14 20240613 2b. Regels en Toelichting met bijlagen - 'Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout'
Tekst van het document
Bestemmingsplan "Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout"
Bezoekadres Postadres
Rombou : Jufferenwal 30, 8011 LE Zwolle : Postbus 432, 8000 AK Zwolle
Datum
: 25 april 2024
Status Projectleider Telefoon E-mail
: vastgesteld : Rombou EW / EL / SvS : 08 8236 8236 : info@rombou.nl
Inhoudsopgave Vaststellingsbesluit
7
Toelichting
Hoofdstuk 1
Inleiding
9
1.1
Aanleiding
9
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
10
1.3
Vigerende bestemmingsplannen
10
1.4
Leeswijzer
12
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
13
2.1
Bestaande situatie
13
2.2
Gewenste situatie
14
Hoofdstuk 3
Beleidskader
21
3.1
Nationaal beleid
21
3.2
Provinciaal beleid
23
3.3
Gemeentelijk beleid
34
Hoofdstuk 4
Milieu- en omgevingsaspecten
37
4.1
Inleiding
37
4.2
M.e.r.-beoordeling
37
4.3
Bedrijven en milieuzonering
41
4.4
Bodemkwaliteit
43
4.5
Geluid
44
4.6
Geur
45
4.7
Externe veiligheid
46
4.8
Luchtkwaliteit
49 3
4.9
Water
52
4.10
Ecologie
59
4.11
Cultuurhistorie en archeologie
65
4.12
Ontsluiting, verkeer en parkeren
70
4.13
Kabels en leidingen
71
4.14
Gezondheid
71
Hoofdstuk 5
Juridische vormgeving
72
5.1
Algemeen
72
5.2
Juridische vormgeving
72
Hoofdstuk 6
Maatschappelijke en Economische uitvoerbaarheid
75
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
75
6.2
Economische uitvoerbaarheid
76
Bijlagen
Bijlage 1
Advies AAB
Bijlage 2
Tekening bestemmings- en differentiatievlak
Bijlage 3
Beplantingsplan
Bijlage 4
Omgevingsdialoog
Bijlage 5
BZV toets
Bijlage 6
Omgevingsvergunning 24 mei 2016
Bijlage 7
Aeriusberekening gebruiksfase
Bijlage 8
Watertoets
Bijlage 9
Ecologische quickscan
Bijlage 10
Aeriusberekening aanlegfase
Bijlage 11
Reactienota vooroverleg
Regels
4
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
229
Artikel 1
Begrippen
229
Artikel 2
Wijze van meten
244
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
246
Artikel 3
Agrarisch - Agrarisch bedrijf
246
Artikel 4
Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden - 1
254
Artikel 5
Waarde - Archeologie 3
257
Artikel 6
Waarde - Archeologie 5.1
262
Artikel 7
Waarde - Archeologie 5.2
267
Artikel 8
Waarde - Archeologie 7
272
Artikel 9
Waarde - Cultuurhistorie bomen
277
Hoofdstuk 3
Algemene regels
278
Artikel 10
Anti-dubbeltelregel
278
Artikel 11
Algemene bouwregels
279
Artikel 12
Algemene aanduidingsregels
280
Artikel 13
Algemene gebruiksregels
284
Artikel 14
Algemene afwijkingsregels
285
Artikel 15
Algemene procedureregels
287
Artikel 16
Overige regels
288
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
289
Artikel 17
Overgangsrecht
289
Artikel 18
Slotregel
290
Bijlagen
Bijlage 1
Omgevingsvergunning 24 mei 2016
Bijlage 2
Staat van bedrijfsactiviteiten Inhoudsopgave
5
Bijlage 3
6
landschappelijke inpassing
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Vaststellingsbesluit
Vaststellingsbesluit
7
Vaststellingsbesluit Deze pagina vervangen door het vaststellingsbesluit dd 25 april 2024
Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1
Aanleiding
Op de locatie Sonseweg 13 te Lieshout exploiteert initiatiefnemer een melkveehouderij. Initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe ligboxenstal en loods te realiseren. Door de nieuwbouw wordt bedrijfsontwikkeling gekoppeld aan een verdere verduurzaming, verhoging van het dierenwelzijn en de toekomstbestendigheid van het melkveebedrijf. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de mogelijkheden cq. grenzen van het bestemmingsvlak Agrarisch - Agrarisch bedrijf. Om de nieuwe ligboxenstal en loods te kunnen realiseren is een aanpassing (vormverandering) van het bestaande bestemmingsvlak noodzakelijk en daarbij het toevoegen van een differentiatievlak voor ruwvoeropslag. Het voornemen van initiatiefnemer is door de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen beoordeeld. De Adviescommissie is van oordeel dat binnen de contouren van het huidige bestemmingsvlak onvoldoende ruimte beschikbaar is voor de opslag van het ruwvoer dat benodigd is voor de bedrijfsvoering. Mede gelet op de voorgenomen uitbreiding van de bedrijfsbebouwing door de bouw van een loods en de bouw van een ligboxenstal is de Adviescommissie van oordeel dat toekenning van een bouwvlak van 1,50 hectare in combinatie met de toekenning van een differentiatievlak van 0,50 ha voor de opslag van ruwvoer passend is. Het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen is als Bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd.
Gelet op het advies van de commissie heeft het college van B&W besloten om medewerking te verlenen aan het plan. Omdat het huidige bestemmingsplan niet voorziet in een regeling die deze ontwikkeling mogelijk maakt is deze herziening van het bestemmingsplan opgesteld. De voorliggende herziening van het bestemmingsplan voorziet in een actueel juridisch planologisch kader waarin de uitvoerbaarheid van het plan getoetst aan het relevantie beleid en de milieu- en omgevingsaspecten.
Toelichting
9
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Laarbeek aan de Sonseweg 13 te Lieshout. Het plangebied ligt ten westen van de kern van Lieshout en te noorden van het Wilhelminakanaal. Het linker plaatje van afbeelding 1 geeft een impressie van de ligging van het plangebied in relatie tot de omgeving weer. Het rechter plaatje is een luchtfoto van de locatie waarop indicatief de begrenzing van het plangebied is aangegeven.
Afbeelding 1: Locatie Sonseweg 13 te Lieshout Het plangebied heeft een oppervlakte van 2 hectare. Hierbinnen wordt de nieuwbouw opgericht en liggen de voorzieningen (ruwvoeropslagen, mestzakken en erfverharding). Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar het bijbehorende verbeelding. 1.3
Vigerende bestemmingsplannen
Binnen het plangebied zijn de volgende bestemmingingsplannen vigerend: "Buitengebied " (vastgesteld op 6 juli 2010);' "Parkeernormen Laarbeek" (vastgesteld op 7 juni 2018) "Parapluplan Archeologie en monumenten gemeente Laarbeek". De locatie heeft de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' (art. 4). De omvang van het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf is circa 1,5 hectare. Zie ook afbeelding 2. De naast het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' gelegen gronden hebben de bestemmingsaanduiding ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijke en Natuurwaarden 1'. 10
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Afbeelding 2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Het plangebied heeft de volgende archeologische dubbelbestemmingen: 'Waarde - Archeologie 7' (westzijde); 'Waarde - Archeologie 5.2 (midden); 'Waarde - Archeologie 3' (oostzijde) Binnen deze dubbelbestemmingen gelden verschillende beschermingsregimes voor mogelijk aanwezige archeologische waarden. De maatvoeringsaanduiding geeft aan dat er twee bedrijfswoning zijn toegestaan. Tot slot zijn de gebiedsaanduidingen 'Reconstructiewetzone - verwevingsgebied' van kracht op het plangebied en aan de noordoostzijde van het plangebied de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - leiding gas'. Op 7 juni 2018 is het paraplubestemmingsplan 'Parkeernormen Laarbeek' vastgesteld. Dit bestemmingsplan is opgesteld om éénduidig parkeerbeleid vast te stellen met ruime en praktische kaders. Aanleiding van deze parapluherziening was het vervallen van de bouwverordening per 1 juli 2018, op grond waarvan de gemeente tot dan bij vergunningverlening kon toetsen aan de gemeentelijke parkeernormen.
Toelichting
11
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de bestaande situatie en de beoogde ontwikkeling. Hoofdstuk 3 gaat in op het relevante beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. In hoofdstuk 4 zijn de resultaten van de relevante milieuonderzoeken opgenomen. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
12
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1
Bestaande situatie
Initiatiefnemer exploiteert aan de Sonseweg 13 in Lieshout een grondgebonden melkrundveebedrijf. De locatie ligt op circa 200 meter uit de openbare weg en wordt ontsloten door een eigen toegangsweg. Op het bedrijf worden circa 320 melkkoeien en een 180-tal stuks jongvee gehouden. Bij het bedrijf is ruim 160 ha grond in gebruik, waarvan 142 ha eigendom. Van deze eigendomsgrond is bijna 136 ha in de redelijk directe nabijheid van de bedrijfslocatie gelegen. Een afbeelding van het erf met de gebouwen en voorzieningen is onderstaand weergegeven.
Afbeelding 3: bestaand erf aan de Sonseweg 13 in Lieshout In de bestaande situatie zijn op het erf twee aan elkaar gebouwde ligboxenstallen met een gezamenlijke afmeting van circa 52 x 80 meter aanwezig (zie no. 1 van afbeelding 3). Verder zijn twee loodsen aanwezig, te weten een loods van 20 x 32 meter waarin ook een kalverenstal is ondergebracht (no. 2) en een loods van 13 x 35 Toelichting
13
meter voor het stallen van machines en materialen (no. 3). Voor de opslag van rundveemest beschikt het bedrijf over een tweetal mestbassins. Deze bassins zijn gelegen aan de achterzijde van het bedrijf (no. 4). De ruwvoeropslagen zijn geconcentreerd aan de oostzijde van het bedrijf (no. 5). Aan de voorzijde van het erf zijn de twee bedrijfswoning aanwezig (no. 6). In het kader van de verduurzaming heeft initiatiefnemer nagenoeg alle daken van bedrijfsgebouwen voorzien van zonnepanelen. Verder wordt alle overtollige mest afgezet naar een verwerker (Groenewoud Gas), waar door middel van vergisting groen gas wordt geproduceerd. Het restproduct is vaste mest voor export en vloeibare kunstmest voor teruglevering. Met de mestverwerker is door initiatiefnemer een contract gesloten voor de huidige situatie, inmiddels is meer mest welkom voor de productie van meer groen gas. Voor de exploitatie van de huidige activiteiten is een milieuvergunning verleend. Daarnaast is een natuurvergunning verleend voor de stikstofdepositie van deze activiteiten. 2.2
Gewenste situatie
2.2.1
Gebouwen
Voor een verdere verduurzaming van de bedrijfsvoering, het verhogen van het dierenwelzijn en de toekomstbestendigheid van het melkveebedrijf wil initiatiefnemer investeren in de bouw van een melkveestal en een nieuwe loods. De gewenste bedrijfsgebouwen zijn weergegeven op de onderstaande afbeelding.
14
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Afbeelding 4: gewenste situatie met melkveestal en loods In de huidige situatie is er sprake van een beperkte stallingsruimte voor machines en materialen. De uitbreiding van de loods zorgt voor een efficiëntere bedrijfsvoering doordat machines en materialen beter gestald kunnen worden. De nieuwbouwloods is gesitueerd naast de bestaande loods van 13 x 35 meter. De nieuwe melkveestal betreft een drierijïge ligboxenstal voor maximaal 158 melkkoeien. De stal wordt aan de westzijde van de eigen toegangsweg gebouwd. Deze situering heeft als voordeel dat beweiding van de koeien mogelijk is omdat het grasland aansluitend aan deze nieuwe stal ligt. De koeien hoeven de toegangsweg dan niet te kruisen. Bovendien kan de huidige toegangsweg met alle leidingen en kabels behouden blijven. De uitbreiding van de stalcapaciteit past qua stikstofemissie binnen het plafond van de aanwezige vergunning voor de Wet natuurbescherming. Dat wordt gerealiseerd door het verduurzaming van de huidige veestallen. In de voorliggende gewenste situatie is derhalve geen sprake van een toename van de stikstof,- of ammoniakdepositie en kan de wijziging dus plaatsvinden op basis van intern salderen.
Toelichting
15
2.2.2
Voorzieningen
De Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen constateerde dat het bedrijf van initiatiefnemer binnen de contouren van het bestemmingsplan 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' onvoldoende ruimte beschikbaar heeft voor de opslag van het ruwvoer dat benodigd is voor de bedrijfsvoering. Een deel van de bestaande voorziening ligt daarom al deels buiten het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. In afbeelding 5 is dit groen gemarkeerd aangegeven. Het groene vlak voor de kalverstal, aangegeven met no. 1, is overigens alleen erfverharding waarop de iglo's van de nuchtere klaveren staan. De ruwvoeropslag aan de noordwestzijde (no. 2) wil initiatiefnemer verbreden naar 12 meter.
Afbeelding 5: voorzieningen buiten het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. 16
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
2.2.3
Bestemmingsvlak
Op grond van de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant kan een bouwvlak / bestemmingsvlak met maximaal 0,50 hectare worden vergroot van 1,50 tot maximaal 2,0 hectare indien de veehouderij vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer en die ruimte binnen het bouwperceel niet aanwezig is (artikel 3.53.lid 3 IOV). Deze vergroting betreft het zogenaamde differentiatievlak. Een tekening van het bouwvlak van 1,5 ha en het differentiatievlak van 0,5 ha is als Bijlage 2 toegevoegd (zie afbeelding 6). Het betreft hier een grondgebonden melkveehouderij die in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer (gras en maïs) dat op de eigen gronden wordt geteeld. Binnen het bestaande bouwperceel (bouwvlak) is hier onvoldoende ruimte voor. Een deel van de opslag vindt buiten het bouwperceel plaats. Vanwege de gewenste bedrijfsontwikkeling is er bovendien extra ruimte voor opslag nodig. Omdat het provinciaal beleid een maximale oppervlakte van 2 hectare hanteert voor de omvang van het bestemmingsvlak met differentiatievlak, zal de nieuwe ontwikkeling binnen deze oppervlakte gerealiseerd moeten worden. De verbeelding is op dit uitgangspunt afgestemd door aan het differentiatievlak de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - ruwvoeropslag' toe te kennen.
Binnen deze aanduiding mogen alleen ruwvoeropslagen worden gerealiseerd. Dit is geborgd in de regels van dit plan. Het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' verandert alleen qua vorm. Tezamen bedraagt de oppervlakte 2 hectare.
Toelichting
17
Afbeelding 6: beoogde situatie met differentiatievlak 2.2.4
Landschappelijke inpassing
Landschappelijke waarden De gemeente Laarbeek heeft in 2003 een landschapsontwikkelingsplan opgesteld. In het plan worden de kenmerken van het Laarbeekse landschap benoemd en wordt de gewenste ontwikkelingsrichting omschreven. Het gaat dan met name om de ontwikkelingen in het buitengebied. In het landschapsontwikkelingsplan wordt onder meer een visie verwoord op het gebied van natuur, cultuurhistorie en landschap. In het plan is ook aandacht besteed aan herstel, behoud en ontwikkeling op deze vlakken met hieraan gekoppeld uitvoeringsinstrumenten en een budget. Vormgeving van het landschap, het benutten en uitbreiden van bestaande kwaliteiten en waar nodig het toevoegen van nieuwe elementen worden als belangrijke thema’s benoemd. Als kernkwaliteiten voor het buitengebied van Laarbeek worden de verscheidenheid aan landschapstypen, de diversiteit in groenelementen, zowel waardevol voor natuur als voor de recreant, en de op sommige plekken duidelijk waar te nemen cultuurhistorische waarden genoemd. Een positieve bijdrage aan het buitengebied van de gemeente kan worden geleverd door onder andere het zichtbaar maken van de beken, het versterken van het gebiedseigen karakter door de juiste beplantingskeuze en het benutten van zandpaden als recreatief medegebruik en als ecologische linten.
Omdat er sprake is van een vergroting van de agrarische bedrijfsbestemming is de landschapsinvesteringsregeling de gemeente van toepassing. Met deze regeling wordt bewerkstelligd dat bij iedere planologische ontwikkeling in het buitengebied ook een kwaliteitsverbetering voor het buitengebied wordt gerealiseerd. De mate van omvang van deze kwaliteitsverbetering is daarbij afhankelijk van de soort ontwikkeling. Op basis van die regeling is er sprake van een categorie 3-ontwikkeling (bestemmingswijziging agrarische gronden naar agrarische bedrijfsdoeleinden). Dit betekent dat aan de hand van een berekende meerwaarde van de gronden een bijdrage van 20% van die meerwaarde aan kwaliteitsverbetering moet worden gedaan. Daarnaast dient de locatie landschappelijk te worden ingepast. 18
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Uitgaande van een vergroting van het bestemmings-/bouwvlak met 5.000 m2 en het gegeven dat deze 5.000 m2 uitsluitend gebruikt wordt voor de opslag van ruwvoer (dus geen bouwmogelijkheid) is de bijdrage die gedaan moet worden aan kwaliteitsverbetering € 5.000. Om de kwaliteitsverbetering te realiseren is door Bogers Hoveniers een beplantingsplan opgesteld. Voor de landschappelijke inpassing van de nieuwbouw wordt aan de westzijde van het vergrote bestemmingsvlak een groenstrook aangeplant bestaande uit 8 bomen (Alnus xspaethii ‘Spaeth’) met aan de voet van de bodem een bloemenmengsel. Aan de voorzijde van deze rij bomen wordt een zwaluwtil aangeplant. De oostzijde van het erf wordt landschappelijk ingepast met een struweel mix. Ten aanzien van de investering in de landschappelijke aankleding van het erf is rekening gehouden met het minimale investeringsbedrag. De kosten voor aanleg van de landschappelijke inpassing zijn begroot op € 14.243,75. De tekening van de landschappelijke inpassing is onderstaand weergegeven. Het complete beplantingsplan en de begroting zijn als Bijlage 3 aan deze toelichting toegevoegd.
Toelichting
19
Afbeelding 7: Beplantingsplan
20
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1
Nationaal beleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo'n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI, valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3.
sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd. Toelichting
21
De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Toesting In de NOVI is geen concreet beleid op nationaal niveau geformuleerd dat van belang is voor het voorliggend plan. Het planvoornemen is op nationale schaal dermate kleinschalig dat er geen strijdigheid kan bestaan met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen. Voor deze ontwikkeling vindt de afweging dat wordt voldaan aan de principes van een goede ruimtelijke ordening décentraal plaats. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Op 1 oktober 2012 is aan het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), waarin rijksregels ten aanzien van de ruimtelijke inrichting van Nederland zijn verzameld, een aantal onderwerpen toegevoegd. Het gaat onder andere om de Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen, zodat ze doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. Toetsing Het betreft een kleinschalig en lokaal initiatief die niet binnen de reikwijdte van de Barro ligt. De Barro bevatten geen relevante regels die invloed uitoefenen op het onderhavige plan. 3.1.3
Ladder voor duurzame ontwikkeling
Relevante wet- en regelgeving Per 1 oktober 2012 is in artikel 3.1.6 Bro een motiveringsplicht opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De zogenaamde 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking' is bedoeld om te komen tot een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten, waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. Per 1 juli 2017 is het aantal treden van de ladder gewijzigd van drie naar in beginsel één trede. In artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening is het volgende opgenomen: 22
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Ladder is alleen van toepassing op plannen en projecten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Op basis van de overzichtsuitspraak die is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) geldt dat bij woningbouwlocaties vanaf 12 woningen in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Is dit het geval, dan is een Laddertoets vereist en is daarmee een beschrijving van de behoefte nodig. Naast kwantitatieve aspecten, kunnen ook kwalitatieve aspecten een rol spelen bij de beschrijving van de behoefte. Denk hierbij aan specifieke woningtypen, wooncategorieën en woonmilieus. Voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied is een uitgebreidere motivering vereist waarbij tevens dient te worden ingegaan op de vraag, waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien.
Of het plan is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied moet worden bepaald aan de hand van de bepalingen in het Bro, artikel 1.1.1,: 'Bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Toetsing Het voorliggende plan voorziet niet in een stedelijke ontwikkeling zoals gedefinieerd in artikel 3.1.6 Bro. Een verdere toets aan de Ladder kan achterwege blijven. 3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant
Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2022, hebben Provinciale Staten op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. Met deze Omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk. Toelichting
23
De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste provinciale ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Conform de Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De visie geeft daarbij richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Daarnaast geeft de Omgevingsvisie ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De visie zal komende jaren nader worden uitgewerkt in diverse programma's. Inmiddels is er ook een Interim omgevingsverordening vastgesteld, waarop hierna wordt ingegaan. Toets Het planvoornemen met betrekking tot een bestaand agrarisch is niet direct toe te schrijven aan een specifieke hoofdopgave en ambities van de omgevingsvisie. Wél zorgt de verdere ontwikkeling van het bedrijf voor een duurzaam concurrerend bedrijf binnen de agrarische sector van Brabant. 3.2.2
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. Wijzigingen nadien zijn opgenomen in de geconsolideerde versie die dateert van 1 augustus 2023. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Enkele inhoudelijke wijzigingen zijn echter wel aangebracht. Op hoofdlijnen gaat het om: a. een meer gebruikersvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder losse bijlagen; b. aanpassingen waardoor de regels straks beter passen in het systeem van de omgevingswet; c. aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier 24
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit. Zo wordt onderscheid gemaakt tussen rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven en instructieregels voor gemeenten. De instructieregels voor gemeenten hebben tot doel dat de gemeenteraad de, in de omgevingsverordening opgenomen, voorwaarden betrekt bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die wordt bepaald door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. Planspecifiek In deze paragraaf wordt ingegaan op de diverse onderdelen uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant die relevant zijn voor het plangebied. In afbeelding 8 is te zien dat er meerdere (relevante) werkingsgebieden gelden voor het plangebied, te weten: Aanduidingen met rechtstreeks werkende regels landbouw: 1.
Waterwinning voor menselijke consumptie (artikel 2.1) 2. Bescherming Natura 2000 (artikel 2.65 t/m 2.70) 3. Landelijk gebied (artikel 2.71 t/m 2.73, 2.77) 4. Stalderingsgebied (artikel 2.74) 5. Diep grondwaterlichaam (artikel 2.20) 6. Boringsvrije zone (artikel 2.18 en 2.19) Aanduidingen met Instructieregels voor gemeenten; 1. Boringsvrije zone (artikel 3.12) 2. Gemengd landelijk gebied (artikel 3.54 t/m 3.58, 3.61, 3.72, 3.74, 3.76) 3. Norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied (artikel 4.4) 4. Landelijk gebied (artikel 3.9, 3.16, 3.37, 3.41, 3.45, 3.46, 3.47, 3.49 t/m 3.51, 3.53, 3.60, 3.68 t/m 3.71, 3.73, 3.75, 3.79 , 3.80) 5. Stalderingsgebied (artikel 3.52) 6. Norm wateroverlast buiten Stedelijk gebied (artikel 4.4) 7. Normen wateroverlast (artikel 4.2 t/m 4.6) Toelichting
25
Afbeelding 8: van toepassing zijnde werkingsgebieden uit de IOV Noord-Brabant. O.a. rechtstreeks werkende regels: Landbouw Het planvoornemen betreft het aanpassen van het bestemmingsvlak en toevoegen van een (denkbeeldig) differentiatievlak om het bouwen van een nieuwe stal en ruwvoeder- en mestopslagen mogelijk te maken bij een bestaande grondgebonden veehouderij. Deze ontwikkeling dient in overeenstemming te zijn met de artikelen 3.49 en 3.50 en 3.53, lid 3 van de verordening in combinatie met de evenwichtige toedeling van functies. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (3.1.2) In de verordening is de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit opgenomen om een bijdrage te leveren aan de juiste balans tussen beschermen en benutten. De zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit omvat een aantal basisprincipes afkomstig uit de Brabantse omgevingsvisie: zorgvuldig ruimtegebruik; toepassing van de lagenbenadering; meerwaardecreatie. Uitwerking van deze onderwerpen is opgenomen in de artikelen 3.6 t/m 3.8 van de Iov. Voor ontwikkelingen in het landelijk gebied is artikel 3.9 kwaliteitsverbetering aan de orde. 26
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Zorgvuldig ruimtegebruik In artikel 3.6 worden de regels voor zorgvuldig ruimtegebruik weergegeven. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik is al geruime tijd in het provinciaal beleid verankerd en omvat diverse aspecten. Doel is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied door nieuwvestiging is hierbij een belangrijk uitgangspunt. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag krijgt ook vorm door eerst de mogelijkheden binnen bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten. Dat betekent niet dat alle fysieke ruimte benut moet worden voordat nieuw ruimtebeslag mogelijk is. Binnen stedelijk gebied is vanuit kwaliteitsoverwegingen bijvoorbeeld ook ruimte nodig voor groenvoorzieningen en voldoende opvang van water. Een verbijzondering voor stedelijke ontwikkeling is dat er toepassing gegeven moet zijn aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening.
Toets De ontwikkelingen die met het voorliggende plan worden beoogd vinden plaats binnen het besluitvlak van 2 hectare, waarvan de bebouwing binnen een (denkbeeldige) oppervlakte ligt van 1,5 hectare en de voorzieningen voor opslag van ruwvoer binnen een oppervlakte van 0,5 hectare. De nieuwbouw worden opgericht direct ten oosten van de bestaande bebouwing binnen dit besluitvlak. Er blijft sprake van een compacte concentratie aan bebouwing. De omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling past in de omgeving gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waardoor verdere toetsing aan de Ladder voor stedelijke ontwikkeling niet noodzakelijk is. De beoogde ontwikkeling zal van een zorgvuldige landschappelijke inpassing worden voorzien. Er wordt bovendien toepassing gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Toelichting
27
Toepassing van de lagenbenadering In artikel 3.7 worden regels gesteld ten aanzien van toepassing van de lagenbenadering. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Dit betekent dat het effect van de beoogde ontwikkeling op de ondergrond, de netwerklaag en de bovenste laag beschouwd moet worden. Met het effect op de ondergrond worden onder andere de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Door hierin actief de factor tijd te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Toets In hoofdstuk 4 van deze onderbouwing komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan bod.
In deze toetsing komen bovenstaande aspecten uit de lagenbenadering uitgebreid aan bod. In het perspectief van de tijd zal het bedrijf zich kunnen ontwikkelen tot een toekomstbestendig melkveehouderijbedrijf. Hierbij zal het duurzaam worden ingepast in het landschap. Meerwaardecreatie In artikel 3.8 worden regels gesteld ten aanzien van meerwaardecreatie. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit zoals bedoeld in zoals hierboven beschreven kan onder andere bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, wegnemen van verharding of het slopen van bebouwing. 28
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Toets Met dit planvoornemen wordt meerwaarde gecreëerd door de verruiming van de ontwikkelingsmogelijkheden binnen 2 hectare te combineren met een zorgvuldige landschappelijke inpassing, waarbij met de gemeente een landschapsinvesteringsovereenkomst wordt gesloten. Zie ook onder het kopje 'Kwaliteitsverbetering van het landschap'. Hierdoor wordt een belangrijke kwaliteitsslag geleverd ten aanzien van de inpassing van het bedrijf in het omliggende landschap. Kwaliteitsverbetering van het landschap In artikel 3.9 worden regels gesteld over het verbeteren van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Toets In de gemeente Laarbeek is hiertoe de landschapsinvesteringsregeling van toepassing.
De mate van omvang van deze kwaliteitsverbetering is afhankelijk van de soort ontwikkeling. Op basis van die regeling is bij voorliggend plan sprake van een categorie 3-ontwikkeling (bestemmingswijziging agrarische gronden naar agrarische bedrijfsdoeleinden). Dit betekent dat aan de hand van een berekende meerwaarde van de gronden een bijdrage van 20% van die meerwaarde aan kwaliteitsverbetering moet worden gedaan. Daarnaast dient de locatie landschappelijk te worden ingepast. In de huidige situatie heeft het bedrijf van initiatiefnemer een bestemmingsvlak van 1,5 hectare waarbinnen de bebouwing en de voorzieningen gerealiseerd moeten worden. In de nieuwe situatie blijft de oppervlakte voor het realiseren van de bebouwing ongewijzigd. De bestaande bebouwing en de nieuwbouw en mestopslag Toelichting
29
valt binnen een (denkbeeldig) bestemmingsvlak van 1,5 hectare. De voorzieningen ten behoeve van opslag van ruwvoer, zoals de sleufsilo's, liggen binnen een vlak met een oppervlakte van 5.000 m2. Feitelijk is dit het differentiatievlak. Vanwege het gegeven dat deze 5.000 m2 uitsluitend mag worden gebruikt voor de opslag van ruwvoer (dus geen bouwmogelijkheid) is een bijdrage berekend die gedaan moet worden aan kwaliteitsverbetering. Deze bijdrage zal door initiatiefnemer worden geïnvesteerd in de aanleg van groenelementen om de bestaande en nieuwe bebouwing landschappelijk in te passen en daarmee de bestaande landschapsstructuur te versterken en te behouden conform het opgestelde landschappelijk inpassingsplan. De kwaliteitsverbetering van het landschap wordt juridisch vastgelegd door middel van een ontwikkelingsovereenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente. Daarnaast is in de regels bij dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting voor de realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing opgenomen als planologische borging. Artikel 3.49 veehouderij in landelijk gebied Artikel 3.49 (Afdeling 3.6, paragraaf 3.6.1) gaat in op de veehouderij in het landelijk gebied. Uitsluitend een 'zorgvuldige veehouderij' is toegestaan en dit moet worden geborgd in het bestemmingsplan.
In beginsel is een bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare groot (afwijking is mogelijk op grond van artikel 3.53, zie hierna). Een bestemmingsplan kan voorzien in de ontwikkeling van een veehouderij als de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving. De landschappelijke inpassing moet tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvatten en er moet een zorgvuldige dialoog zijn gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling. Toets In de regels is geborgd dat uitsluitend een 'zorgvuldige veehouderij' is toegestaan. Onder zorgvuldig wordt verstaan dat veehouderijen hun bedrijfsvoering zo inrichten dat zij daarmee goed passen in hun omgeving. De BZV gaat uit van de gedachte dat ontwikkelruimte verdiend moet worden en niet onbegrensd is. Deze denklijn is vastgesteld in de Interim Omgevingsverordening. Veehouders kunnen pas een vergunning aanvragen voor een uitbreiding na overleg met hun omgeving en nadat uit een objectieve toetsing (BZV) de score 'zorgvuldig' is gekomen. BZV toetst op de 30
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
thema's: (dier)gezondheid, dierenwelzijn, brandpreventie, energie, fosfaatefficiëntie, geur, fijn stof, mineralenkringlopen en verbinding met de omgeving. Initiatiefnemer heeft met een BZV-toets aangetoond dat kan worden voldaan aan de Nadere regels zorgvuldige veehouderij die door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld. Het bestemmingsvlak van het grondgebonden veehouderijbedrijf van initiatiefnemer heeft een omvang van 1,5 hectare. Het bestemmingsvlak zal van vorm veranderen en dezelfde omvang behouden. In de nieuwe situatie wordt een (denkbeelding) differentiatievlak toegevoegd van 0,5 hectare voor de ruwvoeropslag. Zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Milieu- en milieuaspecten" (zie hoofdstuk 4) blijkt dat er met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van de in de omgeving voorkomende waarden en dat er geen sprake zal zijn van onevenredige belemmeringen op het gebied van milieu en ruimte. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.8) is de voorgenomen ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige toename van de achtergrondconcentratie aan fijnstof en stikstofoxiden.
Zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.3) zal ter plaatse sprake zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Ten behoeve daarvan is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld, waarin de landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een zorgvuldige dialoog met de omgeving gevoerd. Daarbij zijn omwonenden in de gelegenheid gesteld om op de plannen te reageren en eventuele bezwaren of verbeterpunten kenbaar te maken. Van de gehouden dialoog met de omgeving is een verslag gemaakt. De aanwezigen hebben naar zeggen een duidelijke uitleg gekregen, waarbij geen vragen zijn gesteld. Het voornemen wordt als positief ervaren. Het verslag van de omgevingsdialoog met de presentielijst, is als Bijlage 4 aan deze toelichting toegevoegd. Toelichting
31
Artikel 3.50 aanvullende regels nieuw dierenverblijf In artikel 3.50 van de interim omgevingsverordening is bepaald dat een bestemmingsplan in het landelijk gebied een verbod op toename van de oppervlakte dierenverblijf is opgenomen tenzij wordt voldaan aan de volgende bepalingen: a. een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel alleen is toegestaan als: 1. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; 2. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; 3. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; 4. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling. b.
binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden; c. bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw, gericht op het in gebruik nemen als dierenverblijf, toepassing wordt gegeven aan onderdeel a. Toets De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de voorwaarden voor een zorgvuldige veehouderij. Hiervoor is het initiatief aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) getoetst. Uitkomst van deze toets is dat er wordt voldaan aan de eisen van BZV (zie Bijlage 5). Zoals in de vorige paragraaf al is omschreven wordt eveneens voldaan aan de omgevingskwaliteit, cumulatieve geurhinder en omgevingsdialoog. In hoofdstuk 4 worden de relevante omgevings- en milieuaspecten uitgebreid beschreven en getoetst. 32
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Omdat het hier een melkveehouderij betreft is in de planregels is geborgd dat dieren alleen op de begane grond kunnen worden gehouden. De ontwikkeling betreft geen gebruikswijziging van een bestaand gebouw. Artikel 3.53 afwijkende omvang veehouderij In artikel 3.53, lid 3 is bepaald dat een bestemmingsplan, van toepassing op Landelijk gebied, kan bepalen dat de omvang van het bouwperceel met ten hoogste 0,5 hectare wordt vergroot, waardoor het bouwperceel ten hoogste 2 hectare bedraagt, indien: a. de veehouderij vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer; b. de ruimte binnen het bouwperceel niet aanwezig is; c. het bestemmingsplan borgt dat deze 0,5 hectare uitsluitend gebruikt wordt ten behoeve van voorzieningen -geen gebouwen zijnde- voor de opslag van ruwvoer Toets Het betreft hier een grondgebonden melkrundveehouderij waar het ruwvoer (maïs en gras) op de bij het bedrijf behorende gronden wordt geteeld. Het bedrijf is in overwegende mate aangewezen op de opslag van ruwvoer. Het ruwvoer moet binnen het bouwperceel worden opgeslagen, maar die ruimte is binnen het huidige bouwperceel niet aanwezig. Een deel van het ruwvoer wordt nu al buiten het bouwperceel opgeslagen.
Voor een duurzame bedrijfsontwikkeling is nog enige uitbreiding van de opslagcapaciteit nodig De Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen heeft beoordeeld of het planvoornemen van initiatiefnemer aan deze bepalingen voldoet. Zij constateren dat binnen de contouren van het bestemmingsvlak onvoldoende ruimte beschikbaar is voor de opslag van het ruwvoer dat benodigd is voor de bedrijfsvoering. Mede gelet op de voorgenomen uitbreiding van de bedrijfsbebouwing voor de bouw van een loods en de bouw van een ligboxenstal is de Adviescommissie van oordeel dat toekenning van een bestemmingsvlak van 1,50 hectare in combinatie met de toekenning van een differentiatievlak van 0,5 ha voor de opslag van ruwvoer passend is. Het advies van de commissie is als Bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd. Op het (denkbeeldige) differentiatievlak van 0,5 ha is de specifieke aanduiding 'ruwvoeropslag' van toepassing. Binnen deze aanduiding is alleen het oprichten van Toelichting
33
sleufsilo's mogelijk en het gebruik ten behoeven van de opslag van ruwvoer. Dit is geborgd in de bouw- en gebruiksregels. 3.2.3
Conclusie
Het planvoornemen is in overeenstemming met provinciaal beleid. 3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie 2010-2020 ‘Groei in Balans’
De gemeentelijke ‘Structuurvisie 2010-2020 ‘Groei in Balans’ vervangt de ‘Structuurvisie+ Laarbeek’ uit 2003. In de ‘Structuurvisie 2010-2020’ staan de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van het hele grondgebied van Laarbeek en de hoofdzaken van het gemeentelijk beleid tot het jaar 2020. De structuurvisie is op 16 september 2010 vastgesteld. In de structuurvisie wordt ten aanzien van het buitengebied aangegeven dat dit onder druk staat. Door de verreikende transformatie die in de landbouw plaatsvindt, is er een nieuwe positiebepaling gaande waarbij de verschillende belangen om voorrang vechten zoals landbouw, toerisme, bedrijvigheid, infrastructuur, wonen, natuur en water. Toetsing Het planvoornemen ziet toe op een verruiming van de ontwikkelingsmogelijkheden van een grondgebonden agrarisch bedrijf. De nieuwbouw vindt plaats binnen een (denkbeeldig) bestemmingsvlak van 1,5 ha, terwijl de voorzieningen binnen een (denkbeeldig) differentiatievlak van 0,5 ha vallen. Deze beschreven ontwikkelingen zijn passend in het buitengebied en daarmee in overeenstemming met het beleid zoals verwoord in de structuurvisie. Conclusie Het initiatief past binnen de kaders van de structuurvisie van de gemeente Laarbeek. 3.3.2
Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek
Door gemeenteraad is op 9 december 2021 de omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek, getiteld "Zonder ruimte geen beweging" vastgesteld.
34
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
De Omgevingsvisie is een langetermijnvisie die laat zien waar de gemeente voor staat en waar we de gemeente naar toe wil in de toekomst. De visie gaat alleen over het buitengebied van Laarbeek. Dit buitengebied kent veel uitdagingen, zoals de afname van agrarische bedrijven en een toename van vrijkomende agrarische gebouwen. Toekomstbestendige agrarische ontwikkelgebieden In de landbouw zijn twee tegenstrijdige bewegingen gaande: Schaalvergroting én schaalverkleining. Om beide bewegingen te kunnen faciliteren, zijn in Laarbeek twee zogenaamd toekomstbestendige agrarische ontwikkelgebieden aangewezen. Het betreft het pionierslandschap rondom Mariahout en het Aa-landschap aan de noordoostzijde van Beek en Donk. In deze gebieden is grootschalige landbouw toegestaan (met inachtneming van de volksgezondheid en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat). In het overige deel van het buitengebied van Laarbeek ligt de nadruk op schaalverkleining, multifunctionele landbouw, natuur-inclusieve landbouw en kringlooplandbouw. Het plangebied ligt buiten de twee genoemde ontwikkelingsgebieden. Hier zal met name worden ingezet op natuur-inclusieve landbouw en kringlooplandbouw. 3.3.3
Bestemmingsplan Buitengebied
Op het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Laarbeek van toepassing (vastgesteld op 6 juli 2010, onherroepelijk op 28 juni 2012). De locatie heeft de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’. De omvang van dit bestemmingsvlak is circa 1,5 hectare. De gronden aansluitend op de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' hebben de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 1'. Burgemeester en wethouders mogen deze bestemmingen wijzigen ten behoeve vormverandering van het bestemmingsvlak. De vormverandering dient noodzakelijk te zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of bedrijfsontwikkeling. De totale oppervlakte mag niet worden vergroot. De aangrenzende gronden hebben de Functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - struweelvogels'. Het plangebied ligt in de Gebiedsaanduiding 'reconstructiezone - verwevingsgebied'. Toelichting
35
Conclusie Omdat de oppervlakte van het bestemmingsvlak bedrijf wordt vergroot kan de wijzigingsbevoegdheid in dit geval niet worden toegepast. De bedrijfsontwikkeling wordt mogelijk gemaakt via een partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied. Hierbij wordt het bestemmingsvalk vergroot tot 2 hectare, waarvan 0,5 hectare uitsluitend gebruikt mag worden voor de opslag van ruwvoer. Het plan tast de natuurwaarden, in het bijzonder het leefgebied van struweelvogels, niet aan. Door het toevoegen van groenelementen als onderdeel van de landschappelijke inpassing, wordt de kwaliteit van het leefgebied verbeterd.
36
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de van toepassing zijnde milieu- en omgevingsaspecten beoordeeld voor dit plan. Uit deze beoordeling blijkt dat het plan geen significant negatieve gevolgen heeft voor de het milieu en de omgeving van de locatie. 4.2
M.e.r.-beoordeling
Zoals uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voortvloeit, dient in de toelichting bij het bestemmingsplan gemotiveerd te worden in welke mate rekening is gehouden met diverse ruimtelijke belangen. In artikel 3.1.6, lid 5 van het Bro wordt verwezen naar enkele milieuaspecten die in de toelichting terug dienen te komen. Daarbij wordt eveneens verwezen naar de milieueffectrapportage (m.e.r.). Dit is een wettelijk instrument dat als doel heeft milieuaspecten volwaardig te betrekken in de ruimtelijke afweging die gemaakt wordt ten behoeve ruimtelijke plannen en besluiten. Er zijn in beginsel drie afzonderlijke situaties die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht bij een bestemmingsplan: a. Er is een passende beoordeling nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; b. Het bestemmingplan is genoemd in kolom 3 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportrage; c. Het bestemmingplan is genoemd in kolom 4 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van he Besluit milieueffectrapportage. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D valt, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt.
Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die beneden de drempelwaarden vallen, moet dan ook een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Toets Voor het bedrijf is op 24 mei 2016 een omgevingsvergunning verleend waar een Toelichting
37
verklaring van geen bedenkingen (VVGB) voor de Natura 2000-activiteit onderdeel van uitmaakt. De vergunde dieraantallen en bijbehorende huisvestingssystemen zijn opgenomen in onderstaande tabel. De omgevingsvergunning is toegevoegd als Bijlage 6.
De ammoniakemissie die op grond van deze gecombineerde milieu- en natuurvergunning mag worden veroorzaakt is 4.234,2 kg NH3 per jaar Op 21 januari 2019 is een omgevingsvergunning verleend voor een milieuneutrale wijziging. Dit betreft een aanpassing van stalsystemen en verschuiving van dieren. De totale aantallen dieren per diercategorie zijn niet gewijzigd en ook is de ammoniakemissie uit de dierenverblijven niet gewijzigd. Wel is als voorschrift opgenomen dat de melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar ten minste 720 uur per kalenderjaar worden beweid.
38
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Alle dierplaatsen zijn gerealiseerd en de inrichting is in gebruik overeenkomstig de geldende omgevingsvergunning. De geldende vergunning komt overeen met de huidige feitelijke en planologisch toegestane bedrijfssituatie. In de gebruiksregels van dit plan is geborgd dat de stikstofemissie niet hoger mag zijn dat de emissie die op grond van de omgevingsvergunning van 24 mei 2016 (zaaknummer 364-2015) is toegestaan. Uitvoerbaarheid Over de uitvoerbaarheid van het voornemen wordt het volgende opgemerkt. In de uitgangspunten van dit plan is beschreven dat in de nieuw te bouwen stal een emissiearme stalsysteem wordt toegepast. Door ook in de bestaande stallen een emissiearm(er) systeem toe te passen kan het aantal dieren worden uitgebreid zonder dat de totale ammoniakemissie uit de stallen toeneemt. Aanpassing van bestaande stallen naar een emissiearm(er) systeem is ook een verplichting op grond van de IOV. In het licht van recente uitspraken van de Raad van State met betrekking tot onzekerheid van de emissiefactoren van emissiearme stalsystemen die in de Regeling ammoniak en veehouderij (RAV) zijn opgenomen, kan op dit moment bij een aantal emissiearme systemen niet met zekerheid gesteld worden dat die emissiefactor in de praktijk wordt behaald. Het is mogelijk om een stalsysteem toe te passen waarvan de emissiefactor wél met zekerheid lager is.
Initiatiefnemer kan het huisvestingssysteem met RAV-code A 1.39 toepassen. Dit is de zogenaamde Lely Sphere en dit systeem heeft volgens de RAV een emissiefactor van 3 kg NH3 per dierplaats per jaar. De volgende beschrijving van het systeem is opgenomen in de RAV. Natuurlijk geventileerde ligboxenstal met een roostervloer voorzien van inlays met urineafvoergaatjes in de roosterspleten, frequent bevochtigen en schoonzuigen van de vloer door een mestverzamelrobot en een mechanische kelderluchtafzuiging met een chemisch luchtwassysteem (95% emissiereductie) (BWL 2021.08.V1). De nieuw te bouwen stal wordt voorzien van een mestkelder met daarbovenop een aan te passen en/of te plaatsen roostervloer. Er is voldoende ruimte om mechanische kelderafzuiging te plaatsen aan de zijkant van de stal. Ook voor opslag van zuur en spuiwater is voldoende ruimte aanwezig op het perceel, waardoor dit systeem kan worden toegepast. De uitvoerbaarheid van dit stalsysteem is in deze situatie verzekerd. Toelichting
39
Onderstaande tabel geeft een beeld van de ammoniakemissie na uitvoering van het planvoornemen met toepassing van de Lely Sphere in de nieuw te bouwen stal. Hieruit volgt dat de ammoniakemissie in dat geval ruim lager is dan het emissieplafond.
40
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
Door toepassing van Lely Sphere kan de vereiste emissiereductie worden behaald. Een AERIUS berekening met dit stalsysteem is bijgevoegd als Bijlage 7. Daarmee is de uitbreiding van de veehouderij die het plan mogelijk maakt uitvoerbaar. Dit betreft een mogelijke en realistische invulling van het voornemen. Mogelijk komen er in de toekomst nog andere stalsystemen die toepasbaar zijn. Passende beoordeling In de planregels is opgenomen dat het gebruik geen toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden mag veroorzaken ten opzichte van de geldende natuurvergunning. Ook is voldoende verzekerd dat het project geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft als een emissiearm huisvestingsysteem wordt toegepast. In dit geval is geen passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Doordat een toename van stikstofdepositie is verboden zal bij een toename van het aantal dieren op het bedrijf de ammoniakdepositie op Natura 2000-gebieden op zijn minst gelijk blijven. Significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn daardoor uitgesloten. Uit de toets van de overige relevante milieu- en omgevingsaspecten in dit hoofdstuk volgt dat er geen sprake is van andere belangrijke milieueffecten die tot een m.e.r.-plicht leiden. Conclusie Voor dit plan behoeft geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden. 4.3
Bedrijven en milieuzonering
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNG-publicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is. De VNG maakt onderscheid tussen de omgevingstypen 'Rustige woonwijk / rustig Toelichting
41
buitengebied' en 'Gemengd gebied'. Bij het eerste type is duidelijk sprake van functiescheiding. Bij het tweede is sprake van functiemenging en komen direct naast woningen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven. Volgens de VNG-publicatie behoren gebieden, die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, eveneens tot omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de hogere milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. In de VNG-publicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een 'gemengd gebied', de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd. Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter. Toets Het melkveebedrijf wordt in de bedrijvenlijst van de VNG publicatie omschreven als het 'Fokken en houden van rundvee'. Dit is een categorie 3.2 bedrijf waarbij de grootste afstand geldt van 100 meter voor het aspect geur. Het plangebied is gelegen in het omgevingstype 'Rustige woonwijk / rustig buitengebied'. In de huidige situatie is het dichtstbijgelegen gevoelig object gelegen aan de Sonseweg 11 in Lieshout. Deze woonbestemming ligt in de huidige situatie op circa 156 meter van het bouwvlak.
In de gewenste situatie komt het bouwvlak niet dichter bij en zal de uitbreiding van de stal moeten voldoen aan de vaste afstanden die volgen uit de Wgv. Zie hiervoor de beoordeling in paragraaf 'Geur'. Binnen het plangebied worden geen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Hierdoor worden bedrijven in de omgeving niet gehinderd in hun ontwikkelmogelijkheden. Conslusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het planvoornemen niet in de weg.
42
Herziening Buitengebied, Sonseweg 13, Lieshout
4.4
Bodemkwaliteit
Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. In artikel 8 van de Woningwet is aangegeven dat een gemeente in de gemeentelijke bouwverordening regels moet opnemen om het bouwen op verontreinigde grond tegen te gaan. De gemeente heeft de taak om alleen een omgevingsvergunning (aspect bouwen) te verlenen als de kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Hiertoe toetst de gemeente de informatie omtrent de bodemkwaliteit aan de Circulaire bodemsanering. Als de bouwlocatie daaraan niet voldoet, dan kan de gemeente een aanvraag voor een omgevingsvergunning weigeren, of nadere eisen in de vergunning opnemen. Toets In de huidige situatie is binnen het plangebied een grondgebonden veehouderijbedrijf gevestigd. Het plan voorziet in de bouw van een nieuwe ligboxenstal en opslagloods. Deze bebouwing wordt opgericht op de plek waar zich momenteel landbouwgronden bevinden.