5 202309026 Ontwerpbestemmingsplan natuurontwikkeling Gulden Land
Tekst van het document
Bestemmingsplan ’t Gulden Land Gemeente Laarbeek Ontwerp
Bestemmingsplan ’t Gulden Land Gemeente Laarbeek Ontwerp
Rapportnummer:
P05002
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.1659.BPBGGuldenland-ON01
Datum:
8 mei 2023
Opdrachtgever:
Gemeente Laarbeek
Projectteam BRO:
RMa, JvdA
Concept-ontwerp:
mei 2022
Voorontwerp:
--
Ontwerp:
mei 2023
Vaststelling:
--
Trefwoorden:
--
Bron foto kaft:
BRO, abstract
Beknopte inhoud:
Bestemmingsplan voor de natuurontwikkeling van ’t Gulden Land te Aarle-Rixtel. BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1.INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
4 4 4 5 6
2.HUIDIGE SITUATIE PLANGEBIED 2.1 Water 2.2 Landschap
8 8 9
3.VOORGESTANE ONTWIKKELING
11
4.BELEIDSKADER 4.1 Rijksbeleid
14 14
4.1.1 Nationaal Waterprogramma 2022-2027 4.1.2 Kaderrichtlijn Water 4.2 Provinciaal beleid
14 14 15
4.2.1 Provinciaal milieu- en waterplan 2016 - 2021 4.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant 4.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 4.3 Waterschapsbeleid
15 15 16 18
4.3.1 Waterbeheerplan 2022 – 2027 4.3.2 Keur Waterschap Aa en maas 4.4 Gemeentelijk beleid
18 19 20
4.4.1 Structuurvisie Laarbeek 4.4.2 Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek
20 20
5.OMGEVINGSASPECTEN 5.1 Verkeer en parkeren
22 22
5.1.1 Parkeren en verkeersgeneratie 5.2 Geluid
22 22
5.2.1 Toetsingskader 5.2.2 Onderzoek 5.2.3 Conclusie 5.3 Luchtkwaliteit
22 23 23 24
5.3.1 Toetsingskader 5.3.2 Doorwerking plangebied 5.3.3 Conclusie 5.4 Bedrijven en milieuzonering
24 24 25 25
5.4.1 Toetsingskader
Inhoudsopgave
25
1
5.4.2 Doorwerking plangebied 5.4.3 Conclusie 5.5 Geur
26 26 26
5.5.1 Toetsingskader 5.5.2 Onderzoek 5.5.3 Conclusie 5.6 Kabels en leidingen 5.7 Externe veiligheid
26 26 26 27 27
5.7.1 Toetsingskader 5.7.2 Onderzoek 5.7.3 Conclusie 5.8 Ecologie
27 28 29 29
5.8.1 Toetsingskader 5.8.2 Onderzoek 5.8.3 Conclusie 5.9 Bodem
29 31 31 31
5.9.1 Toetsingskader 5.9.2 Onderzoek 5.9.3 Conclusie 5.10 Water
31 32 33 34
5.10.1 Conclusie 5.11 Archeologie
34 34
5.11.1 Toetsingskader 5.11.2 Onderzoek 5.11.3 Conclusie 5.12 Cultuurhistorie
34 34 39 39
5.12.1 Toetsingskader 5.12.2 Onderzoek 5.12.3 Conclusie 5.13 Explosieven 5.14 Gezondheid 5.15 Milieu-effectrapportage
39 39 42 42 42 42
6.JURIDISCHE PLANOPZET 6.1 Inleiding 6.2 Plansystematiek 6.3 Toelichting op de bestemmingen
51 51 51 53
7.UITVOERBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid
55 55
7.1.1 Kostenverhaal 7.1.2 Financieel economische haalbaarheid 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
55 55 55
7.2.1 Vooroverleg en inspraak 7.2.3 Vaststellingsprocedure
Inhoudsopgave
56 56
2
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Schetsontwerp inrichting plangebied Bijlage 2: Ecologische quickscan Bijlage 3: Stikstofonderzoek Bijlage 4: Landbodem vooronderzoek Bijlage 5: Waterbodem vooronderzoek Bijlage 6: Verkennend waterbodemonderzoek Bijlage 7: Programma van Eisen Bijlage 8: Archeologisch bureau-onderzoek Bijlage 9: Historisch vooronderzoek
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Op een aantal percelen aan de Bakelseweg te Aarle-Rixtel zijn momenteel agrarische gronden gelegen. Het voornemen bestaat om de agrarische gronden te ontwikkelen voor het realiseren van natuur en dit recreatief te ontsluiten. Door het gebied stroomt de rivier de Aa. Bij de herinrichting zal het verloop van de Aa gedeeltelijk worden verlegd, waarvoor ter plaatse een nieuw stroombed zal worden gegraven en het oude worden gedempt. Momenteel wordt het plangebied voornamelijk gebruikt voor agrarische activiteiten. De beoogde ontwikkeling past in functionele zin niet binnen het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (vigerend 6 juli 2010), waarin het plangebied de volgende bestemmingen kent: Groen – Landschapselement; Agrarisch; Bos; Water. Binnen deze bestemming is het grotendeels toegestaan om natuur te realiseren. Daarnaast is in het plan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen (zie paragraaf 1.3) om de bestemming te kunnen wijzigen in de bestemmingen ‘Bos’, ‘Groen - Landschapselement’ en/of ‘Natuur’ voor het behoud en/of ontwikkeling van bos, landschapselementen en/of de natuur. Deze wijzigingsbevoegdheid dekt echter niet alle mogelijke ontwikkelingen in het gebied. Daarom is gekozen voor een herziening van het bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan betreft het nieuwe juridisch-planologische kader voor het plangebied.
Er wordt aangetoond dat het initiatief haalbaar is en dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
1.2 Plangebied Het plangebied betreft agrarische gronden, kadastraal bekend als “gemeente Aarle-Rixtel, sectie G, nummers 83, 84, 85, 86, 87, 355, 844, 845, 846 (deels), 848 (deels) en 911’’. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Laarbeek en is direct gelegen naast de Zuid-Willemsvaart en de provinciale weg N279. De omgeving van het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit watergangen en agrarische gronden. Aan de zuidzijde van het plangebied is een tuincentrum gelegen. Het plangebied wordt langs de oostzijde omsloten door de Zuid-Willemsvaart. Aan de westelijke rand van het plangebied is de waterloop de Aa gelegen, met daarachter agrarische gronden en bosgronden richting de Zuid-Willemsvaart ten westen van het plangebied. Ten noorden grenst het plangebied aan de Aa en agrarische gronden met daarachter de Havenweg en de Zuid-Willemsvaart. De locatie van het plangebied bestaat uit agrarische gronden. De omliggende bebouwing bestaat uit een tuincentrum en een bedrijfswoning. De ligging van het plangebied is indicatief weergegeven in figuur 1. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding.
Hoofdstuk 1
4
Figuur 1 Globale ligging plangebied
1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied (zie figuur 2) het geldende juridische kader. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 9 juni 2016. Het plangebied heeft hierin de bestemmingen Groen – Landschapselement; Agrarisch; Bos; Water. Binnen deze bestemming is het grotendeels toegestaan om natuur te realiseren. Daarnaast is in artikel 40 van het vigerend bestemmingsplan aangegeven dat de gronden bestemd als ‘Agrarisch’, ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’, ‘Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarden - 1’ , ‘Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarden - 2’ en ‘Maatschappelijk – Militair’ gewijzigd kunnen worden in de bestemming ‘Bos’, ‘Groen - Landschapselement’ en/of ‘Natuur’ ten behoeve van behoud en/of ontwikkeling van bos, landschapselementen en/of de natuur. Binnen het plangebied is de bestemming ‘Groen – Landschapselement’ gelegen. Deze bestemming is niet opgenomen in de wijzigingsmogelijkheid zoals is opgenomen in artikel 40 van het vigerend bestemmingsplan. Derhalve is de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling in strijd met het vigerend bestemmingsplan.
Hoofdstuk 1
5
Binnen het plangebied komen daarnaast de volgende dubbelbestemmingen en gebieds- en functieaanduidingen voor: Dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie bomen’; Dubbelbestemming ‘Leiding’; Gebiedsaanduiding ‘ecologische verbindingszone’; Gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’; Gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – leiding brandstof’ Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bestaande bebouwing’. Binnen het plangebied is het oprichten van woningen volgens het vigerende bestemmingsplan niet toegestaan. Naast het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ geldt nog een paraplubestemmingsplan. Een paraplubestemmingsplan is een partiële herziening van meerdere bestemmingsplannen. Het paraplubestemmingsplan is specifiek opgesteld met betrekking tot het regelen van het aspect parkeren. Voorliggend bestemmingsplan stelt het nieuwe planologisch-juridische kader voor het plangebied.
Figuur 2 Uitsnede vigerend bestemmingsplan
1.4 Leeswijzer Voorliggend plan is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk dient als introductie voor het plan en bijbehorend plangebied. In het tweede hoofdstuk wordt ingegaan op de beoogde ontwikkelingen. Het derde en vierde hoofdstuk gaan respectievelijk in op de verhouding van het plan tot vigerend beleid en de invloed van en op verschillende milieuaspecten. De laatste twee hoofdstukken gaan in op
Hoofdstuk 1
6
de juridische opzet inzake de bijbehorende regels en de maatschappelijke en economische haalbaarheid van het plan.
Hoofdstuk 1
7
2.
HUIDIGE SITUATIE PLANGEBIED Het plangebied is gelegen in het oosten van de kern Aarle-Rixtel en ten noorden van Helmond. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Laarbeek en betreft momenteel voornamelijk agrarische gronden. De percelen zijn gelegen tussen de Zuid-Willemsvaart in het oosten, een tuincentrum ten zuiden en agrarische gronden ten westen en noorden van het plangebied. Achter de noordelijk gelegen agrarische gronden is eveneens de Zuid-Willemsvaart gelegen. Ten oosten, aan de overzijde van het ZuidWillemskanaal is de provinciale weg N279 gelegen. Door het gebied heen stroomt de Aa welke genormaliseerd is door de jaren heen. In het gebied ligt, langs de Aa, een onverhard pad dat voor onderhoud gebruikt wordt en tevens een agrarische bestemming heeft. Langs de Aa bevinden zich houtwallen die de beek begeleiden.
Figuur 3 Huidige situatie (plangebied rood omlijnd)
2.1 Water De Aa is een beek en stroomafwaarts een kleinere rivier in het oosten van de Nederlandse provincie Noord-Brabant. De gekanaliseerde beek ontspringt bij Nederweert in Limburg en komt bij de Citadel in het centrum van 's-Hertogenbosch samen met de Zuid-Willemsvaart en de Dommel. Sinds 1993 vormt
Hoofdstuk 2
8
de Aa geen hydrologisch geheel meer. Binnen het plangebied kent de Aa een lengte van circa 1.200 meter. De afvoer van de Aa is zeer onregelmatig en is afhankelijk van de hoeveelheid regen die is gevallen in het bekken van de Aa. Op het moment dat de Aa samenvloeit met de Dommel is de gemiddelde afvoer 11 m³/s. In droge tijden kan dit slechts 6 m³/s bedragen, terwijl in natte tijden een afvoer van 55 m³/s niet ongehoord is. De Aa stroomt binnen het plangebied vanuit het zuiden in noordelijke richting. Uiteindelijk loopt de Aa via zinkers onder de Zuid-Willemsvaart door waar deze verder stroomt richting het noorden.
Figuur 4 Loop van de beek de Aa
2.2 Landschap Van oudsher zijn de gronden van ’t Gulden Land in gebruik voor agrarische doeleinden en natuurgebruik. Tussen de agrarische gronden lopen enkele kleinere watergangen/sloten. In het verleden liep de oude Zuid-Willemsvaart door het plangebied. Echter, sinds aanpassingen en een omlegging van de Zuid-Willemsvaart in 1993 kent het plangebied de uitstraling zoals deze in de huidige situatie aanwezig is. Binnen de grenzen van het plangebied is één landschapstype te onderscheiden. Het gaat om het beekdallandschap, dat omstreeks 1832 (uitgangspunt voor de cultuurhistorische inventarisatie) nog bestond uit beemden (onverdeelde natte hooi/graslanden) langs de Aa en een kleinschalige verkaveling met houtsingels aan de randen van het beekdal (coulisselandschap). Van de oorspronkelijke land-
Hoofdstuk 2
9
schapselementen uit deze periode resteren er slechts weinig. De Zuid-Willemsvaart met de naastgelegen weg en de Bakelseweg zijn nog relatief intacte oude structuren. De huidige loop van de Aa is ook, zoals hierboven beschreven, grotendeels recent. Vrijwel alle andere landschapselementen zijn jong tot zeer jong.
Figuur 5 Sfeerimpressie huidige situatie plangebied
Hoofdstuk 2
10
3.
VOORGESTANE ONTWIKKELING Waterschap Aa en Maas is voornemens om op de locatie van de Bakelseweg de huidige agrarische gronden te herontwikkelen ten behoeve van de realisatie van natuur en het meanderen van de waterloop de Aa en het systeem van de huidige waterloop te optimaliseren, zodat dit bij kan dragen aan het behalen van de doelen gesteld in de Kaderrichtlijn Water. De Aa heeft als KRW-watertype de classificatie R5 ‘langzaam stromende midden- en benedenloop’. Daarnaast is het doel om invulling te geven aan doelen van het Natuurnetwerk Brabant, waaronder de realisatie van circa 15 hectare hoogwaardige natuur en een ecologische verbindingszone. Op onderstaande afbeelding is een schetsontwerp van de toekomstige indeling van het plangebied weergegeven. Voor een uitgebreide beschrijving van de voorgenomen ontwikkelingen wordt verwezen naar hoofdstuk 4 van het Ontwerp Projectplan Waterwet Ecologische verbindingszone en beekherstel Kop Gulden Land, zie bijlagen van voorliggend bestemmingsplan. Navolgend worden de belangrijkste ontwikkelingen beschreven.
Figuur 6 Schetsontwerp toekomstige situatie
Hoofdstuk 3
11
Om de beoogde doelstellingen te behalen worden er binnen het plangebied een 6-tal projecten opgestart. Het gaat hierbij om beekontwikkeling, ontwikkeling van droge en natte ecologische verbindingszones, realiseren van poelen, het versterken van de cultuurhistorische elementen, invulling geven aan doelen vanuit Natuurnetwerk Brabant en recreatie en toerisme. Beekherstel Algemene doelstellingen vanuit beekontwikkeling zijn het realiseren van een natuurlijker inrichting en afvoerregime, betere waterkwaliteit en vismigratie. Bij beekontwikkeling wordt daarom gestreefd naar variatie in het profiel waardoor er diversiteit in biotopen ontstaat en de oever en vegetatie gevarieerder is. Voor het behalen van de beekdoelen in de Aa wordt ingezet op het realiseren van verschillende maatregelen, zoals: het inbrengen van dood hout en beschaduwen. Ook wordt het profiel zodanig aangepast dat de Aa weer meandert. De oevers worden verflauwd en natuurlijk ingericht. Ontwikkeling droge en natte ecologische verbindingszones De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling beoogd voornamelijk om een ecologische verbindingszone te creëren die verschillende natte gebieden in Brabant met elkaar verbindt. De ecologische verbindingszone zal vooral bestaan uit (vochtige) bloemrijke graslanden, struweel, ruigtekruiden, kleine landschapselementen en poelen.
Door de aanleg van de ecologische verbindingszone worden zowel de ecologische als landschappelijke waarden vergroot. De ontwikkeling van een meer natuurlijke vegetatie en beschaduwde oever van de Aa maakt het gebied beter geschikt als leefgebied voor amfibieën, libellen en struweelvogels. Poelen Om de ecologische kwaliteit van het gebied te vergroten worden poelen met struweel naast de waterloop aangebracht. De poelen worden voorzien van flauwe taluds. Deze flauwe oevers zijn van belang voor opwarming van het water en de ontwikkeling van oevervegetatie, wat bescherming biedt aan amfibieën. De poelen hebben een minimaal oppervlak van 500 m². Cultuurhistorische elementen De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot het plangebied wordt gecombineerd met maatregelen die betrekking hebben op het herstel en de versterking van landschap, natuur en cultuurhistorie. Zo voorziet het planvoornemen in het aanbrengen, herstellen of versterken van kleinschalige landschapselementen in de vorm van (broek)bos, struwelen, houtwallen en poelen. Hierdoor wordt het cultuurhistorisch landschap versterkt met verschillende landschapskamers en doorkijken. Daarnaast zullen de huidige zichtlijnen worden behouden. Natuurnetwerk Brabant Het Natuurnetwerk Brabant is een netwerk van bestaande en beoogde natuur welke met elkaar in verbinding staan.
Het Natuurnetwerk Brabant maakt deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Door het verbinden van natuurkernen is het voor flora en faunamakkelijker om te migreren tussen verschillende leefgebieden. Dit draagt bij aan de robuustheid van het natuursysteem in Nederland. Met de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wordt invulling gegeven aan het Natuurnetwerk Brabant door enkele delen van het plangebied in te richten als: EVZ nat kralensnoer; N14.01 beekbegeleidend bos; N12.02 kruiden- en faunarijk grasland; N10.02 vochtige hooilanden; N14.03 haagbeuken- en essenbos; N10.01 nat schraalland.
Hoofdstuk 3
12
Recreatie en toerisme In de toekomstige situatie zal recreëren binnen het Gulden Land mogelijk zijn. Echter zal er rekening gehouden dienen te worden met kwetsbare plekken. Dit wordt gedaan door recreatie te sturen (door middel van (struin)paden of routes. Door (klap)poorten te plaatsen bij de entrees van het gebied kan groter verkeer tegengehouden worden. Ten zuiden van het gebied wordt een kleine parkeerplaats aangelegd welke het mogelijk maakt om enkele motorvoertuigen te parkeren en wandelend het gebied te betreden. Bij de parkeerplaats zal ook een informatiebord worden geplaatst. Daarnaast wordt er een natuurlijke speelplek ingericht. Gevolgen maatregelen In het projectplan zijn de gevolgen van de maatregelen beschreven: De permanente gevolgen van de inrichting van het waterbergingsgebied en natuurverbetering. De gevolgen van het inzetten van het waterbergingsgebied en natuurverbetering. De gevolgen van de overige maatregelen. De gevolgen zijn beschreven voor de aspecten: Hydrologie; Ecologie/KRW (Kaderrichtlijn Water); Beheer en onderhoud; Recreatie. Voor de uitwerking van bovengenoemde maatregelen wordt verwezen naar het projectplan (zie bijlage bij de regels van voorliggend bestemmingsplan).
Hoofdstuk 3
13
4.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader, dat relevant is voor het plan, toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is de opvolger van het Nationaal Waterplan uit 2015. Het NWP plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode tot en met 2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het NWP richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen, waaronder het overstromingsrisicobeheerplan en stroomgebiedbeheerplannen voor de rijkswateren. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het NWP, tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Doorwerking plangebied De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling voorziet in het realiseren van natuurontwikkeling door onder andere het meanderen van de waterloop de Aa, het realiseren van enkele poelen en het realiseren van droge en natte ecologische verbindingszones. Hiermee draagt voorliggend planvoornemen bij aan de doelstellingen van het Nationaal Waterplan, door afdoende bescherming tegen wateroverlast te combineren met verbetering van de kwaliteit van de ecologische waarden, de leefomgeving en het recreatief medegebruik van het plangebied. 4.1.2 Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft betrekking op de kwaliteit van het oppervlaktewater.
De ecologische doelen en de normen zijn afhankelijk van het type water en de functie ervan. Daarbij is van belang of sprake is van een waterlichaam en of ze een provinciale functie hebben. KRW-waterlichamen Waterlichamen zijn wateren die een behoorlijke omvang hebben, zoals kanalen, beken en meren. Elk waterlichaam heeft een eigen Plan van Aanpak om de gewenste kwaliteit te bereiken. De doelen van de waterlichamen staan in het Provinciaal Waterplan. Voor de sterk veranderde wateren verwijst het Provinciaal Waterplan naar nationaal vastgestelde getalswaarden, die door STOWA zijn ontwikkeld. Niet-KRW-waterlichamen Niet al het oppervlaktewater wordt een waterlichaam genoemd. Voor niet-waterlichamen met en zonder provinciale natuurfuncties gelden andere doelen. Doorwerking plangebied Het plangebied ligt in het deelstroomgebied van het KRW-waterlichaam Aa bij Helmond. Vanuit de KRW zijn een aantal verplichtingen van toepassing op het stroomgebied van de Maas. Eén van deze
Hoofdstuk 4
14
verplichtingen is beekherstel. De uitwerking van deze verplichting is opgenomen in het waterbeheerplan van het waterschap. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling voorziet in zowel herprofilering (mogelijk maken van meer watergebonden flora) en het hermeanderen van een deel van de Aa. Hierdoor wordt voldaan aan de gesteld verplichtingen.
4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Provinciaal milieu- en waterplan 2016 - 2021 In het Provinciaal milieu- en waterplan wordt een slag gemaakt naar een integrale benadering van de fysieke leefomgeving. In dit plan wordt de focus gelegd op de volgende punten: balans tussen efficiënt beschermen en duurzaam benutten van de fysieke leefomgeving; uitnodigend voor partijen die verantwoordelijkheid nemen; streng voor achterblijvers; opgaven integraal en gebiedsgericht oplossen; een dynamische en uitnodigende uitvoeringsagenda, die we samen met onze partners uitvoeren. Hierbij wordt het volgende in het plan aangegeven: “De waterschappen zijn verantwoordelijk voor het voorkomen van wateroverlast vanuit het regionaal watersysteem. Zij onderhouden en beheren de regionale keringen en voeren regelmatig een veiligheidstoets uit. Daarover rapporteren zij aan ons. Om ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen te voorkomen, leggen wij in de Verordening ruimte vast welke regionale waterbergingsgebieden en reserveringsgebieden er zijn.” “Op basis van de Waterwet leggen wij in de Verordening water Noord-Brabant vast welke normen voor wateroverlast van toepassing zijn.
We geven waterbergingsgebieden en reserveringsgebieden ruimtelijk aan op de plankaart en in de Verordening ruimte.” Om ervoor te zorgen dat steden in het beheersgebied van Waterschap Aa en Maas droge voeten houden in het geval van uitzonderlijke regenval, is het inrichten van waterbergingsgebieden noodzakelijk. Voorliggend plan biedt het kader om het gestuurde waterbergingsgebied en het beekherstel te realiseren en is daarmee in overeenstemming met het Provinciaal milieu- en waterplan 2016-2021. Doorwerking plangebied De beoogde natuurontwikkeling heeft geen invloed op de opgestelde ambities. Wel moet de ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 ‘Omgevingsaspecten’ is onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling aan deze aspecten voldoet. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de Provinciaal milieu- en waterplan geen belemmering vormt voor onderhavig plan. 4.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant In 2024 treedt naar verwachting de nieuwe Omgevingswet in werking. Hierin wordt het huidige stelsel van bestaandemilieu- en ruimtelijke regels herzien om het geheel overzichtelijker te maken. Om hierop in te spelen ,heeft de provincie Noord-Brabant een omgevingsvisie opgesteld, welke is vastgesteld op 14 december 2018.
Hierin zijn vier hoofdopgaven opgesteld, welke met elkaar samenhangen en op elkaar inwerken als de tandwielen in een machine. Deze hoofdopgaven zijn onderverdeeld in de Brabantse energietransitie, een klimaatproof Brabant, een slimme netwerkstad en de concurrerende,
Hoofdstuk 4
15
duurzame economie. Aan deze hoofdopgaven ligt de volgende basisopgave ten grondslag: een veilige en gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Dit betekent dat er in het bijzonder rekening gehouden dient te worden met de aspecten luchtkwaliteit en grondwater, externe veiligheid en de natuurlijke, historische en aardkundige waarden. Doorwerking plangebied Het planvoornemen dient in lijn te zijn met de doelen uit de basisopgave: een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. In hoofdstuk 4 zal door middel van verschillende omgevingsaspecten uiteengezet worden dat sprake is van een veilige en gezonde leefomgeving en dat de beoogde ontwikkeling hier geen afbreuk aan doet. 4.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is op 25 oktober 2019 vastgesteld. De geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening Noord-Brabant is in oktober 2022 vastgesteld. De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze die gevraagd wordt in de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot de Interim omgevingsverordening.
Er wordt expliciet gesproken van een interim omgevingsverordening, om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de definitieve omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving, moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen en dient ter vervanging van zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. De onderwerpen die in de Verordening ruimte stonden en nu dus in de Interim omgevingsverordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. In de verordening staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening stelt daarbij de provinciale belangen veilig. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Brabant bevorderen. Dat betekent dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage dienen te leveren aan de kernkwaliteiten van Brabant en dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik moeten toepassen. Hiermee wordt beoogd de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag op het buitengebied af te remmen. Het provinciale beleid is al jaren gericht op het bundelen van de verstedelijking.
Dit betekent dat de realisering van woningbouw, bedrijventerreinen, overige stedelijke voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in de stedelijke concentratiegebieden (bestaand stedelijk gebied van de grotere kernen). Nieuw ruimtebeslag buiten deze gebieden kan slechts als inbreiding of herstructurering in bestaand stedelijk gebied niet tot de mogelijkheden behoren. Zorgvuldig ruimtegebruik is als basisprincipe is opgenomen vanuit de zorg voor een goede omgevingskwaliteit en is uitgangspunt. Dat betekent dat een stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in beginsel plaatsvindt binnen stedelijk gebied en dat de ruimte binnen stedelijk gebied zo goed als mogelijk wordt benut. Hierbij past ook dat er wordt gekeken naar eventuele hergebruiksmogelijkheden van leegstaand of leegkomend erfgoed, zoals industriële complexen, kloosters, verzorgingshuizen et cetera.
Hoofdstuk 4
16
Doorwerking plangebied Het plangebied is in de Interim omgevingsverordening opgenomen als landelijk gebied en gedeeltelijk gelegen in de Groenblauwe mantel. Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel: a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken; b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; c. borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied Naast de ligging in landelijk gebied en de Groenblauwe mantel is het plangebied eveneens gelegen in de aanduiding ‘Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied’. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt buiten Stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van: a. 1/100 per jaar voor gebieden met de ruimtelijke bestemming hoofdinfrastructuur en spoorwegen; b. 1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw; c. 1/25 per jaar voor akkerbouw; d. 1/10 per jaar voor grasland.
Normvrij gebied Ook is, met name het huidige tracé van de Aa, gelegen vinnen de aanduiding ‘Normvrij Gebied’. Binnen deze aanduiding geldt geen verplichting voor het waterschap om een genormeerd beschermingsniveau te bieden. Natuur netwerk Brabant – ecologische verbindingszone Het Natuur Netwerk Brabant (NNB) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter-)nationaal belang, zoals de bossen, de heide en vennen, de stuifduinen, de schraalgraslanden, de rivieren en beken. Het doel van het NNB-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Deze leefgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten. Om de populaties gezond te houden en de genetische uitwisseling te bevorderen, moeten de gebieden groot genoeg zijn en de mogelijkheid bieden voor migratie tussen de gebieden. Om het NNB als zo`n netwerk te laten functioneren, werkt de provincie samen met andere partijen aan het aanleggen van ecologische verbindingszones en het oplossen van faunaknelpunten in de wegenstructuur. Als de omstandigheden in een bepaald gebied (tijdelijk) verslechteren, dan kan een soort uitwijken naar een ander geschikt gebied. In het licht van de klimaatveranderingen is dit van toenemend belang.
De ecologische verbindingszones zijn (vaak) langgerekte landschapselementen die als groene schakels de Brabantse natuurgebieden met elkaar verbinden. Het provinciale beleid is erop gericht om het netwerk in 2027 gereed te hebben. Dit wordt in het algemeen bereikt door: a. het concreet aanwijzen van de gebieden die tot het NNB behoren en het vastleggen van de natuurdoelen (bepalen);
Hoofdstuk 4
17
b. voor zover nodig functiewijziging van landbouwgrond en ander niet-natuurgebruik naar natuurgebied door aankoop of particulier natuurbeheer (deelname); c. inrichten van deze gebieden zodat de natuurkwaliteit (omschreven in natuurdoelen) ontwikkeld kan worden (inrichting); d. realiseren van de natuurkwaliteit door een duurzaam beheer en eventueel aanvullend omgevingsbeleid (uitvoering). Bij het opstellen van een bestemmingsplan zijn gemeenten verplicht aansluiting te zoeken bij de wezenlijke ecologische kenmerken en waarden die in het natuurbeheerplan zijn beschreven. Deze waarden en kenmerken zijn per gebied vastgelegd in een beheertypenkaart en in een ambitiekaart. Beide kaarten vormen de kern van het natuurbeheerplan. De beheertypenkaart brengt in beeld wat de actuele situatie is. De ambitiekaart geeft de gewenste eindsituatie (ambitie) aan. Zolang er geen sprake is van een significante aantasting, is er vanwege het NNB geen grond om de activiteit tegen te houden. Behoud en herstel watersystemen Het werkingsgebied 'Behoud en herstel watersystemen' is gebaseerd op het Provinciaal milieu- en waterplan en gebaseerd op: a. waterlopen met de functie waternatuur, b. (natte) ecologische verbindingszones en c. gebieden die in de reconstructie- en gebiedsplannen zijn aangeduid als 'ruimte voor beek- en kreekherstel'.
In deze gebieden is het beleid vanuit een regionaal belang gericht op behoud, verbetering en herstel van het natuurlijke watersysteem. Binnen de gebieden zijn of worden maatregelen uitgevoerd op het gebied van de morfologie, zoals het laten hermeanderen van beken, het aanleggen van plas-draszones en het herstel van kwel. Daarom is ook ruimte naast de waterloop nodig om de maatregelen goed uit te kunnen voeren. Veel van de maatregelen zijn ook een verplichting die voortvloeit uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Doordat het ruimtelijk initiatief voorziet in de herontwikkeling van agrarische gronden ten behoeve van natuurontwikkeling en het meanderen van de rivier de Aa, kan ervan worden uitgegaan dat de ontwikkeling voorziet in het verbeteren van het plaatselijke watersysteem en ecologische waarden. Daarnaast voorziet de ontwikkeling in het aanleggen van natuur waarbij zo veel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van de gedeeltelijke ligging in een ecologische verbindingszone. Tevens wordt er met de verdere planuitwerking rekening gehouden met het verder versterken van de omgevingskwaliteit, wat een veilige en gezonde leefomgeving zal bevorderen. Het initiatief is in overeenstemming met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
4.3 Waterschapsbeleid 4.3.1 Waterbeheerplan 2022 – 2027 In het Waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheer-plan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem.
Hoofdstuk 4
18
2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
De Aa is de belangrijkste ader in het werkgebied van het Waterschap Aa en Maas. De waterhuishouding is hier complex. Ook liggen hier kansen voor extra natuurontwikkeling boven op het natuurnetwerk Brabant. Hier is het waterschap de trekker voor verschillende integrale gebiedsontwikkelingen. Een van de kenmerkende opgaven in het gebied is o.a. het Gulden land (inclusief de rwzi te Aarle-Rixtel). De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling voorziet in het realiseren van natuur en het verleggen en meanderen van de Aa. Door de ontwikkeling zal de waterkwaliteit ter plaatse sterk toenemen en worden agrarische gronden herontwikkeld ten behoeve van de realisatie van natuur. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is in overeenstemming met het Waterbeheerplan 2022 – 2027. 4.3.2 Keur Waterschap Aa en maas De keur is een verordening met de regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen (sloten, beken en rivieren) en bijbehorende kunstwerken (gemalen, stuwen).
Voor waterstaatwerken, waarvoor het vaststellen van een legger ingevolge de Waterschapswet is voorgeschreven en die op grond van een projectplan of een vergunning zijn aangelegd of gewijzigd ten opzichte van de legger, geldt, zolang vaststelling van een legger of van een wijziging van de legger niet heeft plaatsgevonden, dat voor de onderhoudsplichten op grond van dit hoofdstuk de ligging, vorm, afmeting en constructie van het waterstaatwerk worden aangehouden, zoals aangegeven in het projectplan of de vergunning. Als geen vergunning is verleend, moet het waterstaatswerk worden onderhouden overeenkomstig de oorspronkelijke vorm en afmetingen. In de keur is onderscheid gemaakt in A-wateren en B-wateren. A-wateren zijn oppervlaktewaterlichamen die geregistreerd zijn in de legger. Het waterschap is ten aanzien van de A-wateren onderhoudsplichtig, inclusief de daarin, op of over gelegen kunstwerken. Ten aanzien van alle overige wateren (de B-wateren) zijn de aangelanden onderhoudsplichtig.
Hoofdstuk 4
19
4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1 Structuurvisie Laarbeek Op 16 september 2010 is de Structuurvisie 'Groei in Balans' vastgesteld door de gemeenteraad van Laarbeek. De Structuurvisie omvat het ruimtelijk beleid op hoofdlijnen van de gemeente Laarbeek tot 2020. In deze structuurvisie wordt, na een beleidsinventarisatie en trendbeschrijving, op basis van acht kernkwaliteiten de visie op hoofdlijnen weergegeven. Op basis van de visie worden twaalf speerpunten benoemd voor de ontwikkeling van de gemeente Laarbeek. In 2020 wil de gemeente Laarbeek een krachtige zelfbewuste gemeente zijn die haar landelijke positie op korte afstand van Helmond en Eindhoven benut door de aansluiting op snelle verbindingen met het stedelijk gebied, in combinatie met een aantrekkelijk buitengebied en woon- en leefklimaat. Aantrekkelijk voor zowel de inwoner als de (stedelijke) recreant en de in Laarbeek wonende forens en kenniswerker, die rust en ruimte ambieert. Om dit te bereiken focust Laarbeek zich op behoud en versterking van een gevarieerd, goed ontsloten en rustiek buitengebied voor de extensieve, routegebonden recreatie. Ook behoud en versterking van de cultuurhistorie en contrastrijkdom binnen de vier kernen, zijn van wezenlijk belang. De beken in Laarbeek monden in de noordoosthoek van de gemeente uit in de Aa. Ze vormen landschappelijk en hydrologisch gezien de ruggengraat van Laarbeek.
Ze zijn als zodanig echter onvoldoende herkenbaar. Bovendien zijn het met name deze natte structuren waar natuurwaarden verder ontwikkeld kunnen worden. En nog belangrijker; de diverse waterlopen vormen verbindingszones tussen verschillende gebieden. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling betreft natuurontwikkeling en het laten meanderen van de rivier de Aa. Naast deze ontwikkelingen wordt de lokale recreatie gestimuleerd door het aanleggen van enkele voet- en fietsbruggen en worden er binnen het plangebied enkele voet- en fietspaden aangelegd waardoor het gebied aantrekkelijk wordt voor kleinschalige recreatie. Daarnaast worden de ecologische waarden binnen het plangebied verbeterd en zorgt de meandering in de Aa voor een betere waterkwaliteit en waterveiligheid. Het planvoornemen is daarmee in overeenstemming met de (Ontwerp) Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek. 4.4.2 Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek De voorliggende visie omvat het ruimtelijk beleid op hoofdlijnen voor het buitengebied van de gemeente Laarbeek. De Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek vervangt daarmee voor wat betreft het buitengebied, de structuurvisie Groei in Balans die in 2010 werd vastgesteld. Aangezien de Omgevingswet een omgevingsvisie voor het gehele gemeentelijk grondgebied voorschrijft, volgt op deze notitie nadien een visie op de vier kernen van Laarbeek.
Vervolgens worden bij nota’s samengevoegd tot één omgevingsvisie. Omgevingsvisies worden niet voor een bepaalde termijn gemaakt. Ze hebben geen einddatum, maar overspannen wel de lange en de korte termijn. De planhorizon voor deze visie is 2031. De omgevingsvisie geeft de ruimtelijke en functionele ontwikkeling in Laarbeek op hoofdlijnen weer en is het uitgangspunt voor de politieke agenda. Doorwerking plangebied Het Gulden Land wordt in de Omgevingsvisie meerdere malen aangehaald. Zo wordt aangegeven dat de gemeente Laarbeek vol inzet op de ontwikkeling van ’t Gulden Land op het gebied van recreatie en
Hoofdstuk 4
20
toerisme. De gemeente Laarbeek ziet de potentie van het gebied en onderschrijft de langetermijnvisie. Daarnaast wordt er in het gebied een ecologische verbindingszone voorzien. Het ontwikkelen van het gebied ’t Gulden land is één van de doelstelling binnen de Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling voorziet specifiek in het realiseren van een natuurontwikkeling op de Kop van Aarle-Rixtel. Met deze ontwikkeling worden de ecologische waarden versterkt en wordt er geïnvesteerd in het beleefbaar maken van het gebied dat momenteel dienst doet ten behoeve van agrarische doeleinden. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling goed aansluit bij de Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek.
Hoofdstuk 4
21
5.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
5.1 Verkeer en parkeren Met de realisatie van de woningbouw neemt de verkeersintensiteit toe en dienen voldoende parkeerplaatsen te worden gerealiseerd, waarbij dient te worden voldaan aan de norm als gesteld in de gemeentelijke parkeernormen. 5.1.1 Parkeren en verkeersgeneratie Parkeren Het ruimtelijk initiatief voorziet in het realiseren van natuur en het verleggen van de waterloop de Aa. Daarnaast wordt er een fruitboomgaard voorzien in het planvoornemen en zullen er enkele parkeerplaatsen worden aangelegd ten behoeve van het stimuleren van de lokale recreatie en het beleefbaar maken van het gebied. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling voorziet in een kleinschalige natuurontwikkeling in het buitengebied van de gemeente Laarbeek. Gezien de omvang van het planvoornemen en de dermate kleinschalige vorm van extensief recreatief medegebruik van het plangebied kan worden geconcludeerd dat de in totaal 10 voorgenomen parkeerplaatsen voorziet in de toekomstige parkeerbehoefte. Verkeersgeneratie De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling voorziet in natuurontwikkeling en het meanderen van de Aa. Daarnaast voorziet het planvoornemen in het realiseren van in totaal 10 parkeerplaatsen aan de zuidzijde van het plangebied (nabij Tuincentrum D’n Heikant). Voor de berekening van de verkeersgeneratie wordt aangenomen dat alle parkeerplaatsen, worstcase, twee keer per etmaal bezet zijn.
Dit houdt in dat er per parkeerplaats 4 motorvoertuigbewegingen per etmaal optreden. In totaal zorgt dit voor een verkeersgeneratie van 40 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Gezien de ligging van het plangebied in het buitengebied van de gemeente Laarbeek wordt verwacht dat de omliggende wegenstructuur deze (worstcase) toename in het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal goed op kan vangen.
5.2 Geluid 5.2.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet inzicht worden gegeven in de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt. Het geluidsaspect is relevant in relatie tot industrielawaai, wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. Toetsingskader zijn de Wet geluidhinder en enkele uitvoeringsbesluiten. Wegverkeerslawaai Voor het oprichten van geluidsgevoelige objecten binnen de zone van een weg dient een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. In artikel 74 van de Wet geluidhinder wordt de breedte van de zone
Hoofdstuk 5
22
van een weg in stedelijk gebied, bestaande uit 1 of 2 rijstroken bepaald op 200 meter. Conform artikel 82, lid 1 van de Wet geluidhinder geldt voor de geluidbelasting op de gevel van een woning binnen de zone van een weg een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt hebben geen geluidszone. Spoorverkeerslawaai In artikel 105 van de Wgh wordt het Besluit geluidhinder (Bg) van toepassing verklaard. Het besluit is alleen van toepassing binnen de wettelijke vastgestelde zone van een spoorweg. De breedte van de geluidzone langs het spoor wordt geregeld in artikel 1.4 Bg en is afhankelijk van de hoogte van de geluidproductieplafonds langs het spoor ter hoogte van het plangebied. Binnen de zone van een spoorweg dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden naar de geluidbelasting op de binnen de zone gelegen woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. Bij het berekenen van de geluidbelasting wordt de Lden -waarde in dB bepaald. De Lden-waarde is het energetisch en naar de tijdsduur van de beoordelingsperiode gemiddelde van de volgende drie waarden: het geluidniveau in de dagperiode (tussen 7.00 en 19.00 uur); het geluidniveau in de avondperiode (tussen 19.00 en 23.00 uur) + 5 dB; het geluidniveau in de nachtperiode (tussen 23.00 en 07.00 uur) + 10 dB.
De berekende geluidbelasting dient getoetst te worden aan de grenswaarden van het Besluit geluidhinder. Indien de (voorkeurs)grenswaarde wordt overschreden, dient beoordeeld te worden of maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn en/of er een hogere grenswaarde moet worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. In artikel 4.9 en volgende van het Besluit geluidhinder worden de grenswaarden vermeld met betrekking tot nieuwe situaties bij zones. 5.2.2 Onderzoek Onderhavig ruimtelijk initiatief betreft de herontwikkeling van agrarische gronden en een waterloop ten behoeve van de realisatie van natuurontwikkeling, het versterken van de ecologische verbindingszone en het hermeanderen van de waterloop de Aa. Met de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling worden geen geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Daarnaast worden er geen geluidsproducerende activiteiten gerealiseerd vinnen het plangebied. Derhalve kan worden gesteld dat er geen akoestisch onderzoek noodzakelijk wordt geacht en het aspect akoestiek geen belemmering vormt voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. 5.2.3 Conclusie Het aspect akoestiek vormt geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
Hoofdstuk 5
23
5.3 Luchtkwaliteit 5.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.
Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 5.3.2 Doorwerking plangebied Het planvoornemen kent slechts een zeer geringe wijziging ten opzichte van de huidige situatie. Effecten ten aanzien van luchtkwaliteit zijn in de aanlegfase tijdelijk beperkt aanwezig als gevolg van de inzet van machines. Tijdens de gebruiksfase bestaan de effecten voornamelijk uit verkeersbewegingen van de lokale recreatie van en naar het gebied. Echter, zoals reeds in paragraaf 4.1 is aangegeven zal deze verkeersgeneratie slechts zeer minimaal zijn waardoor er van uit kan worden gegaan dat het planvoornemen geen negatieve invloed heeft op de luchtkwaliteit ter plaatse van het planvoornemen. Er worden geen overschrijdingen van de wettelijke normen verwacht. Onderzoek NSL-Monitoringstool 2019 Om te beschouwen of de gecumuleerde concentraties voldoen aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit wordt het planeffect opgeteld bij de heersende concentraties. Dit is inzichtelijk gemaakt door middel van de NSL-Monitoringstool 2019.
De beschouwde rekenpunten zijn weergegeven in onderstaande tabel en geven de totale concentratie in de nabije omgeving van het plangebied. Voor het jaartal 2020 bedraagt de hoogste totale concentratie NO2 18.4 µg/m3 en voor PM10 18.1 µg/m3. Voor PM2,5 geldt een hoogste totale concentratie van 9.6 µg/m3.
Hoofdstuk 5
24
Tabel 3 NSL Monitoringstool: rekenpunten met bijbehorende concentraties Id Rekenpunt Rekenpunt Rekenpunt Rekenpunt Rekenpunt Rekenpunt Norm
16022180 16026180 16019253 43701 43709 43713
NO2 μg/m3 17.6 18.4 18.3 16.5 15.8 15.8 40
PM10 μg/m3 16.6 16.7 18.1 16.6 18.0 18.0 40
PM10 overschrijdingsdagen 6.0 6.0 6.3 6.0 6.3 6.3 35
PM2.5 μg/m3
Jaar
9.3 9.3 9.6 9.3 9.6 9.6 25
2020 2020 2020 2020 2020 2020
Deze concentraties blijven ruim beneden de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Op grond van de gebleken samenhang tussen de concentraties voor PM10 (fijnstof) en PM2,5 (fijnstof) kan het volgende worden gesteld: vanwege het feit dat de concentratie voor PM10 voldoet aan de grenswaarde kan in voldoende mate aannemelijk gemaakt worden dat ook voor PM2,5 de ontwikkeling niet in betekenende mate zal bijdragen en dat de geldende grenswaarde niet zal worden overschreden. 5.3.3 Conclusie De bijdrage van de verkeersbewegingen ten gevolge van de beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd met gebruikmaking van de Monitoringstool. Hieruit blijkt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het plan. In de huidige situatie wordt de grond gebruikt ten behoeve van agrarische doeleinden. Hierdoor kan worden verondersteld dat de luchtkwaliteit ter plaatse alleen maar zal verbeteren en dat het aspect luchtkwaliteit derhalve geen belemmering vormt voor onderhavig ruimtelijk initiatief.
5.4 Bedrijven en milieuzonering 5.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 1. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
1
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 5
25
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied, zoals het onderhavige plangebied. 5.4.2 Doorwerking plangebied De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling betreft het herontwikkelen van agrarische gronden en een waterloop ten behoeve van natuurontwikkeling, het versterken van de ecologische verbindingszone en het hermeanderen van de waterloop de Aa. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Laarbeek. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling betreft geen inrichting op basis van de Wet Milieubeheer en er worden vanwege het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen verwacht voor de beoogde ontwikkeling. Tevens betreft de beoogde ontwikkeling geen gevoelig object en er worden vanwege het aspect spuitzone geen belemmeringen verwacht voor de beoogde ontwikkeling 5.4.3 Conclusie Er wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Omgekeerd wordt er geen milieubelastende inrichting in het plangebied mogelijk gemaakt.
Vanuit bedrijven en milieuzonering gelden geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
5.5 Geur 5.5.1 Toetsingskader Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde ‘omgekeerde werking’ in het kader van de ruimtelijke ordening. 5.5.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling betreft geen geurgevoelig object. Derhalve hoeft niet gekeken te worden naar de geurhinder veroorzaakt door omliggende veehouderijen. Anderzijds worden er ook geen veehouderijen belemmerd door de voorgenomen natuurontwikkeling en meandering van de waterloop de Aa. Er worden vanwege het aspect geur geen belemmeringen verwacht voor de beoogde ontwikkeling. 5.5.3 Conclusie Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.
Hoofdstuk 5
26
5.6 Kabels en leidingen In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is de dubbelbestemming ‘Leiding’ opgenomen. Zoals uit hoofdstuk 4.7 Externe veiligheid blijkt ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de buisleiding. Binnen deze contour mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht, behoudens de reeds bestaande kwetsbare objecten. De watergang en de beoogde natuurontwikkeling betreft geen kwetsbaar object. De aanduiding ‘Leiding’ met bijbehorende regeling is in voorliggend bestemmingsplan opgenomen. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een KLIC-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat er geen kabels en leidingen worden beschadigd.
5.7 Externe veiligheid 5.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.
Hoofdstuk 5
27
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
5.7.2 Onderzoek De externe veiligheidsrisico's voor het plangebied zijn met behulp van de risicokaart geïnventariseerd.
Figuur 7 Uitsnede risicokaart (plangebied blauw omlijnd)
Risicovolle inrichtingen In en nabij het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. De meest nabijgelegen risicovolle inrichting betreft een gasdrukregel- en meetstation. Dit is geen Bevi-inrichting maar heeft wel een plaatsgebonden risicoafstand (PR 10-6) van 15 meter. Deze afstand moet gemeten worden vanaf het gebouw. De afstand van het gebouw tot de bestemmingsplangrens bedraagt circa 1.000 meter. Zodoende vormt het gasdrukregelstation geen belemmering. Buisleidingen Binnen het plangebied is een buisleidingen gelegen, te weten Defensie Pijpleiding Organisatie. Buisleiding
Diameter
Werkdruk (bar)
(inch)
Defensie Pijpleiding Organisatie
Hoofdstuk 5
6
80
100% - letaliteitsaf-
1% - letaliteitsaf-
stand (in m.)
stand (in m.)
50
100
28
Bovenstaande tabel geeft de letaliteitsafstanden van de buisleidingen weer. Gezien het feit dat de buisleiding door het plangebied heen ligt, valt de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling binnen het invloedsgebied van de buisleiding. Transportroutes gevaarlijke stoffen Volgens de risicokaart zoals is afgebeeld op figuur 7 is het plangebied niet gelegen binnen het invloedsgebied van transportroutes van gevaarlijke stoffen. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling maakt geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk. Daarom zijn er vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen, ondanks de ligging van de buisleiding binnen het plangebied. Voorafgaand aan de werkzaamheden zal er een KLIC-melding uitgevoerd moeten worden om de locatie van de buisleiding vast te stellen. Tijdens de werkzaamheden voor de natuurontwikkeling dient rekening gehouden te worden met de buisleiding. 5.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
5.8 Ecologie 5.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staat. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Bij ruimtelijke ingrepen, waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.
Hoofdstuk 5
29
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.