5 20231116 Bijlage 2 Minima Effect Rapportage Deurne
Tekst van het document
Minima-effectrapportage gemeente Deurne 2022 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens Marcel Warnaar, Nouschka Veerman
26 april 2022
Minima-effectrapportage gemeente Deurne 2022
De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens
Auteurs Marcel Warnaar Nouschka Veerman
Nibud, 26 april 2022 In opdracht van de gemeente Deurne
Voorwoord Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk. Ons doel is het voorkomen van geldproblemen. Naast het verzamelen, berekenen en bijhouden van basiscijfers, doet of initieert het Nibud ook onderzoek naar andere aspecten over omgaan met geld, zoals gedragsaspecten. Daarmee kunnen we snel inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Het Nibud is gespecialiseerd in het maken van de vertaalslag van de verzamelde data en kennis over de huishoudfinanciën in methodes, materialen en tools. Daarbij wordt voortdurend voeling gehouden met de actualiteit en de praktijk van alledag. We gaan uit van drie niveaus van voorlichting en financiële educatie: direct voor consumenten (via onze websites, (sociale) media, interactieve tools, voorlichtingsmaterialen, hulpmiddelen en de helpdesk), via onderwijs/educatie door derden en door deskundigheidsbevordering van professionals. Als kenniscentrum vervult het Nibud ook een adviesrol naar derden. Bij dit alles gaat het Nibud uit van een standaardmethode van begroten. Dit resulteert in een reeks voorbeeldbegrotingen met referentiecijfers die zijn gebaseerd op empirisch wetenschappelijk onderzoek. Het Nibud geeft gemeenten meer inzicht in het effect van hun minimabeleid.
Door middel van een minima-effectrapportage (MER) helpt het Nibud gemeenten het geld bestemd voor minimabeleid, optimaal te besteden. Deze rapportage is uitgevoerd door het Nibud, in opdracht van de gemeente Deurne. Met dit onderzoek wil de gemeente Deurne inzicht krijgen in de effecten van haar minimabeleid. Utrecht, april 2022
Samenvatting Doel en opzet onderzoek Deze minima-effectrapportage geeft weer wat het effect is van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Deurne. In dit onderzoek is voor tien verschillende huishoudtypen op vier verschillende inkomensniveaus (100, 110, 120 en 130 procent van het wettelijk sociaal minimum) doorgerekend hoe de maandbegrotingen eruitzien. In de begrotingen hebben we rekening gehouden met de volgende lokale regelingen: Kwijtschelding van lokale lasten; De gemeentelijke bijdrage aan een collectieve aanvullende zorgverzekering; Maatschappelijke Participatie (MP) voor volwassenen; Een bijdrage voor kinderen van de Stichting Leergeld; Individuele Inkomenstoeslag; Individuele bijzondere bijstand voor extra ziektekosten; Maaltijdregeling; De regeling voor collectief vraagafhankelijk vervoer. De eenmalige energietoeslag Hierbij gaan we ervan uit dat de betreffende huishoudens van alle beschikbare regelingen gebruik maken. Inflatie en bestedingsruimte Op het moment van het opstellen van deze MER is er sprake van flinke prijsstijgingen, vooral voor energie. Dit heeft gevolgen voor de Nibud-uitgavencijfers en daarmee voor de bestedingsruimte van huishoudens.
De begrotingen in dit onderzoek zijn zo veel mogelijk gebaseerd op het prijspeil van januari 2022, inclusief de CBS-gegevens over energieprijzen. Het Nibud volgt de ontwikkelingen op de voet en past uitgavencijfers gedurende het jaar aan als actuele ontwikkelingen daar aanleiding toe geven. In ieder geval zullen de begrotingen per 1 juli opnieuw worden vastgesteld. Het is vanwege deze hoge inflatie mogelijk dat de bestedingsruimte gepresenteerd in deze MER te positief wordt ingeschat. Zeker bij beperkte positieve bestedingsruimte is het goed om te realiseren dat dit op korte termijn wellicht kan omslaan in een tekort. Het Nibud adviseert hier rekening mee te houden bij de interpretatie van de resultaten. Resultaten De meeste huishoudens met een laag inkomen (van bijstandsniveau tot en met 130 procent van de geldende bijstandsnorm) in de gemeente Deurne zijn in staat om de noodzakelijke uitgaven uit het basispakket plus de uitgaven voor sociale participatie te bekostigen. Dit geldt echter niet voor paren met kinderen. Zij kunnen wel het basispakket bekostigen, maar op een aantal inkomensniveaus niet ook het bedrag voor sociale participatie. Paren met oudere kinderen financieel het meest kwetsbaar Paren met oudere kinderen (14 en 16 jaar) die van een laag inkomen moeten rondkomen zijn financieel het meest kwetsbaar.
Als zij naast de noodzakelijke uitgaven ook alle uitgaven voor sociale participatie willen bekostigen, komen zij op bijstandsniveau 113 euro per maand tekort. Ook op 110 procent en 130 procent van de norm zijn er tekorten.
Bij 120 procent is er wel een positief saldo. Dat maakt dit huishouden erg kwetsbaar is. Als er sprake is van persoonlijk onvermijdbare uitgaven (extra zorgkosten, een hogere huur, schulden etc.) dan zal dit al snel leiden tot een tekort. Voor paren met jongere kinderen is een tekort zichtbaar op bijstandsniveau en op 110 procent daarvan. Alleenstaande ouders met twee jonge kinderen en AOW-gerechtigden hebben de meeste bestedingsruimte Alleenstaande ouders met twee jonge kinderen hebben in de gemeente Deurne de meeste bestedingsruimte. Dit kan voor een groot deel worden toegeschreven aan landelijke beleid; met name het hogere kindgebonden budget voor alleenstaande ouders heeft een positief effect op de financiële positie van deze huishoudens. Hoewel de kindgebonden toeslagen voor oudere kinderen hoger zijn dan voor jonge kinderen, heeft het eenouder gezin met oudere kinderen minder bestedingsruimte vanwege de hogere kosten voor onder meer onderwijs, voeding en vervoer. Ook AOW-gerechtigden (zowel alleenstaanden als paren) zijn financieel gezien goed af. Zij houden op alle onderzochte inkomensniveaus 300 euro of meer over. Dit is voornamelijk het gevolg van de hogere AOW-uitkering; een AOW-uitkering is ruim 200 euro hoger dan een bijstandsuitkering.
De AOW-gerechtigde huishoudens met een zorgvraag zijn tot een inkomen van 120 procent financieel niet slechter af dan vergelijkbare huishoudens zonder zorgvraag. Bij een inkomen van 130 procent is dat wel het geval, maar blijven basispakket, sociale participatie en extra zorgkosten wel betaalbaar. Bij alle huishoudens is een doorstroomval te zien tussen 120 en 130 procent. Dit is mede het gevolg van de eenmalige energietoeslag die loopt tot 120 procent. Aandachtspunten De diverse vormen van inkomensondersteuning in de gemeente Deurne hebben een positief effect op de bestedingsruimte van de inwoners. Het Nibud raadt de gemeente Deurne aan om met name extra aandacht te hebben voor paren met kinderen. Paren met jonge en oudere kinderen hebben tekorten. Dit is voor een groot deel toe te schrijven aan het Rijksbeleid. Met de bijstandsnorm voor paren moeten de kosten voor twee volwassenen worden gedragen. Ter vergelijking, een eenoudergezin ontvangt 70 procent van de norm voor een paar plus de alleenstaande ouderkop vanuit het kindgebonden budget, wat samen neerkomt op ongeveer 90 procent van de norm. De extra inkomsten voor paren (van ongeveer 10 procent) ten opzichte van het eenoudergezin wegen vaak niet op tegen de kosten voor een extra volwassene aan bijvoorbeeld voeding, kleding en de zorgverzekering. Als er kinderen in het gezin zijn, worden de tekorten hoger.
De kosten van kinderen worden niet volledig gecompenseerd door kindgebonden toeslagen. Gemeenten kunnen via accenten in het eigen beleid trachten de gevolgen hiervan te repareren, maar gemeenten mogen geen inkomenspolitiek voeren. De gemeente Deurne heeft al diverse beleidskeuzes gemaakt die de bestedingsruimte voor paren met kinderen verruimen, zoals ondersteuning via de Stichting Leergeld. Een structurele oplossing zal, indien politiek gewenst, vanuit het Rijk moeten komen. Om de bestedingsruimte van paren met kinderen te vergroten, kan de gemeente:
inzetten op begeleiding naar werk van tenminste één van de partners; het verhogen van de vergoedingen via de Stichting Leergeld; individuele bijzondere bijstand extra onder de aandacht brengen; de Individuele Inkomenstoeslag verder differentiëren waarbij rekening wordt gehouden met het aantal kinderen, bijvoorbeeld door een basisbedrag vast te stellen en daar bovenop een extra bedrag toe te kennen voor elk ten laste komend kind.
Aanbevelingen Voor elk van de regelingen in de gemeente Deurne benoemt het Nibud in dit rapport de positieve aspecten en diverse aanbevelingen. Zo adviseert het Nibud: • Verminder niet-gebruik regelingen. • Stimuleer goed financieel beheer. • Help energielasten verlagen. • Handhaaf de collectieve zorgverzekering. • Handhaaf de individuele inkomenstoeslag. • Aangezien de kosten van (oudere) kinderen niet volledig gecompenseerd worden door kindgebonden toeslagen, kan de gemeente ervoor kiezen om één basisbedrag vast te stellen en daar bovenop een extra bedrag toe te kennen voor elk ten laste komend kind. • Omdat oudere kinderen zwaarder op de begroting drukken dan jonge kinderen, zou de gemeente voor oudere kinderen een hogere toeslag kunnen verstrekken dan voor jonge kinderen. • Overweeg een onverdeeld budget voor sociale participatie kinderen (zoals het is geregeld voor volwassenen) voor een gebruiksvriendelijke regeling met meer bestedingsvrijheid. • Maak een gedegen afweging tussen een goed uitvoerbaar minimabeleid en het voorkómen van een armoedeval. • Houd aandacht voor paren met oudere kinderen. • Blijf huishoudens met een zorgvraag ondersteunen.
Inhoud 1 Inleiding 1.1 Centrale vraag 1.2 Kern minima-effectrapportage 1.2.1 Huishoudtypen 1.2.2 Inkomensniveaus 1.2.3 Armoedeval 1.2.4 Voorbeeldhuur 1.2.5 Inflatie en bestedingsruimte 1.3 Leeswijzer 2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1 Inleiding 2.2 Inkomsten 2.3 Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie 2.4 Uitgavensoorten 2.5 Voorwaarden aan de begrotingen 2.6 De begrotingen 3 Minimabeleid 3.1 Landelijk beleid 3.2 Lokaal minimabeleid 3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid 3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering 3.2.3 Maatschappelijke Participatie 3.2.4 Kindpakket van Stichting Leergeld Deurne 3.2.5 Individuele Inkomenstoeslag 3.2.6 Kinderopvang en peuterspeelzaal 3.2.7 Mondkapjes en zelftesten 3.2.8 Tijdelijke energietoeslag 3.2.9. Overige regelingen 3.3 Voorzieningen voor huishoudens met een zorgvraag 4 Resultaten 4.1 Saldo inkomsten min uitgaven 4.2 Bestedingsruimte 4.2.1 Na invulling van alleen het basispakket 4.2.2 Na invulling van het basispakket inclusief sociale participatie 4.3 Armoedeval 4.4 Huishoudens met langdurig een laag inkomen 5 Conclusies en aanbevelingen 5.1 Conclusies 5.2 Aanbevelingen Bijlage 1 | Verantwoording uitgaven Bijlage 2 | Begrotingen Bijlage 3 | Overzicht saldo inkomsten minus uitgaven Bijlage 4 | Saldo exclusief energietoeslag van 800 euro tot 120 procent
1 Inleiding 1.1
Centrale vraag
Iedere gemeente beschikt over mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens. Dat kan bijvoorbeeld door het kwijtschelden van gemeentelijke heffingen en/ of door bijzondere bijstand. Het is echter niet direct zichtbaar wat in de praktijk de effecten van die maatregelen zijn op het budget van verschillende groepen huishoudens. De centrale vraag van dit onderzoek luidt: Wat is het effect van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Deurne? Bekeken wordt welke groepen huishoudens in de gemeente goed profiteren van de verschillende inkomensondersteunende maatregelen en welke groepen minder goed. Ook maakt deze rapportage een eventuele armoedeval inzichtelijk.
1.2
Kern minima-effectrapportage
Om tot een antwoord te komen op de centrale vraag, worden voor een aantal voorbeeldsituaties alle inkomsten geïnventariseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met alle landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen. Dit inkomen zal in een begroting worden afgezet tegen de minimale uitgaven waarmee huishoudens met een laag inkomen worden geconfronteerd. De minimale uitgaven zijn gebaseerd op de Nibud methode van budgetteren, aangevuld met lokale tarieven en tegemoetkomingen.
1.2.1 Huishoudtypen In deze minima-effectrapportage wordt voor een aantal huishoudtypen de bestedingsruimte inzichtelijk gemaakt. In overleg met de gemeente Deurne is een keuze gemaakt voor de volgende voorbeeldsituaties: a. Een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd; b. Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd); c. Een eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); d. Een eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); e. Een paar zonder kinderen; f. Een ouder paar (AOW-gerechtigd) zonder kinderen; g. Een paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); h. Een paar met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); i. Oudere alleenstaande met een zorgvraag; j. Ouder paar met een zorgvraag. 1.2.2 Inkomensniveaus De rapportage laat zien welke effecten de landelijke en gemeentelijke maatregelen hebben op de financiële positie van de huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus. In overleg met de gemeente Deurne is in dit rapport gekozen om begrotingen op te stellen met de volgende inkomensniveaus: bijstand- of AOW- niveau, 110 procent, 120 procent en 130 procent van de geldende bijstandsnorm.
1.2.3 Armoedeval Het kan voorkomen dat een huishouden met een hoger inkomen, minder overhoudt dan met een lager inkomen, nadat rekening is gehouden met alle noodzakelijke uitgaven. Bijvoorbeeld doordat er geen recht meer is op inkomensondersteunende regelingen. Als een dergelijke armoedeval zich voordoet binnen de gestelde kaders, dan blijkt dat uit de resultaten van dit onderzoek. Hierbij onderscheiden we twee soorten armoedevallen, namelijk een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk (werkloosheidsval/uitstroomval) en een armoedeval bij het meer gaan verdienen (doorstroomval). Bij huishoudens boven de AOW-gerechtigde leeftijd wordt meestal niet gesproken van een armoedeval, omdat deze gewoonlijk geen inkomensstijging meemaken. Toch kan er bij hen ook sprake zijn van een geringere bestedingsmogelijkheid bij een hoger inkomen. 1.2.4 Voorbeeldhuur Uit het woononderzoek 2018 van het CBS komt naar voren dat 96 procent van de huishoudens die de bijstandsuitkering als belangrijkste inkomstenbron hebben, in een huurwoning woont. Op basis hiervan gaan we er in deze rapportage van uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De huur vormt in de meeste huishoudens de hoogste uitgave op de begroting. De huurprijzen in dit onderzoek zijn vastgesteld in overleg met de gemeente en bepaald op de streefhuren in de gemeente Deurne.
Dit resulteert in een huur van 442 euro (kwaliteitskortingsgrens) voor een- en tweepersoonshuishoudens en 633 euro (laagste aftoppingsgrens) voor huishoudens met drie of meer personen. 1.2.5 Inflatie en bestedingsruimte Op het moment van het opstellen van deze MER is er sprake van flinke prijsstijgingen, vooral voor energie. Dit heeft gevolgen voor de Nibud-uitgavencijfers en daarmee voor de bestedingsruimte van huishoudens. De begrotingen in dit onderzoek zijn zo veel mogelijk gebaseerd op het prijspeil van januari 2022, inclusief de CBS-gegevens over energieprijzen. Het Nibud volgt de ontwikkelingen op de voet en past uitgavencijfers gedurende het jaar aan als actuele ontwikkelingen daar aanleiding toe geven. In ieder geval zullen de begrotingen per 1 juli opnieuw worden vastgesteld. Het is vanwege deze hoge inflatie mogelijk dat de bestedingsruimte gepresenteerd in deze MER te positief wordt ingeschat. Zeker bij beperkte positieve bestedingsruimte is het goed om te realiseren dat dit op korte termijn wellicht kan omslaan in een tekort. Het Nibud adviseert hier rekening mee te houden bij de interpretatie van de resultaten.
1.3
Leeswijzer
Het rapport is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de onderzoeksmethode. Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen. In hoofdstuk 4 worden de resultaten weergegeven: Wat is de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen? En wat zijn de effecten van het minimabeleid op de financiële positie van deze huishoudens? Ten slotte staan in hoofdstuk 5 de conclusies en aanbevelingen van het rapport. In de bijlagen wordt meer informatie gegeven over bronnen van de referentiecijfers en de inkomensopbouw.
2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1
Inleiding
Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen in deze rapportage zijn gemaakt voor verschillende huishoudtypen op verschillende inkomensniveaus. Hierbij gaan we ervan uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De begrotingen zijn voor groepen van huishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn gemiddelden; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een sluitende begroting heeft. Wel wordt duidelijk in hoeverre een groep huishoudens een sluitende begroting heeft. Bij het opstellen van de begrotingen wordt geen rekening gehouden met schulden, omdat daarover niets algemeens te zeggen valt. Schulden komen echter vaak voor onder huishoudens met lage inkomens. Maandbegrotingen Alle begrotingen zijn maandbegrotingen, waarbij de inkomsten en uitgaven zijn omgerekend naar gemiddelde maandbedragen. In de praktijk kunnen er flinke verschillen zijn tussen de maanden van het jaar. Vakantiegeld wordt bijvoorbeeld vaak jaarlijks uitgekeerd, maar wordt in deze rapportage uitgedrukt in een maandelijks bedrag. Het inkomen is in iedere begroting een vast gegeven.
2.2
Inkomsten
In deze rapportage worden op vier inkomensniveaus begrotingen opgesteld voor de betreffende voorbeeldhuishoudens: het minimuminkomen (bijstand/AOW-uitkering), 110 procent, 120 procent en 130 procent van de geldende bijstandsnorm. Met bijstandsniveau wordt in deze rapportage bedoeld de norm op grond van de Participatiewet, artikel 5 lid 1 sub c. Uitgangspunt in deze rapportage is het totaal besteedbaar maandinkomen. Dat inkomen bestaat uit alle inkomsten van het huishouden, zoals netto salarissen, uitkeringen, kortingen op de belasting, zorgtoeslag, huurtoeslag, vakantiegeld, kinderbijslag, kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget. De inkomensafhankelijke combinatiekorting voor werkende alleenstaande ouders met jonge kinderen wordt apart getoond als voorlopige aanslag. Het loon plus de voorlopige aanslag is gelijk aan het desbetreffende percentage van de bijstandsnorm. De kinderbijslag en het kindgebonden budget komen hier nog bovenop. In de begrotingen is geen rekening gehouden met eigen vermogen of eventuele inkomsten daaruit. Ook is er geen rekening gehouden met inkomsten of betalingen vanwege alimentatie. Hoe de regelingen doorwerken in de begrotingen en wat de invloed is op het inkomen van de verschillende huishoudens is te zien in bijlage 2.
In de rapportage wordt verondersteld dat de huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn, zowel de landelijke als de gemeentelijke.
2.3
Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie
De noodzakelijke uitgaven bestaan uit een basispakket aangevuld met een apart pakket voor sociale participatie. Het basispakket bevat uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn. De begroting bestaat uit een pakket aan vrij goedkope artikelen (niet de allergoedkoopste) die algemeen verkrijgbaar zijn. We houden geen rekening met tweedehands artikelen. Sociale participatie Als voorbeeld heeft het Nibud een pakket aan uitgaven voor sociale participatie opgesteld. Dit pakket is opgesteld in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat bijvoorbeeld om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Sociale participatie wordt door velen als noodzakelijk beschouwd en is in veel gemeenten op de een of andere manier onderdeel van het minimabeleid. In bijlage 1 staan de uitgangspunten en de samenstelling van de pakketten beschreven. Het basispakket en het pakket voor sociale participatie zijn op afhankelijk van het type huishouden. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. Persoonlijk onvermijdbare uitgaven Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen persoonlijk moeilijk of niet-vermijdbare uitgaven. Dit zijn uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn.
Bijvoorbeeld wanneer iemand schulden moet aflossen. Deze uitgaven worden in dit rapport niet meegenomen. In de begrotingen is ook geen rekening gehouden met kosten voor een huisdier of voor roken. Deze uitgaven worden niet gezien als onvermijdbaar. Indien een huishouden hiervoor toch kosten heeft, wordt het saldo op de begroting lager dan in deze rapportage is weergegeven. Mensen die werken maken extra kosten ten opzichte van niet werkenden. Deze kosten zijn meegenomen in het basispakket als aparte post bij een inkomen vanaf 110 procent van het toepasselijk minimum. Inflatie en bestedingsruimte Op het moment van het opstellen van deze MER is er sprake van flinke prijsstijgingen, vooral voor energie. Dit heeft gevolgen voor de Nibud-uitgavencijfers en daarmee voor de bestedingsruimte van huishoudens. De begrotingen in dit onderzoek zijn zo veel mogelijk gebaseerd op het prijspeil van januari 2022, inclusief de CBS-gegevens over energieprijzen. Het Nibud volgt de ontwikkelingen op de voet en past uitgavencijfers gedurende het jaar aan als actuele ontwikkelingen daar aanleiding toe geven. In ieder geval zullen de begrotingen per 1 juli opnieuw worden vastgesteld. Het is vanwege deze hoge inflatie mogelijk dat de bestedingsruimte gepresenteerd in deze MER te positief wordt ingeschat.
Zeker bij beperkte positieve bestedingsruimte is het goed om te realiseren dat dit op korte termijn wellicht kan omslaan in een tekort. Het Nibud adviseert hier rekening mee te houden bij de interpretatie van de resultaten.
2.4
Uitgavensoorten
In alle begrotingen onderscheidt het Nibud drie soorten uitgaven: Vaste lasten: Komen regelmatig terug. Meestal vaste bedragen waar een contract aan ten grondslag ligt. Voorbeelden zijn de huur, energiekosten en verzekeringen. Reserveringsuitgaven: Komen niet regelmatig voor. De hoogte is niet precies bekend. Voorbeelden hiervan zijn de kosten voor inventaris (meubels, apparatuur/witgoed) en kleding. Huishoudelijke uitgaven: Steeds terugkerende uitgaven die maandelijks kunnen variëren. Voorbeelden zijn voeding, was- en schoonmaakartikelen en persoonlijke verzorging. Lokale tarieven In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor heffingen van gemeente en waterschap en de kosten van de peuterspeelzaal. Minimabeleid Als er inkomensondersteunende maatregelen zijn die een vergoeding vormen voor bepaalde uitgavenposten, dan is hier rekening mee gehouden in de begrotingen. De regelingen staan beschreven in het volgende hoofdstuk.
2.5
Voorwaarden aan de begrotingen
Als uitgangspunt bij de berekende begrotingen gaan we uit van de volgende drie belangrijke voorwaarden. 1. Zeer goed met geld kunnen omgaan Verstandig omgaan met het beperkte inkomen is noodzakelijk. Alleen dan kan er voldoende geld opzij worden gezet om onregelmatige uitgaven te kunnen doen. Dat betekent dat huishoudens de kennis, kunde en motivatie moeten hebben om grip te houden op hun huishoudbudget. 2. Alle inkomensondersteuning aanvragen Toeslagen en tegemoetkomingen beslaan vaak een groot deel van het totale inkomstenplaatje. Het is daarom voor huishoudens belangrijk om te weten op welke inkomensondersteuning men recht heeft en hoe en waar deze moet worden aangevraagd. Het tijdig doorgeven van gegevens is hierbij belangrijk. En daarmee dus ook een actieve houding. 3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben Hoge persoonlijk onvermijdbare uitgaven zoals afbetalingen, zorgkosten of hoge woonlasten , kunnen het moeilijk of onmogelijk maken om een sluitende begroting op te stellen. Als de uitgaven niet omlaag gebracht kunnen worden, dan resteert er niks anders dan te bezuinigen op overige uitgaven. In het geval van de begrotingen met minimale uitgaven, zoals ze in dit rapport zijn opgesteld, ontstaat het gevaar dat er ook bezuinigd wordt op noodzakelijke uitgaven.
Dit kan er toe leiden dat er totaal geen reserves meer zijn om tegenslagen op te kunnen vangen, dat rekeningen niet meer betaald worden waardoor schulden ontstaan of dat gezondheidsbedreigende omstandigheden ontstaan.
Deze voorwaarden zijn voor een deel te vangen in competenties voor goed financieel beheer. Het gaat hierbij niet alleen om vaardigheden, maar ook om gedragsaspecten. Daarom is inkomensondersteuning alleen niet voldoende. Het is ook belangrijk om ondersteuning op het gebied van het aanleren van vaardigheden te bieden, aangevuld met ondersteuning die rekening houdt met min of meer individuele gedragsaspecten.
2.6
De begrotingen
Volgens de methodiek van budgetteren die hierboven staat beschreven, worden de begrotingen opgesteld. Deze begrotingen staan in bijlage 2.
3 Minimabeleid In dit hoofdstuk worden diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima beschreven. Alleen de regelingen die in de berekeningen zijn meegenomen komen in dit hoofdstuk aan bod. Paragraaf 3.1 beschrijft de landelijke regelingen; in paragraaf 3.2 komen de lokale inkomensondersteunende regelingen aan bod.
3.1
Landelijk beleid
Bij het opstellen van de begrotingen worden de landelijke heffingskortingen, de landelijke toeslagen en de kinderbijslag in de berekeningen opgenomen. Landelijke heffingskortingen Heffingskortingen zijn kortingen op de belasting. Hiermee wil de overheid bepaalde groepen ondersteunen. Denk aan ouders, ouderen en gehandicapten. Door de heffingskorting betalen zij minder belasting. De volgende heffingskortingen (2022) zijn voor de voorbeeldhuishoudens van belang: Algemene heffingskorting Voor iedereen boven de 18 die inkomstenbelasting betaalt, ook als men niet werkt. De algemene heffingskorting bedraagt maximaal 2.888 euro per jaar voor mensen onder de AOW-gerechtigde leeftijd en 1.494 euro vanaf de AOW gerechtigde leeftijd. Arbeidskorting Voor iedereen die betaald werk heeft, ook als men daarnaast nog gedeeltelijk een uitkering ontvangt. De arbeidskorting bedraagt maximaal 4.260 euro per jaar. Inkomensafhankelijke combinatiekorting Voor werkende ouders met kinderen jonger dan 12 jaar. Deze wordt toegekend aan de alleenstaande ouder of aan de minst verdienende fiscale partner. Deze heffingskorting bedraagt maximaal 2.534 euro per jaar. Ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting Voor iedere AOW-gerechtigde. De ouderenkorting bedraagt maximaal 1.726 euro per jaar; de alleenstaande-ouderenkorting is 449 euro per jaar.
Landelijke toeslagen Toeslagen zijn bijdragen van de overheid om tegemoet te komen in de kosten voor de zorgverzekering, huur of kind(eren). Of een huishouden recht heeft op bepaalde toeslagen, is afhankelijk van een aantal factoren, zoals inkomen. De volgende toeslagen (2022) zijn van belang voor de voorbeeldhuishoudens: Zorgtoeslag Zorgtoeslag is een bijdrage van de overheid voor de kosten van de zorgverzekering. Iemand kan aanspraak maken op zorgtoeslag vanaf 18 jaar. Dit geldt voor zowel alleenstaanden als stellen. Het inkomen moet wel onder de inkomensgrens vallen. Een alleenstaande heeft recht op zorgtoeslag bij een toetsinkomen van 31.998 euro of minder. Voor samenwonenden is deze grens 40.944 euro. Voor jongeren vanaf 18 jaar die bij hun ouders wonen geldt het inkomen van de jongere zelf en niet dat van hun ouders.
Naast de inkomensgrens is er ook een vermogensgrens voor de zorgtoeslag. In 2022 bedraagt deze voor alleenstaanden 120.020 euro en voor paren 151.767 euro. De zorgtoeslag voor een alleenstaande is maximaal 111 euro per maand. Voor een stel is de zorgtoeslag maximaal 212 euro. Hoe lager het inkomen, hoe meer toeslag iemand ontvangt. Huurtoeslag Huurtoeslag is een bijdrage van de overheid in de huurkosten. Huurders van een zelfstandige huurwoning kunnen in aanmerking komen voor huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van het inkomen, het vermogen, de huishoudsamenstelling en de huur. Vanaf 1 januari 2020 kent de huurtoeslag geen inkomensgrenzen meer, maar wordt de huurtoeslag inkomensafhankelijk afgebouwd. De vermogensgrens voor de huurtoeslag van 31.747 euro per persoon is strenger dan voor de zorgtoeslag. Huishoudens krijgen boven de minimale basishuur1 volledige huurtoeslag tot een huur van 442,46 euro. Voor een huur boven dit bedrag wordt voor een- en tweepersoonshuishoudens 65 procent van de huur tot 633,25 euro vergoed. Voor huishoudens vanaf drie personen is dit tot een huur van 678,66 euro. Alleenstaanden of ouderen/hulpbehoevenden krijgen boven deze huur tot een huur van maximaal 752,33 euro vervolgens nog 40 procent vergoed. Kinderopvangtoeslag Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang.
De kinderopvangtoeslag is geregeld in de Wet kinderopvang. De wet geldt voor dagopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen. Maar ook voor opvang door ouderparticipatiecrèches of gastouders via een gastouderbureau en voor de peuterspeelzaal. Informele opvang door familie of kennissen valt hier dus niet onder. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moet de instelling zijn aangemeld bij het Landelijk Register Kinderopvang. Ook moeten, in het geval van paren, beide ouders werken, tenzij er een re-integratietraject wordt gevolgd. De vergoeding wordt berekend over een maximaal uurtarief van 8,50 euro voor kinderen tot vier jaar (dagopvang) en van 7,31 euro voor kinderen in de basisschoolleeftijd (buitenschoolse opvang). Wanneer iemand per uur meer dan dit bedrag betaalt, ontvangt hij of zij over dit extra deel geen toeslag. Er gelden grenzen voor het totaal aantal uren waarvoor kinderopvangtoeslag aangevraagd kan worden. Dit is afhankelijk van het aantal uur dat men werkt. Kindgebonden budget Iedereen met kinderen jonger dan 18 jaar kan in aanmerking komen voor het kindgebonden budget. Dit is een maandelijkse, inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderen. Voorwaarde is dat iemand zijn of haar kind ‘in belangrijke mate onderhoudt’.
Alleenstaande ouders met een verzamelinkomen tot 22.356 euro ontvangen het maximale kindgebonden budget. Voor paren met kinderen ligt de inkomensgrens op 39.596 euro. Na ____________________
dit inkomen wordt de hoogte van het bedrag geleidelijk afgebouwd. Het bedrag aan kindgebonden budget is afhankelijk van het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen. Alleenstaande ouders ontvangen meer dan paren, omdat zij recht hebben op een extra vast bedrag van 273,75 euro per maand. Het kindgebonden budget voor het tweede kind is lager dan voor het eerste kind en vanaf het derde kind eveneens lager dan voor het tweede kind. Vanaf 12 jaar is het kindgebonden budget hoger. Kinderbijslag Een ouder heeft recht op kinderbijslag voor eigen kinderen en stiefkinderen tot 18 jaar en soms voor pleegkinderen tot 16 jaar. Kinderbijslag wordt eenmaal per kwartaal uitgekeerd. De bedragen worden in het geval van meerdere kinderen bij elkaar opgeteld. De bedragen voor kinderbijslag zijn afhankelijk van de leeftijd van het kind en onafhankelijk van het inkomen. De kinderbijslag voor een kind van 12 tot 18 jaar bedraagt 329,56 euro. Voor 6 tot 12 jaar en voor 0 tot 6 jaar is het respectievelijk 280,13 euro en 230,69 euro.
3.2
Lokaal minimabeleid
Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de gemeente Deurne voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. De regelingen die worden opgenomen in de begrotingen komen in de volgende paragrafen aan bod. Een aantal regelingen is in opdracht van de gemeente niet opgenomen in de begrotingen omdat deze afhankelijk zijn van de persoonlijke situatie of niet van toepassing zijn op de onderzochte huishoudtypen. Voor de volledigheid komen deze regelingen aan de orde in paragraaf 3.2.9. 3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid In de gemeente Deurne kan kwijtschelding worden aangevraagd voor de rioolheffing en de afvalstoffenheffing. Voor de afvalstoffenheffing is vrijstelling mogelijk tot een bedrag van 120 euro per jaar. De kwijtscheldingsnorm bedraagt 100 procent van het sociaal minimum. Dit is hoger dan de wettelijk voorgeschreven norm van 90 procent. Hierdoor hoeven huishoudens met een inkomen rond het sociaal minimum, afhankelijk van het vermogen, in principe geen gemeentelijke heffingen te betalen. Bij een inkomen hierboven wordt betalingscapaciteit verondersteld. De beleidsvrijheid ten aanzien van het kwijtscheldingsbeleid wordt bepaald door landelijke regelgeving.
Hierbij wordt aan gemeenten de mogelijkheid geboden om rekening te houden met de kosten voor kinderopvang en om voor AOW’ers uit te gaan van de netto AOW in plaats van de bijstandsbedragen. De gemeente Deurne maakt gebruik van de mogelijkheid om uit te gaan van de verhoogde norm voor AOW’ers en houdt ook rekening met de kosten voor kinderopvang bij de bepaling van de betalingscapaciteit. Bij het waterschap Aa en Maas is kwijtschelding mogelijk voor de zuiveringsheffing/ verontreinigingsheffing en voor de watersysteemheffing ingezetenen. Bij de berekening van de kwijtschelding hanteert het waterschap, net zoals de gemeente, de norm van 100 procent van de toepasselijke norm. De kwijtschelding van de gemeentelijke heffingen en het waterschap worden gezamenlijk berekend.
3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering Het verzekeren tegen ziektekosten is voor iedereen wettelijk verplicht. Daarom bieden veel gemeenten inwoners met een laag inkomen een collectieve zorgverzekering aan. De gemeente Deurne betaalt een bijdrage bij vier polissen van verzekeraar CZ. In de begrotingen gaan we er vanuit dat huishoudens kiezen voor de extra uitgebreide verzekering met zorg op maat. Hiervoor draagt de gemeente per maand 33 euro per maand aan bij voor huishoudens met een inkomen tot 120 procent. In de begrotingen rekenen we voor huishoudens die geen gebruik kunnen maken van de collectieve verzekering met de premie van een gemiddelde zorgverzekering. Dit betreft de nominale premie van de basis- en aanvullende verzekering inclusief een tandartsverzekering. Daarnaast gaan we ervan uit dat huishoudens maandelijks moeten reserveren voor het eigen risico van 385 euro per jaar, omdat zij dit geld waarschijnlijk niet beschikbaar hebben, als zij dit (onverwacht) nodig hebben. Bij de collectieve verzekering van CZ wordt deze reservering maandelijks afgeschreven. Als het eigen risico niet volledig wordt gebruikt, dan krijgt het huishouden achteraf dat bedrag terug. De kosten van de premie zijn in de begrotingen opgenomen onder de uitgavepost “zorgverzekering”. De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.
Het eigen risico is in de begrotingen opgenomen onder de post “eigen risico zorgverzekering”. 3.2.3 Maatschappelijke Participatie De gemeente Deurne vindt het belangrijk dat alle inwoners mee kunnen doen aan sociale, sportieve, culturele en maatschappelijke activiteiten. De gemeente heeft daarom een regeling voor Maatschappelijke Participatie voor volwassenen. Deze regeling is een bijdrage van 250 euro per kalenderjaar per volwassene, met een netto gezinsinkomen dat niet hoger is dan 120 procent van de geldende bijstandsnorm. Het is een vast bedrag per kalenderjaar dat besteed kan worden aan sociale, sportieve, maatschappelijke of culturele activiteiten. In de begrotingen is de bijdrage verrekend met de post “sociale participatie”. 3.2.4 Kindpakket van Stichting Leergeld Deurne Ouders of verzorgers met een inkomen niet hoger dan 120 procent van de geldende bijstandsnorm uit de gemeente Deurne kunnen bij de Stichting Leergeld Deurne een aanvraag indienen om hun kind(eren) deel te laten nemen aan binnen- en buitenschoolse activiteiten. In totaal is er een bedrag van 400 euro per schoolgaande kind tussen de 4 en 18 jaar per jaar beschikbaar. Er zijn vergoedingen voor meerdere activiteiten mogelijk, maar we verrekenen alleen die vergoedingen waarvoor ook kosten zijn opgenomen.
In de begrotingen wordt voor ieder gezinslid vanaf vier jaar gerekend met het lidmaatschap van één vereniging: sport óf cultuur. We gaan ervan uit dat deze kosten voor kinderen vergoed worden via de Stichting Leergeld.
Daarnaast worden de vergoedingen voor onderwijs en de aanschaf van een fiets en een laptop in de begrotingen verrekend. Voor de fiets en de laptop gaan we uit van een levensduur van vijf jaar. 3.2.5 Individuele Inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag in de gemeente Deurne is bedoeld voor huishoudens vanaf 21 jaar die weinig zicht hebben op extra inkomen in de toekomst en die wel inzet hebben getoond om meer inkomen te krijgen en van wie het inkomen in het afgelopen jaar niet hoger was dan een bepaald percentage van de geldende bijstandsnorm. De hoogte van Individuele Inkomenstoeslag bedraagt: • 415 euro voor een alleenstaande met een inkomen tot 110 procent van de bijstandsnorm; • 798 euro voor een alleenstaande ouder met een inkomen tot 120 procent van de bijstandsnorm; • 593 euro voor paren met een inkomen tot 110 procent van de bijstandsnorm zonder kinderen; • 858 euro voor paren met een inkomen tot 120 procent van de bijstandsnorm met minderjarige kinderen Bij de resultaten van deze rapportage worden de saldi van huishoudens die recht hebben op de individuele inkomenstoeslag apart gepresenteerd, omdat niet elke inwoner van Deurne met een laag inkomen hiervoor in aanmerking komt: de IIT is alleen bedoeld voor huishoudens waarvan het inkomen minimaal een jaar niet hoger was dan het voor hen geldende percentage van hun bijstandsnorm.
In het kader van werkaanvaarding loopt de IIT door tot 130 procent. In deze rapportage houden we daarmee geen rekening. 3.2.6 Kinderopvang en peuterspeelzaal Op grond van de Wet kinderopvang kunnen ouders van kinderen tot en met de basisschoolleeftijd een tegemoetkoming toegekend krijgen voor de kosten van kinderopvang, de kinderopvangtoeslag. Vervolgens resteert een eigen bijdrage voor deze kosten. Voor enkele specifieke doelgroepen verstrekt de gemeente een vergoeding voor de eigen bijdrage, maar in deze rapportage wordt niet van deze bijzondere doelgroepen uitgegaan.2 Daarom wordt voor alleenstaande ouders met jonge kinderen de eigen bijdrage voor kinderopvang in de begrotingen opgenomen. Bij 110 procent van het minimuminkomen wordt gerekend met 20 uur kinderopvang per week, bij een inkomen op 120 en op 130 procent wordt uitgegaan van 30 uur kinderopvang. ____________________ 2
Voor de volgende doelgroepen verstrekt de gemeente een vergoeding voor de eigen bijdrage: o
Inwoners met inkomen uit werk en een aanvullende bijstandsuitkering.
o
Inwoners met een bijstandsuitkering die een traject richting werk volgen.
o
Inwoners jonger dan 18 jaar die naar school gaan of een opleiding volgen.
o
Inwoners die staan ingeschreven bij een school of onderwijsinstelling (student) en die geen inkomen uit werk hebben.
o
Inwoners die kinderopvang gebruiken op grond van een sociaal medische indicatie (via de WMO).
o
Statushouders in het kader van een inburgeringstraject
o
Inwoners met kinderen met een voorschoolse of vroegschoolse educatie (VVE)-indicatie
Een alleenstaande ouder met een bijstandsuitkering, die geen traject naar werk volgt, hoeft geen gebruik van de kinderopvang te maken. Daarom zijn in de begrotingen op 100 procent geen kosten voor kinderopvang opgenomen. Wel wordt ervan uitgegaan dat voor het kind van drie jaar één dagdeel per week gebruik wordt gemaakt van de peuteropvang. Ook paren zonder werk (met een bijstandsuitkering) of paren waarvan één van beide partners werkt (met een inkomen op 110, 120 of 130 procent van de norm), zullen geen gebruik maken van de kinderopvang, maar van de peuteropvang. Per 1 januari 2018 zijn peuterspeelzalen omgevormd tot kinderdagverblijven. 3 Hierdoor krijgen sommige ouders die gebruik maken van de peuteropvang recht op kinderopvangtoeslag. Eenverdieners (kostwinnergezin) of werkloze alleenstaande ouders komen niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag. Kinderen tussen de 2,5 en 4 jaar van deze ouders gaan wel naar de peuteropvang voor een dagdeel per week. De eigen bijdrage voor de kinderopvang en de bijdrage voor de peuteropvang zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “kinderopvang”. Voor de huishoudens die in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag, is dit in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten. 3.2.7 Mondkapjes en zelftesten De gemeente Deurne stelt gratis mondkapjes en zelftesten beschikbaar voor mensen met een bijstandsuitkering of minimaregeling.
We gaan er vanuit dat tot en met een inkomen van 120 procent mensen geen kosten hebben aan mondkapjes en zelftesten. 3.2.8 Tijdelijke energietoeslag Het Rijk heeft aan gemeenten geld ter beschikking gesteld om huishoudens met een laag inkomen een eenmalige tegemoetkoming te geven vanwege de gestegen energiekosten. Gemeenten kunnen zelf invulling geven aan welke groepen ze welk bedrag geven. In de berekeningen is de energietoeslag meegenomen als een bedrag van 800 euro dat wordt toegekend tot een inkomensgrens van 120 procent. In bijlage 4 staat een tabel zonder de energietoeslag. 3.2.9. Overige regelingen Naast bovengenoemde regelingen, kent de gemeente Deurne nog een aantal voorzieningen voor huishoudens met een laag inkomen. Deze regelingen hebben we op verzoek van de gemeente niet meegenomen in de begrotingen, omdat deze sterk afhankelijk zijn van de persoonlijke situatie of niet van toepassing zijn op de onderzochte huishoudtypen. Voor de volledigheid van dit rapport worden de regelingen hieronder wel besproken. Bijzondere bijstand De gemeente Deurne verstrekt voor bijzondere en noodzakelijke kosten individuele bijzondere bijstand. Het inkomen tot 110 procent van de toepasselijke bijstandsnorm wordt niet als draagkracht aangemerkt; van het inkomen daarboven wordt 100 procent
____________________ 3
Dit is geregeld in de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk.
als draagkracht aangemerkt. Daarnaast geldt de vermogensgrens zoals bedoeld in artikel 34, derde lid, van de Participatiewet. De individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek in principe niet meegenomen omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie. Alleen voor de huishoudens met een zorgvraag kijken we of individuele bijzondere bijstand mogelijk is. Individuele studietoeslag De individuele studietoeslag is een inkomensondersteunende maatregel voor een zeer specifieke groep inwoners. De regeling is bedoeld voor studenten en leerlingen, die door een medische beperking naast de studie niet structureel kunnen bijverdienen. Voor deze mensen is het moeilijk om een bijbaan te hebben naast hun studie of opleiding. Ook is de drempel om te lenen een stuk hoger dan studenten en leerlingen zonder arbeidshandicap, omdat de kans op een baan kleiner is. De individuele studietoeslag is een extra steun in de rug en niet bestemd voor bepaalde kosten. Het is een inkomensondersteunende toeslag, die voor de ontvanger vrij besteedbaar is. De hoogte van de individuele studietoeslag bedraagt in Deurne 10 procent van het wettelijke minimumloon. De individuele studietoeslag wordt in dit onderzoek niet meegenomen omdat we ervan uitgaan dat geen van de (leden van de) onderzochte huishoudens van deze toeslag gebruik hoeft te maken.
3.3
Voorzieningen voor huishoudens met een zorgvraag
In dit onderzoek worden tevens huishoudens met extra zorgkosten onderzocht, namelijk een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) en een ouder paar. . Om de begroting voor dit huishouden op te maken, moet een zogenoemd zorgprofiel worden opgesteld. Vervolgens kan bepaald worden welke extra kosten dit huishoudens heeft, en welke vergoedingen daar tegenover staan. Het profiel is opgesteld door het Nibud, in samenspraak met Ieder(in)4, en ziet er als volgt uit: Hartklachten Bril Gehoorapparaat Rollator 3 uur huishoudelijke verzorging per week 14 uur persoonlijke verzorging per week 4 uur verpleging per week Woningaanpassing (drempels weg, traplift) Maakt gebruik van de maaltijdvoorziening voor 5 dagen per week Gebruik belbus/collectief vervoer Personenalarmering Een medicijn dat door (aanvullende) zorgverzekering vergoed wordt Lichte vorm van incontinentie Bij het oudere paar gaan we ervan uit dat één van de twee partners dit profiel heeft. De andere partner kan dan mantelzorg verlenen. ____________________ 4
Ieder(In) is een belangenorganisatie voor mensen met een beperking of een chronische ziekte.
Gezien het bovenstaande, zal de begroting van de huishoudens met een zorgvraag op diverse punten afwijken van de standaardbegrotingen: De huishoudelijke hulp is in Deurne een maatwerkvoorziening. Voor de maatwerkvoorziening geldt een eigen bijdrage via het CAK. De eigen bijdrage bedraagt maximaal 19 euro per maand. Voor paren onder de AOW-leeftijd geldt er geen eigen bijdrage. In Deurne wordt de eigen bijdrage vergoed via de collectieve zorgverzekering. Indien er geen collectieve verzekering is afgesloten kunnen deze kosten via het Wmo-budget worden vergoed. De eigen bijdrage geldt voor alle maatwerkvoorzieningen samen. In de begrotingen tot 120 procent worden deze kosten vergoed vanuit de collectieve zorgverzekering. De persoonlijke verzorging en verpleging vallen in het basispakket van de zorgverzekering. Hierdoor komen er dus geen extra kosten bij. De kosten voor een woningaanpassing (drempels weg, traplift), die vanuit de Wmo wordt toegekend, worden doorgegeven aan het CAK voor de inning van de eigen bijdrage. Deze eigen bijdrage heeft de alleenstaande oudere al betaald voor de huishoudelijke en persoonlijke verzorging. Daarom komen er voor deze woningaanpassingen geen extra kosten meer bij. Maaltijdregeling De maaltijdvoorziening zorgt voor meerkosten ten opzichte van de situatie waarin de warme maaltijd zelf wordt bereid.
Voor deze meerkosten is het mogelijk om vanuit de gemeentelijke maaltijdregeling een tegemoetkoming te ontvangen. Dit is voor personen die niet in staat zijn zelf een warme maaltijd te bereiden. De hoogte van de bijdrage bedraagt 5,50 euro per maaltijd. Koelverse maaltijden kunnen worden thuisbezorgd voor 6,75 euro. De kosten voor 5 maaltijden per week komen dan uit op 162 euro per maand. De bijdrage van de gemeente is 114 euro per maand. De kosten voor een zelf bereide maaltijd voor een alleenstaande oudere bedraagt 2,24 euro, ofwel 48 euro per maand. Er is dus vrijwel geen sprake van meerkosten. De maaltijdvergoeding loopt tot een inkomen van 120 procent. Daarboven moeten huishoudens de extra kosten zelf betalen. De kosten voor de maaltijdvoorziening die de alleenstaande oudere nog zelf moet betalen, zijn in de begroting opgenomen onder de post “voeding”. De alleenstaande oudere met een zorgvraag maakt gebruik van collectief vraagafhankelijk vervoer. Wmo-cliënten kunnen gebruik maken van de TaxBus. De WMO-cliënt en begeleider betalen ieder een eigen bijdrage hiervan zijn 18,1 eurocent per kilometer tot een maximum van 25 kilometer met een opstaptarief van 1,01 eurocent per rit. Het kilometertarief vanaf 25 kilometer bedraagt 2,47 euro. In de begrotingen wordt gerekend met 4 ritten per maand van 10 kilometer enkele reis.
Dit komt neer op een bedrag van 30,65 euro per maand, inclusief begeleider. Daarnaast gaan we uit van 4 ritten per jaar van 20 kilometer enkele reis voor vervoer naar een
ziekenhuis (in Deurne of Helmond), inclusief begeleider. Dat komt neer op een bedrag van 1,95 euro per maand. Verder gaan we ervan uit dat er geen gebruik wordt gemaakt van de fiets; deze kosten (9,20 euro) zijn daarom uit de begroting gehaald. De extra vervoerskosten die uiteindelijk resteren (23 euro) zijn opgenomen onder de post “vervoer”. De kosten voor vervoer naar arts, ziekenhuis of apotheek en vervoerskosten door ziekte of handicap komen in aanmerking voor belastingaftrek. In de begroting is dit opgenomen onder de post “voorlopige aanslag”. Hierbij wordt rekening gehouden met de regels voor de belastingaftrek van specifieke zorgkosten. De kosten voor de personenalarmering worden in Deurne vergoed via de zorgverzekering, indien de personenalarmering om medische redenen noodzakelijk is. Daar wordt in het geval van de alleenstaande oudere met zorgvraag wel van uitgegaan. De maandelijkse kosten van de personenalarmering bedragen 22,75 euro per maand. De kosten die de alleenstaande oudere uiteindelijk nog zelf moet betalen, zijn verrekend met de post “eigen bijdragen/betalingen zorg”. In het zorgprofiel van de alleenstaande oudere wordt uitgegaan van een lichte vorm van incontinentie. Voor de extra waskosten die hierdoor ontstaan gaan we uit van 2 keer per week extra wassen, wat neerkomt op 18 euro per maand.
Voor de extra kosten van kledingslijtage en bewassing in verband met een chronische ziekte of handicap is in Deurne bijzondere bijstand mogelijk. Voor de huishoudens met een inkomen waarbij de draagkracht nog niet volledig is ingezet, worden deze kosten verrekend met de post “was- en schoonmaakmiddelen”. Voor extra kleding en beddengoed komt een vast bedrag van 300 euro in aanmerking voor belastingaftrek. In de begroting is dit opgenomen onder de post “voorlopige aanslag”. Hierbij wordt rekening gehouden met de regels voor de belastingaftrek van specifieke zorgkosten. Naast bovengenoemde zorgkosten rekenen we nog 8 euro per maand voor attentiekosten voor hulp van buren, vrienden, etc. Deze kosten zijn opgenomen onder de post ‘eigen bijdragen/betalingen zorg’. Zorgkosten zijn individueel bepaald In dit rapport is gekozen voor een bepaalde zorgvraag om het effect van zorgkosten en tegemoetkomingen voor deze kosten op de bestedingsruimte van huishoudens met een laag inkomen in kaart te brengen. De zorgvraag is een weergave van vaak voorkomende kosten. In werkelijkheid hebben mensen te maken met zeer uiteenlopende zorgbehoeftes en varieert de hoogte van de zorgkosten sterk in individuele gevallen.
Dat betekent dat conclusies die getrokken worden op basis van de uitkomsten, rekening houdend met de zorgvraag zoals die in dit rapport is geformuleerd, niet zonder meer gelden voor iedereen met zorgkosten. Het geeft wel aan dat een deel van de vaak voorkomende zorgkosten wordt vergoed. En dat mensen in veel gevallen daarnaast nog eigen betalingen in verband met zorg hebben.
4 Resultaten 4.1
Saldo inkomsten min uitgaven
Dit hoofdstuk bevat de resultaten van het onderzoek. Een en ander wordt schematisch weergegeven in tabel 1 op de volgende pagina. De tabel bevat per voorbeeldhuishouden een overzicht van het saldo van inkomsten min uitgaven bij verschillende inkomensniveaus. Achtereenvolgens is het saldo weergegeven nadat: • alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan; • zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan; • alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan, rekening houdend met de Individuele Inkomenstoeslag (IIT); • zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan, rekening houdend met de Individuele Inkomenstoeslag (IIT); Een aanname bij de uitkomsten van tabel 1 is dat huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn, zowel de landelijke als de gemeentelijke. In praktijk is dit niet het geval. De begrotingen in dit onderzoek zijn zo veel mogelijk gebaseerd op het prijspeil van januari 2022, inclusief de CBS-gegevens over energieprijzen. Het is vanwege deze hoge inflatie mogelijk dat de bestedingsruimte te positief wordt ingeschat. Zeker bij beperkte positieve bestedingsruimte is het goed om te realiseren dat dit op korte termijn wellicht kan omslaan in een tekort.
Het Nibud adviseert hier rekening mee te houden bij de interpretatie van de resultaten. Een eenmalige energietoeslag van 800 euro tot 120 procent is meegenomen in deze saldi. In bijlage 4 is een maandbegroting zonder deze toeslag opgenomen. Verder is de volgende codering weergegeven: • Een negatief saldo op de maandbegroting is in rood weergegeven. • Als een hoger inkomen leidt tot minder bestedingsruimte dan is dit bij het betreffende inkomensniveau aangegeven met een pijltje: o Een rood pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van de situatie met een bijstandsuitkering (uitstroomval/werkloosheidsval). o Een grijs pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van het voorliggende inkomensniveau (doorstroomval). Het kan voorkomen dat een huishouden op een bepaald inkomensniveau te maken heeft met zowel een doorstroom- als een uitstroomval. In dat geval kleurt het pijltje rood. Uit de tabel valt af te lezen dat er voor een alleenstaande met een bijstandsuitkering 185 euro per maand resteert nadat alle uitgaven uit het basispakket zijn gedaan. Als naast de uitgaven uit het basispakket ook alle uitgaven aan sociale participatie zijn gedaan, dan is er een bestedingsruimte van 103 euro. Hierbij is rekening gehouden met alle landelijke en lokale inkomensondersteunende maatregelen.
4.2
Bestedingsruimte
4.2.1 Na invulling van alleen het basispakket Uit de tweede kolom (‘saldo na basispakket’) blijkt dat alle onderzochte huishoudens voldoende inkomsten hebben om de uitgaven uit het basispakket te betalen. Tabel 1. Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand
4.2.2 Na invulling van het basispakket inclusief sociale participatie a. Alleenstaande Een alleenstaande heeft, nadat alle uitgaven uit zowel het basispakket als het pakket voor sociale participatie zijn gedaan, geen tekorten op de maandbegroting. Op bijstandsniveau is er een bestedingsruimte van 103 euro per maand. Dit loopt op naar 207 euro bij een inkomen van 130 procent. b. Alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) Wanneer iemand de leeftijd bereikt waarop hij of zij AOW kan krijgen, stopt de bijstandsuitkering. Het maandelijkse bedrag van de AOW-uitkering is hoger dan die van een bijstandsuitkering. Daarom wordt het saldo van uitgaven versus inkomsten gunstiger bij de overgang van een alleenstaande van de bijstand naar de AOW. We gaan voor ouderen in de AOW-leeftijd weliswaar uit van iets hogere uitgaven voor energie en nietvergoede ziektekosten (zelfzorgmiddelen), maar dat wordt gedempt door iets lagere uitgaven aan verzekeringen en vervoer. c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen (3 en 5 jaar) Het eenoudergezin met 2 jongere kinderen kan op elk inkomensniveau alle uitgaven uit het basispakket en alle uitgaven uit het pakket voor sociale participatie doen. Op bijstandsniveau houdt het gezin na de uitgaven voor sociale participatie 114 euro over. d.
Eenoudergezin met 2 oudere kinderen (14 en 16 jaar) Het eenoudergezin met kinderen van 14 en 16 jaar kan zowel het basispakket als de kosten voor sociale participatie bekostigen. Op bijstandsniveau houdt het gezin 56 euro over. De bestedingsruimte per maand is lager dan bij het eenoudergezin met jongere kinderen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de hogere kosten voor onderwijs, voeding en vervoer. De hogere uitgaven van oudere kinderen worden enigszins gecompenseerd door iets hogere landelijke toeslagen (kinderbijslag en kindgebonden budget). e. Paar zonder kinderen Het paar zonder kinderen heeft op bijstandsniveau een bestedingsruimte van 86 euro, en dat loopt op tot 252 euro voor 130%. f. Ouder paar (AOW-gerechtigd) Het oudere paar heeft geen tekorten op de begroting. Met alleen een AOW-uitkering is er een bestedingsruimte van 328 euro per maand, dit loopt op naar 422 euro op 130 procent van de geldende bijstandsnorm. g. Paar met 2 jonge kinderen (3 en 5 jaar) Het paar met twee jonge kinderen heeft bij de twee laagste inkomensniveaus onvoldoende bestedingsruimte om naast alle uitgaven uit het basispakket ook alle uitgaven uit het pakket voor sociale participatie te kunnen doen. Huishoudens met een inkomensniveau van 100 en 110 procent komen maandelijks respectievelijk 77 en 31 euro tekort.
Belangrijke oorzaak hiervan is dat de kosten van de peuteropvang voor dit huishouden volledig voor rekening van het huishouden komen. In individuele situaties is wel vergoeding hiervoor mogelijk.
h. Paar met 2 oudere kinderen (14 en 16 jaar) Ook het paar met twee oudere kinderen kan op bijstandsniveau de maandbegroting niet rondkrijgen. Nadat alle basisuitgaven en de uitgaven voor sociale participatie zijn gedaan, is er een tekort van 113 euro op bijstandsniveau en van 68 euro op 110 procent. Bij het niveau van 130 procent is er nog steeds sprake van een tekort van 39 euro. De bestedingsruimte is op alle onderzochte inkomensniveaus lager dan voor het paar met jonge kinderen. De hogere kinderbijslag en het hogere kindgebonden budget wegen niet op tegen de hogere uitgaven die oudere kinderen met zich meebrengen, aan onder meer onderwijs, voeding en kleding. Ook de hogere (schoolgerelateerde) vergoedingen voor oudere kinderen uit het minimabeleid kunnen dit niet compenseren. i. Alleenstaande oudere met een zorgvraag De alleenstaande oudere met een zorgvraag kan alle uitgaven van het basispakket, het pakket voor sociale participatie en de extra zorgkosten bekostigen. Het saldo ligt tot een inkomen van 120 procent slechts enkele euro’s hoger dan de alleenstaande oudere zonder zorgkosten. Bij een inkomen van 130 procent ligt het saldo wel duidelijk lager. Veel van de ondersteuningsmaatregelen lopen immers tot 120 procent. j.
Ouder paar met zorgvraag Ook het oudere paar met de zorgvraag heeft voldoende saldo om de kosten van het basispakket, de sociale participatie en de zorgkosten te betalen. Conclusie De twee typen huishoudens waar de bestedingsruimte tekort schiet zijn: Paar met oudere kinderen Paar met jonge kinderen De bestedingsruimte is het allerkleinst bij het paar met oudere kinderen op bijstandsniveau. Ook op 110 procent heeft dit huishoudtype tekorten die vergelijkbaar zijn met de bestedingsruimte van een paar met jongere kinderen op bijstandsniveau. Dit wordt gevolgd door het paar met jonge kinderen op 110 procent van het bijstandsniveau.
4.3
Armoedeval
Uitstroomval Een uitstroomval ontstaat als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op bijstandsniveau. In de gemeente Deurne doet dit zich voor bij de alleenstaande oudere met zorgvraag. Hierbij speelt het wegvallen van de maaltijdvergoeding en de eenmalige energietoeslag een belangrijke rol. Doorstroomval Van een doorstroomval is sprake als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau. In dit onderzoek zien we bij alle huishoudens doorstroomvallen tussen 120 procent en 130 procent. In deze gevallen is de bestedingsruimte op 130 procent lager dan op 120 procent. Dit komt door het wegvallen van de zorg-, de huurtoeslag en de eenmalige energietoeslag bij de overgang van 120 naar 130 procent, in combinatie met het wegvallen van een
aantal lokale minimaregelingen, zoals de regelingen van Stichting Leergeld, de collectieve verzekering. Deze regelingen gelden tot aan de grens van 120 procent en niet daarboven.
4.4
Huishoudens met langdurig een laag inkomen
Huishoudens in de gemeente Deurne die 12 maanden of langer van een inkomen moeten leven dat niet hoger is dan een bepaald percentage van de geldende bijstandsnorm, komen in aanmerking voor de Individuele inkomenstoeslag (IIT). De hoogte van de toeslag hangt af van het huishoudtype. In tabel 1 staan in de laatste 2 kolommen de saldi van de inkomsten min de uitgaven uitgewerkt waarbij ook rekening is gehouden met de IIT. De IIT kan een extra armoedeval veroorzaken: een huishouden met recht op IIT kan een hogere bestedingsruimte hebben dan een huishouden op een hoger inkomensniveau, zonder recht op IIT. In de gemeente Deurne doet dit verschijnsel zich voor bij de huishoudens die recht hebben op IIT met kinderen: de IIT verscherpt de al bestaande doorstroomval van 120 procent naar 130 procent van de bijstandsnorm. Dit geldt voor de eenoudergezinnen en voor de paren met kinderen. Deze situatie, waarin de bestedingsruimte niet of nauwelijks toeneemt, wordt niet alléén veroorzaakt door het wegvallen van de IIT. Ook zonder IIT neemt de bestedingsruimte tussen 120 en 130 procent bij de onderzochte huishoudens niet evenredig toe met het netto inkomen. Dit komt omdat ook andere onderdelen van het minimabeleid lopen tot inkomens van 120 procent.