4 20220830 Actualisatie beleid grootschalige opwek duurzame energie in Laarbeek.docx
Tekst van het document
Actualisatie beleid grootschalige opwek van duurzame energie in Laarbeek Juli 2022 1. Inleiding In 2019 stelde de gemeenteraad van Laarbeek de ‘Visie grootschalige opwek van duurzame energie in Laarbeek’ (de Visie) vast. Deze actualisatie vervangt de Visie uit 2019 en voert aanvullingen en wijzigingen door naar aanleiding van de evaluatie van de Visie (bijlage 1), ontwikkelingen zoals netschaarste en behoefte aan lokale energieopslag, en de vaststelling van de Regionale Energie Strategie (RES 1.0, 2021). Het betreft een beknopte actualisatie met verwijzingen naar de Visie uit 2019 (bijlage 2) waarvan grote delen nog altijd relevant zijn. 2. Uitgangspunten De constateringen en uitgangspunten zoals die in 2019 zijn geformuleerd zijn nog steeds relevant. Er is een onverminderd grote lokale opgave voor Laarbeek om energie te besparen en lokaal duurzaam op te wekken, te transporteren en op te slaan. Tegelijk zijn de verplichtingen en verwachtingen vanuit de regio, de provincie en het Rijk toegenomen. De lokale aanpak van de
energietransitie
is
verbreed:
naast
grootschalige
opwek
hebben
ook
de
thema’s
warmtetransitie en energiebesparing (duurzaam wonen en werken) vorm gekregen. Dit is geschetst in de Lokale Energie Strategie (2022). In de uitgangspunten van deze actualisatie zijn de standpunten uit 2019 nog duidelijk te herkennen. De actualisatie is gebaseerd op de volgende uitgangspunten: •
Laarbeek spant zich in om het lokale energiesysteem te verduurzamen en maakt daarin keuzes die passen bij de lokale situatie en de lokale voorkeuren. Voor de vormgeving hiervan wordt samengewerkt in MRE-verband, specifiek met de andere Peelgemeenten incl. Helmond.
•
Projectaanvragen voor energie-opwek, opslag en transport worden in principe altijd inhoudelijk beoordeeld, met uitzondering van aanvragen voor windturbines (zie paragraaf 5).
•
Grootschalige opwek, opslag en transport van duurzame energie kunnen in Laarbeek worden toegestaan, mits aan de voorwaarden wordt voldaan die in deze actualisatie zijn beschreven.
•
De gemeenteraad beoordeelt of een verzoek voldoende aan de voorwaarden voldoet.
•
Projectaanvragen worden niet op volgorde van binnenkomst behandeld, maar de doorlooptijd en beoordeling van elke aanvraag hangt af van de kwaliteit van de aanvraag en de mate waarin de aanvraag voldoet aan de gestelde voorwaarden en voorkeuren van de gemeente.
•
Soms staan wettelijke bepalingen een gewenste ontwikkeling in de weg. Een voorbeeld is het lokaal leveren van elektriciteit binnen een bedrijventerrein. In zo’n situatie kijkt de gemeente proactief en praktisch mee met initiatiefnemers, denken wij in kansen en durven we gecalculeerde risico’s te nemen.
3. Voorwaarden voor projectaanvragen voor grootschalige opwek, transport en opslag van duurzame energie
3.1 Algemene voorwaarden Voor alle projectaanvragen voor energie- en warmte-opwek, opslag en transport gelden de volgende algemene uitgangspunten: •
Aanvragen worden in principe altijd inhoudelijk beoordeeld, met uitzondering van aanvragen voor windturbines (zie paragraaf 5).
• •
Voor zonneparken gelden aanvullende voorwaarden (zie paragraaf 4). Andere projectenaanvragen dan voor zonne- of windenergie, zoals voor warmtewinning, alternatieve bronnen voor energie-opwek, lokale energieopslag en transport worden getoetst op onderstaande criteria. Een aanvraag motiveert op zorgvuldige, complete en goed geïnformeerde wijze hoe het aan deze voorwaarden voldoet.
•
Voor alle aanvragen wordt getoetst of het beoogde project voldoet aan de procedurele, technische en veiligheidseisen die op de gekozen technologie van toepassing zijn. Hiervoor worden de bovengemeentelijke procedures en richtlijnen gevolgd.
3.2 Ruimtelijke voorwaarden •
elke
aanvraag
wordt
beoordeeld
in
samenhang
met
de
andere
opgaven
en
ontwikkelingen die spelen rondom de locatie, zoals geschetst in de Omgevingsvisie Buitengebied (2021). •
De ruimtelijke impact van het project is passend in het landschapstype waarin het project plaatsvindt, zoals geschetst in de Omgevingsvisie Buitengebied (2021). De aanvraag motiveert hoe aansluiting wordt gevonden met de kernkwaliteiten van het landschapstype.
•
De beoogde locatie moet geschikt zijn. Om dat te beoordelen gelden de volgende specificaties: o
eventuele belasting op de directe projectomgeving staat in verhouding tot de meerwaarde van het project, die bij voorkeur lokaal is.
o
bouwen binnen een bebouwingsconcentratie is niet toegestaan om verstening tegen te gaan en het open karakter te behouden (zie Omgevingsvisie Buitengebied 2021 voor begrenzingen).
o
Bouwen binnen een gebied dat belangrijk is voor natuurontwikkeling zoals Natuur Netwerk Brabant, een ecologische verbindingszone of beschermingsgebied voor struweelvogels of andere kwetsbare dier- of plantsoorten is onwenselijk tenzij wordt aangetoond dat het project juist bijdraagt aan natuurontwikkeling.
o
De afstand tussen een beoogd project en een Rijks- of gemeentelijk monument of
archeologisch
monument
is
minimaal
de
grootte
van
het
beoogde
projectperceel. Is een projectperceel bijvoorbeeld 50m breed, dan moet er nog eens 50m afstand zijn tussen de perceelgrens en een monument. o
Locaties met korte afstand tot de eindgebruiker, een aansluitpunt op het elektriciteits- of warmtenet of andere relevante infrastructuur hebben de voorkeur.
o
De aanvraag evalueert nadelige ruimtelijke effecten zoals natuurschade en hinder voor omwonenden en onderbouwt hoe deze worden geminimaliseerd.
•
Het
project
specificaties:
kent
een
landschappelijke
inpassing
die
voldoet
aan
de
volgende
o
de inpassing sluit aan bij de ruimtelijke kenmerken van het landschapstype zoals geschetst
in
de
Omgevingsvisie
Buitengebied
(2021)
en
versterkt
deze
kenmerken. Er wordt bijvoorbeeld rekening gehouden met de ruimtelijke opbouw en schaal van het landschap; lijnen, structuren, kavelrichtingen en patronen; voorkomende groene, blauwe en rode landschapselementen; type beplanting; en voorkomende functies. o
Alleen ‘verstoppen in het groen’ is niet voldoende. De inpassing draagt bij aan de ruimtelijke
kwaliteit
van
het
gebied,
bijvoorbeeld
op
het
gebied
van
waterretentie, natuur en biodiversiteit of een andere ruimtelijke functie zoals recreatie. Dit kan ook worden vormgegeven door bijvoorbeeld een oplossing te bieden voor vrijkomend agrarisch vastgoed en het tegengaan of oplossen van verrommeling en verpaupering. o
De
landschappelijke
inpassing
minimaliseert
hinder
en
overlast
voor
omwonenden zoals visuele overlast, geur- licht- of geluidshinder. o
De landschappelijke inpassing wordt aangeleverd in de vorm van een ruimtelijk ontwerp met plankaart, referentiebeelden en/of visualisaties en een beschrijving van plant- en materiaalgebruik en plantmaten.
o
Meervoudig ruimtegebruik is een pré. Als een projecttype zich hier minder goed voor leent kan meervoudig ruimtegebruik worden gezocht in een recreatieve, educatieve of natuurfunctie van de landschappelijke inpassing.
3.3 Maatschappelijke voorwaarden en participatie • Het project draagt op een zinvolle en efficiënte manier bij aan de lokale energietransitie. • Het project heeft een aanwijsbaar (financieel) voordeel voor inwoners van Laarbeek. • Procesparticipatie tijdens de planvorming wordt vormgegeven in een omgevingsdialoog, die wordt gevoerd volgens de richtlijnen die daarvoor zijn beschreven in de Omgevingsvisie Buitengebied (2021) en het Participatiebeleid Omgevingswet Laarbeek (2021) en daarbij behorende uitwerkingen. De inspanningen voor de dialoog hangen samen met de omvang van het beoogde project. Hierbij gelden de volgende kaders: o Ruimtelijke inpassing en (financiële) projectparticipatie worden vormgegeven in overleg met direct omwonenden en aanwezige buurtverenigingen. o Ruimtelijke inpassing wordt vormgegeven in overleg met relevante belangenorganisaties voor natuur en landschap, zoals IVN en Laarbeeks Landschap. o (Financiële) projectparticipatie wordt vormgegeven in overleg met relevante belangenorganisaties voor duurzaamheid, zoals stichting Platform Duurzaam Laarbeek en coöperatie Laarbeek Energie. o Er wordt gerapporteerd hoe de uitkomsten van de dialoog en de voorkeuren van omwonenden en genoemde belangenorganisaties zijn vertaald in het projectplan. • Projectparticipatie tijdens de looptijd van een project wordt ook vormgegeven in relatie tot de omvang van het project.
De volgende kaders gelden voor alle projecten die in meer opwek, opslag of transport voorzien dan alleen voor eigen (particulier of bedrijfsmatig) gebruik: o Een project levert een jaarlijkse bijdrage aan het Omgevingsfonds Duurzaamheid, voor de duur van het project of ten minste voor de duur van beschikbaar gestelde SDE++ of vergelijkbare subsidie.
o
Een project is ten minste voor 50% in lokaal eigendom. Dit wordt conform het Klimaatakkoord gedefinieerd als (1) economisch juridisch eigendom: een formele eigendomspositie waarbij deelname mede-risicodragend is en medebeslissingsbevoegd; (2) van een of meer lokaal gevestigde bedrijven, organisaties en/of bewoners van de gemeente en/of de directe projectomgeving (bij projecten nabij de gemeentegrens), al dan niet verenigd in een coöperatie.
4. Aanvullende voorwaarden zonneparken Zonneparken zijn in Laarbeek alleen onder strenge voorwaarden mogelijk: •
De voorwaarden uit de Visie (2019) blijven van toepassing met onderstaande aanvullingen. De regeling grondgebonden zonnepanelen voor particulier gebruik (Visie 2019, p.7) blijft ongewijzigd. Deze regeling maakt het voor woningen in het buitengebied mogelijk om maximaal 16 grondgebonden zonnepanelen te plaatsen, die energie voor eigen gebruik opwekken.
•
Aanvulling netschaarste: het zonnepark levert aantoonbaar geen schaarste op het elektriciteitsnet op en vormt op de korte termijn geen concurrentie waardoor grote zonop-dak installaties worden gehinderd. Combinatie met lokale opslag en/of levering heeft de voorkeur, voor zover de wetgeving dat toelaat.
•
•
Aanvulling lokaal eigendom: Er is voor ten minste 50% sprake van lokaal eigendom zoals gedefinieerd in paragraaf 3.3. Mede-eigendom staat bovendien voor ten minste 20% van het project open voor de brede gemeenschap, bijvoorbeeld in de vorm van aandelen of coöperatief eigendom. Aanvulling locatie: per locatie wordt een afweging gemaakt of de projectomgeving en het landschapstype voldoende draagkracht hebben voor de ‘verglazing’ die een zonnepark met zich meebrengt, gegeven andere (voorgenomen) ontwikkelingen in het gebied zoals andere geplande zonneparken, bebouwing of ruimtelijke ontwikkeling. Deze beoordeling is maatwerk en zal gebaseerd zijn op de landschapstypen in de Omgevingsvisie Buitengebied (2021).
5. Standpunt windmolens In navolging van de uitkomsten van de Omgevingsdialoog Lieshoutse Heide en naar model van de Interim Omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant hanteert de gemeente een ‘nee-tenzij’ principe wat betreft het vergunnen van windmolens. Dit betekent dat in principe geen windmolens worden toegestaan en aanvragen hiervoor zullen worden afgewezen. De gemeente zet vooralsnog geen verdere actieve stappen richting het ontwikkelen van windturbines. In uitzondering op deze regel kan de gemeenteraad kiezen om toch een inhoudelijke afweging te maken, inclusief nieuwe dialoog met omwonenden van de beoogde locatie als input voor die afweging, als een aanvraag naast aan de eisen uit paragraaf 3 aan de volgende aanvullende eisen voldoet: •
Aantoonbare noodzaak: andere energie-oplossingen zoals besparing zon-op-dal en zon-op-land, en andere technologieën met een beperkte ruimtelijke impact hebben in Laarbeek de voorkeur. Windturbines worden alleen overwogen als er een aantoonbare noodzaak is voor deze technologie in de gemeente.
•
Aantoonbare bovengemeentelijke lijn: op dit moment is er geen sprake van een uitgesproken landelijk en provinciaal standpunt vóór windturbines. Windturbines worden in Laarbeek alleen overwogen als er een aantoonbare bovengemeentelijke lijn is waarin windenergie wordt geprioriteerd. Laarbeek volgt daarbij de verwachte nieuwe landelijke richtlijnen vanuit het Rijk, zoals nieuwe afstandscriteria tussen windmolens en woningen.
•
Gezondheid: uit RIVM onderzoek dat in 2021 is aangekondigd naar gezondheidsrisico’s voor omwonenden van windturbines zal moeten blijken dat er geen gezondheidsrisico’s zijn voor de bewoners in het beoogde plangebied.
•
Omgevingsdialoog vooraf: nog voordat sprake is van procesparticipatie, wordt de brede omgeving betrokken in een omgevingsdialoog. Hierin worden verschillende concrete opties besproken zodat het mogelijk is om een goed beeld te vormen van omvang van het plan, betekenis daarvoor voor hinder zoals geluids- en zichthinder, haalbaarheid van het plan vanwege bijvoorbeeld de businesscase en radarverstoring, etc. De omgeving krijgt zo de kans om een goed geïnformeerd standpunt te vormen over het voorgenomen plan en deze standpunten neemt de gemeente mee in haar besluitvorming.
•
Procesparticipatie:
er
is
sprake
van
een
uitgesproken
sterke
positie
voor
omwonenden, waarbij zij maximale regie en zeggenschap hebben over de uitwerking van het plan. Zij zijn in een zeer vroeg stadium betrokken en er is sprake van draagvlak. Idealiter zijn zij ook bij de aanvraag zelf betrokken. Ook de gemeente wordt in een zeer vroeg stadium betrokken. Zowel gemeente als inwoners hebben de mogelijkheid om de inhoud van het plan mee vorm te geven. •
Landschappelijke kwaliteit: er is sprake van een grote kwaliteitsimpuls voor de omgeving, waarbij versterking van het groene en agrarische karakter van het landschap centraal staat, net als de woonkwaliteit voor bewoners. Er is tevens een kwaliteitsimpuls voor de lokale flora en fauna, de situatie voor (beschermde) dier- en plantensoorten moet per saldo verbeteren ten opzichte van de oorspronkelijke situatie.
Als een aanvraag aan bovenstaande voorwaarden voldoet, kán de gemeenteraad ervoor kiezen om het verzoek inhoudelijk in behandeling te nemen. Toetsing zal dan in ieder geval de voorwaarden behelzen zoals die gesteld zijn in de Visie (2019) en deze actualisatie, inclusief de aanvullende voorwaarden over lokaal eigendom en netschaarste zoals die zijn geformuleerd voor zonneparken.