CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

4 20220830 Evaluatie visie op grootschalige opwek van duurzame energie in Laarbeek.docx

Raadsbijeenkomst (informeren/consulterend) 7 september 2022, gemeente LaarbeekBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van de Lokale Energiestrategie Laarbeek, actualisatie beleid Grootschalige Opwek en beëindigen Voorkeursrecht Gemeenten4.196 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Evaluatie Visie op Grootschalige Opwek van Duurzame Energie in Laarbeek Inleiding Op 3 oktober 2019 stelde de gemeenteraad de ‘Visie op Grootschalige Opwek van Duurzame Energie in Laarbeek’ (de Visie) vast. In de Visie werd een pilot gestart voor het vergunnen van maximaal vijf zonneparken en maximaal één windpark. Daarnaast werd het ook mogelijk om voor andere duurzame technologieën vergunningsaanvragen in te dienen. Voor het toetsen van aanvragen werden criteria en een beoordelingsprocedure opgesteld. In de Visie werd daarnaast gesteld dat er een evaluatie zou plaatsvinden na afronding van (een groot deel van) de pilot, of na een jaar als er geen geschikte aanvragen zouden komen. Inmiddels zijn we bijna drie jaar verder en is er veel gebeurd. Er zijn vele aanvragen ingediend voor zonneparken, waar vijf kansrijke aanvragen uit zijn geselecteerd. Drie parken zijn inmiddels onherroepelijk vergund en bezig met realisatie; bij het vierde park loopt na vergunning nog een juridisch traject; en voor het vijfde park ligt de vergunning ter inzage1. Daarmee loopt de pilot voor zonne-energie ten einde. Wat betreft windenergie is er een zoekgebied

aangewezen

voorkeursrecht

is

in

gevestigd;

regionaal een

verband

waarop

omgevingsdialoog

vervolgens

gevoerd;

en

door

de

gemeente

technisch

onderzoek

beschikbaar gekomen. Voor andere (innovatieve) technologieën zijn geen concrete aanvragen binnengekomen. Ten slotte is ook in de bredere beleidscontext veel veranderd. De Regionale Energie Strategie is vastgesteld door 21 gemeenten waaronder Laarbeek, twee waterschappen, Enexis en de provincie. Dit biedt een breed kader voor lokaal energiebeleid. Ook in Laarbeek zelf is nieuw overkoepelend beleid gekomen, in de vorm van het nieuwe coalitieakkoord Samen Aan Zet! en de Omgevingsvisie Buitengebied. Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot het evalueren van de pilot en het vaststellen van nieuw lokaal energiebeleid, waarin de geleerde lessen uit de pilot en de hierboven geschetste ontwikkelingen hun plaats vinden. Deze evaluatie is tot stand gekomen in samenwerking met betrokken partijen zoals initiatiefnemers, de Omgevingsdienst Zuid-Oost Brabant en de interne en externe collega’s die aan de aanvragen en projecten hebben meegewerkt. Er is geëvalueerd op de volgende onderwerpen: 1. Verwachtingen en resultaten uit de Visie 2. Beoordelingsproces aanvragen (zon) 3. Toetsingscriteria aanvragen (zon) 4. Procesverloop zoekgebied (wind) 5. Actualiteit: passendheid in veranderende beleidscontext Elk onderwerp wordt eerst kort beschreven. Dan wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste

lessen

die

geleerd

kunnen

worden

over

dit

onderwerp,

waaruit

enkele

Deze inzagetermijn loopt van 19 juli t/m 30 augustus. Tijdens de inhoudelijke behandeling van dit stuk in de commissie en raad zal een mondelinge update worden gegeven. 1

aanbevelingen worden geformuleerd. Alle aanbevelingen staan nog eens opgesomd op pagina 89.

1. Verwachtingen en resultaten uit de Visie Dit onderdeel evalueert de effectiviteit van de Visie. Het doel van de Visie was het maken van beleid voor grootschalige opwek, waardoor de eerste projecten gerealiseerd zouden kunnen worden in Laarbeek. Daarmee draagt de gemeente bij aan de verplichte CO2 reductie van 49% in 2030. Het doel was om in kleine stappen te oefenen met grootschalige opwek, en het beleid te laten aansluiten bij beleid dat in ontwikkeling was: de Omgevingsvisie Buitengebied, de RES 1.0 en de Transitievisie Warmte. De verwachting bij het beleid was dat er vijf zonneparken gerealiseerd zouden worden, en dat het thema ‘energietransitie’ meer lokaal vorm zou krijgen. Wat betreft het bereiken van de doelen en verwachtingen merken we het volgende op: •

De Visie heeft gefunctioneerd als een zichtbaar en duidelijk kader voor grootschalige opwek en heeft als referentiepunt gediend in discussies. Dit doel is daarmee bereikt.

•

De

Visie

heeft

gediend

als

beoordelingskader

voor

de

eerste

aanvragen

voor

zonneparken. Dit heeft nog niet geleid tot projectrealisatie, omdat de doorlooptijd van een zonnepark enkele jaren in beslag neemt. Het gaat dan niet alleen om het vergunningstraject maar ook om de stappen erna zoals financial close, verkrijgen netaansluitingen en bouwmaterialen. We zien dat er vijf projecten een succesvolle aanvraag hebben gedaan en in het traject zitten van het afronden van de vergunning en de stappen erna. Ook dit doel is bereikt, al kostte dit meer tijd dan verwacht. •

De Visie heeft niet geleid tot aanvragen voor andere (innovatieve) technologieën of voor een windpark. Het doel was niet om zo’n aanvraag te ontvangen of te vergunnen, maar wel om dit mogelijk te maken. Wellicht heeft dit te maken met de omvang van een aanvraag voor wind of komt het doordat andere technologieën minder rendabel zijn. Het kan ook zijn dat het beleid hiervoor drempels opwerpt.

•

De bijdrage aan CO2 reductie en lokale duurzame opwek is gering, ook als de zonneparken gerealiseerd zijn. Er wordt dan ongeveer 163 TJ opgewekt, zo’n 5,2% van ons huidige energieverbruik. De bijdrage aan de energietransitie is dus beperkt. Dit doel is gedeeltelijk bereikt, omdat de Visie niet beoogde om zoveel mogelijk bij te dragen aan lokale duurzame opwek, maar juist om dit op een rustig tempo op te starten en daarvan te leren.

•

De uitgangspunten van de Visie, zoals de ‘stoplicht’ kaarten van de gebiedsgerichte benadering, zijn overgenomen in de Omgevingsvisie Buitengebied (p. 74-75). Ook de Transitievisie Warmte sluit aan op de Visie, al blijkt daar dat grootschalige opwek en (grootschalige) duurzame warmte weliswaar overlappen, maar ook grote verschillen kennen in aanpak. In de Transitievisie Warmte is bijvoorbeeld het onderdeel participatie veel verder uitgewerkt, middels een wijkaanpak. Ten slotte sluit ook de RES 1.0 redelijk aan op de Visie, al is de RES een stuk breder opgezet: deze bevat ook beleid voor bijvoorbeeld energiebesparing en de warmte-transitie.

2

Aanbevelingen naar aanleiding van de evaluatie van verwachtingen en resultaten 1. De aanpak om met relatief kleine stappen te verduurzamen past bij Laarbeek, maar de gemeente levert daarmee ook een bescheiden bijdrage aan de verduurzaming van de lokale energievoorziening. In toekomstig beleid zou een keuze gemaakt moeten worden tussen óf accepteren dat ambities in lijn zijn ten opzichte van een voorzichtige aanpak, óf het mogelijk maken van meer of grotere voorzieningen waardoor grotere stappen richting energieneutraliteit kunnen worden gezet. 2. Als

Laarbeek

innovatieve

technologieën

(bijvoorbeeld

in

de

warmtetransitie)

of

windenergie wil stimuleren, zou gekozen kunnen worden voor een meer pro-actieve aanpak waarbij de gemeente bijvoorbeeld projecten initieert of partijen daartoe uitnodigt. Alleen een meer passieve mogelijkheid in het beleid lijkt niet voldoende. 3. Lokaal beleid energietransitie zou breder moeten zijn dan alleen grootschalige opwek. Thema’s als besparing, gedragsverandering, particuliere opwek, verduurzaming van bedrijven, de warmtetransitie, maar ook energieopslag en -transport zouden samen een geheel moeten vormen waarvan grootschalige opwek deel uitmaakt. 4. Een beleidsactualisatie zou opnieuw moeten aansluiten bij overkoepelend beleid zoals landelijk en regionaal energiebeleid, en breder ruimtelijk beleid binnen de gemeente. Op die manier wordt duidelijkheid en consistentie gecreëerd. 2. Beoordelingsproces aanvragen (zon) Inhoudelijk zijn er alleen aanvragen behandeld voor zonneparken. Er kwamen in de afgelopen jaren zo’n dertig aanvragen, verzoeken voor vooroverleg en verzoeken om informatie binnen. Hiervan zijn er 11 inhoudelijk beoordeeld, door een commissie van interne (ambtelijke) en externe experts. De overige aanvragen waren daarvoor nog niet voldoende uitgewerkt. Alle vragen

zijn

uiteraard

beantwoord

en

er

zijn

vooroverleggen

gevoerd

met

meerdere

initiatiefnemers. De doorlooptijd van aanvragen varieerde sterk, zowel door beschikbare informatie van de initiatiefnemers als door de beschikbare capaciteit binnen de gemeente en van externe betrokken partijen (zie hieronder). Omdat de gemeente nog weinig expertise bezat op het gebied van participatie in zonneparken is voor de inhoudelijke beoordeling een expert van de provincie gevraagd om mee te denken, dhr. Van Boxtel. Hij ondersteunde ook de RES-regio op dit onderwerp. Voor expertise op het gebied van technische aspecten, participatie en juridische stukken (anterieure overeenkomst en samenwerkingsovereenkomst) is bureau Driven By Values ingeschakeld. Ten slotte heeft de Omgevingsdienst Zuid-Oost Brabant de procedure uitgebreide omgevingsvergunning begeleid en advocatenkantoor AKD geadviseerd bij zienswijze- en beroepsprocedures. Het verloop van het proces bestond uit de volgende stappen: -

Aanvraag wordt ingediend en beoordeeld, aanvrager ontvangt feedback

-

Verbeterde aanvraag wordt ingediend en beoordeeld

-

Advies wordt voorgelegd aan college en raad voor afgifte ontwerp-VVGB

-

Ontwerpvergunning wordt ter inzage gelegd

-

Anterieure overeenkomst en samenwerkingsovereenkomst worden vastgesteld door college

3

-

Zienswijzetermijn ontwerpvergunning sluit, college stelt responsnota vast

-

Definitieve VVGB wordt afgegeven door raad, definitieve vergunning ter inzage

-

Beroepstermijn sluit, evt. volgt beroepsprocedure en hoger beroep

-

Vergunning onherroepelijk, uitvoering begint

In twee gevallen is geen beroep in gesteld, in twee andere gevallen is door een omwonende beroep ingesteld. Bij een van deze zaken heeft de gemeente een herstelbesluit genomen, waarna de gemeente door de rechtbank in het gelijk is gesteld. De tweede juridische procedure loopt ten tijde van schrijven nog (juli 2022). Bij het vijfde zonnepark is de beroepstermijn nog niet gesloten. Uit de evaluatie van het beoordelingsproces komen de volgende zaken naar voren: •

Het opstellen van de anterieure overeenkomst en samenwerkingsovereenkomst moet zeer zorgvuldig gebeuren, de daarvoor gebruikte voorbeelden uit andere gemeenten lieten teveel ruimte voor interpretatie. In beide beroepszaken moesten artikelen hersteld worden die onvoldoende specifiek waren, zoals het voorkomen van hinder door schittering, en het stellen van financiële zekerheid voor ontmanteling. Inmiddels is uit de vijf zaken een sjabloon ontstaan voor deze overeenkomsten dat specifiek genoeg is.

•

Voor het beoordelen van de aanvragen is gebruik gemaakt van externe expertise, het ambtelijke team van de gemeente heeft hiervan veel geleerd. De beoordeling van eventuele toekomstige aanvragen hoeft dan ook niet meer standaard te gebeuren met externen, deze kunnen beter voor specifieke vragen (bijvoorbeeld rondom een nieuwe technologie) worden ingeschakeld.

•

Het

traject

van

uitgebreide

omgevingsvergunning

is

een

expertise

van

de

Omgevingsdienst, waarmee zeer prettig is samengewerkt en waardoor de gemeente is ontzorgd. Dit lijkt ook voor de toekomst een goede keuze. •

Bij de juridische procedures die zijn doorlopen is de kennis en ondersteuning van een advocatenkantoor dat in duurzame energie gespecialiseerd is, van grote meerwaarde gebleken. Juridische trajecten kunnen zeer complex en langdurig zijn, onder andere door achterstanden bij de rechtbank waardoor zittingen en uitspraken op zich laten wachten. Het is goed om dit tijdig te communiceren aan zowel initiatiefnemers als eisers (omwonenden), we hebben gemerkt dat dit tot frustratie en onbegrip kan leiden. Soms worden de lange doorlooptijden ook ingezet als vertragingstactiek.

•

Ondanks onze eisen voor participatie en communicatie vooraf met de provincie, blijkt dat er in alle gevallen zienswijzen zijn ingediend door zowel de provincie als omwonenden. Het vooroverleg met de provincie kan worden uitgebreid om daarmee meer op een lijn te komen. Bij zienswijzen door omwonenden blijkt dat er vaak meer speelt (zoals eerdere conflicten in de buurt of met de gemeente), maar ook dat zorgen en bezwaren kunnen worden weggenomen door meer communicatie en participatie in het voortraject.

•

Gedurende

het

proces

zijn

veel

vragen

gesteld

door

omwonenden

over

het

omgevingsfonds, waarvan de spelregels op dat moment nog niet bekend waren. Dit leidde tot onduidelijkheid over hoe de omgeving profiteert van het zonnepark. Sommige omwonenden waren in de veronderstelling dat ze persoonlijk financiële compensatie zouden krijgen.

4

•

In de pilot is gekozen om niet op volgorde van binnenkomst te behandelen maar op kwaliteit van de aanvraag, en om pas enkele maanden na het verschijnen van de Visie met beoordeling te starten. Dit heeft erg goed gewerkt en geleid tot kwalitatief goede aanvragen, en bijvoorbeeld tot een aanvraag die later werd ingediend maar vanwege de hoge kwaliteit wel een plekje in de ‘top vijf’ kreeg.

•

De taakverdeling rondom de vergunningverlening en de juridische procedures was soms onvoldoende duidelijk. Dit heeft de gemeente in samenwerking met de Omgevingsdienst en AKD uitgevoerd. Inmiddels zijn de afspraken duidelijker geworden, met de gemeente als coördinerende partij.

Aanbevelingen naar aanleiding van de evaluatie van het beoordelingsproces 5. Schakel alleen externe expertise in voor gerichte vragen of voor het beoordelen van een onderwerp uit een aanvraag waarop de kennis binnen de gemeente tekort schiet. 6. Stel regels vast voor het Omgevingsfonds en communiceer tijdig en duidelijk over de mogelijkheden voor participatie en financiële compensatie voor omwonenden. 7. Houd vast aan het beoordelen op basis van kwaliteit in plaats van volgorde van binnenkomst. Zeker met meer diversiteit in typen aanvragen (technologieën, schaal van projecten) geeft dat flexibiliteit. 8. Communiceer

duidelijk

over

risico’s

en

doorlooptijden

van

de

beoordeling,

vergunningverlening en juridische procedures, ook richting de ontwikkelaar. Projecten die afhankelijk zijn van landelijke subsidierondes kunnen soms onder tijdsdruk staan, maar dit mag nooit ten koste gaan van de zorgvuldigheid van beoordeling en van contracten. Toetsingscriteria aanvragen (zon) In

de

Visie

zijn

vier

typen

voorwaarden

onderscheiden:

landschappelijke

inpassing,

maatschappelijke meerwaarde, participatie, en procedurele en technische voorwaarden. Deze werden weer onderverdeeld in verschillende onderwerpen, die in de aanvraag onderbouwd dienden te worden (motiveringsplicht). Net als bij het procesverloop kan ook hier alleen geëvalueerd worden voor zonnepark-aanvragen omdat dat de enige behandelde aanvragen zijn, maar daar komen ook enkele algemene opmerkingen en aanbevelingen uit voort. De volgende punten komen naar voren bij evaluatie van de toetsingscriteria: •

Landschappelijke inpassing blijkt meervoudig ruimtegebruik soms lastig, zeker om er echt een zinvolle invulling aan te geven. Landschappelijke meerwaarde wordt vooral gecreëerd aan de randen van een zonnepark, niet tussen de panelen. Alleen schapen laten grazen omdat daarmee aan een voorwaarde wordt voldaan, heeft weinig meerwaarde.

•

Bij landschappelijke inpassing moet niet alleen gekeken worden naar de aanwezige structuren en soorten in het landschap, maar ook naar de wensen van omwonenden die daar niet altijd bij aansluiten. Ook in een meer open landschap kan het bijvoorbeeld zijn dat de omwonenden de voorkeur geven aan een hogere inpassing. Participatie is dus in een vroeg stadium belangrijk, en er moet een balans gevonden worden tot wat ‘objectief’ in het landschap past en hoe het landschap lokaal wordt beleefd.

5

•

Bij maatschappelijke meerwaarde gaat het zowel om elementen in het landschap, zoals voor educatie of natuurbeleving, als om participatie en betrokkenheid van omwonenden. Daarom is het logischer om dit criterium te integreren in deze andere criteria. Nu leidt het onderscheid tot herhalingen in aanvragen.

•

Participatie in de projectvoorbereiding (procesparticipatie) was in de Visie goed verwoord maar er blijkt in de praktijk soms toch een erg minimale uitvoering aan gegeven te zijn. Deels kwam dit door corona-beperkingen. Voor de toekomst zou het goed zijn om deze eis zwaarder aan te zetten, omdat de omgeving zich niet altijd goed genoeg gehoord heeft gevoeld. Daarnaast is het aan te bevelen om ook belangengroepen meer te benoemen als partners bij participatie. Die zijn nu wisselend betrokken.

•

Participatie heeft geen directe relatie met juridische trajecten, al wordt dit wel als argument gebruikt in de zienswijzen en beroepschriften die we hebben gezien. Als een omwonende op het zonnepark tegen is, zal vaak een juridisch traject volgen ongeacht de kwaliteit van het plan of van het participatietraject.

•

Bij juridische trajecten is het inschakelen van externe juridische expertise een must. Hiervoor is budget beschikbaar vanuit de gevraagde bijdrage aan ‘ambtelijke kosten’ die de ontwikkelaar betaalt (geregeld in de anterieure overeenkomst).

•

Participatie bij de uitvoering (projectparticipatie) is in alle gevallen geregeld in de vorm van obligaties en een afdracht aan een omgevingsfonds. Dit is jammer omdat er geen sprake is van echt lokaal eigenaarschap (risicodragend). Wel zijn er financiële voordelen voor de omgeving. Dit was het hoogst haalbare: er is gesproken met lokale organisaties voor een meer coöperatieve aanpak, maar daar bleek geen animo voor. Inmiddels is er wel een coöperatie: Laarbeek Energie. Daarmee is er de mogelijkheid om dit criterium zwaarder aan te zetten en echt lokaal eigendom te eisen.

•

Het Omgevingsfonds wordt op dit moment ingericht en lijkt veelbelovend. Het zou daarom goed zijn om dit verplicht te maken, ook voor kleinere projecten die dan een meer symbolische bijdrage zouden kunnen doen. Zo profiteert de hele gemeente van de projecten en wordt duurzaamheid in de gemeente versneld.

•

Meervoudig ruimtegebruik lijkt niet altijd meerwaarde te hebben. Dit kan wel goed gerealiseerd worden aan de randen van een zonnepark, maar op een park zelf moet vooral gekeken worden hoe de grondkwaliteit wordt bewaakt (door voldoende indirect licht, door inzaaien met bepaalde kruiden en grassen).

•

Procedurele en technische voorwaarden blijkt een erg ‘droge’ toetsing die altijd onderdeel zal zijn van de Omgevingsvergunning. Het heeft geen meerwaarde om daar zelf criteria voor op te stellen, en die expertise heeft de gemeente ook niet.

•

Al met al hebben de toetsingscriteria geleid tot aanvragen van goede kwaliteit. Wel zijn er kansen om de criteria wat te verstrengen om zo nog meer lokaal voordeel te behalen.

•

De pilot had een maximum van 5 zonneparken in de hele gemeente. Tijdens de beoordeling is gebleken dat ook vooral gekeken moet worden naar de draagkracht van een (zoek)gebied. Het gebied ten noorden van de Blauwe Poort lijkt bijvoorbeeld met de komst van twee zonneparken verzadigd, omdat daar ook een natuuropgave ligt. Het is daarom logischer om eventuele volgende projecten niet te ‘tellen’ maar vooral te bekijken in de lokale context. Zeker als er ook andersoortige aanvragen komen (bijvoorbeeld voor opslag) moet deze afweging een plaats krijgen in de beoordeling.

6

Aanbevelingen 9. Maak

twee

criteria

in

plaats

van

drie:

vervang

landschappelijke

inpassing,

maatschappelijke meerwaarde en participatie door ruimtelijke en maatschappelijke criteria. Laat daarnaast het criterium procedurele en technische voorwaarden in stand, maar verwijs daarbij vooral naar landelijke richtlijnen. 10. Verstreng de eisen voor zowel procesparticipatie als projectparticipatie. Zet bij procesparticipatie in op het betrekken van omwonenden en belangenorganisaties, bijvoorbeeld

voor

de

vormgeving

van

landschappelijke

inpassing.

Zet

bij

projectparticipatie in op 50% lokaal eigendom (risicodragend). 11. Maak een afdracht aan het Omgevingsfonds altijd een verplichting, en relateer de hoogte van de afdracht aan de omvang van het project. 12. Stel een criterium op waardoor gekeken wordt naar de landschappelijke impact van een project in relatie tot andere (voorgenomen) ontwikkelingen in het gebied. Procesverloop zoekgebied (wind) Uit de RES 1.0 en eigen vooronderzoek bleek dat de meest waarschijnlijke plek voor een windpark is in het zoekgebied Lieshoutse Heide. Daarom heeft de gemeente voorkeursrecht gevestigd op het zoekgebied om zo regie te kunnen voeren, en een landschapsdialoog gevoerd om de lokale wensen en eisen van de omwonenden in kaart te brengen. De volgende punten komen naar voren uit het procesverloop van het zoekgebied: •

De WVG is een effectief middel gebleken om regie te kunnen voeren. Er is geen sprake geweest van grondspeculatie, terwijl dit in andere zoekgebieden in de regio wel wordt gezien. Daarnaast is door de communicatie over de WVG een windpark een actueel thema geworden in het gebied. Dit heeft tot veel weerstand geleid, maar ook tot veel waardevolle discussie.

•

Een schets van hoe de WVG in de praktijk heeft gewerkt staat beschreven in de recent verschenen

RIB

‘onderzoek

businesscase

windmolens’.

Daarnaast

zijn

zowel

grondeigenaren als de gemeente met regelmaat benaderd door ontwikkelaars. Hieruit blijkt dat het inderdaad heeft gewerkt als instrument om grondspeculatie te voorkomen. •

Juridisch gezien is de WVG in stand gebleven bij een beroep bij de rechtbank. Dit is een Nederlandse primeur: niet eerder werd op zo’n groot gebied WVG gevestigd met dit doel.

•

De landschapsdialoog heeft veel losgemaakt, het eindverslag geeft hiervan een overzicht. Kort gezegd is het doel om tot (ruimtelijke en maatschappelijke) eisen te komen niet geslaagd, maar ligt er wel een helder standpunt vanuit de omwonenden. Dit is gebaseerd op het ‘nee tenzij’ principe. Daarnaast blijft een deel van de inwoners tegen windmolens, ongeacht of de zorgen en vragen kunnen worden weggenomen.

Aanbevelingen 13. Neem het ‘nee tenzij’ standpunt over in nieuw beleid en stop daarmee een actief onderzoek of inspanningen naar een windpark in Laarbeek, totdat aan de voorwaarden kan worden voldaan die door de omwonenden zijn gesteld.

7

14. Beëindig de WVG. Deze is gevestigd met als doel het voorkomen van grondspeculatie en andere ongewenste ontwikkelingen en het behouden van regie, totdat er duidelijk nieuw beleid is van de gemeente, waarin de omwonenden zijn gehoord. Daarvan is nu sprake dus dit doel is behaald. Actualiteit: passendheid in veranderende beleidscontext De Visie werd opgesteld in 2019, toen de RES 1.0 nog in ontwikkeling was en er nog veel onduidelijk was over de uitwerking van het Klimaatakkoord. Inmiddels is de RES vastgesteld en zijn de contouren van landelijk beleid meer zichtbaar, bijvoorbeeld op het gebied van de warmtetransitie. Ook hebben andere veranderingen plaatsgevonden. Zo is er landelijk sprake van energiearmoede en beleid om dat te verminderen en is er in de provincies Noord-Brabant en Limburg recent netschaarste afgekondigd. Lokaal is er ten slotte sprake van een nieuwe coalitie, is de Omgevingsvisie Buitengebied vastgesteld en is er ervaring opgedaan met de Visie, die in deze evaluatie is beschreven. Al deze ontwikkelingen geven aanleiding tot enkele herzieningen in het beleid. Dit leidt tot onderstaande aanvullende aanbevelingen: 15. Neem participatie als strenger criterium op bij nieuwe projecten rondom duurzame energie. Dit uitgangspunt wordt in de RES, het Klimaatakkoord en het coalitieakkoord omarmd, net zoals in de op handen zijnde Omgevingswet.

Het past daarmee bij zowel lokale als bovenlokale ontwikkelingen. 16. Met de komst van coöperatie Laarbeek Energie is er een mogelijkheid om ook projectparticipatie meer vorm te geven. Ten tijde van de pilot was er geen energiecoöperatie. Platform Duurzaam Laarbeek is door de initiatiefnemers benaderd en heeft meegedacht met de aanvragen, maar gaf aan geen grotere rol te ambiëren in bijvoorbeeld coöperatief eigendom, beheer van aandelen of obligaties etc. Daarom leek uitgifte van obligaties ten tijde van de eerste aanvragen het hoogst haalbare. Inmiddels is dat met de komst van coöperatie Laarbeek Energie veranderd. 17. De discussie rondom netschaarste vraagt om een nieuw toetsingscriterium voor projecten rondom duurzame energie. Aanvragen moeten getoetst worden op hun druk op het elektriciteitsnet. Projecten voor opslag zouden bijvoorbeeld positief moeten worden beoordeeld, terwijl bij grootschalige opwek juist de vraag moet worden gesteld of het meer wenselijke ontwikkelingen niet in de weg staat (zon op land mag bijvoorbeeld niet ten koste gaan van zon op dak). 18. Ontwikkelingen

rondom

energiearmoede,

opslag,

duurzame

warmte

en

gedragsverandering illustreren dat grootschalige opwek slechts een deel is van de energiestrategie. Ook de RES en landelijk energiebeleid laten zien dat deze thema’s met elkaar samenhangen en samen een integrale aanpak vormen. Het is daarom aan te bevelen om een breder beleidskader te ontwikkelen waarin niet alleen grootschalige opwek een plaats krijgt, maar ook andere thema’s in de energietransitie. Conclusie Als conclusie kan worden gezegd dat de jaren 2019-2022 voor Laarbeek een waardevol leertraject zijn geweest in de energietransitie. We hebben ons eigen gemaakt hoe we kwalitatief goede aanvragen voor zonneparken kunnen ontwikkelen en vergunnen, hebben ons beleid

8

breder verankerd in de Omgevingsvisie Buitengebied en geparticipeerd in de totstandkoming van de RES 1.0 op basis van Laarbeekse uitgangspunten. Ook hebben we regie gehouden in het zoekgebied voor wind en de bewoners uitgedaagd om een lokaal standpunt te ontwikkelen. Tegelijk zien we ook verbeterpunten, en kansen om te kunnen inspelen op ontwikkelingen van de afgelopen jaren. Deze evaluatie biedt daar handvatten voor. Hieronder staat een overzicht van aanbevelingen uit de evaluatie. Samenvattend overzicht van aanbevelingen 1. Kies een ambitie die bij de aanpak past – kies of voor een bescheiden ambitie en

daarbij een zorgvuldge aanpak en tempo, of voor een hogere ambitie met daarbij een aanpak die door meer beschikbare middelen en tempo mogelijk is. 2. Kies een pro-actieve aanpak bij innovatieve technologie – zet bijvoorbeeld voor de

warmtetransitie in op een trekkersrol bij het onderzoeken van de haalbaarheid en wenselijkheid van nieuwe technologieën. 3. Ontwikkel een breed beleidskader – ontwikkel integraal beleid voor de

energietransitie waarin niet alleen grootschalige opwek een plaats heeft maar ook andere thema’s rondom energie- en warmte-opwek en besparing. 4. sluit aan bij bredere beleidsontwikkelingen – maak beleid dat past bij regionaal en

landelijk beleid en andere (technologische) ontwikkelingen. Sluit ook aan bij flankerend lokaal beleid zoals de Omgevingsvisie en het nieuwe coalitieakkoord. 5. Schakel externe expertise in waar nodig – externe expertise hoeft niet standaard

een onderdeel te zijn van het beoordelen van projecten, maar kan veel meerwaarde hebben bij bijvoorbeeld technische en juridische vragen. 6. Richt het Omgevingsfonds in – stel kaders vast voor het Omgevingsfonds en stel

betrokken partijen daarvan op de hoogte. 7. Beoordeel op kwaliteit – de doorlooptijd en uitkomst van een beoordeling is

afhankelijk van de kwaliteit van een aanvraag, niet de volgorde van binnenkomst. 8. Communiceer helder over beoordelingstraject – dit geldt voor zowel communicatie

richting initiatiefnemers als omwonenden. 9. Maak een nieuwe opzet beoordelingscriteria – de beoordelingscriteria rondom

ruimtelijke inpassing en maatschappelijke meerwaarde / participatie kunnen handiger worden ingedeeld. 10. Verstreng de eisen voor proces- en projectparticipatie – deze eisen kunnen

worden verstrengd op basis van de opgedane ervaring en ontwikkelingen in de gemeente. 11. Verplicht een afdracht aan het Omgevingsfonds – dit zou voor (ook kleine)

projecten een verplichting moeten zijn, zo dragen zij bij aan verduurzaming in de gemeente in brede zin. 12. Relateer beoordeling landschappelijke impact aan lokale ontwikkelingen –

bekijk dit per locatie en landschapstype. 13. Omarm het nee-tenzij standpunt over windturbines – formuleer nieuw beleid

waarin dit standpunt over windmolens wordt overgenomen en uitgewerkt.

9

14. Beëindig de WVG – haal het voorkeursrecht van het gebied af omdat windenergie op

korte termijn niet haalbaar is en omdat de doelen zoals gesteld voor de WVG zijn behaald. 15. Sluit bij participatiecriteria aan bij lokale en bovenlokale ambities op het gebied

van participatie (zie ook punt 10). 16. Geef de lokale energiecoöperatie een rol bij participatie (zie ook punt 10). 17. Neem een toetsingscriterium op over netschaarste – zorg dat nieuwe projecten

geen voor Laarbeek onwenselijke gevolgen hebben voor de belasting van het elektriciteitsnet. 18. Sluit in een breed beleidskader aan op energiebeleid van de regio, provincie en

het Rijk (zie ook punt 3).

10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=32c5f50b-432a-47cf-927a-dfc56af8a3b9