CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

15 20231213 Bestemmingsplan Regels Toelichting Buitengebied Herendijk 22-24 te Beek en Donk

Commissie Ruimtelijke Zaken 13 december 2023, gemeente LaarbeekBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied Herendijk 22-24 Beek en Donk26.414 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BUITENGEBIED HERENDIJK 22-24 TE BEEK EN DONK bestemmingsplan

Buitengebied Herendijk 22-24 te Beek en Donk bestemmingsplan

Projectleider Mevr. F.J.C.L. Klomp-Pullens Projectmedewerkers Dhr. T. van der Donk Mevr. E. Dortmans

Datum: 21 december 2023

2

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Planlocatie 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3 Zienswijzen 5.4 Handhaving Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 6.1 Doel en reikwijdte 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan 6.3 Voorliggend plan Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Landschappelijk inrichtingsplan Bijlage 2 Aerius realisatiefase Bijlage 3 Aerius gebruiksfase Bijlage 4 Quickscan flora en fauna Bijlage 5 Bodemonderzoek Bijlage 6 Nota van zienswijze

Planregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch Artikel 4 Wonen Artikel 5 Leiding Artikel 6 Waarde - Archeologie 5.1 Artikel 7 Waarde - Archeologie 5.2 Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Artikel 9 Algemene bouwregels

5 6 6 6 7 11 12 12 13 15 15 16 27 29 29 44 49 51 51 54 54 54 54 55 56 56 56 58 61 62 86 94 102 144 345

349 350 350 354 355 355 356 358 360 363 366 366 367 3

Artikel 10 Algemene gebruiksregels Artikel 11 Algemene afwijkingsregels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht Artikel 13 Slotregel Bijlagen bij regels Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten Bijlage 2 Landschappelijk inpassingsplan

368 369 370 370 371 373 374 379

4

T oelichting

5

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied" van gemeente Laarbeek ten behoeve van het herbestemmen van de voormalige pelsdierhouderijlocatie aan de Herendijk 22-24 in Beek en Donk naar een woonbestemming en agrarische bestemming met een kleinschalige camperplaats als ondergeschikte nevenactiviteit. In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om de volgende reden. De Nederlandse overheid heeft met de Wet verbod pelsdierhouderij in eerste instantie bepaald dat er vanaf 1 januari 2024 een fokverbod zou gelden voor het fokken van/met pelsdieren. Door uitbraken van het coronavirus op meerdere pelsdierbedrijven is dit verbod vervroegd ingegaan op 8 januari 2021. De pelsdierhouderij aan de Herendijk is met dit verbod definitief gestaakt en is het van belang dat er een vervolg functie komt voor deze vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie. Hiertoe is het voornemen om de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' te wijzigen in de bestemming 'Wonen' met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-camperplaats'. De gewenste ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan vanuit het bepaalde in het geldende bestemmingsplan.

De strijdigheid van het voorgenomen plan met het vigerende bestemmingsplan is gelegen in het feit dat ter plaatse van het plangebied een agrarische bestemming rust. Initiatiefnemer heeft het voornemen om de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-camperplaats' toe te voegen. Deze herziening is niet mogelijk op grond van een wijzigingsbevoegdheid art. 26.4.1 van het vigerende bestemmingsplan. Echter heeft de gemeente in principe akkoord gegeven en vindt de strijdigheid aanvaardbaar, daarom wordt een herziening van het bestemmingsplan doorlopen. Middels voorliggende toelichting wordt aangetoond op welke wijze deze herziening van het bestemmingsplan aanvaardbaar is en dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.2

Planlocatie

De planlocatie is gelegen aan Herendijk 22-24 te Beek en Donk en ligt aan de westkant van Beek en Donk in het landelijk gebied van gemeente Laarbeek. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Beek en Donk, sectie I, nummers 1365, 1366 en 1367. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

6

Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: Ruimtelijkeplannen.nl

1.3

Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Laarbeek, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 6 juli 2010, van toepassing. Daarnaast geldt er op de locatie het bestemmingsplan "Parkeernormen Laarbeek" en het "Parapluplan Archeologie en monumenten gemeente Laarbeek". Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' toegekend. Daarnaast zij de dubbelbestemmingen 'Leiding' en 'Waarde - Archeologie 2' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de functieaanduidingen 'intensieve veehouderij' en 'specifieke vorm van agrarisch - nertsenfokkerij' van toepassing. Daarnaast is de gebiedsanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' toegekend. In de volgende figuur is een uitsnede weergeven van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.

7

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. In het geldende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de bestemming gewijzigd kan worden naar een woonbestemming. Aan deze wijzigingsbevoegdheid zijn specifieke voorwaarden verbonden. De in het geldende bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid luidt als volgt: "Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen' voor zover het de voormalige agrarische bedrijfswoning betreft, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Het agrarisch bedrijf ter plaatse is beëindigd en agrarisch hergebruik niet langer mogelijk is. b. Deze wijziging is niet toegestaan op agrarische locaties ter plaatse van de aanduiding ‘Reconstructiewetzone - Landbouwontwikkelingsgebied’. c. Het bestemmingsvlak wordt verk leind tot de voormalige agrarische bedrijfswoning met bijhorende tuinen, erven en verhardingen en garage/bergingen en de wijziging gelijktijdig plaatsvindt met wijziging van de overige gronden naar de aangrenzende bestemming ‘Agrarisch’, ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden' en/of ‘Agrarisch met waarden- Landschaps- en Natuurwaarden-1’ en/of ‘Agrarisch met waarden- Landschaps- en Natuurwaarden-2’, waarbij deze worden bestemd overeenkomstig de genoemde aangrenzende bestemmingen. d.

Alle voormalige overtollige bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt waarbij geldt dat, ofwel 15 % van de oppervlakte van de voormalige overtollige bedrijfsgebouwen mag worden toegevoegd aan de inhoud van de woning tot een maximum van 900 m³, ofwel 15% van de oppervlakte van de voormalige bedrijfsgebouwen mag worden toegevoegd aan de oppervlakte aan bijgebouwen tot een maximum van 240 m², waarbij cultuurhistorisch waardevolle gebouwen ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ gehandhaafd dienen te blijven. e. De woning mag geen onevenredige beperking opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikk elingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven. f. De woning dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat." Ad a: Het pelsdierhouderijbedrijf is door het landelijk verbod blijvend gestaakt. Er zijn wettelijke gezien geen 8

mogelijkheden meer om de bedrijfsactiviteiten opnieuw op te starten. De bedrijfslocatie is ingericht op het houden van nertsen. Om om te schakelen naar een andere agrarische bedrijfstak zal het gehele bedrijf gesaneerd moeten worden, omdat de bedrijfsgebouwen niet geschikt zijn voor een ander type veehouderijbedrijf of teeltbedrijf. Dit maakt agrarisch hergebruik niet aannemelijk. Ad b: De initiatieflocatie is niet gelegen binnen de gebiedsaanduiding ‘Reconstructiewetzone Landbouwontwikkelingsgebied’.

Ad c: Het huidige bouwvlak heeft een omvang van circa 1.500 m². Tevens zijn er buiten het bouwvlak, maar binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - nertsenfokkerij' dierverblijven toegestaan op een oppervlakte van circa 18.000 m². Met de beoogde ontwikkeling krijgt het bestemmingsvlak 'Wonen' een omvang van circa 1.500 m². De overige gronden krijgen de bestemming 'Agrarisch'. Als ondergeschikte activiteit is een kleinschalige camperplaats voorzien voor maximaal 20 plaatsen met een omvang van in totaal 1 hectare. De kleinschalige camperplaats kan bestemd worden binnen de bestemming ‘Agrarisch’ middels de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-camperplaats'. Ad d: Het pelsdierenbedrijf aan de oostzijde met de glasconstructie en de sheds (ca. 9.200 m²) wordt in zijn geheel gesloopt. Alle erfverharding en overige voorzieningen als silo's worden eveneens verwijderd. In afwijking van de wijzigingsbevoegdheid wordt een grotere oppervlakte aan bijgebouwen behouden. In de Landschapsinvesteringsregeling wordt dit mogelijk gemaakt tot een oppervlakte van 500 m². Het voornemen is erop gericht om een tweetal voormalige agrarische gebouwen te herbestemmen met een oppervlakte van 506 m² in totaal. Hoewel het maximum van 500 m² wordt overschreden, is deze overschrijding zeer beperkt.

Bouwkundig gezien zijn er constructief geen mogelijkheden om één van de gebouwen voor een klein deel te verkleinen. Daarom het verzoek om combinatie met het definitief beëindigen van het pelsdierhouderijbedrijf deze minimale overschrijding toe te staan. Ad e: Zoals omschreven in hoofdstuk 4.1 zal de voorgenomen ontwikkeling geen beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende bedrijven. Ad f: Zoals omschreven in hoofdstuk 4.1 zal er ter plaatse van het plangebied sprake zijn een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat. Zoals blijkt uit het voorgaande kan met de voorgenomen ontwikkeling gedeeltelijk worden voldaan aan de in de wijzigingsbevoegdheid opgenomen voorwaarden. Omdat er niet wordt voldaan aan alle onderdelen van de wijzigingsbevoegdheid, moet het bestemmingsplan worden herzien. Voor het kleinschalige kamperen in de vorm van kamperen bij een burger is in artikel 26.5.1 een ontheffingsmogelijkheid opgenomen. Aan deze ontheffing zijn specifieke voorwaarden verbonden waaraan met de voorgenomen ontwikkeling moet worden voldaan. De in het geldende bestemmingsplan opgenomen ontheffingsmogelijkheid luidt als volgt: “Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in 26.4.1 sub b voor het toestaan van kleinschalig kamperen in de vorm van kamperen bij de burger in de periode van 15 9

maart tot en met 31 oktober, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De totale omvang van het kleinschalig kamperen mag niet meer bedragen dan 15 kampeermiddelen. b. De oppervlakte mag niet meer bedragen dan 0,3 ha. c. De gronden die gebruikt worden voor het kleinschalig kamperen dienen direct te grenzen aan het bouwvlak of bestemmingsvlak van de woning. d. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. e. De activiteit mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering/bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven. f. Er dient te worden voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een erfbeplantingsplan.” Ad a: Onderhavig verzoek richt zich op het oprichten van een kleinschalige camperplaats met ten hoogste 20 plaatsen. Deze omvang is groter dan hetgeen in de mogelijkheid tot ontheffing is opgenomen. Echter is de grotere omvang van de camperplaats noodzakelijk om het voormalige pelsdierhouderijbedrijf een passende vervolgfunctie te geven, waarbij de gehele locatie benut wordt. Dit is niet het geval bij maximaal 15 plaatsen. Ad b: De camperplaats heeft een beoogde omvang van circa 1,0 hectare. Dit is groter dan hetgeen opgenomen in de ontheffingsmogelijkheid.

Uit de indicatieve inrichtingsschets van de camperplaats blijkt dat de camperplaats wordt geconcentreerd rondom de te behouden voormalige bedrijfsgebouwen. Hierdoor wordt de gehele voormalige bedrijfslocatie benut. Hoewel de oppervlakte van 3.000 m² wordt overschreden is er alsnog sprake van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Ad c: De camperplaats is gelegen direct aan de beoogde woonbestemming van de woning aan de Herendijk 22. Ad d: Zoals omschreven in hoofdstuk 4 zal de voorgenomen ontwikkeling de aanwezige waarden in het gebied niet onevenredig aantasten. Ad e: Zoals omschreven in hoofdstuk 4.1 zal de voorgenomen ontwikkeling geen beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende bedrijven. Ad f: Zoals omschreven in hoofdstuk 2.2.2 zal de voorgenomen ontwikkeling worden voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een erfbeplantingsplan. Zoals blijkt uit het voorgaande wordt er niet voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een ontheffing voor een kleinschalige camperplaats als ondergeschikte activiteit bij een woonbestemming. Gezien de kleinschaligheid van de camperplaats, waaruit geen maandelijks inkomen gehaald kan worden, heeft de gemeente principeakkoord gegeven en vindt het voorgenomen plan aanvaardbaar.

De voorgenomen ontwikkeling past dus niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader 10

gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving. Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.

11

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

2.1.1 Gebiedsprofiel De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Laarbeek. De omgeving van de locatie bestaat uit jonge ontginningsgronden. Dit gebied kenmerkt zich door grote blokverkaveling voor agrarische activiteiten. De planlocatie is gelegen in een bebouwingslint dat zich kemerkt als een gebied met sterke functiemenging. In de omgeving zijn zowel burgerwoningen, glastuinbouwbedrijven en intensieve veehouderijen gelegen. 2.1.2 Ruimtelijke structuur Op de locatie was een pelsdierenhouderijbedrijf gevestigd, waar 5.999 fokteven mochten worden gehouden. Ter plaatse zijn een bedrijfswoning met een gekoppeld bijgebouw, diverse pelsdierenverblijven (circa 9.200 m²) en twee bedrijfsgebouwen voor het pelzen, opslag van pelzen, werktuigen en overige aanverwante zaken (circa 270 m² en 236 m²) en diverse overige voorzieningen als mestopslagen, een spuitplaats, erfverharding en dergelijke. De woning heeft een oppervlakte van circa 300 m2 inclusief aaneengebouwd bijgebouw. De overkapping heeft een oppervlakte van 45 m2. Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak heeft een omvang van circa 1.500 m². Tevens zijn er buiten het bouwvlak, maar binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch nertsenfokkerij' dierverblijven toegestaan op een oppervlakte van circa 18.000 m². In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

12

2.2

Gewenste situatie

2.2.1 Ruimtelijke structuur De initiatiefnemer is voornemens om de pelsdierhouderlocatie om te schakelen naar een woonbestemming, waarbij de bedrijfswoning omgeschakeld wordt naar een burgerwoning. Daarbij zullen de pelsdierverblijven, circa 9.200 m², worden gesloopt, evenals alle overige voorzieningen als mestopslagen, spuitplaats en overtollige erfverharding. De overige gebouwen en de sleufsilo en wateropslag zullen behouden worden ten behoeve van de camperplaats. In de beoogde situatie zal er sprake zijn van een burgerwoning aan de Herendijk 22. In beginsel zal het bestaande bouwvlak de omvang van het beoogde bestemmingsvlak ‘Wonen’ zijn. Dit bestemmingsvlak heeft een omvang van circa 1.500 m² en betreffen de gronden die toebehoren aan de woning aan de Herendijk 22 en de bijbehorende tuin.

Luchtfoto gewenste situatie wonen Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. Daarnaast wenst initiatiefnemer een kleinschalige camperplaats te ontwikkelen ter plaatse van het voormalige pelsdierhouderijbedrijf, direct aansluitend aan de woonbestemming van de woning aan Herendijk 22. De kleinschalige camperplaats zal plaats gaan bieden aan maximaal 20 plaatsen. De camperplaats, circa 1 hectare groot, wordt geconcentreerd rondom de resterende bebouwing van het pelsdierhouderijbedrijf met een omvang van in totaal 506 m². De bestaande bedrijfsinrit wordt behouden en zal de camperplaats ontsluiten op de Herendijk. De camperplaats zal de volgende voorzieningen bieden: Ontvangstruimte met kantoor, sanitaire voorzieningen en een onderhoudswerkplaats; Huiskamer met koffie- en theefaciliteiten, speel- en ontspanningsruimte, toiletgroep; Sanistation voor het lozen van afvalwater; Hemelwateropslag ten behoeve van het beregenen van perceel. 13

De kleinschalige camperplaats zal met een knipoog verwijzen naar het oorspronkelijke boerenbedrijf door de camperplaats te situeren binnen weides met kleindieren. Er wordt gedacht aan circa 5 tot 10 dieren. In de volgende figuur is de gewenste situatie van de kleinschalige camperplaats in een situatietekening weergegeven.

Situatietekening gewenste situatie. Bron: Van Dooren Landschap 2.2.2 Landschappelijke inpassing Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in paragraaf 2.2.1 al reeds weergegeven. Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 1 van deze onderbouwing. Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

14

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld en in werking getreden. In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI stelt daarbij een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wil men werken aan de volgende prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio’s 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Verder heeft men in de Uitvoeringsagenda Nationale Omgevingsvisie 2021-2024 een aantal voorlopige NOVI-gebieden geselecteerd. Het plangebied is niet gelegen in één van deze gebieden. Binnen de prioriteit 4 ‘toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied’ gaat het onder andere over de transitie in het buitengebied. Onderhavige ontwikkeling past binnen deze prioriteit, en vormt derhalve geen belemmering binnen deze Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, inwerkintreding 1 januari 2012) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen.

Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen. 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is op 9 december 2011 vastgesteld ter bescherming van radarposten van defensie. De Rarro is verschillende keren geactualiseerde en bijgewerkt. De meest recente versie is op 1 juli 2021 geconsolideerd en in werking getreden. De locatie is gelegen nabij een radarverstoringsgebied behorende bij radarstation Volkel. De locatie zelf ligt in het gebied 'radarverstoringsgebied maximale hoogte 90 meter t.o.v. NAP'. Vanuit de Rarro geldt een toetsingsplicht voor windturbines en andere bouwwerken indien deze binnen een radarverstoringsgebied en een obstakelbeheergebied van een radarpost van defensie zijn gelegen. Voor windturbines geldt de toetsingsplicht wanneer deze binnen 75 kilometer van een radarpost wordt opgericht. Bij overige bebouwing geldt de toetsingsplicht indien deze binnen 15 kilometer van een radarpost wordt opgericht.

De locatie is niet binnen 15 kilometer van de radarpost Volkel gelegen. Aangezien de locatie niet in het radarverstoringsgebied ligt en de maximale bouwhoogte ver onder de 90 meter t.o.v. NAP blijft, kan gesteld worden dat er voor de voorgenomen ontwikkelingen geen belemmeringen zijn. Het staat de bescherming van radarposten zoals is opgenomen in de Rarro gezien het voorgaande dan ook niet in de weg.

3.1.4 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. 15

Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Op basis van jurisprudentie blijkt ook dat de realisatie van één of enkele woningen niet gezien wordt als een stedelijke ontwikkeling zoals gedefinieerd in het Bro. Dit betekent dat in onderhavig plan niet verder aan de Ladder behoeft te worden getoetst, aangezien de woning feitelijk al aanwezig is.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant heeft, in het kader van de naderende Omgevingswet, een nieuwe Omgevingsvisie opgesteld waarin de provinciale beleidsuitgangspunten uiteen worden gezet. De Omgevingsvisie is op 14 december 2018 vastgesteld. De beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie zijn niet juridisch bindend, maar zijn wel de basis van het ruimtelijke beleid. De Omgevingsvisie gaat over twee vragen: 1. Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien? 2. Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn. De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert.

Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom. Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier. Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie. Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen.

Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendigd bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen. Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd: Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; 16

Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedsspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. In de omgevingsvisie zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Wel is van belang dat op duurzame wijze wordt ontwikkeld en dat rekening wordt gehouden met klimaatsveranderingen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Met name voor bedrijventerreinen liggen grote kansen voor klimaatadaptatie en energietransitie. Bij de gewenste ontwikkeling is, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 4.1), geen sprake van onevenredige belemmeringen ten aanzien van milieu. Het woon- en leefklimaat van de omgeving zal met de voorgenomen ontwikkeling, door de beëindiging van de pelsdierhouderij, (aanzienlijk) verbeteren. Dit draagt bij aan de omgevingskwaliteit en een duurzame leefomgeving. Daarnaast zal de energiebehoefte van de te herontwikkelen bedrijfslocatie aanzienlijk afnemen. Dit draagt bij aan de energieen klimaatdoelstellingen.

Ten slotte is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan gemaakt (zie bijlage 1 Landschappelijk inrichtingsplan van deze toelichting), waarin een goede landschappelijke inpassing van de locatie is opgenomen. Dit draagt bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en omgevingskwaliteit van de omgeving. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant. 3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 heeft de provincie Noord-Brabant de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De interim omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd. De Interim omgevingsverordening is verschillende keren geactualiseerd en gewijzigd. De meest recente versie is op 15 april 2022 geconsolideerd en in werking getreden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een intensieve pelsdierhouderij, waarbij de huidige bedrijfswoning met bijbehorende bijgebouwen wordt omgeschakeld naar een burgerwoning.

Vanuit de verordening is de locatie gelegen in het gebied dat is aangemerkt als 'landelijk gebied' met de nadere aanduidingen 'gemengd landelijk gebied' en 'stalderingsgebied'. Binnen het gebied dat is aangemerkt als stalderingsgebied gelden aanvullende voorwaarden voor (de ontwikkeling van) veehouderijbedrijven waarop hokdieren worden gehouden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een (ontwikkeling van een) veehouderijbedrijf waarop hokdieren gehouden worden. Er worden bij de voorgenomen ontwikkeling juist veehouderijen waarop hokdieren worden gehouden beëindigd. De regels met betrekking tot het stalderingsgebied zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Voor de beëindiging van een veehouderij zijn in de verordening geen specifieke regels opgenomen. Wel geldt vanuit artikel 3.68 van de verordening dat alleen bestaande bedrijfswoningen en burgerwoningen zijn toegestaan. In feite is de omschakeling van de bedrijfswoning naar een burgerwoning daarmee niet zomaar mogelijk. Echter is in artikel 3.69 de volgende afwijking opgenomen op artikel 3.68: "Artikel 3.69 Afwijkende regels (burger)woningen In afwijking van Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: a. de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat: 1.

de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. b. de inpandige splitsing van een beeldbepalende woonboerderij als: 1. een fysieke tegenprestatie wordt geleverd aan het versterken van de omgevingskwaliteit 17

vergelijkbaar met de tegenprestatie voor een ruimte voor ruimtekavel; en 2. de beeldbepalende woonboerderij wordt behouden. c. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. d. in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt." Op basis van artikel 3.69, onder d kan het gebruik van een voormalige bedrijfswoning mogelijk worden gemaakt indien geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt en overtollige bebouwing wordt gesloopt. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal alleen de bestaande bedrijfswoning worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Deze zal niet in meerdere wooneenheden worden gesplitst. Er is daarmee geen sprake van splitsing in meerdere woonfuncties. Daarnaast wordt bij de voorgenomen ontwikkeling ruim 9.200 m² aan (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Er is daarmee eveneens sprake van sloop van overtollige bebouwing. Gezien het voorgaande wordt daarmee aan de voorwaarden voor afwijking uit artikel 3.69 voldaan. De omschakeling van de voormalige bedrijfswoning naar een burgerwoning past daarmee binnen de mogelijkheden uit de verordening.

Naast specifieke regels voor bepaalde ontwikkelingen gelden voor ontwikkelingen in het landelijk gebied algemene regels ten behoeve van het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Hiervoor geldt vanuit artikel 3.5 van de verordening het volgende: "Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Lid 2 Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie." Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen. Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2.

er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. 18

Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel." Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het beëindigen van een pelsdierhouderij, waarbij de bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Het huidige bouwvlak zal daarbij worden verkleind tot een bij de ontwikkeling passende omvang. Er is daarmee sprake van een ontwikkeling binnen het bestaande ruimtebeslag. Zoals nader is omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.4) is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Alle aanwezige bebouwing wordt geconcentreerd binnen de woonbestemming en aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-camperplaats. Er is na realisatie van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bebouwing buiten deze woonbestemming en aanduiding. Er is daarmee sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik. Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen: "Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid 1 De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2 De lagenbenadering omvat de effecten op: a.

de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3 Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid." Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan. Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a.

de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de 19

ontwikk eling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap k an deel uitmaken van de meerwaardecreatie." Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan voor de locatie gemaakt (zie bijlage 1 Landschappelijk inrichtingsplan van deze toelichting), waarin een goede landschappelijke inpassing van de locatie is opgenomen. Dit draagt bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en omgevingskwaliteit van de omgeving. Een goede landschappelijke inpassing wordt op basis van artikel 3.9 (IOV) gezien als een meerwaardecreatie. Daarnaast wordt bij de voorgenomen ontwikkeling een pelsdierhouderij beëindigd. Daarbij zal de uitstoot van geur, ammoniak, fijnstof, stikstof en van mogelijke ziektekiemen en/of zoönosen (aanzienlijk) afnemen. Daarmee zal het woon- en leefklimaat in de omgeving verbeteren, waarmee sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit. Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit.

Voor wat betreft de kwaliteitsverbetering van het landschap gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen: "Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; a. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterk ing van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; b. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; c. het wegnemen van verharding; d. het slopen van bebouwing; e. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; f. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële 20

bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. In het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO) zijn afspraken gemaakt over de uitwerking en toepassing van de regeling 'kwaliteitsverbetering van het landschap' uit de voormalige Verordening ruimte (thans interim omgevingsverordening). Binnen de gemeente Laarbeek is de Landschapsinvesteringsregeling van toepassing. Dit houdt het volgende in: het omzetten van een agrarisch bouwvlak naar een woonbestemming wordt gezien als een categorie 2 ontwikkeling waarbij de overtollige bebouwing wordt gesloopt, verhardingen worden verwijderd en de omvang van het agrarisch bouwvlak wordt teruggebracht naar een relatief aanvaardbare woonbestemming; het oppervlak aan bijgebouwen wordt gemaximeerd op 500 m² en voor elke m² boven het toegestane oppervlak aan bijgebouwen van 150 m² wordt een bijdrage van € 12,- in rekening gebracht. de locatie dient landschappelijk te worden ingepast. Het voorgenomen plan betreft een categorie 2 ontwikkeling. Ter plaatse wordt ruim 9.200 m² aan (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Er is daarmee eveneens sprake van sloop van overtollige bebouwing.

Tevens wordt de overtollige verharding verwijderd en het agrarisch bouwvlak wordt teruggebracht naar een aanvaardbare woonbestemming van circa. 1540 m². Daarmee wordt voldaan aan een categorie 2 ontwikkeling. Toepassing van voornoemde regeling betekent dat voor deze bestemmingsplanherziening ter zijner tijd een bedrag van € 4.200,- ((500 m² – 150 m²) * € 12,-) als LIR bijdrage aan de gemeente dient te worden betaald. Met het landschappelijke inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 1 wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de bepalingen zoals zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant. Op de locatie is sprake van een omschakeling van een agrarisch intensieve veehouderij naar een kampeerplaats. Daarnaast wordt de woning op huisnummer 22 omgeschakeld naar burgerwoning. De recreatieve voorzieningen worden gezien als een niet-agrarische functie. Daarmee zijn de regels voor de vestiging/ontwikkeling van een niet-agrarische functie in het landelijk gebied, zoals ijn opgenomen in artikel 3.73 van de verordening, van toepassing.

Deze regels zijn als volgt: "Artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied Lid 1: Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokk en: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Lid 2: 21

Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. b. c. d.

over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

Lid 3: Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare." Ad 3.73, lid 1, sub a, onder 1: de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; De gemeente Laarbeek heeft bij het opstellen van het Omgevingsplan voor het buitengebied voor verschillende gebieden onderzocht welke functies in de gebieden passend en wenselijk zijn. Niet-agrarische functies zijn, onder voorwaarden, mogelijk in het gebied waarin de locatie is gelegen. Daarnaast zijn in de directe omgeving van de locatie al reeds meerdere voormalige agrarische bedrijven (veehouderijen) gelegen die reeds zijn omgeschakeld naar een niet-agrarische bedrijfsfunctie. Daarmee is sprake van een ontwikkeling die goed past binnen het gebied waarin de locatie is gelegen. Verder wil de gemeente Laarbeek investeren in de recreatieve sector.

In Nederland is er een algemeen groeiende vraag naar voorzieningen voor toerisme, recreatie en vrije tijd. Ook in de omgeving is, met name vanwege de ligging nabij het recreatiegebied De Maashorst, een groeiende vraag naar voorzieningen voor verblijfsrecreatie. Er is daarmee een grote, en steeds meer groeiende behoefte aan recreatieve voorzieningen in de nabije omgeving van de locatie. De gemeente wil daarnaast inspelen op de groeiende vraag naar recreatieve voorzieningen. Het voorgenomen initiatief draagt daaraan bij, waarmee dit goed aansluit bij de doelstellingen van de gemeente. Tevens is de gemeente Laarbeek een gemeente die heeft te kampen met een overbelasting op het gebied van geur. De gemeente wenst daarom de geuremissie van bedrijven in het landelijk gebied te verminderen. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd, waarmee de geurbelasting op de omgeving zal afnemen. Dit past binnen de doelstellingen die de gemeente heeft voor dit gebied. Er is daarmee sprake van een ontwikkeling die past binnen het gebied. Verder heeft de gemeente in de gemeentelijke structuurvisie voor het buitengebied opgenomen dat de Volkelseweg, waaraan de locatie is gelegen, is aangemerkt als gebied waarin kwaliteitsimpulsen kunnen worden toegepast door het stimuleren van initiatieven op het gebied van toerisme en recreatie.

De voorgenomen ontwikkeling is daarmee passend in de omgeving. Ad 3.73, lid 1, sub a, onder 2: de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 22

Zoals nader is aangetoond in het hoofdstuk "Milieuzonering" (hoofdstuk 4.1.1) zal de voorgenomen ontwikkeling geen significant nadelige gevolgen hebben op de in de omgeving aanwezige functies en/of waarden. Tevens zal met de voorgenomen beëindiging van de intensieve veehouderij sprake zijn van een aanzienlijke afname van de uitstoot van geur, fijnstof, stikstofoxiden, ammoniak en broeikasgassen. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling een positief effect hebben op de leefbaarheid in de omgeving. Vanuit de maatschappij wordt volksgezondheid steeds meer gezien als belangrijke factor voor het woonen leefgenot van de mens. Met de maatschappelijke discussie die momenteel speelt rondom volksgezondheid in relatie tot veehouderijen en door de campagnes van dierenrechtenorganisaties wordt het beeld op intensieve veehouderijen steeds negatiever. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden twee intensieve veehouderijen, zijnde varkenshouderijen beëindigd. Daarmee wordt een deel van de angst bij omwonenden op risico's voor de volksgezondheid vanuit de veehouderij weggenomen. Er zal immers niet langer meer sprake zijn van veehouderijen op de locatie met de mogelijk daarbij behorende gezondheidsrisico's.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden en/of bedrijfsvoering van omliggende agrarische bedrijven. Tevens zullen ook geen andere functies in de ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad. Er is daarmee geen sprake van een belemmering van de verdere ontwikkeling van het gebied. Een intensieve veehouderij heeft een grote energiebehoefte. Daarnaast heeft een intensieve veehouderij een grote uitstoot van geur, fijnstof, broeikasgassen en ammoniak. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de intensieve veehouderij ter plaatse worden beëindigd. De gewenste recreatieve functie en de burgerwoning hebben een aanzienlijk lagere energiebehoefte dan een volwaardige intensieve veehouderij. Het energieverbruik op de locatie zal daarmee aanzienlijk lager worden dan in de huidige situatie. Dit komt ten goede aan het klimaat en aan het milieu. Daarnaast zal met de voorgenomen ontwikkeling de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk afnemen. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan een verbetering van het klimaat. Door een verminderde uitstoot van broeikasgassen zal minder sprake zijn van een bijdrage aan de klimaatsverandering en de opwarming van de aarde.

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "De toelichting" (paragraaf 6.2.1), geen sprake van aanpassingen aan of van een aantasting van de infrastructuur ter plaatse. Tevens zal parkeren geheel op eigen terrein plaatsvinden. Het aantal verkeersbewegingen zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen. Daarmee zal er geen sprake zijn van nadelige gevolgen op de mobiliteit in het gebied. De gewenste ontwikkeling betreft geen bedrijfsvoering die zal concurreren met functies op het bedrijventerrein. Doorgaans zijn bedrijven voor recreatie aan het buitengebied gebonden omdat stedelijke gebieden vaak niet de benodigde ruimte kunnen bieden. Daarnaast is een voorziening voor verblijfsrecreatie niet passend op een bedrijventerrein. Verder wordt met de voorgenomen ontwikkeling een nieuwe invulling gegeven aan een (voormalig) agrarisch bedrijf en de daarbij behorende bebouwing. Daarmee wordt de leegstand ter plaatse tegengegaan. De voorgenomen ontwikkeling zal nieuwe invullingen van andere voormalige agrarische bedrijven daarnaast niet in de weg staan. Er is daarmee geen sprake van een functie die zal leiden tot een leegstand elders.

Ad 3.73, lid 1, sub a, onder 3: de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied; Bij de voorgenomen ontwikkeling zal, zoals nader is omschreven en verder is uitgewerkt in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), sprake zijn van een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en onderbouwd. Daarmee draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan een verbetering van de ruimtelijke 23

kwaliteit van het gebied en de omgeving. Vanuit het beleid van de gemeente Laarbeek is een investering in de ruimtelijke kwaliteit vereist op basis van de bestemmingswinst die wordt behaald met een ruimtelijke ontwikkeling. Zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (paragraaf 4) wordt met de voorgenomen ontwikkeling in voldoende mate een investering gedaan in de ruimtelijke kwaliteit. Verder wordt er aan de aanwezige bebouwing in zijn geheel een nieuwe invulling gegeven. Daarmee wordt leegstand en verpaupering van bebouwing in het buitengebied voorkomen. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan de omgevingskwaliteit van het landelijk gebied. Ad. 3.7.3, lid 1, sub b: er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; Er is bij de gewenste ontwikkeling geen sprake van een splitsing van een bouwperceel. Ad. 3.73, lid 1, sub c: overtollige bebouwing wordt gesloopt; De overtollige bebouwing (sheds) zullen worden gesaneerd. De totale bebouwde oppervlakte zal sterk afnemen. Ad. 3.73, lid 1, sub d: de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een kantoor met baliefunctie, een lawaaisport en/of van mestbewerking. Ad.

3.73, lid 2, sub a: Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; De voorgenomen recreatieve voorziening zal met name in de weekenden worden benut. Doordeweeks zullen de voorzieningen minder worden gebruikt, met uitzondering van tijdens vakantieperiodes. De verkeers- en publieksaantrekkende werking uit zich daarmee met name in de weekenden en de vakanties. Op de locatie vinden reeds verkeersbewegingen plaats ten behoeve van de huidige bedrijvigheid. Deze zullen met de voorgenomen ontwikkeling komen te vervallen. Gemiddeld genomen is daarmee sprake van slechts een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie. Zoals nader is omschreven in de paragraaf "De verbeelding" (paragraaf 6.2.3), zal deze toename echter uitsluitend betrekking hebben op de piekperioden. In de praktijk zal het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie aanzienlijk lager zijn. Daarnaast komt het aandeel aan vrachtverkeer vrijwel geheel te vervallen, waarmee de mogelijke overlast vanuit het verkeer alleen maar zal afnemen. Gezien het voorgaande zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige publieks- en verkeersaantrekkende werking. Ad.

3.73, lid 2, sub b: Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past 24

binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het uitvoeren van een recreatiebedrijf. Deze gebruiksactiviteiten worden door de gemeente vastgelegd in het omgevingsplan voor het buitengebied. Er worden geen andere activiteiten rechtstreeks toegelaten. Daarmee worden geen andere bedrijfsmatige activiteiten toegestaan dan worden aangevraagd. Ad. 3.73, lid 2, sub c: Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden de activiteiten plaats in bebouwing. Er is daarmee geen sprake van opslag buiten de bebouwing. Ad. 3.73, lid 2, sub d: Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang; In de omgeving van de gemeenten Boekel, Uden en Bernheze is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Gewenste situatie" (paragraaf 2.2), een grote vraag naar recreatievoorzieningen.

Met name door het nabijgelegen gebied De Maashorst is sprake van een grote behoefte aan verblijfsrecreatie. De gemeente wil inspelen op de groeiende vraag naar recreatieve voorzieningen. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt tegemoet gekomen aan deze groeiende vraag. De locatie is daarnaast centraal gelegen en is goed bereikbaar. Daarmee biedt de locatie goede mogelijkheden voor een recreatiebedrijf. De omvang van het bedrijf zal de maximaal toelaatbare omvang vanuit het ruimtelijk beleid ook niet overschrijden, waarmee sprake is van een bedrijf met een omvang die passend is op de locatie. Ad. 3.73, lid 3, sub a: Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; Het gewenste recreatiebedrijf van de initiatiefnemer wordt door de initiatiefnemer in eigen beheer uitgevoerd. Er is daarmee geen sprake van een bedrijf met een grote personele behoefte. Op de locatie bevinden zich daarnaast reeds geruime tijd bedrijven met de daarbij behorende bedrijfsbebouwing. De locaties hebben daarmee al geruime tijd de positie in het landschap die zij nu hebben. Het aandeel aan bebouwd oppervlakte zal sterk afnemen, wat ten goede komt voor het gebied.

De verkeersbewegingen zullen uitsluitend tijdens de piekperioden en bij een volledige bezetting plaatsvinden. In de praktijk zal het aantal verkeersbewegingen aanzienlijk lager liggen, met name buiten de piekperioden. Het aantal bezoekers van het bedrijf is daarmee beperkt, waarmee sprake is van een kleinschalige bedrijvigheid. Verder dient te worden bekeken of het doelmatig is om het bedrijf op een bedrijventerrein te vestigen. Bij een voorziening voor verblijfsrecreatie is een rustige omgeving van belang. Op een bedrijventerrein kan door de werkzaamheden die daar worden uitgevoerd en het (vaak zware) verkeer dat daar rijdt die rust niet 25

worden gewaarborgd. Een recreatieve functie op een bedrijventerrein zal daarmee eerder leiden tot een beperking van de daar gevestigde andere bedrijven. Daarmee ligt de vestiging van de gewenste recreatieve functie op een bedrijventerrein niet voor de hand. Tevens zou vestiging van het bedrijf op een bedrijventerrein betekenen dat de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing op de locatie leeg komt te staan. Dit past niet binnen de doelstellingen om de leegstand van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing te verminderen. Daarnaast betekent leegstand van de bebouwing dat deze niet (goed) meer wordt onderhouden, waardoor verpaupering van de bebouwing optreedt. Daarmee zal de beeldkwaliteit en de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving verslechteren. Tevens komt het vaak voor dat leegstaande voormalige agrarische bebouwing wordt gebruikt voor illegale en soms zelfs criminele activiteiten. Dit is op de locatie niet wenselijk. Verder is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.4), met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waarmee vestiging in stedelijk gebied niet voor de hand ligt. Het is daarmee niet doelmatig om het gewenste bedrijf van de initiatiefnemer op een bedrijventerrein te vestigen.

Het bestemmingsvlak en de overige gronden worden vastgelegd in concrete bestemmingen op een bij een bestemmingsplan/omgevingsplan behorende verbeelding. De maximale oppervlakte die gebruikt kan worden voor de gewenste bedrijvigheid wordt daarmee vastgelegd en geregeld in een bestemmingsplan/omgevingsplan. Ad. 3.73, lid 3, sub b: Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een voorziening voor detailhandel. Ad. 3.73, lid 3, sub c: Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare; De totale oppervlakte van het bedrijf voor recreatie, inclusief de opslag als nevenactiviteit past binnen de maximaal toelaatbare omvang. Vanuit artikel 3.75 van de verordening gelden aanvullende regels voor vrije-tijds voorzieningen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een recreatieve voorziening. Dit is aan te merken als een vrije-tijds voorziening. Hiermee zijn de aanvullende regels uit artikel 3.75 eveneens van toepassing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=36c969ce-6aad-4973-b3f3-6475b4e37855