoenicurus phoenicurus) en roodborst (Erithacus rubecula) waargenomen in het gebouw Monseigneur Verhagenstraat 2. Het gebouw aan de Monseigneur Verhagenstraat 2 bestaat uit een bedrijfspand dat in de huidige situatie wordt gebruikt als opslag.
Het dak is bedekt met bitumineuze shingles waardoor het plat is en er geen openingen aanwezig zijn die naar achterliggende holtes kunnen leiden. Het dakoverstek is tevens goed afgesloten waardoor ook daar geen openingen zijn die door gierzwaluwen (Apus apus) of huismussen (Passer domesticus) gebruikt kunnen worden als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats. Op enkele plaatsen zijn ramen gebroken of helemaal verwijderd. Tevens staan enkele klapramen open waardoor er toegang is tot de binnenzijde van het gebouw. Aan de binnenzijde van het gebouw zijn geen geschikte plekken die vogels met een jaarrond beschermde verblijfplaats als rustplaats of nestplaats kunnen gebruiken. Het gebouw aan de Monseigneur Verhagenstraat 4 betreft een woning met een zadeldak. De dakpannen liggen recht en zijn goed op elkaar aangesloten. De gevels zijn grotendeels begroeid met klimop waardoor ook de meeste openingen onder de eerste rij dakpannen worden geblokkeerd. Er zijn echter nog enkele openingen tussen de eerste rij dakpannen en de dakgoot die
pagina 8 van 16
documentkenmerk: 1907/198/JOW-01, versie 0
wel kunnen worden benut door de huismus als vaste verblijfplaats. Daarbij zijn de aanwezige klimplanten geschikt als rustplaats en kwetterplaats voor huismussen en kunnen deze deel uitmaken van het leefgebied. Verder is de noordoostelijke kopgevel bedekt met klimplanten waardoor gierzwaluwen geen toegang hebben tot de ruimtes onder de overhellende nokpannen. De zuidwestelijke kopgevel is bedekt met een klimplant die niet groenblijvend is in de winter waardoor de gevel niet altijd volledig is bedekt. De overhellende dakpannen sluiten niet overal even goed aan en er liggen twee kapotte dakpannen waardoor er openingen aanwezig zijn. De openingen zijn echter te klein om als toegangsmogelijkheid voor huismussen en gierzwaluwen te dienen. Ook het dakoverstek is volledig dicht en biedt geen geschikte openingen. De aanbouw aan de westelijke gevel van de woning bevat geen geschikte openingen. Het dak hiervan is plat en de daklijst sluit goed aan op het dak en de gevel. Het gebouw aan de Monseigneur Verhagenstraat 6 betreft een loods met een zadeldak. Het dak bestaat uit vlakke metalen platen waaronder geen geschikte ruimtes aanwezig zijn. De platen zijn tevens goed op elkaar aangesloten waardoor er geen openingen aanwezig zijn die door vogels met een jaarrond beschermde verblijfplaats, zoals gierzwaluwen en huismussen, benut kunnen worden.
Het pand aan de Bosscheweg 10 betreft een woonhuis met een zadeldak. De dakpannen liggen recht en op elkaar aangesloten. Enkel op de meest zuidelijke hoek van het dak ligt op de onderste rij een dakpan scheef en mist er tevens een hoek. Deze opening is voor gierzwaluwen ongeschikt in verband met de lantaarnpaal en de weg die zich er vlak langs bevindt. Gierzwaluwen hebben namelijk een vrije in- en uitvliegopening van minstens 1 meter breed en 3 meter hoog nodig. Zij moeten zich namelijk eerst laten vallen alvorens ze op kunnen stijgen. E lantaarnpaal blokkeert de uitvliegroute en daarbij is de opening niet hoog genoeg. De opening is echter wel geschikt voor huismussen omdat de opening van voldoende formaat is en omdat huismussen tevens niet worden gehinderd zolang de opening niet afgedekt is. Het gebouw Tuinstraat 2A betreft een levensloopbestendige woning. Het dak is plat en bevat geen openingen die toegang kunnen bieden tot holtes die gebruikt kunnen worden als jaarrond beschermde verblijfplaats. Rondom dit gebouw worden geen belemmeringen verwacht. Conclusie: het woonhuis Monseigneur Verhagenstraat 4 bevat enkele openingen die geschikt zijn als toegangsmogelijkheid voor huismussen. Ook het pand aan de Bosschebaan 10 heeft een opening in het dak die door huismussen kan worden benut. Om deze reden dient aanvullend onderzoek naar huismussen te worden uitgevoerd.
De overige bebouwing heeft geen geschikte openingen waardoor er geen belemmeringen worden verwacht. Een aantal andere vogelsoorten zal het plangebied met name benutten als foerageergebied. Dit vormt echter geen belemmering voor het planvoornemen. Het plangebied zal geen essentieel foerageergebied zijn voor deze soorten en het gebied kan bovendien als foerageergebied (tuin) in gebruik blijven. Wel wordt bij de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden verwezen naar de in hoofdstuk 5 omschreven werkwijze.
4.3 Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen exemplaren of voortplantings- en/of verblijfplaatsen van soorten aangetroffen die zijn beschermd volgens de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Voor minder algemene soorten (nationaal beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld in de Wnb), zoals de das (Meles meles), is het plangebied ongeschikt. Er zijn tevens
pagina 9 van 16
documentkenmerk: 1907/198/JOW-01, versie 0
geen burchten en geen sporen van de das aangetroffen zoals pootafdrukken, vraatsporen of uitwerpselen. Het plangebied bestaat voornamelijk uit bebouwing en bestrating en is tevens omringd door bebouwing en infrastructuur. De das komt voornamelijk voor in bosgebied en heeft geen baat bij drukte. Vanwege de ligging, bebouwing en bestrating is het plangebied niet geschikt voor de das. De steenmarter (Martes foina) is niet waargenomen binnen het plangebied. Ook zijn er geen sporen aangetroffen. De steenmarter komt voor in diverse landschappen waaronder parklandschap, rotsachtig gebied en heeft een voorkeur voor kleinschalige landbouwgebieden. Tegenwoordig wordt de soort ook waargenomen in de buurt van dorpen en steden. De aanwezigheid van groenstroken, greppels en bermen is van belang. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen sporen en/of verblijfplaatsen van de steenmarter aangetroffen. Gezien er binnen het plangebied slechts beperkt groen aanwezig is om in te foerageren wordt de soort ook niet verwacht binnen het plangebied. Het plangebied is ongeschikt voor kleine marterachtigen zoals de wezel (Mustela nivalis) en bunzing (Mustela putorius). Hiervan zijn ook geen sporen aangetroffen zoals holen, vraatsporen of uitwerpselen. De bunzing houdt vooral van gebieden met oppervlaktewater met voldoende schuilmogelijkheden op de oever en in de directe omgeving.
Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig, maar aan de overzijde van de Bosscheweg is de Zuid-Willemsvaart (kanaal) gelegen. Ten westen ligt het Aa-kanaal. De oevers bevatten echter beperkte dekking. De wezel heeft de voorkeur voor open, droge natuur- en cultuurlandschap met in de omgeving voldoende dekking. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied is niet voldoende natuurlijke dekking aanwezig om te voldoen aan de eisen voor geschikt leefgebied voor de bunzing en wezel. Het plangebied is tevens relatief klein, bevat veel bestrating en is in een drukke, stedelijke omgeving gelegen. Om voornoemde redenen is het plangebied ongeschikt als leefgebied voor de bunzing en wezel en worden deze soorten niet verwacht binnen het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn voldoende alternatieven aanwezig in de vorm van akkers en weilanden ten oosten en zuiden van het plangebied om als foerageergebied te dienen voor algemeen voorkomende soorten. Ook zal het plangebied beschikbaar blijven als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroep.
4.4 Vleermuizen Er is bebouwing aanwezig binnen het plangebied waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen niet op voorhand valt uit te sluiten. Het gebouw Monseigneur Verhagenstraat 2 heeft geen openingen die geschikt zijn voor gebouwbewonende vleermuizen. Het dak is voorzien van bitumineuze shingles waaronder niet voldoende ruimte aanwezig is. De openingen die zijn ontstaan door het openbreken van de gevels zijn ongeschikt voor gebouwbewonende vleermuizen in verband met de aanwezigheid van isolatiemateriaal. De openingen waarin geen isolatiemateriaal aanwezig is zijn bedekt met spinrag wat erop duidt dat de opening niet wordt gebruikt als toegangsmogelijkheid tot de spouw. Het dakoverstek is volledig dicht en biedt tevens geen geschikte openingen.
pagina 10 van 16
documentkenmerk: 1907/198/JOW-01, versie 0
Het woonhuis aan de Monsigneur Verhagenstraat 4 heeft een zadeldak met dakpannen die goed op elkaar aangesloten zijn. De openingen onder de onderste rij dakpannen zijn te dicht op de dakgoot gelegen waardoor ze voor gebouwbewonende vleermuizen ongeschikt zijn. Verder is het gebouw grotendeels ongeschikt vanwege de klimplant die het overgrote deel van het gebouw bedekt. Hierdoor zijn andere, mogelijk aanwezige openingen afgedekt en niet toegankelijk. Enkel de overhellende dakpannen op de zuidwestelijke hoek van het woonhuis bieden ruimte in de vorm van losliggende en kapotte overhellende dakpannen. Op deze hoek van het gebouw is tevens minder begroeiing aanwezig waardoor de aanvliegroute niet wordt belemmerd en de openingen in de overhellende dakpannen geschikt zijn als toegangsmogelijkheid. De loods aan de Monseigneur Verhagenstraat 6 heeft eveneens een zadeldak. Het dak bestaat uit vlakke metalen platen die goed op elkaar aansluiten waardoor geen openingen aanwezig zijn die toegang kunnen bieden tot ruimtes onder het dak. De gevels bevatten geen open stootvoegen, maar er is één opening in de noordelijke gevel van het gebouw. In de bovenste rij bakstenen, vlak onder het dakoverstek, mist één baksteen. Gezien deze opening deels is bedekt met spinrag is de aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen hier niet te verwachten.
Het pand aan de Bosscheweg 10 bevat een zadeldak waarvan de dakpannen goed op elkaar aansluiten, met uitzondering van de onderste dakpan op de meest zuidelijke hoek van het gebouw. Deze dakpan ligt gekanteld en mist een hoek waardoor er een ruimte is ontstaan. Deze opening is echter niet geschikt voor gebouwbewonende vleermuizen omdat de aanvliegroute wordt belemmerd door takken. Daarbij liggende overhellende dakpannen op de zuidwestelijke gevel niet allemaal aangesloten op de gevel waardoor ook daar geschikte openingen aanwezig zijn. De gevels van het pand bevatten geen open stootvoegen of andere openingen die toegang kunnen bieden tot de spouw van het gebouw. Tuinstraat 2A heeft een plat dak waarvan de daklijst rondom goed op het dak en de gevel aansluit. De gevels van het gebouw bevatten echter open stootvoegen die wel geschikt zijn als toegangsmogelijkheid tot de spouw van het gebouw. Hierdoor zijn er voor gebouwbewonende vleermuizen mogelijkheden om achterliggende ruimtes (spouw) te benutten als vaste verblijfplaats. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich tevens nog een elektriciteitshuis (Bosscheweg 8). Dit gebouw bevat een zadeldak. De dakpannen liggen recht en zijn goed op elkaar aangesloten, maar tussen de overhellende dakpannen en de gevel is ruimte aanwezig. Deze ruimtes zijn groot genoeg om als toegangsmogelijkheid te dienen voor gebouwbewonende vleermuizen.
Het gebouw valt echter buiten het plangebied en zal niet worden aangetast door het planvoornemen. Wel dient tijdens de werkzaamheden rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van een verblijfplaats van jaarrond beschermde vleermuizen. In de bomen, aanwezig binnen en op de grens van het plangebied, zijn geen geschikte holtes of scheuren aanwezig die dienst kunnen doen als vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Ook zijn er geen sporen zoals ontlasting of vraatsporen in de vorm van vlindervleugels gevonden. Mogelijk zal het plangebied gebruikt worden als foerageergebied door vleermuizen. Het is echter geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen omdat in de directe omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn zoals de tuinen en de aanwezige weilanden en akkers ten oosten en zuiden van het plangebied. Vleermuizen maken gebruik van vliegroutes om zich te verplaatsen van verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Hiervoor worden lange, aaneengesloten bomenrijen en andere lijnvormige
pagina 11 van 16
documentkenmerk: 1907/198/JOW-01, versie 0
landschapsstructuren zoals heggen en houtwallen gebruikt. De bomen binnen het plangebied staan verspreid op het terrein en vormen geen bomenrij of onderdeel van een bomenrij. De bomen ten zuiden van het plangebied kunnen dienst doen als vliegroute, deze bomen sluiten aan op de weilanden en zuiden en oosten van het plangebied. Deze bomenrij valt buiten het plangebied en zal niet worden aangetast door het planvoornemen. Conclusie: in het woonhuis Monseigneur Verhagenstraat 4 en Tuinstraat 2A zijn geschikte openingen aanwezig die door gebouwbewonende vleermuizen in gebruik kunnen zijn als vaste verblijfplaats. Er dient derhalve aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd naar deze soortgroep. In de overige bebouwing is de aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen niet te verwachten en worden er tevens geen belemmeringen verwacht. Mogelijk wordt er door vleermuizen gefoerageerd binnen en in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. Indien de sloop- en bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden, is een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten.
4.5 Amfibieën, reptielen en vissen Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde amfibieën en reptielen aangetroffen en zijn er geen sporen van deze soortgroepen aangetroffen binnen het plangebied. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De aanwezigheid van (beschermde) vissen kan derhalve worden uitgesloten. De poelkikker (Phelophylax lessonae) en de alpenwatersalamander (Ichthyosaura alpestris) komen voor in de directe omgeving van het plangebied. De poelkikker komt voor in zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Het is een kritische zonliefhebber die een sterke voorkeur heeft voor voedselarme, schone en onbeschaduwde wateren. Vanwege het ontbreken van geschikte leefgebieden, zoals heide en stilstaand water, is het plangebied ongeschikt voor deze soort. De alpenwatersalamander is minder kieskeurig, zolang het water niet snelstromend of rijk aan vis is. Ze overwinteren voornamelijk op het land, al zijn er ook kleine aantallen die jaarrond in het water verblijven. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied is geen geschikt oppervlaktewater aanwezig en vanwege het stedelijke karakter van het plangebied is het tevens ongeschikt als landhabitat voor deze soort. Conclusie: er komen noch vissen noch beschermde soorten reptielen en amfibieën voor in het plangebied.
De eventuele aanwezigheid van algemeen voorkomende soorten reptielen en amfibieën zoals bijvoorbeeld de gewone pad en bruine kikker vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.6 Ongewervelden/ overige soorten Beschermde soorten ongewervelden en overige soorten zijn niet waargenomen en ook niet te verwachten binnen het plangebied. Beschermde soorten stellen specifieke eisen aan een biotoop en gezien de afwezigheid van oppervlaktewater en de aanwezige beplanting is het plangebied voor veel soorten niet geschikt. Conclusie: er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.
pagina 12 van 16
documentkenmerk: 1907/198/JOW-01, versie 0
5 Conclusies Doel van het onderhavige onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving.
5.1 Beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNB. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In dit geval betreft het NNB-gebied een watergang, Zuid Willemsvaart, en is er tussen het plangebied en het NNB-gebied nog een weg gelegen waardoor een negatief effect op het gebied niet is te verwachten. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is met circa 13 kilometer op relatief grote afstand gelegen (bij Natura 2000-gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd). Tevens betreft het een beperkte ingreep (sloop van gebouwen en realisatie circa 45 woningen). Gezien deze afstand en de beperkte aard van de ingreep valt een significant negatief effect niet te verwachten.
5.2 Soorten Er wordt in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde plantensoorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels De te slopen bebouwing (Monseigneur Verhagenstraat 4 en Bosscheweg 10) bevat enkele openingen die geschikt zijn als jaarrond beschermde vaste verblijfplaats voor huismussen. Om deze reden dient er nader onderzoek naar huismussen plaats te vinden. Er dienen twee veldbezoeken te worden uitgevoerd in de periode van 1 april tot en met 15 mei of vier veldbezoeken in de periode van 10 maart tot en met 20 juni om uit te sluiten dan wel aan te tonen of en waar huismussen vaste verblijfplaatsen hebben binnen het plangebied (BIJ12, 2017).
Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van
pagina 13 van 16
documentkenmerk: 1907/198/JOW-01, versie 0
vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen De bebouwing in het plangebied (Monseigneur Verhagenstraat 4 en Tuinstraat 2A) is geschikt als vaste verblijf- of voortplantingsplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Hier dient aanvullend onderzoek voor uitgevoerd te worden in de vorm van minimaal vijf veldbezoeken, waarvan drie in de periode 15 mei-15 juli en twee in de periode 15 augustus-1 oktober.
Deze onderzoeken worden uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2017 van Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van weilanden en akkers en tuinen van woningen. Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de sloop- en bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen.
Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.
5.3 Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.
pagina 14 van 16
documentkenmerk: 1907/198/JOW-01, versie 0
De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Bij het inrichten van het bouwterrein dient te worden gezorgd dat het gebied niet aantrekkelijk wordt voor de vestiging van de rugstreeppad. Het ontstaan van poeltjes of plassen op het bouwterrein in het zomerhalfjaar (vanaf april) dient derhalve te wordt voorkomen, zodat er geen geschikt voortplantingswater voor de rugstreeppad aanwezig is. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).
5.4 Eindconclusie In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: •
de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen;
•
nader onderzoek naar huismussen en gebouwbewonende vleermuizen is noodzakelijk;
•
om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd;
•
voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft.
5.5 Advies Checklist natuurvriendelijke maatregelen Bij het ontwerp van de nieuw te bouwen woningen wordt geadviseerd gebruik te maken van de checklist natuurvriendelijke maatregelen aan gebouwen van de Vogelbescherming. Diverse natuurbeschermingsinstanties en bedrijven geven hier meer informatie over. Erfbeplanting Indien er een erfbeplanting is gepland of wordt vernieuwd, adviseren wij deze met inheemse en streekeigen soorten bomen en struiken te realiseren. Informeer hiervoor bij uw provincie of gemeente.
pagina 15 van 16
documentkenmerk: 1907/198/JOW-01, versie 0
6 Literatuurlijst BIJ12 (2017a) Kennisdocument Huismus, Passer domesticus BIJ12 (2017b) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, Pipistrellus pipistrellus Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J., Buys, J.C. (2016) Atlas van de Nederlandse zoogdieren - deel 12 serie Nederlandse fauna. Knnv Uitgeverij Delft, J.J.C.W. van, Schuitema, W. (2005) Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant. Stichting Ravon NDFF (2020) Geraadpleegd op 11 maart 2020 via https://www.verspreidingsatlas.nl/ Ravon (2020) Geraadpleegd op 11 maart 2020 via http://www.ravon.nl/ Zoogdiervereniging (2020) Geraadpleegd op 11 maart 2020 via http://www.zoogdiervereniging.nl/
pagina 16 van 16
Situatietekening : 1907/198/JOW-01, Monseigneur Verhagenstraat te Beek en Donk
Geplande situatie
pagina 1
Fotobijlage: 1907/198/JOW-01, Monseigneur Verhagenstraat te Beek en Donk
Foto 1
Foto 2
Foto 3
pagina 1
Fotobijlage: 1907/198/JOW-01, Monseigneur Verhagenstraat te Beek en Donk
Foto 4
Foto 5
Foto 6
pagina 2
Fotobijlage: 1907/198/JOW-01, Monseigneur Verhagenstraat te Beek en Donk
Foto 7
Foto 8
Foto 9
pagina 3
Fotobijlage: 1907/198/JOW-01, Monseigneur Verhagenstraat te Beek en Donk
Foto 10
Foto 11
Foto 12
pagina 4
Fotobijlage: 1907/198/JOW-01, Monseigneur Verhagenstraat te Beek en Donk
Foto 13
Foto 14
Foto 15
pagina 5
Fotobijlage: 1907/198/JOW-01, Monseigneur Verhagenstraat te Beek en Donk
Foto 16
Foto 17
Foto 18
pagina 6
Fotobijlage: 1907/198/JOW-01, Monseigneur Verhagenstraat te Beek en Donk
Foto 19
Foto 20
Foto 21
pagina 7
Fotobijlage: 1907/198/JOW-01, Monseigneur Verhagenstraat te Beek en Donk
Foto 22
Foto 23
Foto 24
pagina 8
Fotobijlage: 1907/198/JOW-01, Monseigneur Verhagenstraat te Beek en Donk
Foto 25
Foto 26
Foto 27
pagina 9
Fotobijlage: 1907/198/JOW-01, Monseigneur Verhagenstraat te Beek en Donk
Foto 28
Foto 29
Foto 30
pagina 10
Fotobijlage: 1907/198/JOW-01, Monseigneur Verhagenstraat te Beek en Donk
Foto 31
Foto 32
Foto 33
pagina 11
Fotobijlage: 1907/198/JOW-01, Monseigneur Verhagenstraat te Beek en Donk
Foto 34
Foto 35
Foto 36
pagina 12
Fotobijlage: 1907/198/JOW-01, Monseigneur Verhagenstraat te Beek en Donk
Foto 37
Foto 38
Foto 39
pagina 13
Fotobijlage: 1907/198/JOW-01, Monseigneur Verhagenstraat te Beek en Donk
Foto 40
Foto 41
Foto 42
pagina 14
Fotobijlage: 1907/198/JOW-01, Monseigneur Verhagenstraat te Beek en Donk
Foto 43
Foto 44
Foto 45
pagina 15