18 20211014 Vigerende milieuvergunning Artex, voorschriften Artex 16-11-10.pdf
Tekst van het document
11.3.6 De oplosmiddelenboekhouding wordt ten minste vijf jaar in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden. 11.4 Geur, normering 11.4.1 De geurimmissie vanwege de inrichting mag de waarde van 1,3 odourunits per kubieke meter 3 (1,3 ouε/m ) bepaald als uurgemiddelde concentratie, ter plaatse van nabijgelegen woningen van derden niet meer dan 2 procent van de tijd (98 percentiel) overschrijden. 11.4.2 De geurimmissie vanwege de inrichting mag de piekwaarde 6 odourunits per kubieke meter (6 3 ouε/m ), bepaald als uurgemiddelde concentratie, ter plaatse van nabijgelegen woningen van derden niet meer dan 0,1 procent van de tijd (99,9 percentiel) overschrijden. 11.4.3 De vergunninghouder dient door middel van een interne procedure te borgen dat bij geurklachten terugkoppeling plaats vindt met de leverancier en aanpassing van de grondrespectievelijk hulpstoffen plaats vindt om de overlast te beperken. Een overzicht van ontvangen klachten en de door Artex uitgevoerde acties hierop dienen jaarlijks op 1 april aan het bevoegd gezag te worden overlegd. 11.4.4 De dampen die vrijkomen in de keuken van de kantine dienen te worden afgezogen en voordat zij in de buitenlucht worden afgevoerd, geleid door een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter. Het filter dient zo vaak als noodzakelijk te worden vervangen of gereinigd zodat de goede werking ervan geborgd blijft.
11.4.5 Vergunninghouder dient klachten van overlast in de vorm van rook(pluimen) te registreren en na te gaan op welke wijze deze overlast kan worden voorkomen. Indien het aantal klachten daartoe aanleiding geeft, dient vergunninghouder op verzoek van het bevoegd gezag binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn een onderzoek te verrichten naar de oorzaak van de klachten en de mogelijkheden om rookoverlast te voorkomen.
Pagina 21 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
11.5 Metingen en rapportages 11.5.1 Geuremissiemetingen en verspreidingsberekeningen moeten worden uitgevoerd conform de NeR. De bijbehorende geurconcentratiemetingen moeten worden uitgevoerd volgens de geldende norm (NEN-EN 13725). De resultaten van de metingen en berekeningen moeten worden gerapporteerd in odourunits. Het meetplan moet worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. 11.5.2 Bij ernstige geurhinder in de omgeving ten gevolge van een storing of een incident in het productieproces met de spanramen dienen dusdanige maatregelen te worden getroffen dat de hinder wordt opgeheven. Het bevoegd gezag dient hiervan onverwijld in kennis te worden gesteld. 11.5.3 Indien het aantal klachten daartoe aanleiding geeft, dient vergunninghouder op verzoek van het bevoegd gezag een onderzoek te verrichten naar de oorzaak van de klachten en de mogelijkheden om geuroverlast te voorkomen. De bevindingen dienen jaarlijks per 1 april te worden overlegd aan het bevoegd gezag.
12
WERKPLAATS EN TECHNISCHE DIENST
12.1 Laswerkzaamheden 12.1.1 Het jaarlijkse verbruik van toevoegmateriaal dient te worden geregistreerd. 12.1.2 Ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, moet voor zover het afgezogen lasrook vanwege het lassen met metalen betreft, die naar de buitenlucht wordt afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht worden afgevoerd. 12.1.3 Ter beperking van bodemverontreiniging moet de ruimte waarin wordt gelast, voorzien zijn van een verharde vloer. 12.1.4 Als het lasoppervlak van het te lassen materiaal is verontreinigd, moet dit lasoppervlak vóór het lassen worden schoongemaakt. 12.2 Spaanloze, verspanende en mechanische eindafwerking van metalen. 12.2.1 Bij verspanende bewerkingen waar metaalbewerkingsvloeistoffen worden verneveld of verdampt moeten maatregelen worden getroffen om zichtbare verspreiding van druppels en nevels die vrijkomen in de buitenlucht te voorkomen. 12.2.2 Ten behoeve van het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies, moeten stof en rook die vrijkomen bij mechanische bewerkingen van metalen, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, doelmatig aan de bron worden afgezogen.
12.2.3 Ten behoeve van het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht moeten, voor zover het afgezogen emissies betreft, die vrijkomen bij mechanische bewerkingen van metalen en die naar de buitenlucht worden afgevoerd, bovendaks en omhoog gericht worden afgevoerd. 12.2.4
Pagina 22 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
Het gebruik van (metaal)bewerkingsvloeistoffen moet zo optimaal als mogelijk zijn. Hiertoe moet(en): - metaalbewerkingsmachines goed worden onderhouden. Hierbij moeten vloeistofleidingen en machinefilters regelmatig worden geïnspecteerd; - goede verversingscriteria worden vastgesteld; - een verversingsprocedure worden vastgesteld; - de opslaghoeveelheden worden afgestemd op het verbruik; - de vloeistoffen bij de juiste temperatuur worden opgeslagen; - een mobiel reservoir voor de metaalbewerkingsvloeistoffen worden toegepast. 12.2.5 Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico moeten verspanende, spaanloze en thermische bewerkingen en mechanische eindafwerkingen van metalen, waarbij vloeibare bodembedreigende stoffen worden gebruikt, plaatsvinden boven een bodembeschermende voorziening. 12.3 Opslag diverse oliën en vetten 12.3.1 De in de technische dienst aanwezige vloeistoffen zoals de verschillende soorten oliën, smeermiddelen en reinigings-/ontvettingsmiddelen moeten worden bewaard in goed gesloten emballage. 12.3.2 Vloeistoffen in emballage moeten zijn opgeslagen boven een (goedgekeurde) vloeistofdichte vloer of in een vloeistofdichte lekbak. De inhoud van de lekbak moet ten minste gelijk zijn aan de inhoud van de grootste in de lekbak opgeslagen emballage, vermeerderd met 10% van de overige emballage.
De lekbak moet bestand zijn tegen de inwerking van de opgeslagen vloeistoffen. Toelichting: Een lekbak kan onder meer worden gevormd door een vloeistofdichte vloer met opstaande randen. Het is mogelijk om emballage met brandbare vloeistoffen in een lekbak op te slaan die reeds voor andere opslagen van (licht) ontvlambare of brandbare vloeistoffen is gerealiseerd, zoals bijvoorbeeld de lekbak van een dieselolietank. Voorwaarde hiervoor is dat de stoffen die bij elkaar worden opgeslagen geen gevaarlijke chemische reacties kunnen veroorzaken als zij met elkaar in aanraking komen. 12.3.3 Lege, niet gereinigde emballage moet worden behandeld als volle. Toelichting: Voor de bepaling van de opvangcapaciteit van een vloeistofdichte bak hoeft de opslagcapaciteit van de niet gereinigde emballage niet meegerekend te worden. 12.3.4 In de inrichting moet nabij de opslag van vloeistoffen in emballage, voor de aard van de opgeslagen stoffen geschikt materiaal aanwezig zijn om gemorste of gelekte stoffen te neutraliseren, indien nodig te absorberen en op te nemen. Gemorste vloeistoffen moeten zonodig worden geneutraliseerd. Zij moeten onmiddellijk worden opgenomen en behandeld als omschreven onder het hoofdstuk gevaarlijke stoffen. De opgenomen gemorste (vloei)stof moet worden opgeslagen in daarvoor bestemde, voor de aard van de stof geschikte, gesloten emballage.
Toelichting: Als absorberend materiaal kan worden gebruikt perlite of vermiculite.
Pagina 23 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
13
TRANSPORTMIDDELEN
13.1 Accu's van transportmiddelen 13.1.1 Een acculader moet zijn geaard. Een acculader en accu's moeten overzichtelijk zijn opgesteld en altijd goed bereikbaar zijn. 13.1.2 De batterij moet minstens eenmaal per jaar schoon worden gemaakt en worden onderhouden, om lekstromen te voorkomen. Periodiek onderhoud aan de batterij moet gebeuren door een hiervoor gecertificeerd bedrijf. 13.1.3 Personen die werken met accu's en accumulatorbatterijen moeten zijn geïnstrueerd voor het omgaan met accu's en accumulatorbatterijen zoals bediening, onderhoud, wisselen, veiligheid en moeten kennis hebben van de werkprocedures. 13.1.4 De opstelplaats voor het laden van accu's en accumulatorbatterijen moet zijn voorzien van gele belijning die onuitwisbaar is aangebracht. Een acculader dient tegen aanrijding te zijn beschermd. 13.1.5 De vloer ter plaatse van de acculaders moet vloeistofkerend en tegen de inwerking van elektrolyt bestand te zijn. 13.1.6 Ontstekingsbronnen zoals hete oppervlakken, vlammen en vonken moeten worden vermeden. 13.1.7 Acculaders en accumulatorbatterijen moeten, indien zij geladen worden of in werking zijn, zijn opgesteld in een goed op de buitenlucht geventileerde ruimte. 13.1.8 De minimale hoeveelheid ventilatie van een acculaadruimte en/of acculaadplek moet zo zijn dat een waterstofconcentratie van 4% (volume procenten) met vijfvoudige zekerheid niet wordt bereikt.
13.1.9 In een acculaadruimte of nabij een acculaadplek mag geen schrobput aanwezig zijn die in verbinding staat met de riolering. 13.1.10 De luchtaanvoeropeningen moeten zo laag mogelijk in de ruimte zijn aangebracht. De luchtafvoeropeningen moeten zo hoog mogelijk in de ruimte zijn aangebracht. 13.1.11 In de directe nabijheid van de acculaadruimte dient een koolzuursneeuwblusser met een inhoud van 5 kg geschikt voor de brandklasse B aangebracht te worden.
14
LABORATORIUM
14.1.1 In het laboratorium moet een register aanwezig zijn waarin de volgende gegevens worden bijgehouden: - de hoeveelheid verbruikte chemicaliën en hulpstoffen op jaarbasis; - de hoeveelheid afgevoerde gevaarlijk afval;
Pagina 24 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
-
de laatste keuring van de afzuiginstallatie behorende bij de zuurkast.
14.1.2 Bewerkingen met gevaarlijke stoffen waarbij gevaarlijke, schadelijke of giftige stoffen, gassen of dampen kunnen vrijkomen, moeten worden verricht in uitsluitend daarvoor bestemde en geschikte zuurkasten. 14.1.3 In geval van brand moet de afzuiging van een zuurkast kunnen worden geblokkeerd. Behalve door middel van een schakelaar op de kast moet er ook een mogelijkheid zijn om buiten de opstellingsruimte de stroom van de ventilator uit te schakelen. Bij deze schakelaar moet duidelijk het doel van de schakelaar zijn aangegeven, en het opschrift: "BIJ BRAND AFZETTEN". 14.1.4 Een zuurkast, aangesloten op een gemeenschappelijke afzuigleiding, moet zijn voorzien van een klep die bij brand automatisch sluit. Deze klep moet zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal dat tevens bestand is tegen de inwerking van de in de zuurkast te gebruiken gevaarlijke stoffen.
15
EXTERNE VEILIGHEID
15.1 Werkvoorraad 15.1.1 Het klaarzetten van de werkvoorraden gevaarlijke stoffen in de productie ruimte en bij de waterbehandeling (grondwater) mag alleen plaatsvinden op speciaal daarvoor bestemde en gemarkeerde plaatsen. 15.1.2 Onder een werkvoorraad gevaarlijke stoffen als genoemd in voorschrift 15.1.1 wordt verstaan de voorraad gevaarlijke stoffen welke ten behoeve van de bedrijfsvoering/productie in een productieruimte/werkruimte of nabij een procesinstallatie of afvulinstallatie is opgesteld. De werkvoorraad moet strikt noodzakelijk zijn. De grootte ervan moet zijn afgestemd op het verbruik van één dag of één batch. Met uitzondering van de werkvoorraad loog in de ververij deze dient te voldoen aan paragraaf 15.6. opslag in IBC’s. Gevaarlijke stoffen die in afwachting zijn van opslag of afvoer vallen niet binnen de definitie van werkvoorraad.
Toelichting: In voorkomende situaties moet rekening worden gehouden met de volgende bepalingen: de opslag van de werkvoorraad mag zich niet bevinden in een rijroute van vorkheftrucks of andere transportmiddelen; Indien één eenheid verpakking meer dan één week als werkvoorraad wordt gebruikt zijn in het algemeen het gebruik en de opgeslagen hoeveelheid werkvoorraad niet meer in proportie; De gevaarlijke stoffen die als werkvoorraad in een productie- of werkruimte of nabij een procesinstallatie aanwezig zijn, moeten worden bewaard in deugdelijke en gesloten verpakking, die bestand is tegen de betreffende gevaarlijke stof; Indien op de risico's van de werkvoorraad geënte maatregelen en voorzieningen zijn getroffen (conform de bepalingen uit deze richtlijn, voor zover deze uitvoerbaar zijn buiten een opslagvoorziening) is een permanente werkvoorraad in een productie/werkruimte of nabij een procesinstallatie toegestaan. De hoeveelheid bedraagt in dat geval maximaal één verpakking per te gebruiken stof plus indien noodzakelijk één reserveverpakking of de hoeveelheid benodigd voor één batch (productierun); Indien de werkvoorraad bestaat uit vloeibare gevaarlijke stoffen in een hoeveelheid van meer dan 50 liter dan moet de verpakking zijn geplaatst boven een vloeistofdichte lekbak of een gelijkwaardige voorziening.
Hiervan kan worden afgeweken als (het betreffende deel van) de vloer van de betreffende productie/werkruimte vloeistofdicht is. Dit geldt niet voor brandbare vloeistoffen (waarvan de verpakkingen voorzien zijn van etiket model nr. 3); daarvoor blijft vanuit brandveiligheidsoptiek een lekbak of een andere gelijkwaardige voorzieningwenselijk. Afhankelijk van de risico's van de stof kunnen aanvullende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld m.b.t. ventilatie).
Pagina 25 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
15.2 Voorzieningen 15.2.1 Procesleidingen, vast opgestelde procesapparatuur, los- en laadpunten, emballage en dergelijke moeten voor zover deze betrekking hebben op gevaarlijke stoffen zijn voorzien van een codering, waaruit blijkt welke (soort) stof daarin aanwezig is. 15.2.2 Een overzicht van de wijzigingen die zijn doorgevoerd in het in het vorige voorschrift bedoelde systeem, moet op verzoek kunnen worden getoond aan het bevoegd gezag. 15.2.3 De vergunninghouder zorgt ervoor dat de gebouwen en het terrein van de inrichting zodanig in gebruik zijn dat een goede bereikbaarheid voor calamiteitenbestrijding en een goede ontvluchting van de bedrijfsruimten en het buitenterrein van de inrichting te allen tijde is gewaarborgd. 15.2.4 Van de aanwezige procesinstallaties (spanraam, drukmachines, verfinstallaties) dient binnen 3 maanden na afgifte van de vergunning onderzocht te worden of er gevaar bestaat voor elektrostatische oplading of ontstekingsgevaar. Het onderzoeksrapport dient aan het bevoegd gezag te worden toegezonden. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen met betrekking tot elektrostatische oplading en/of ontstekingsgevaar.
15.3 Opslag verpakte gevaarlijke stoffen < 10 ton 15.3.1 De binnen de inrichting aanwezige verpakte gevaarlijke stoffen dienen te worden opgeslagen overeenkomstig hoofdstukken 3.1 (behoudens voorschrift 3.1.6), 3.3, 3.4, 3.5, 3.7 en 3.9, 3.23 van de richtlijn PGS 15. 15.3.2 Lege, ongereinigde verpakkingen van gevaarlijke stoffen moeten worden opgeslagen overeenkomstig de voorschriften voor volle verpakkingen van gevaarlijke stoffen van deze vergunning. 15.3.3 Het gebruik van een opslagvoorziening moet voldoen aan de voorschriften overeenkomstig hoofdstukken 3.12., 3.13, 3.14, 3.15 en 3.16 van de richtlijn PGS 15. 15.3.4 Binnen de inrichting dient voor wat betreft vakbekwaamheid en de aanwezigheid van een journaal te worden voldaan aan de eisen uit hoofdstukken 3.17 en 3.18 van de richtlijn PGS 15. Verpakking en etikettering 15.3.5 De verpakking en etikettering van verpakte gevaarlijke stoffen moeten voldoen aan de voorschriften 3.11.1, 3.11.2, 3.11.3 en 3.11.4 van de richtlijn PGS 15. Brandveiligheidsopslagkast 15.3.6 Een brandveiligheidsopslagkast dient te voldoen aan de eisen uit hoofdstuk 3.10 van de richtlijn PGS 15 en te worden opgesteld, ingericht en gebruikt overeenkomstig bijlage 4 van de richtlijn PGS 15.
Pagina 26 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
Inpandige opslagvoorziening 15.3.7 Een inpandige opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen moet zijn geconstrueerd, uitgevoerd en worden gebruikt overeenkomstig hoofdstukken 3.2.1, 3.2.3, 3.2.4 en 3.21 van de PGS 15. 15.4 Gasflessen 15.4.1 Beschadigde of lekke gasflessen moeten onmiddellijk in de buitenlucht worden gebracht en worden gemerkt met het woord 'DEFECT', respectievelijk 'LEK'. Ook moeten direct maatregelen worden getroffen om brand-, explosie-, verstikkings- of vergiftigingsgevaar te voorkomen. De desbetreffende gasflessen moeten aan de leverancier worden teruggezonden. 15.4.2 Gasflessen mogen niet in de nabijheid van vuur en van brandgevaarlijke stoffen staan. 15.4.3 Bij een acetyleendissousfles die in gebruik is moet een draagbaar blustoestel aanwezig zijn met een inhoud van ten minste 6 kg bluspoeder. 15.4.4 De binnen de inrichting aanwezige gasflessen moeten worden opgeslagen overeenkomstig hoofdstukken 3.1, 3.4 t/m 3.7, 3.11, 3.15, 3.20, 3.21 (met uitzondering van 3.21.2), 3.23 en 6.2 van richtlijn PGS 15. 15.4.5 Een inpandige opslagvoorziening voor gasflessen moet zijn geconstrueerd, uitgevoerd en worden gebruikt overeenkomstig hoofdstukken 3.2.1, 3.2.3, 3.2.4 en 6.2.17 van richtlijn PGS 15. 15.4.6 Lege gasflessen moeten worden opgeslagen overeenkomstig de voorschriften voor volle gasflessen van deze vergunning.
15.4.7 2 Voor elke 200 m vloeroppervlakte van een opslagvoorziening, of een gedeelte hiervan, moet ten minste één draagbaar blustoestel aanwezig zijn met een vulling van ten minste 6 kg of liter blusstof. Het blustoestel moet tegen weersinvloeden zijn beschermd. Het gekozen type blustoestel moet geschikt zijn om een beginnende brand van de opgeslagen stoffen te blussen. 15.5 Opslag in IBC’s 15.5.1 De aanwezige IBC’s moeten bestand zijn tegen de hierin opgeslagen chemicaliën en de als gevolg van die opslag optredende vloeistofdrukken. 15.5.2 De IBC’s moeten voor zover deze betrekking hebben op gevaarlijke stoffen zijn voorzien van een codering, waaruit blijkt welke (soort) stof daarin aanwezig is. 15.5.3 De IBC’s moeten inpandig of in een container geplaatst op een zodanige wijze dat beschadiging door aanrijding of heftrucks is uitgesloten. 15.5.4 Enkelwandige IBC’s dienen boven een lekbak te worden opgeslagen. Dubbelwandige IBC’s behoeven niet boven een lekbak te worden opgeslagen.
Pagina 27 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
15.6 Voorbereid zijn op noodsituaties 15.6.1 In de inrichting is een actueel bedrijfsnoodplan aanwezig. Het bedrijfsnoodplan dient ten minste de volgende onderdelen te bevatten: • een beschrijving van de denkbare incidenten en de mogelijke effecten daarvan onder diverse meteorologische omstandigheden; • de bedrijfsnoodorganisatie, taken en bevoegdheden van de betrokken personen coördinatiecentra, waarschuwings- en alarmeringsprocedures, communicatiesystemen en -regelingen en medische noodvoorzieningen; • fasering van beheersing en bestrijding van beschouwde incidenten, meldingprocedures en klassering van incidenten, handelingen en te nemen maatregelen, beëindiging van de bijzondere situatie; • overzichten van beschikbare hulpbronnen, aanwezig materiaal, externe hulpdiensten en getraind personeel (in ploegendienst en in consignatie); • actuele plattegrondtekeningen van de gebouwen van de inrichting met de relevante installaties, opslagen, voorzieningen en alle brandcompartimenten. Het bedrijfsnoodplan moet zijn afgestemd op gemeentelijke of regionale rampen- of rampbestrijdings-plannen voor de regio waarin de inrichting is gelegen. Vergunninghoudster dient conform het overgelegde plan te handelen. Het bedrijfsnoodplan dient op verzoek van een toezichthoudend ambtenaar ter beoordeling worden overgelegd.
15.6.2 Ten minste éénmaal per drie jaar moet het bedrijfsnoodplan worden geëvalueerd, beproefd (evt. gezamenlijk met de locale brandweer) en zonodig gewijzigd. Bij de evaluatie wordt rekening gehouden met veranderingen die zich in de inrichting hebben voorgedaan, en met nieuwe kennis en inzichten. 15.7 Blusmiddelen algemeen 15.7.1 Binnen de inrichting moeten voldoende blusmiddelen aanwezig zijn om een beginnende brand te kunnen blussen. 15.7.2 Blusmiddelen moeten voor een ieder duidelijk zichtbaar en gemakkelijk bereikbaar zijn, voor direct gebruik gereed zijn en in goede staat van onderhoud verkeren. 15.7.3 In de buitenlucht aanwezige brandblusmiddelen moeten doelmatig tegen weersinvloeden zijn beschermd. 16
VERWARMING
16.1 Algemeen 16.1.1 Binnen de inrichting mogen geen andere brandstof(fen) dan aardgas bedrijfsmatig worden verstookt of verbrand. 16.1.2 De plaatsen van de hoofdafsluiters van gas- en watertoevoer moeten in onuitwisbaar schrift duidelijk zijn aangegeven op de toegangsdeur of het toegangsluik van de ruimten waarin deze zich bevinden.
Pagina 28 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
BIJLAGE 1: OVERZICHT LIGGING VERGUNNINGSPUNTEN
Pagina 29 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
BIJLAGE 2 LIJST MET ERKENDE MAATREGELEN VERKEER EN VERVOER
Pagina 30 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
Pagina 31 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
Pagina 32 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
BIJLAGE 3 ALGEMENE BEOORDELINGSMETHODIEK
Pagina 33 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
Algemene beoordelingsmethodiek
Toelichting op toetsingsschema voor stoffen
Pagina 34 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
Pagina 35 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
Pagina 36 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
Pagina 37 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
Toetsingsschema voor preparaten
Toelichting bij schema toetsingsschema voor preparaten
Pagina 38 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
Pagina 39 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
Pagina 40 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
Pagina 41 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
Pagina 42 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
BIJLAGE 4 BEGRIPPEN ** VOOR ZOVER EEN DIN-, NEN-, NEN-EN-, OF NEN-ISO-NORM, ...: Voor zover in een voorschrift verwezen wordt naar een DIN-, DIN-ISO, NEN-, NEN-EN-, NENISO-, NVN-norm, AI-blad, BRL, CPR, PGS of NPR, wordt de uitgave bedoeld die voor de datum waarop de vergunning is verleend het laatst is uitgegeven met tot die datum uitgegeven aanvullingen of correctiebladen. Indien er sprake is van reeds bestaande constructies, toestellen, werktuigen en installaties is -de norm, BRL, CPR, PGS, NPR of het AI-blad van toepassing die bij de aanleg of installatie van die constructies, toestellen, werktuigen en installaties is toegepast, tenzij in het voorschrift anders is bepaald. Alle onderstaande verklaringen en definities zijn van toepassing op de in de voorschriften gebruikte benamingen en termen, aangevuld met, dan wel in afwijking van de in NEN 5880 (Afval en afvalverwijdering, Algemene termen en definities) en de NEN 5884 (Afval en afvalverwerking, termen en definities voor bouw- en sloopafval) gegeven verklaringen en definities.
BESTELADRESSEN: publicaties zijn in ieder geval verkrijgbaar bij de onderstaande instanties: - overheidspublicaties zoals AI-bladen en CPR-richtlijnen bij: SDU Service, afdeling Verkoop Postbus 20014 2500 EA DEN HAAG telefoon (070) 378 98 80 telefax (070) 378 97 83 - PGS-richtlijnen zijn digitaal verkrijgbaar via www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl - DIN, DIN-ISO, NEN, NEN-EN, NEN-ISO, NVN-normen en NPR-richtlijnen bij: Nederlands Normalisatie-instituut (NEN), Afdeling verkoop Postbus 5059 2600 GB DELFT telefoon (015) 269 03 91 telefax (015) 269 02 71 www.nen.nl - BRL-richtlijnen bij: KIWA Certificatie en Keuringen Postbus 70 2280 AB RIJSWIJK telefoon (070) 414 44 00 telefax (070) 414 44 20 - InfoMil is het informatiecentrum in Nederland over milieu wet- en regelgeving. www.infomil.nl BODEMBESCHERMENDE VOORZIENING: Fysieke voorziening die de kans op emissies of immissies reduceert. BEDRIJFSENERGIEPLAN: Een bedrijfsenergieplan is een uittreksel van het gedetailleerde en vertrouwelijke energiebesparingsplan en geeft een overzicht van maatregelen die het bedrijf denkt te gaan nemen om het energiegebruik zodanig terug te dringen dat wordt voldaan aan gestelde doelstellingen. BEDRIJFSRIOLERING: Voorziening voor de afvoer van bedrijfsafvalwater vanuit de inrichting naar een openbare riolering of een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.
Pagina 43 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
BODEMBESCHERMENDE MAATREGEL: Handeling in de vorm van controle of onderhoud van een voorziening of proces, om de kans op emissies of immissies te reduceren (overeenkomstig Barim). BODEMBESCHERMENDE VOORZIENING: Een vloeistofkerende voorziening, een vloeistofdichte vloer of verharding of een andere doelmatige fysieke voorziening, ter voorkoming van immissies in de bodem. BODEMRISICODOCUMENT: Document dat inzicht geeft in het risico van bodemverontreiniging. Hiertoe wordt per bodembedreigende activiteit de (eind-) emissiescore en de bijbehorende bodemrisicocategorie, overeenkomstig de bodemrisicochecklist uit de Nederlandse BRANDBARE STOFFEN: Stoffen die met lucht van normale samenstelling en druk onder vuurverschijnselen blijven reageren, ook nadat de ontstekingsbron is weggenomen. BRANDBARE VLOEISTOF: Stof in vloeibare toestand die een vlampunt heeft dat hoger ligt dan 55oC (K3-vloeistof). CUR/PBV: Stichting Civieltechnisch Centrum Uitvoering Research en Regelgeving / Projectbureau Plan Bodembeschermende Voorzieningen. CUR/PBV-AANBEVELING 44: Beoordelingscriteria van vloeistofdichte voorzieningen. CUR/PBV-AANBEVELING 51: Milieutechnische ontwerpcriteria voor bedrijfsrioleringen. EINDSITUATIE-ONDERZOEK: Onderzoek naar de kwaliteit van de bodem.
Hierbij wordt het grondwater gecontroleerd op de eventuele toename van de bij het nulsituatieonderzoek of het laatste herhalingsonderzoek onderzochte stoffen, een en ander door het nemen van grondwatermonsters in de relevant gebleken peilbuizen. EMBALLAGE: Verpakkingsmateriaal, zoals glazen en kunststof flessen, blikken en kunststof cans, metalen en kunststof vaten of fiberdrums, papieren en kunststof zakken, houten kisten, big-bags en intermediate bulkcontainers (IBC's).
EMISSIE: De uitworp van één of meer verontreinigende stoffen naar de lucht (vracht per tijdeenheid). CPR: een door de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen uitgegeven richtlijn. GELUIDNIVEAU IN dB(A): het niveau van het ter plaatse optredende geluid, uitgedrukt in dB(A), overeenkomstig de door de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) ter zake opgestelde regels, zoals neergelegd in de IEC-publicatie no. 651. GEVEL: een bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak. GEOMEMBRAANBAKSYSTEEM: een ondergronds aangelegd kunststof foliesysteem dat waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van dat systeem kan komen.
Pagina 44 van 47
voorschriften behorende bij MB 09.12
GEVAARLIJKE STOFFEN: stoffen die op basis van het het gestelde in de PGS15 richtlijn als gevaarlijk moeten worden aangemerkt
GEURWAARNEMING: • De geur wordt minstens eenmaal waargenomen. • De geur dient herkend te worden als een geur afkomstig van de inrichting en niet van andere bronnen uit de omgeving. IMMISSIE: De concentratie in de omgeving (op leefniveau). LANGTIJDGEMIDDELD BEOORDELINGSNIVEAU (LAr,LT): energetisch cumulatie van de langtijdgemiddeld deelbeoordelingsniveaus. MAXIMALE GELUIDNIVEAU (LAmax): het maximaal gemeten A-gewogen geluidniveau, meterstand "fast" gecorrigeerd met de meteocorrectieterm Cm. NEN: Een door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) uitgegeven norm.
NEN-EN 13725: Lucht - Bepaling van de geurconcentratie door dynamische olfactometrie. NEN-EN 15259: Luchtkwaliteit - Meetmethode emissies van stationaire bronnen - Eisen voor meetvlakken en meetlokaties en voor doelstelling, meetplan en rapportage van de meting. NEN-EN-IEC 62305-SERIE: Bliksembeveiliging. NEN 3398: Buitenriolering - Onderzoek en toestandsbeoordeling van objecten. NEN 3399: Buitenriolering - Classificatiesysteem bij visuele inspectie van objecten. NEN 5725: Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek. NEN 5740: Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. NEN 6414: Water en slib - Bepaling van de temperatuur. NEN 6487: Water - Titrimetrische bepaling van het sulfaatgehalte.
NEN-EN 13725: Lucht - Bepaling van de geurconcentratie door dynamische olfactometrie.
Pagina 45 van 47
Voorschriften
NEN-EN 15259: Luchtkwaliteit - Meetmethode emissies van stationaire bronnen - Eisen voor meetvlakken en meetlokaties en voor doelstelling, meetplan en rapportage van de meting. NEN-EN-IEC 62305-SERIE: Bliksembeveiliging. NEN-EN-ISO/IEC: Een door het Comité Européen de Normalisation (CEN) geïmplementeerde norm van de International Organisation for Standardization (ISO) en/of de International Electrotechnical Commission (IEC) die door het Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) is aanvaard als Nederlandse norm. NEN-ISO: Door de International Organisation for Standardization (ISO) uitgegeven norm die door het Nederlands Normalisatie-Instituut (NEN) is aanvaard als Nederlandse norm. NEN-ISO 10523: Water - Bepaling van de pH. NEN-ISO 22743: Water - Bepaling van sulfaat met een doorstroomanalysesysteem (CFA). NEN-ISO 22743/C1: Water - Bepaling van sulfaat met een doorstroomanalysesysteem (CFA). Correctieblad. NER: Nederlandse Emissie Richtlijn Lucht. NRB: Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, Informatiecentrum Milieuvergunningen (InfoMil). NULSITUATIE: De kwaliteit van de grond en het grondwater ter plaatse van de inrichting op het moment dat de bedrijfsactiviteiten zijn gestart.
NULSITUATIE-ONDERZOEK: Onderzoek naar de kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) op die plaatsen van de inrichting waar potentieel bodembedreigende activiteiten plaatsvinden of zullen plaatsvinden en dat is gericht op die verontreinigende stoffen die ten gevolge van de activiteiten binnen de inrichting in de bodem kunnen geraken. OLIE-AFSCHEIDER: (Conform NEN 7089) toestel dat is bestemd voor de behandeling van oliehoudend afvalwater waarin olie door opdrijving grotendeels wordt verwijderd uit het afvalwater. OPENBAAR RIOOL: Voorziening voor de inzameling en transport van afvalwater, als bedoeld in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer. OPLOSMIDDELLENBOEKHOUDING Het totaal aan inkoop van vluchtige organische stoffen(VOS) en VOS-houdende grond- en hulpstoffen over elk kalenderjaar. De hoeveelheid vluchtige organische stoffen per VOS-houdende grondhulpstof. De voorraad aan VOS-houdende grond- en hulpstoffen en -afvalstoffen op 1 januari van elk jaar. De totale hoeveelheid vluchtige organische stoffen aanwezig in afvalstoffen, die per kalenderjaar uit de inrichting zijn afgevoerd. Het totale verbruik van vluchtige organische stoffen in het verstreken kalenderjaar, te berekenen uit het verschil tussen de ingekochte hoeveelheden, de afgevoerde hoeveelheden en het voorraadverschil.
ORGANISCHE STOF: Een organische verbinding is een verbinding die ten minste het element koolstof bevat en daarnaast
Pagina 46 van 47
Voorschriften
nog een of meer van de volgende elementen:waterstof, halogenen, zuurstof, zwavel, fosfor, silicium of stikstof, met uitzondering van koolstofoxiden, anorganische carbonaten en bicarbonaten. PBV-VERKLARING VLOEISTOFDICHTE VOORZIENING: Verklaring op basis van het KIWA/PBV document 99-02 Model Verklaring vloeistofdichte voorziening. PGS 15: Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15, Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, Richtlijn voor brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid. RENDABELE MAATREGEL: Naar keuze van de ondernemer ofwel: 1. maatregelen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of minder, of 2. maatregelen die een positieve netto contante waarde hebben bij een interne rentevoet van 15%. SCIOS: Stichting Certificatie Inspectie en Onderhoud Stookinstallaties. Meer informatie over SCIOS en de gecertificeerde bedrijven is te verkrijgen via internet: (http//www.scios.nl). TERUGVERDIENTIJD: De verhouding tussen het investeringsbedrag voor de maatregel na aftrek van eventuele subsidies en de jaarlijkse opbrengsten van de maatregel ten gevolge van de met de maatregel samenhangende energiebesparing en andere besparingen.
In geval van een investering in een installatie voorzien van afzonderlijke energiebesparende componenten moet in plaats van het totaalinvesteringsbedrag worden gerekend met de meerinvestering ten opzichte van een installatie zonder de energiebesparende componenten. Voor de berekening van de financiële opbrengsten ten gevolge van de met de maatregel samenhangende energiebesparing moet worden gerekend met de op het moment van het besparingsonderzoek geldende kosten (tarieven) voor de betrokken inrichting. Er wordt geen rekening gehouden met de eventuele kosten van het (vervroegd) uit bedrijf nemen van een installatie en niet met rentekosten. VLOEISTOFDICHT: De situatie waarbij een vloeistof de niet met vloeistof belaste zijde van een bodembeschermende voorziening niet bereikt. VLOEISTOFDICHTE VLOER: Vloeistofdichte vloer van bewezen kwaliteit inclusief 100% opvang en/of gecontroleerde afvoer alsmede een adequate inspectie- en onderhoudsprogramma. VLOEISTOFKERENDE VOORZIENING: Een voorziening die in staat is vrijgekomen stoffen zo lang te keren dat deze kunnen worden opgeruimd voordat indringing in de bodem plaats kan vinden.
VPR: Voorlopige Praktijk Richtlijn, zoals beschreven in de reeks 'Bodembescherming' deel 55B, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer VLUCHTIGE ORGANISCHE STOF: Een organische stof die bij een temperatuur van 293,15 °K een dampspanning heeft van 10 Pa (0,1 mbar) of meer, of die onder specifieke gebruiksomstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft. WERKBOEK WEGEN NAAR PREVENTIE: Aanpak preventie in het kader van de Wet milieubeheer voor Vervoer, Water, Afval en Energie (Infomil april 2006, kenmerk 3IM06PDO10 PREVENTIE).
Pagina 47 van 47