CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

5 20210922 Toelichting vgbp Duin 10 Lieshout bijlage 3 Nader onderzoek huismussen.pdf

Commissie Ruimtelijke Zaken 22 september 2021, gemeente LaarbeekBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Duin 10 Lieshout17.147 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

WET NATUURBESCHERMING Nader onderzoek Huismussen Duin 10 Lieshout

RAPPORTNUMMER: 2021-BE-0817 In opdracht van: van Dun advies Dorpsstraat 54 5113 TE Ulicoten Brabant Eco Ecologische dienstverlening

Nader onderzoek huismussen Duin 10 Lieshout

Colofon Rapportage Brabant Eco Rapportnummer 2021-BE-0817 Opdrachtgever van Dun advies Contactpersoon Mevrouw M. Raymakers

Locatie Duin 10 Lieshout

Opleverdatum 14 april 2021

Uitvoerder

Brabant Eco Ecologische dienstverlening De Lange Kant 27 5061PX Oisterwijk 06-24218274

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van dit rapport is niet toegestaan zonder vermelding van bron.

Dit rapport is met de grootste zorg samengesteld. Desondanks aanvaardt Brabant Eco geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek door toepassing van adviezen.

P a g i n a |1

Nader onderzoek huismussen Duin 10 Lieshout

Inhoudsopgave 1.

2. 3. 4.

5. 6.

Inleiding …. …………….……………………………………………...……....3 1.1 Aanleiding 1.2 Doelstelling 1.3 Criteria Planlocatie……………..……………………………………………….…….4 Beschrijving planlocatie Passer domesticus……………………………………………………………5 De Huismus Onderzoek en resultaten ………………………………………………….6 4.1 Onderzoek 4.2 Resultaten GUNSTIGE STAAT VAN INSTANDHOUDING…………………………….…….9 Conclusie en aanbevelingen….……………………………………………….11 6.1 conclusie 6.2 aanbevelingen LIJST VAN BRONNEN…………………….……..………………………..….….12 BIJLAGE…..……………………………...……………………………… ..…….13

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

P a g i n a |2

Nader onderzoek huismussen Duin 10 Lieshout

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer heeft het voornemen om de locatie Duin 10 te her ontwikkelen. Het bedrijf is daarvoor aangemeld bij de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) voor de warme saneringsregeling varkenshouderij 2020. De twee bestaande varkensstallen worden gesloopt en daarmee zal de op het perceel gevestigde intensieve varkenshouderij volledig verdwijnen. Aan het plangebied waar nu een intensieve agrarische bestemming is toegekend zal een andere niet intensieve bestemming worden toegekend. Om te kunnen bepalen of er sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’ dient onder andere onderzocht te worden of de voorgenomen activiteit past binnen de regels van de Wet natuurbescherming. In dit kader is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Brabant Eco met projectnummer 2020-BE-0806 d.d. 27-10-2020. In de rapportage wordt melding gemaakt van de aanwezigheid van huismussen in het plangebied en het mogelijk voorkomen van nesten van huismussen onder het pannendak van de te behouden bedrijfswoning en dat het niet volledig uit te sluiten is dat deze rust- en verblijfplaatsen hebben in de te slopen varkensstallen.

Citaat uit rapport: “Het voorkomen van nestlocaties van huismussen kan niet worden uitgesloten waardoor de effecten met voorgenomen werkzaamheden mogelijk van negatieve invloed zijn op de gunstige staat van instandhouding van de huismussen en het functioneel leefgebied ervan. Daarom wordt er een nader onderzoek aanbevolen naar de huismussen conform Kennisdocument Huismus”. Om vast te stellen of uit te sluiten dat zich jaarrond beschermde nesten van huismussen op de locatie, met name in de te slopen varkenstallen bevinden is nader onderzoek uitgevoerd. Tevens is bepaald of de planlocatie deel uitmaakt van het leefgebied van de huismus. Deze voorliggende rapportage geeft de uitkomsten van het onderzoek weer. Het onderzoek is uitgevoerd conform het Kennisdocument Huismus, Passer domesticus Versie 1.0 .

1.2 doelstelling Het doel van het nader onderzoek is tweeledig: o Er wordt vastgesteld of en hoe de gebouwen in het plangebied worden gebruikt door huismussen. Daarnaast wordt vastgesteld of er essentiële foerageergebieden aanwezig zijn. o Er wordt bepaald of er sprake is van een overtreding van de Wet natuurbescherming als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden.

1.3 Criteria Op dit onderzoek zijn de volgende criteria van toepassing: o Het onderzoek is uitgevoerd door deskundige ecologen volgens de definitie van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (ecologisch deskundige/RVO.nl) o Het onderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk bureau. Brabant Eco en Frenk van de Wal verklaren hierbij geen enkel belang te hebben in de uitkomst van dit onderzoek. o De resultaten zijn zo objectief en betrouwbaar mogelijk verkregen. o Het onderzoek voldoet aan de interne proces- en kwaliteitseisen van Brabant Eco.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

P a g i n a |3

Nader onderzoek huismussen Duin 10 Lieshout

2. PLANLOCATIE Beschrijving planlocatie De planlocatie aan de Duin 10 te Lieshout in de gemeente Laarbeek is gelegen in de Meijerij van ’s-Hertogenbosch. De directe omgeving van het plangebied bestaat uit agrarische percelen, intensieve veehouderijen met bouw- en weilanden en burgerwoningen Op de planlocatie zijn twee varkensstallen en een veldschuur aanwezig. Het voorste gedeelte van de zuidelijkste stal betreft een opslagruimte en zal worden gehandhaafd, evenals de opslag en paardenstallen in stal 2. Ook de bestaande veldschuur aan de achterzijde van het perceel zal blijven staan. Aan de voorzijde van het perceel is een bedrijfswoning welke behouden zal blijven.

2 1

Beoogde situatie met te slopen varkensstallen genummerd in rood. Bron: Verschel en van Dun.

Het erf naar, rond en tussen de gebouwen is verhard met betonklinkers. Het bedrijf is in de huidige situatie landschappelijk ingepast met erfbeplanting in de vorm van struiken en bomen met vooral esdoorn en eiken. Deze bevindt zich voornamelijk aan de zuidkant van het bedrijf. De gecultiveerde tuin bestaat vooral uit beplanting in de vorm van struiken en taxus-, liguster- en beukenhagen rondom het gazon wat zich zowel voor- als achter het huis bevindt. Ten noorden van de woning, naast de bedrijfsinrit staat een rij esdoornbomen. Voor stal 2 bevinden zich esdoorn- eik-, appel- en kersenboom. Voor stal 1 achter het woonhuis is een notenboom. In en rond de tuin en ook verder in het plangebied zijn veel vogelhuisjes bevestigd aan bomen met diameters variërend van 28-40 millimeter als invlieg gat.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

P a g i n a |4

Nader onderzoek huismussen Duin 10 Lieshout

3. PASSER DOMESTICUS De Huismus; Passer domesticus De huismus, met als Latijnse naam Passer domesticus, is een zogenaamde half-holenbroeder (vogels die wel beschut willen zitten, maar daarnaast ook uitzicht willen hebben). De nesten komen voor in holtes onder dakpannen of gaten en nissen in gebouwen, bomen en aardwallen. Als dergelijke holtes niet aanwezig zijn nestelt de huismus op beschutte plekjes onder afdakjes, in dichte gevelbegroeiing, heggen en struiken. Dergelijke ‘natuurlijke’ nesten zijn nog altijd tamelijk voldoende aanwezig, echter door het sterk verminderde gebruik van dakpannen en het ontbreken van gaten en nissen in gebouwen is het aantal broedterritoria in steden en dorpen de laatste jaren sterk achteruitgegaan. Om deze reden wordt steeds meer gebruik gemaakt van vogelvides, speciale dakpannen, houten nestkasten of mussenpotten die worden bevestigd aan woningen, gebouwen, stallen of schuren. Volgens de Natuurkalender Broedvogels van het Ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie bevindt de broedperiode (van nestbouw tot en met verzorging vlieg vlugge jongen) van de huismus zich tussen begin maart tot en met begin september. De huismus broedt in losse kolonies van enkele paren tot soms wel 40 exemplaren. Het grootste gedeelte van het jaar verspreidt de huismus zich echter niet verder dan 600 meter van de broedplaats.

Van augustus tot oktober kunnen jonge huismussen en een deel van de volwassen vogels zich verspreiden over een groter gebied. Na deze periode keren volwassen mussen terug naar hun eigen broedgebied, terwijl de jonge mussen zich elders vestigen. De huismus komt het liefst voor in een rommelige agrarische omgeving met struikgewas, schuren, weilanden met vee en gemorst graan. Maar ook tuinen en parken zijn favoriete foerageerplekken. Het voedsel van de huismus bestaat uit zaden (met name granen zoals haver, gerst en tarwe), bloemknoppen, brood, fruit, bessen. Tijdens het broedseizoen vormen insecten (onder meer vliegen en muggen) een cruciale voedselbron. Naast broedplaatsen en voldoende voedselaanbod is in het kleine leefgebied van de huismus ook beschutting een belangrijk onderdeel van het leefgebied. Roofvogels zoals de sperwer, ransuil en kerkuil, kraaiachtigen zoals de ekster, kauw en gaai, spechten en zoogdieren zoals de kat zijn (min of meer) natuurlijke vijanden van de huismus. Beschutting waar de huismus kan schuilen voor zijn predatoren bestaat onder andere uit hagen (liguster, meidoorn, sleedoorn) en een dichte begroeiing van klimplanten tegen muren.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

P a g i n a |5

Nader onderzoek huismussen Duin 10 Lieshout

4. ONDERZOEK EN RESULTATEN 4.1 Onderzoek Het onderzoek naar huismussen is uitgevoerd conform het Kennisdocument Huismus-1.0 (bijlage 1). Onderzoeken die volgens het kennisdocument uitgevoerd worden, kunnen in principe volstaan bij ontheffingsaanvragen en juridische procedures. Het kennisdocument schrijft voor dat er om de aan- of afwezigheid van broedende huismussen aan te tonen twee veldbezoeken moeten plaatsvinden in de periode van 1 april tot 15 mei, of vier veldbezoeken tussen 10 maart en 20 juni. De inventarisatie moet bij voorkeur onder de volgende omstandigheden plaatsvinden: • Goede omstandigheden (geen regen, harde wind of kou). • Op geluidsluwe momenten. • Op geschikte momenten op de dag (tussen 1 a 2 uur na zonsopkomst en 1 a 2 uur voor zonsondergang is de meeste activiteit waar te nemen, met een piek in de ochtend). • Met een tussenperiode van minimaal 10 dagen.

geschikte periode van inventariseren huismussen; Bron Kennisdocument huismus

Aangenomen mag worden dat er geen broedende huismussen aanwezig zijn als er tijdens twee of vier gerichte veldbezoeken in genoemde periodes geen aanwezigheid kan worden aangetoond. Het plangebied is twee maal bezocht door ecoloog Frenk van de Wal van Brabant Eco. Deze veldbezoeken zijn uitgevoerd op 1 april en 13 april 2021. Tijdens deze bezoeken is de planlocatie onderzocht op de aanwezigheid van huismussen. Tevens is de omgeving geïnspecteerd om te zien of er in de omgeving huismussen aanwezig waren. Tijdens de onderzoeken is met name gelet op mogelijk nest indicerend gedrag van huismussen, zoals zingende mannetjes, bezoeken aan potentiële nestplaatsen, transport van nestmateriaal en transport van voedsel voor jongen. Verder is gekeken naar de aanwezigheid van geschikt habitat voor de huismus binnen en rond het plangebied, zoals wintergroene struiken, foerageergebied, stofbaden en water.

ronde 1

datum 01-04-2021

tijd 08h00 – 0900

ronde 2

13-04-2021

14h30 – 15h30

weersomstandigheden Onbewolkt, droog, wind 1 BF Zuid, 13 graden Celsius Half bewolkt, droog, wind 3 BF NW, 10 graden Celsius

Tabel: overzicht veldbezoeken

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

P a g i n a |6

Nader onderzoek huismussen Duin 10 Lieshout

4.2 Resultaten Huismussen (Passer domesticus) zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor voedsel zijn huismussen sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust aanbiedt. Deze voedselbron moet continue aanwezig zijn. Huismussen zijn uitgesproken standvogels, die zich meestal binnen enkele honderden meters van de broedplaats ophouden. In het broedseizoen blijven ze dichterbij de broedplaats (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Aan de straatzijde van het pannendak van de woning is nestindicatief gedrag van de huismus waargenomen binnen het plangebied. Tijdens het eerste veldbezoek zijn er drie huismusmannetjes waargenomen op de rand van de goot van voornoemde woning. Tijdens het tweede bezoek een. Het is aan te nemen dat zich onder de eerste rij pannen broedende huismussen bevinden. Ook in de hagen en struiken van de voortuin bevonden zich huismussen. Tijdens beide bezoeken zijn hier waarnemingen van gedaan.

Huismus op dakgoot

Huismus in voortuin.

Eigenaar heeft een 30-tal nestkasten hangen voor vogels waarvan er twaalf met een goede diameter van het invlieg gat voor huismussen geschikt zijn. Er zijn tijdens het eerste veldbezoek geen waarnemingen gedaan van broedende huismussen in deze nestkastjes. Wel is een actief nest bouwend koolmezen paar gezien tijdens het bezoek op 13 april. Tijdens de veldbezoeken zijn naast de mussen ook vooral veel vinken en koolmees, merel, kauw en holenduif waargenomen.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

P a g i n a |7

Nader onderzoek huismussen Duin 10 Lieshout

Nestkasten voor huismussen

Diverse nestkasten op de planlocatie

Er bevinden zich geen nesten van huismussen of andere vogels in de te slopen stallen. Er gaan geen vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen verloren en worden geen verbodsbepalingen uit de Wet Natuurbescherming overtreden.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

P a g i n a |8

Nader onderzoek huismussen Duin 10 Lieshout

5. GUNSTIGE STAAT VAN INSTANDHOUDING In de omgeving van de planlocatie, hoofdzakelijk ten zuidoosten van de planlocatie aan de overkant van Duin bevind zich een gebied met veel beschutting voor vogels. De waarnemingen geven aan dat huismussen in de omgeving van de te slopen stallen voorkomen, maar dat de stallen geen nestlocaties bieden. Eventuele mogelijkheden om te nestelen in de te slopen stallen zijn dichtgemaakt. De woning en ook de tuin met beplanting en hagen in het plangebied vervullen een essentiële rol in het functioneel leefgebied van huismussen. Deze woning en groenelementen blijven ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen behouden en daarmee zal het leefgebied voor huismussen meer dan voldoende behouden blijven. Er is derhalve dan ook geen significante afname van functioneel leefgebied van huismussen De huismus is een algemene soort in Nederland en komt ook in de regio Laarbeek algemeen voor. Ook is het heel aannemelijk dat de huismussennesten in de bedrijfswoning deel uit maken van een flinke huismussenpopulatie in de omgeving gezien de zeer geschikte groene omgeving aan de overzijde van Duin. Initiatiefnemer heeft als vogelliefhebber preventief twaalf extra nestkasten voor huismussen geplaatst.

Na de sloop blijft de planlocatie landschappelijk ingericht waarna de functionele leefomgeving met schuilmogelijkheden en foerageergebied voor huismussen sterk verbeterd wordt in vergelijking met de huidige situatie. De intensieve varkenshouderij verdwijnt volledig. Door de geplande werkzaamheden is er weliswaar sprake van een tijdelijke beperkte verstoring van foerageergebied voor de huismus en dekking ronde de huidige verblijfplaatsen tijdens de sloop, maar dit heeft geen wezenlijk effect op de functionaliteit van de leefomgeving als geheel omdat er voldoende alternatieven in de directe omgeving overblijven. Er is geen sprake van significante schade aan het functioneel leefgebied van huismussen. De afstand van de gevonden huismusnesten tot het plangebied is groot genoeg en derhalve valt het leefgebied van huismussen niet in de invloedsfeer van de werkzaamheden. Er is derhalve geen sprake van negatieve effecten op huismussen. Huismussen hebben ook verblijfplaatsen in woningen en bijgebouwen staande in de directe omgeving van het plangebied. Beschutting bevindt zich vooral aan de overzijde van de weg. De gunstige staat van instandhouding is voor de huismus binnen het project gegarandeerd. Met de sloop van de varkensstallen gaan geen jaarrond beschermde nesten van de huismus verloren. Er worden geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden.

Daardoor is geen ontheffing van het bevoegd gezag noodzakelijk. Binnen het plangebied zijn wel algemene broedvogels als merel, koolmees, kraai, kauw, vink en holenduif waargenomen. Nesten van deze soorten zijn niet jaarrond beschermd, maar wel zolang er in gebroed wordt of jongen in aanwezig zijn. Een overtreding van de Wet natuurbescherming wordt voorkomen omdat alle nestkasten en verdere broedplaatsen op voldoende afstand van de te slopen varkensstallen zijn.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

P a g i n a |9

Nader onderzoek huismussen Duin 10 Lieshout

Te behouden bomenrij aan de zuidgrens van de planlocatie met vooraan beukenhaag van tuin

Te behouden woonhuis met tuin

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

P a g i n a | 10

Nader onderzoek huismussen Duin 10 Lieshout

5. CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN 6.1 Conclusie In de periode april 2021 is er een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van nestlocaties en het functioneel leefgebied van huismussen op de planlocatie aan de Duin 10 te Lieshout. Het onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen volgens het kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017) en betrof twee veldbezoeken in de periode 1 april - 15 mei. Tijdens deze veldbezoeken is er vastgesteld dat de te slopen varkensstallen op de planlocatie geen functie bevatten voor huismussen. De beoogde sloop van de bebouwing zal derhalve niet leiden tot vernietiging of ongeschikt raken van nestlocaties van huismussen Het functioneel leefgebied wordt niet significant aangetast. De beoogde ontwikkelingen resulteren derhalve niet in een overtreding van de Wet Natuurbescherming. Er is geen ontheffingsaanvraag nodig voor het uitvoeren van de werkzaamheden.

6.2 Aanbevelingen Vanwege de beperkte actieradius (enkele honderden meters) van huismussen (Baijens et al. 2005) zijn drie essentiële onderdelen van het leefgebied van belang: • nestlocatie, • habitat met voedselaanbod • en beschutting. Alle voorzieningen dienen dichtbij elkaar te liggen. Bij voorkeur binnen een straal van enkele honderden meters van het plangebied. Geschikt leefgebied van huismussen bevat een combinatie met voldoende voedselen schuilplaatsen. Voor het voedselaanbod is het van belang dat er voldoende ruigte en overhoekjes aanwezig zijn, waar zowel zaadplanten als voldoende insectentrekkers aanwezig zijn. Beschutting is zeer belangrijk voor huismussen ter bescherming, maar ook om vanuit te foerageren. Daarom moeten er schuilplaatsen aanwezig zijn in de vorm van heggen en hagen. Bij de landschappelijke inpassing met groenstructuren worden bij voorkeur inheems (streekeigen) groen aangeplant. Groei en bloei van deze planten en de momenten waarop rupsen, bijen of vogels sterk van hun blad, nectar en struifmeel afhankelijk zijn, op elkaar afgestemd. Een belangrijk verschil met uitheemse soorten die vaak eerder en te vroeg uitlopen/bloeien. De voorkeur gaat uit naar en bes- en nootdragende struiken zoals sporkehout (vuilboom), Gelderse roos, wilde kardinaalsmuts, lijsterbes, hondsroos, sleedoorn of hazelaar.

Deze ten gunste van foerageerfuncties voor vogels, maar ook kleine knaagdieren, insecten en insecteneters zoals vleermuizen zullen hiervan profiteren. Huismussen zullen schuilgelegenheid vinden in stekelige struiken zoals bijv. (groenblijvende) hulst of meidoorn. Lindebomen trekken tijdens hun relatief lange bloeitijd grote aantallen insecten aan, en dus ook eerdergenoemde insecteneters. Vogelbescherming Nederland heeft een checklist ontwikkeld, waarmee iedere bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken. Zie www.checklistgroenbouwen.nl. De zorgplicht is altijd van toepassing, op basis waarvan door iedereen voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen) te starten met werkzaamheden en het gefaseerd werken om dieren de kans te geven om te vluchten Bij onvoorziene omstandigheden dient daarnaast direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

P a g i n a | 11

Nader onderzoek huismussen Duin 10 Lieshout

LIJST VAN BRONNEN

Quickscan Brabant Eco (2020-BE-0806 27 oktober 2020) FloraFaunaCheck.nl www.wetnatuurbescherming.nl www.wikipedia.nl www.laarbeek.nl www.rijksoverheid.nl www.checklistgroenbouwen.nl www.bouwnatuurinclusief.nl www.natuurmonumenten.nl www.vogelbescherming.nl www.stichtingwittemus.nl www.BIJ12.nl kennisdocument huismus netwerk groene bureaus

Als bijlage 1 is toegevoegd Kennisdocument Huismus

Brabant Eco; ecologische dienstverlening

P a g i n a | 12

Leidseveer 2 3511 SB Utrecht t 085 - 486 22 22 f 085 - 486 22 33 info@bij12.nl

Kennisdocument

Huismus Passer domesticus Versie 1.0, juli 2017

bij12.nl

Dit is een publicatie van BIJ12

Inhoudsopgave Leeswijzer

2

Inleiding

3

1

De huismus

6

1.1 Soortkenmerken

6

1.2 Leefwijze

6

1.3 Voedsel

6

1.4 Nesten, rustplaatsen en (functionele) leefomgeving

7

2

3

4

1.5 Verspreiding en aantalsontwikkeling

10

1.6 Populaties

13

Benodigd ecologisch onderzoek

15

2.1 Inleiding

15

2.2 Het aantonen van aanwezigheid of van afwezigheid

15

2.3 Het bepalen van de effecten van de activiteiten

21

Mogelijke maatregelen ten gunste van de huismus

26

3.1 Werken buiten kwetsbare perioden

27

3.2 Alternatieve nestplaatsen aanbieden

28

3.3 Verbeteren habitat in bestaand of nieuw leefgebied

31

3.4 Faseren activiteiten in ruimte en tijd

32

3.5 Toegankelijk houden nestplaatsen

33

3.6 Ongeschikt maken nestplaatsen

33

3.7 Inschakelen huismusdeskundige

33

3.8 Opstellen ecologisch werkprotocol

34

Activiteiten: effecten en te nemen maatregelen

35

4.1 Effecten van verschillende typen activiteiten

35

4.2 In aanmerking komende maatregelen bij verschillende typen activiteiten

36

Colofon

41

BIJLAGE 1 Wet natuurbescherming

42

BIJLAGE 2 Jaarrond beschermde nesten

45

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

Leeswijzer

Inleiding

Dit document is opgebouwd uit vier hoofdstukken die los van elkaar, maar ook in samenhang met elkaar

Waarom de soortenstandaard

te lezen zijn. Het is niet noodzakelijk om dit document van voor tot achter door te lezen. Elk hoofdstuk

De huismus is een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet

heeft zijn eigen ingang. Afhankelijk van uw primaire vraag kunt u direct door naar één van deze vier

natuurbescherming, op basis van het feit dat de soort deel uitmaakt van ‘alle natuurlijk in het wild

hoofdstukken en zo nodig kunt u teruggrijpen op één van de andere hoofdstukken.

levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is’ (artikel 1 van de Vogelrichtlijn). De huismus staat vermeld op de lijst met vogelsoorten waarvan de

Hoofdstuk 1: ecologische informatie

nesten jaarrond beschermd zijn (RVO, 2009). De nesten van huismussen vallen onder categorie 2 van

Wilt u meer weten over de huismus zelf dan kunt u inhoudelijke ecologische informatie over de huismus

vogelnesten “nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin

vinden in hoofdstuk 1. Hier vindt u bijvoorbeeld informatie over het type gebied waarin zich huismussen

zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats

kunnen bevinden en over hun verblijfplaatsen.

zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar” (zie bijlage 2 Jaarrond beschermde nesten). De huismus staat tevens als gevoelig vermeld op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels (2004).

Hoofdstuk 2: ecologisch onderzoek Bent u vooral geïnteresseerd in welke gegevens u moet hebben en welk ecologisch onderzoek u wanneer

De Wet natuurbescherming bevat een aantal verboden handelingen die van toepassing zijn op alle

moet uitvoeren om soepel aan de vereisten vanuit de soortbescherming in de natuurwetgeving tegemoet

inheemse vogels. De wet verbiedt onder andere:

te komen, dan start u met hoofdstuk 2. Hier staat bijvoorbeeld beschreven op welke wijzen u de aan- of

1.

het opzettelijk doden of vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1);

afwezigheid van huismussen kunt aantonen en hoe u kunt aantonen dat de functionaliteit van een nest of

2.

het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het

rustplaats van de huismus al dan niet behouden blijft.

wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2); 3.

het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels (artikel 3.1 lid 3);

Hoofdstuk 3: maatregelen

4.

het opzettelijk storen van vogels (artikel 3.1 lid 4);

Hoofdstuk 3 geeft voorbeelden van maatregelen ten gunste van de huismus die u bij uw activiteiten kunt

5.

het bezit, het vervoer en de handel in vogels, dood of levend, dan wel delen of producten daarvan

nemen. Het nemen van één of meer van deze maatregelen stelt u in staat om negatieve effecten van

(artikel 3.2).

uw activiteiten op de huismus geheel of zoveel mogelijk te voorkomen. Hiermee kunt u mogelijk een overtreding voorkomen. In het geval dat een overtreding niet te voorkomen valt, kunnen dit maatregelen

In geval van overtreding van deze verboden bestaat er voor het bevoegd gezag een beginselplicht

zijn die genomen moeten worden om in aanmerking te komen voor een ontheffing. De provincie waar u

tot handhaving. Dat kan leiden tot bestuursrechtelijke maatregelen in de vorm van een last onder

voornemens bent de activiteit te ontplooien, beoordeelt of deze maatregelen afdoende zijn.

bestuursdwang, een last onder dwangsom of een BSBm (Bestuurlijke strafbeschikking milieu).

C

Overtreding van deze verboden is bovendien een economisch delict en kan leiden tot strafrechtelijke Hoofdstuk 4: activiteiten en maatregelen

vervolging. De wet voorziet in een algemene bevoegdheid voor de bevoegde gezagen (de provincies en

Hoofdstuk 4 heeft als ingang een aantal veel voorkomende activiteiten met een mogelijk negatief effect

in sommige gevallen het Ministerie van Economische Zaken) om onder voorwaarden een ontheffing of

op de huismus. Daaraan is in de vorm van een matrix een aantal te nemen maatregelen ten gunste van

vrijstelling te verlenen van de verboden (artikel 3.3).

de huismus gekoppeld. Niet alle activiteiten zullen effecten hebben op huismussen. Voor de meest voorkomende activiteiten staat hier indicatief aangegeven welke maatregelen ten gunste van de huismus

Wat staat erin?

in aanmerking kunnen komen om de negatieve effecten te doen verminderen of op te heffen.

Het kennisdocument geeft voor een soort een overzicht van vaak in aanmerking komende maatregelen die genomen kunnen worden als deze beschermde soort aanwezig is in of nabij een gebied waar de

Het juridisch kader voor de bescherming van de huismus is vastgelegd in artikelen 3.1 tot en met 3.4

ruimtelijke activiteiten plaats gaan vinden. Dergelijke maatregelen voorkomen of verminderen negatieve

van de Wet natuurbescherming (zie bijlage 1). Dit kader is door de nationale wetgever uitgewerkt in

effecten op de soort als gevolg van die voorgenomen activiteiten. Verder beschrijft het document de

het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming. Dat kader staat nader beschreven

kenmerkende ecologische aspecten en de wijze waarop de aanwezigheid (of de afwezigheid) van de

in een afzonderlijk document: het Juridisch Kader horende bij de kennisdocumenten. Op provinciaal

soort kan worden aangetoond.

niveau kunnen Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten binnen dit kader beleidskeuzes maken. Deze beleidskeuzes zijn niet beschreven in het Juridisch Kader behorende bij de kennisdocumenten.

Dit kennisdocument Huismus 2017 vervangt de soortenstandaard Huismus uit 2014 die nog door de

De provinciale beleidskeuzes vormen samen met het juridisch kader en het kennisdocument het

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) in opdracht van het Ministerie van Economische

beoordelingskader voor de provincie bij een ontheffingsaanvraag.

Zaken was opgesteld. Aanpassing van de soortenstandaard was nodig vanwege de invoering van de nieuwe Wet Natuurbescherming die per 1 januari 2017 in werking is getreden. Onder deze nieuwe wet komt de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen namelijk voor het overgrote deel bij de provincies te liggen. In enkele situaties waarbij nationale belangen in het geding zijn, blijft

2

het Ministerie van Economische Zaken bevoegd gezag. Voorbeelden hiervan zijn het aanleggen of

3

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

aanpassen van de hoofdinfrastructuur zoals snelwegen hoofdspoor en waterwegen, maar ook de hoofd

dieren en planten en de beoordeling of daarmee verbodsbepalingen van de natuurwetgeving worden

infrastructuur die nodig is om gas en elektriciteit te transporteren.

overtreden. Het kennisdocument vormt een hulpmiddel en sluit andere maatregelen en methoden niet uit mits die door een deskundige op het gebied van de soort worden onderbouwd. Het kennisdocument

In het kader van de decentralisatie van het bevoegd gezag krijgen de provincies meer vrijheid voor de

kan alleen worden gebruikt in combinatie met het juridisch kader behorende bij de kennisdocumenten en

invulling van hun eigen natuurbeleid waaronder de bescherming van planten- en diersoorten. Door

het provinciespecifieke beleid ten aanzien van ontheffingen en vrijstellingen.

de decentralisatie is er dus geen sprake meer van één landelijk soortenbeleid en stopt RVO.nl met het beheren van de soortenstandaards. Omdat de soortenstandaards veel nuttige informatie bevatten en een

Samenhang met andere instrumenten

belangrijk hulpmiddel zijn bij het bepalen van de effecten van een ingreep op een soort en met welke

Het kennisdocument werkt op deze wijze nader uit wat getoond wordt in de

maatregelen deze effecten kunnen worden verminderd of voorkomen, hebben de provincies gezamenlijk

Maatregelenindicator Soorten

besloten de kennis van de soortenstandaards overeind te willen houden. Daartoe heeft BIJ12 opdracht

(http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatormaatregelen. aspx?subj=soorten). Deze

gekregen van het Interprovinciaal Overleg (IPO) het beheer van de soortenstandaards over te nemen.

indicator is een internetapplicatie die snel een eerste inzicht verstrekt in mogelijke maatregelen. De maatregelen zijn gebaseerd op de activiteiten zoals deze in de WABO (per 2019 de omgevingswet) en

In het kader van deze overname is het uiterlijk van de soortenstandaard aangepast naar een BIJ12-

waterwet worden onderscheiden.

format, de naam soortenstandaard gewijzigd in kennisdocument en zijn beleidskeuzes uit de documenten verwijderd. Dat laatste was nodig vanwege de decentralisatie van het bevoegd gezag en

Vragen of reageren

de vrijheid die iedere Provincie heeft met de invulling van haar eigen natuurbeleid. Daarmee is het

Bij het ontwikkelen en actueel houden van de kennisdocumenten, gecoördineerd vanuit BIJ12, wordt

voor u liggende document een algemeen kennisdocument geworden waarin beleidsneutrale informatie

gebruik gemaakt van de ecologische en juridische expertise van verschillende deskundigen. Ondanks

staat over de soort. Zowel de provincies als RVO.nl hebben input geleverd bij de omvorming van de

de zorgvuldige wijze waarop de voormalige soortenstandaards en huidige kennisdocumenten zijn

soortenstandaard tot kennisdocument. De opbouw van het kennisdocument is gelijk gebleven aan die

samengesteld, zullen zich in de praktijk toch nieuwe situaties voordoen, zullen andere ervaringen worden

van de soortenstandaard. Voor juridische aspecten wordt verwezen naar het juridisch kader behorende

opgedaan of worden er andere oplossingen aangereikt. Deze informatie en de ervaringen met het gebruik

bij de kennisdocumenten en naar de websites van de diverse provincies alwaar de beleidsregels en

van de kennisdocumenten nemen we graag mee voor een volgende versie van dit kennisdocument.

verordeningen zijn te vinden ten aanzien van ontheffingen en vrijstellingen.

Heeft u verbetersuggesties of aanvullende informatie? Stuur ons een e-mail naar info@bij12.nl. Heeft u specifieke inhoudelijke vragen met betrekking tot de uitvoering van de wet of beoordeling van een

Wat kunnen de twee hoofddoelgroepen ermee?

aanvraag, dan dient u contact op te nemen met de desbetreffende provincie en in enkele situaties met

Initiatiefnemers

RVO.nl.

Een initiatiefnemer, of diens ecologisch adviseur, kan deze informatie -in combinatie met andere informatie- gebruiken bij het invulling geven aan onder andere het zorgvuldig handelen, de zorgplicht, het onderbouwen van maatregelen voor een ontheffingsaanvraag, het voorkomen van een overtreding, het behoud van de functionaliteit van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen en zo bijdragen aan het behoud van een goede staat van instandhouding van de betreffende soort. Tevens kan deze informatie bijdragen aan het verkrijgen van inzicht in de benodigde onderzoeks- en uitvoeringsinspanning om aan deze doelen te kunnen voldoen. In het geval dat er maatregelen worden uitgevoerd waardoor er geen overtreding op treedt, is er geen ontheffing van het bevoegd gezag noodzakelijk. Het is de keuze en verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer zelf om deze maatregelen te formuleren en uit te voeren ter voorkoming van een overtreding. Indien er wel een verbodsbepaling wordt overtreden, dient er altijd een ontheffingsaanvraag te worden ingediend. Bevoegde gezagen Het bevoegd gezag dat moet oordelen over ontheffingsverzoeken of afgifte van een verklaring van geen bedenkingen of betrokken is bij handhaving, kan informatie uit het kennisdocument gebruiken bij haar beoordeling.

De informatie is generiek van aard en het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager hoe hij deze informatie gebruikt in een concreet geval. Vaak is immers meer informatie nodig over de betreffende activiteit en over de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied (werklocatie), om vast te kunnen stellen welke maatregelen in een concreet geval nodig zijn. Ook de aard van de activiteit, de duur van het effect en het schaalniveau waarop de activiteit wordt uitgevoerd, kunnen

4

van invloed zijn op de omvang van de schadelijke effecten die de activiteit kan hebben op beschermde

5

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

1 De huismus

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

Jongen eten in de eerste twee weken van hun leven eerst voornamelijk zacht eiwitrijk voedsel bestaande uit insecten zoals bladluizen, (dans)muggen, vliegen, vliegmieren, gaasvliegen, rupsen en zelfs spinnen. Naarmate de jongen in die

1.1 Soortkenmerken

periode groeien, wordt dit dieet geleidelijk aangevuld met plantaardig voedsel. De jongen worden

De huismus is 14 tot 16 centimeter lang en weegt maximaal circa 35 gram. Het mannetje en vrouwtje

gevoerd tot een week of twee na het uitvliegen en dan is het voedsel hetzelfde als die van een volwassen

verschillen van uiterlijk. Het mannetje heeft een grijze kruin, een zwarte oogstreep, een witte stip achter

huismus.

het oog, een zwarte bef tot op de bovenborst, roodbruine, zwartgestreepte bovendelen en vleugels en een opvallende witte vleugelstreep. Het vrouwtje heeft licht bruine bovendelen met een grijze waas en

Het voedsel wordt gezocht op plaatsen zonder of met korte vegetatie, zoals wegbermen, erven en tuinen.

donkerbruine strepen, een effen lichte borst en eenkleurig grijze onderdelen met een beige teint.

Essentieel is dat er continu betrouwbare, voedselbronnen beschikbaar zijn en dat bij die voedselbronnen voldoende dekking is. In het stedelijk gebied is dit vaak in de omgeving van kinderboerderijen, bakkers

De helft van de juveniele huismussen overleeft het eerste half jaar. Deze exemplaren worden meestal

en terrasjes; in het landelijk gebied is dit vaak bij boerderijen en graanverwerkende bedrijven. Ook in

circa 3 à 4 jaar oud, maar er zijn exemplaren bekend tot 10 jaar oud.

bomen, zoals wilg, eik en berk, kunnen huismussen insecten vinden.

1.2 Leefwijze

1.4 Nesten, rustplaatsen en (functionele) leefomgeving

Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing.

Habitat

Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze

De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen

voedselbron moet continu aanwezig zijn.

en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen

Huismussen zijn uitgesproken standvogels, die zich meestal niet meer dan enkele honderden meters

herbergen hogere dichtheden huismussen dan als er geen groen aanwezig is. Hierbij valt te denken aan

van de broedplaats verwijderen. In het broedseizoen blijven ze dichterbij de broedplaats. Huismussen

ruim opgezette wijken met parkjes en tuinen en in dorpen met veel groen en met landbouwgronden in de

zijn sociale dieren: broeden, foerageren, baltsen, stofbaden nemen, slapen en uitzwermen na de

nabijheid.

broedperiode zijn allemaal activiteiten die in groepsverband plaatsvinden. De habitat van de huismus moet voldoen aan een combinatie van een aantal elementen, die ook nog eens Huismussen zijn in tegenstelling tot veel andere vogels ’s ochtends rond zonsopkomst nog niet erg actief

binnen een straal van enkele meters (dekking bij voedselbronnen) tot enkele honderden meters (nestplek

met zingen, wel 1-2 uur na zonsopkomst; aan het eind van de morgen neemt de zangactiviteit weer af. Op

en voedselbronnen) van elkaar moeten liggen. De habitat moet bestaan uit een combinatie van plekken

de gezamenlijke slaapplaatsen en foerageerplaatsen wordt wel volop gekwetterd en getjilpt.

voor nestgelegenheid, voedsel (voor volwassen en jongen), dekking (stekelige struiken, groenblijvende struiken en klimplanten, coniferen, klimop), plekken voor stofbaden en drinkwater. Ontbreekt één van de

De broedtijd is meestal van begin april tot en met augustus, maar in maart kan er ook al gebroed

onderdelen of liggen ze te ver van elkaar verwijderd, dan is de habitat niet geschikt.

worden. Meestal worden 2 tot 3 legsels grootgebracht. De nestbouw begint al in maart. Ook buiten de broedperiode wordt aan het nest gebouwd en wordt het nest ook gebruikt als slaapplaats. Eén succesvol

Verblijfplaatsen en functionele leefomgeving

broedsel per seizoen is niet voldoende om de populatie in stand te houden, daarvoor zijn ook succesvolle

De huismus kent twee typen verblijfplaatsen: de nesten als voortplantingsplaats en altijdgroene struiken

vervolglegsels noodzakelijk. De broedduur bedraagt 12 tot 14 dagen en vervolgens vliegen de jongen na

en klimplanten als rustplaats in de winter.

14 tot 16 dagen uit en worden daarna nog 10 tot 14 dagen door hun ouders gevoed. Huismussen zijn stapelvoedsel voor bijvoorbeeld sperwers. Deze zijn tegenwoordig frequent aanwezig in stedelijke gebieden. Meerdere succesvolle broedsels per jaar zijn ook om deze reden nodig om de huismuspopulatie in stand te houden. Plekken waar voedsel gezocht worden moeten, zeker in gebieden waar predatoren aanwezig zijn, in de directe omgeving van schuil- en vluchtmogelijkheden liggen.

1.3 Voedsel Het voedsel van volwassen huismussen bestaat voornamelijk uit zaden van grassen en onkruiden en wordt aangevuld met insecten en hun larven, bessen en bloemknoppen. In stedelijke omgeving zijn naast het voedselaanbod uit voerdersilo’s broodkruimels en andere voedselresten van mensen en hun huisdieren de belangrijkste voedselbron. Ook wordt er wel grit (kalk!) en kleine hoeveelheden kleine steentjes (bevorderen vertering harde granen) gegeten. In het broedseizoen hebben vrouwtjes voldoende eiwitrijk voedsel nodig om eieren te kunnen leggen.

6

7

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

•

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

Nesten

•

Niet te veel grote bomen.

Nesten van huismussen zijn in de regel te vinden in of tegen allerlei menselijke bebouwing:

•

Droge, zandige plekken voor het nemen van een zandbad.

onder dakpannen, in neststenen en in kieren en gaten in muren. Ook zijn nesten te vinden

•

Water om te drinken en water om in te baden. Er moet binnen 1 à 2 meter dekking aanwezig zijn om

achter regenpijpen bij al dan niet met klimop begroeide muren en in nestkasten als ook in speciale mussennestkasten zoals vogelvides. Soms maakt de huismus in holten van bomen of

op te drogen. •

Plekken waar kleine steentjes of grit gevonden kan worden

in dichte struiken een nest, maar dat gebeurt alleen als er geen vijanden in de omgeving voorkomen en de hoeveelheid nestgelegenheid een beperkende factor is terwijl er

Dit alles moet bij voorkeur zo dicht mogelijk bij elkaar liggen, maar altijd binnen een straal van 100 à

wel voldoende voedsel aanwezig is. Als geschikte holtes en beschutte plaatsen schaars

200 meter rond de plek waar gebroed wordt (figuur 1). Deze elementen moeten op meerdere plekken

zijn kunnen huismussen vrij hangende, bolvormige nesten in bomen bouwen. Boomnesten

aanwezig zijn binnen die straal.

worden in Nederland echter maar zelden waargenomen. Het slordige nest bestaat uit takjes, stro, veertjes en hondenharen. Binnen enkele meters van de nestplaats moet dekking aanwezig

Figuur 1: Schematische voorstelling van het functionele leefgebied dat hoort bij de nesten (rood), en van de rustplaatsen

zijn voor de jongen als ze uitvliegen en voor de ouders voordat ze naar het nest vliegen om de

(oranje) van de huismus. In het leefgebied (groen) zijn onderdelen van het landschap niet geschikt als bijvoorbeeld

jongen te voeren.

foerageergebied of slaapplek (witte delen). Ze horen daarom niet tot het functionele leefgebied.

De huismus is zeer honkvast. Hij blijft het gehele jaar in de buurt van zijn eenmaal gekozen nest. Huismussen gebruiken het nest zelf ook het gehele jaar door. In de periode begin april tot en met augustus worden er 2 à 3 legsels per seizoen gelegd in het nest. Voorafgaand aan het broeden slapen vrouwtjes al op het nest. Tijdens strenge koude wordt het nest ook in de winter gebruikt voor overnachting. In het najaar begint de huismus al weer met het naar het nest toe slepen van nestmateriaal, waarschijnlijk ook voor bekleding van het door de jongen vervuilde nest. Huismussen zijn, als dat noodzakelijk is, in staat om nieuwe nestplekken te accepteren. Dit kunnen ze doen als ze een nieuwe partner hebben gevonden. Ook als nestgelegenheid de beperkende factor is geworden, kunnen ze nieuw aanbod (bijvoorbeeld vogelvides) gaan bewonen. •

Winterverblijfplaatsen De huismus gebruikt ’s winters vooral altijd groenblijvende struiken of gevelbegroeiing als plekken om (gezamenlijk) de nacht door te brengen, maar zijn dan ook wel onder dakpannen of in gebouwen te vinden.

Migratie Migratie is de seizoensgebonden beweging heen en terug tussen delen van het leefgebied. De huismus

De functionele leefomgeving van een nest en rustplaats is de omgeving van die plaatsen die nodig is om

volgt geen specifieke vaste migratieroutes om van bijvoorbeeld de nestplaats naar het foerageergebied

ze als zodanig te laten functioneren. Een nest kan alleen dan succesvol functioneren als zodanig, als er

te gaan.

voldoende habitat van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen voortplanten. Het hele proces van eieren leggen tot en met het opgroeien van de jongen moet er plaats kunnen vinden.

Dispersie Dispersie is de ongerichte verspreiding of het uitzwerven van een individu dat op zoek is naar een

De functionele leefomgeving van een nest en een rustplaats moet idealiter het volgende leveren:

vestigingsplaats. Vaak betreft het juvenielen of subadulten die als ze zelfstandig zijn geworden op zoek

•

Er moet continu voedsel te vinden zijn. Bij de plekken waar voedsel gezocht wordt moet in de

zijn naar een nieuw leefgebied, maar dispersie kan ook optreden bij volwassen dieren. Dispersie vindt

directe omgeving (binnen 5 à 10 meter; bij aanwezigheid van predatoren dichterbij) dekking

bij de huismus over kleine afstanden plaats: (her)kolonisatie van geschikt habitat vindt alleen plaats

aanwezig zijn. De dekking bestaat uit stekelige struiken, begroeide gevels of schuttingen,

direct aangrenzend aan gebieden waar de huismus al aanwezig is. Juvenielen vormen in de (na)zomer

groenblijvende begroeiingen zoals klimop.

grote zwermen en gaan rondzwermen. Eerst in de buurt van de kolonie, later trekken ze verder weg. In

Voldoende inheems groen en enkele grote bomen als leverancier van eiwitrijk voedsel (kleine

het stedelijk gebied blijven de meeste jonge dieren binnen 1,5 à 2 kilometer van de nestplaats waar ze

zachte insecten, larven, rupsen) voor de jongen. Deze elementen moeten binnen 50 meter van de

opgegroeid zijn. In het landelijk gebied vestigen ze zich tot 4 à 5 kilometer van de nestplaats waar ze

nestplaats te vinden zijn.

opgegroeid zijn. Als er voldoende geschikte nestplaatsen in de directe omgeving van de opgroeiplek

Altijd groenblijvende planten in hagen, gevelbegroeiing of plekken onder daken te gebruiken

beschikbaar en vrij zijn, blijven de jongen dichter bij de opgroeiplek. Adulte huismussen trekken niet

als collectieve slaapplek (en tevens voor dekking) voor mannetjes, ongepaarde vrouwtjes en

verder dan één kilometer weg als ze op zoek moeten naar een nieuwe nestplaats.

•

•

8

juvenielen.

9

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

1.5 Verspreiding en aantalsontwikkeling

Figuur 3: Twee praktijkvoorbeelden van de aanwezige dichtheidsverschillen in een gebied op basis van een

Huismussen worden nagenoeg overal in Nederland aangetroffen waar geschikt broedgebied aanwezig

gebiedsdekkende inventarisatie (Mostert & Vastenhouw, 2007).

is (figuur 2). Hij ontbreekt in gebieden met weinig bebouwing zoals grote delen van de Veluwe, het Lauwersmeergebied en grote delen van de meeste Waddeneilanden (Texel uitgezonderd). De huismus vermijdt bossen. De hoogste dichtheden komen voor in min of meer kleinschalig cultuurlandschap met verspreide bebouwing, vooral op de hoge gronden. Er is daarbij een duidelijke relatie tussen bewoning van mensen, kippen en ander vee en het voorkomen van de huismus. Figuur 2: Relatieve broedvogeldichtheid van de huismus per vierkante kilometer (bron: Atlas van de Nederlandse Broedvogels, 2002. SOVON).

Ooit was de huismus de meest algemene broedvogel van Nederland. De soort is de laatste decennia om onbekende reden in aantal vrij hard achteruitgegaan. Begin jaren tachtig van de 20e eeuw begon de afname, die in de beginjaren negentig versnelde. Dit heeft geresulteerd in een landelijke afname van meer dan 50% van het aantal broedparen. Vermoedelijk is één van de oorzaken de afname van broedgelegenheid, onder andere door renovatie en isolatie van oude woningen, en dit in combinatie met een afgenomen voedselaanbod, minder dekking en een toename aan predatie. Ondanks dat de oppervlakte stedelijk gebied en het aantal huizen groter geworden is in Nederland, is de huismus in aantal afgenomen. Het aantal geschikte nestplaatsen in nieuwbouwwijken is in vergelijking met oude bebouwingsvormen veel lager. De broedmogelijkheden in nieuwbouwwijken worden beperkt door een veranderde bouwstijl. Zo is bij de tegenwoordig gangbare daken de ruimte bij de onderste rij dakpannen ontoegankelijk gemaakt voor huismussen. De kaart uit figuur 2 geeft een indicatie van de mogelijke aanwezigheid van huismussen in een bepaald gebied. Dichtheidsnuances komen redelijk goed overeen met menselijke bewonersaantallen. Zo liggen

Niet overal neemt de huismus af (figuur 4). In het landelijk gebied van hoog Nederland zijn de aantallen

in Nederland de dichtheid in steden bijna twee keer zo hoog als op het platteland. Binnen de bebouwde

huismussen stabiel. In het stedelijk gebied neemt hij nog steeds af. Mogelijk dat binnen het landelijk

kom spelen kwantiteit en kwaliteit van het groen een rol. Hoge dichtheden worden gevonden in wijken

gebied nog onderscheid gemaakt kan worden tussen kleinstedelijke gebieden en dorpen enerzijds

waarvan 1/3 à ½ ingenomen wordt door groen, maar als er veel of alleen hoge bomen in een wijk staan

(stabiel) en het overige landelijke gebied anderzijds (na een eerdere afname tegenwoordig stabilisatie).

worden de dichtheden lager. Dichtheden van huismussen kunnen op korte afstand sterk verschillen (figuur 3). Overigens ontbreken in sommige delen van grote steden huismussen geheel.

10

11

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

Figuur 4: Trend van de huismus in BMP (Broedvogel Monitoring Project) en MUS (Meetnet Urbane Soorten). BMP stedelijk

Sinds de eeuwwisseling lijkt de broedpopulatie zich te herstellen; het is nog onduidelijk of dit een

voor 2007 minder betrouwbaar; MUS is in 2007 gestart (bron: Sovon).

structureel herstel is of dat het een tijdelijke opleving betreft. Met de start van het Meetnet Urbane Soorten (MUS-project; figuur 5) door Sovon in 2007 komt er meer informatie beschikbaar om trends met meer zekerheid te bepalen.

1.6 Populaties Huismussen zijn sociale vogels en leven in groepen. Ze broeden in losse kolonies van enkele paren tot soms wel veertig tot honderd nesten. De grotere kolonies hebben in de regel een beter broedresultaat dan de kleinere kolonies. De kolonies kunnen worden gezien als (deel)populaties. Omdat juist in het broedseizoen het sterftecijfer onder volwassen vogels hoog is, worden regelmatig nieuwe paren gevormd. Niet alle volwassen dieren broeden en vanuit het overschot aan ongepaarde dieren worden opengevallen broedplaatsen weer snel aangevuld. Kolonies mogen niet te ver uit elkaar liggen vanwege de geringe afstand die huismussen afleggen. Geïsoleerde populaties van minder dan 10 paar zullen in de regel verdwijnen (zie figuur 6). Deze kleine kolonies hebben een te gering broedsucces om te zorgen voor voldoende aanwas en sterven daardoor uit tenzij er voldoende toestroom van exemplaren kan zijn vanuit andere kolonies (die dus voldoende broedsucces moeten hebben en zich niet te veraf mogen bevinden). Kolonies met tussen de 10 en 25 paar hebben een wisselend succes van overleving. Kolonies groter dan 25 paar kunnen zichzelf in stand houden en er kan in dat geval ook dispersie naar kleinere kolonies in de omgeving plaatsvinden. Figuur 5: Gemiddeld aantal Huismus per telpunt in ’s Gravenhage en Arnhem in MUS 2007-2014. Opvallend verschil tussen

Figuur 6: Zie tekst in figuur (bron: Vogelbescherming Nederland, 2008).

twee grote steden (bron: Sovon).

12

13

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

Kolonies bij kinderboerderijen, maneges, dierentuinen, terrasjes, stations en dergelijke zijn vaak de

2 Benodigd ecologisch onderzoek

laatste bolwerken in het stedelijk gebied. Behoud van deze bolwerken is essentieel voor het behoud van de huismus. Rond deze bolwerken bevinden zich vaak andere deelkolonies.

2.1 Inleiding Om te weten of er sprake is of kan zijn van een overtreding van één of meer van de verbodsbepalingen van de soortbescherming in de natuurwetgeving is het nodig om onderzoek te doen. Hoeveel en welk onderzoek nodig is, is afhankelijk van de uit te voeren activiteiten en de effecten die gaan optreden op beschermde natuurwaarden. U kunt hierbij mede gebruik maken van de effectenindicator soorten waarbij gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna NDFF worden gebruikt (https://www. synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatorsoorten2016.aspx?subj=soorten). Er moet een goede documentatie zijn van wanneer, hoe en door wie het onderzoek uitgevoerd is, en wat de resultaten ervan zijn. Deze documentatie is altijd van belang, ongeacht of er uiteindelijk wel of niet een aanvraag voor een ontheffing of verklaring van geen bedenkingen wordt gedaan. In paragraaf 2.2 wordt beschreven op welke wijze de aan- of afwezigheid van huismussen kan worden bepaald. Ook staat hier op welke wijze bepaald kan worden welke functies het gebied voor de huismus vervult en hoe bepaald kan worden hoe groot de populatie ter plekke is. In paragraaf 2.3 staat beschreven hoe de effecten op de huismus bepaald kunnen worden.

Het bevoegd gezag beoordeelt bij een ontheffingsaanvraag of door een initiatief de gunstige staat van instandhouding van de soort in het geding komt en of de meest bevredigende oplossing is gekozen. Zie ook het juridisch kader dat bij de kennisdocumenten hoort.

2.2 Het aantonen van aanwezigheid of van afwezigheid Allereerst zal onderzocht moeten worden of in of nabij het gebied waar de activiteiten plaats gaan vinden huismussen aanwezig zijn. Als op basis van de best beschikbare verspreidingsgegevens duidelijk is dat aanwezigheid van een soort niet te verwachten valt of de ingreep is zodanig beperkt dat er geen overtreding van een verbodsbepaling is te verwachten, kan van nader onderzoek worden afgezien. Bij twijfel dient een Quick-scan plaats te vinden. Indien hieruit blijkt dat een soort redelijkerwijs aanwezig kan zijn, is een nader inventarisatieonderzoek nodig. Het inventarisatieonderzoek kan niet in alle maanden van het jaar even effectief plaatsvinden. Ook moet er rekening gehouden worden met de doorlooptijd van een aanvraag tot ontheffing en met de tijd die nodig is voor het vooraf uitvoeren van maatregelen ten gunste van de huismus. Het onderzoek moet daarom tijdig voor de aanvang van de activiteiten gestart worden. Het onderzoek moet worden uitgevoerd door een deskundige met aantoonbare ervaring in het inventariseren van huismussen. 2.2.1

Het gebruik van bestaande gegevens en uitvoeren Quick-scan

(verkennende inventarisatie) Er kan gebruik gemaakt worden van al beschikbare verspreidingsgegevens van huismussen, zoals beschikbare inventarisaties, gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en provinciale verspreidingsatlassen. De bestaande gegevens moeten van voldoende kwaliteit zijn om ze te kunnen gebruiken om de aanwezigheid of afwezigheid van exemplaren of van nesten en rustplaatsen van de huismus aan te tonen. Met de beschikbare gegevens moet het ook mogelijk zijn om een indicatie van de omvang van de aanwezige populatie van de huismus te krijgen. Met het raadplegen van alleen de NDFF en waarneming.nl kan geen afwezigheid van de huismus worden vastgesteld.

14

15

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

De gegevens moeten het gehele gebied waar de activiteiten plaats gaan vinden, samen met de relevante omgeving, dekken. De inventarisaties moeten op een goede manier zijn uitgevoerd in de juiste periode

Figuur 7: paartje huismus verzamelt nestmateriaal (bron: Stichting Witte Mus).

van het jaar. De onderzoeksgegevens moeten representatief zijn voor de periode waarin het initiatief wordt uitgevoerd. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de leeftijd van de gegevens en de benodigde onderzoeksinspanning. Daar kan het gegeven of een activiteit plaats vindt in een weinig veranderlijke of een dynamische omgeving een rol in spelen. Een quick-scan (verkennende inventarisatie) kan in beeld brengen of er in of nabij het gebied waar de activiteiten plaats gaan vinden huismussen aanwezig of mogelijk aanwezig zijn. Voor een quickscan is het veelal genoeg om gebruik te maken van bestaande gegevens in combinatie met een eerste veldbezoek waar gelet wordt op potentieel aanwezig habitat voor de huismus. Het object moet geschikt zijn als nestgelegenheid voor de huismus én de aanwezigheid van de huismus is recent aangetoond in de directe omgeving (binnen circa één kilometer) van het plangebied én het moet binnen bereikbare afstand liggen van bekende populaties huismussen. Aan de hand van dit vooronderzoek (met een checklijst) kan de potentiële aanwezigheid van de huismus en functies van het plangebied worden ingeschat. Er kan dan echter vaak geen antwoord gegeven worden op de vraag hoeveel nesten er aanwezig zijn en waar deze nesten zich bevinden in een gebouw. Ook kan er dan geen informatie worden gegeven over de gunstige staat van instandhouding van de populatie.

Ook is er meestal geen informatie verkregen over de benodigde elementen als slaapplekken en foerageerplekken in het gebied. Met dit vooronderzoek kan de onderzoeksopzet worden bepaald. Als de quick-scan tot uitkomst heeft dat er huismussen aanwezig zijn of mogelijk aanwezig zijn, moet verdiepend onderzoek aangeven waar en voor welke functies (bijvoorbeeld voortplanting) de huismus het gebied of het object gebruikt. Indien de quick-scan tot uitkomst heeft dat afwezigheid van de huismus niet met voldoende zekerheid kan worden aangetoond, dient nader onderzoek plaats te vinden.

De aanwezigheid van een nest van een huismus kan als volgt worden aangetoond: •

2.2.2

Methodes en perioden van inventarisatie van huismussen

Er moet in beeld gebracht worden waar zich de locaties van nesten, rustplaatsen en functioneel leefgebied (zoals foerageergebieden, slaapplaatsen) van de huismus bevinden.

–

een nest of nestbouw (figuur 7) of

–

bezoek van een huismus aan een waarschijnlijke nestplaats. Het nest zelf is vaak niet

De benodigde inspanning voor het aantonen van de aan- of afwezigheid van nesten, rustplaatsen en

zichtbaar, maar grassprieten of veertjes steken uit; of

–

transport van voedsel of ontlastingpakketjes of

–

bedelende jongen in een nest. Vlak voor het uitvliegen zijn de jongen goed te horen en

exemplaren van de huismus is sterk afhankelijk van het gebied, de ervaring van de waarnemer, de

gebruikte methodiek en het moment in het jaar dat de inventarisatie plaatsvindt. Bij het inventariseren

•

steken hun kopjes uit de nestopening.

een waarneming in potentieel broedbiotoop

moet gelet worden op de habitatkenmerken waarvan de huismus afhankelijk is, om zo de meest kansrijke

Minimaal één waarneming in potentieel broedbiotoop in de periode 1 april tot en met 20 juni

plekken voor aantreffen te bepalen. Afhankelijk van de situatie moet worden bekeken welke methode

van:

het meest effectief is. Aanbevolen wordt gebruik te maken van de aanwezigheidsprotocollen van het

–

een zingend mannetje (veelal vanaf een hoge plaats zoals een dakgoot) of

Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het is echter niet verplicht deze protocollen te gebruiken. Indien u als

–

een paartje bij een potentiële nestplaats of

initiatiefnemer vragen heeft over de juiste onderzoeksmethode dan kunt u hierover contact opnemen

–

balts, paring of ander gedrag (figuur 8) waar uit geconcludeerd kan worden dat er

met het bevoegd gezag. De inventarisatievoorschriften zoals die gehanteerd worden bij het Netwerk

Ecologische Monitoring (NEM) zijn niet zonder meer bruikbaar omdat ze voor andere doeleinden zijn

nesten aanwezig moeten zijn.

Hiermee kan worden aangetoond dat er een nest aanwezig is, maar vaak zal de exacte

opgesteld.

nestlocatie niet bekend zijn. •

16

een nestindicatieve waarneming:

waarneming van nesten door dakpannen te lichten: −

conform Natuurkalender Vogels; ministerie LNV.

−

toepasbaar buiten de broedperiode, dat wil zeggen van 15 september tot 1 maart

−

Let op, oude nesten worden gemakkelijk verward met recente nesten.

17

Huismus | Passer domesticus Kennisdocument | Versie 1.0 Juli 2017

Dit is een publicatie van BIJ12 I Werkt voor Provincies

Figuur 8: Ouder voert jong: indicatie dat er in de omgeving een nest is geweest (bron: Stichting witte Mus).

Aangenomen kan worden dat er geen broedende huismussen aanwezig zijn als er tijdens twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of tijdens vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni geen aanwezigheid kan worden aangetoond. De inventarisatie moet bij voorkeur onder de volgende omstandigheden plaatsvinden: •

goede omstandigheden (b.v. geen regen, harde wind en/of kou)

•

op geluidsluwe momenten (bijvoorbeeld de zondagmorgen in stedelijk gebied)

•

Op geschikte momenten op de dag (tussen 1 à 2 uur na zonsopkomst en 1 à 2 uur voor zonsondergang is de meeste activiteit waar te nemen, met een piek in de ochtend)

•

met een tussenperiode van minimaal 10 dagen.

Overigens kan het daadwerkelijke broeden van de huismus ook al in de eerste helft van maart of nog tot en met augustus plaatsvinden, maar het exacte moment is afhankelijk van onder andere de weersomstandigheden. Het is van belang dat ook in beeld wordt gebracht waar welke elementen van de functionele leefomgeving zich bevinden. Hiertoe behoren vooral de plekken waar gefoerageerd en geslapen wordt, zoals struiken, hagen, klimop en kruidenrijke vegetaties. Het slapen kan gedurende het jaar op wisselende plekken gebeuren. Ook de plekken waar gedronken of gebaad kan worden of waar een stofbad (figuur 10) genomen kan worden, behoren hiertoe. Het vaststellen van de locaties van de slaapplekken kan gedurende het gehele jaar het beste rond zonsondergang of zonsopgang plaats vinden. Vaak zal het noodzakelijk zijn om de waarnemingen zo gedetailleerd op een (veld)kaart aan te geven

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=fbf13cb2-9679-4faf-a4ef-70909a1243e4