14 20211209 Beantwoording vragen commissie RD 17-11-2021 inzake ontwerp-omgevingsvisie buitengebied.docx
Tekst van het document
Beantwoording vragen commissie ruimtelijk domein d.d. 17 november 2021 inzake ontwerp-Omgevingsvisie buitengebied Vragen De Werkgroep • Als een gebied met natuurwaarden wordt aangewezen voor toerisme/recreatie, hoe ver gaat dat dan? Allerlei voorzieningen aanleggen om meer toeristen te trekken of juist bestaande waarden bewaren en versterken? Elke functie die op de visiekaart aan een deelgebied is toegekend moet worden gelezen als een globale aanduiding. Indien een deelgebied dus voor toerisme en recreatie wordt aangewezen, dan is dat altijd een aanduiding op hoofdlijnen. De concrete toewijzing van functies in het omgevingsplan vergt maatwerk, bijvoorbeeld indien sprake is van wringende belangen bij aanwezige natuurwaarden. • Als we het hebben over een Brede Plattelandsbestemming, geldt dat dan alleen voor de vrijkomende agrarische gebouwen of voor alle gebouwen in het buitengebied? Dit is nog niet bepaald. Actiepunt A1 heeft betrekking op de uitwerking van De Brede Plattelandsbestemming waar de provincie Noord-Brabant een belangrijke stempel op zal (willen) drukken. De Brede Plattelandsbestemming zal vooral zijn diensten bewijzen bij de transformatie van agrarische bedrijven. Of De Brede Plattelandsbestemming ook bij burgerwoningen of bedrijfswoningen gedienstig kan zijn, is nog onderwerp van een nadere studie.
Uit de ingediende zienswijzen valt in elk geval op te maken dat een aantal bewoners zich hierover zorgen maakt. • Bij nieuwe plannen is het van belang dat de initiatiefnemer de omgeving serieus meeneemt in het traject; dat kan een lastig iets zijn, zeker als je nog nooit eerder met dat bijltje gehakt hebt. Op welke wijze kan de gemeente daarin ondersteunen, zowel richting initiatiefnemer als richting omwonenden/belanghebbenden? Op dit moment wordt in het kader van de aanstaande Omgevingswet, lokaal participatiebeleid voorbereid. In de Omgevingsvisie buitengebied is bovendien een voorzet gedaan v.w.b. de omgevingsdialoog. Onder de Omgevingswet is de omgevingsdialoog helaas nog vormvrij. We kunnen het stappenplan daarom nog niet dwingend opleggen. Bij grotere plannen zal de gemeente de participatie en informatie van de omgeving altijd faciliteren of initiëren. Bij kleinere plannen is dit niet het geval, daarvoor ontbreekt voldoende ambtelijke capaciteit. In hoofdstuk 11 van de visie is in elk geval benadrukt, dat het ook in het belang van de initiatiefnemer is om de omgevingsdialoog op een fatsoenlijke en serieuze manier te doorlopen. • In de visie wordt verwezen naar nog op te stellen beleidsplannen m.b.t. bijv. huisvesting arbeidsmigranten, beeldkwaliteitsplannen voor historische bebouwingsconcentraties.
Wanneer is er meer zicht op die plannen? De nieuwe beleidslijn voor de huisvesting van arbeidsmigranten zal begin 2022 aan commissie en gemeenteraad ter beoordeling worden voorgelegd. De overige visies zijn als actiepunt in de omgevingsagenda opgenomen. Afhankelijk van de beschikbare ambtelijke capaciteit worden deze in de loop van 2022 en 2023 opgepakt. • Hoe hard zijn de gegeven grenzen tussen de verschillende gebieden? Deze grenzen zijn hard en zullen in de vertaling van de omgevingsvisie in het omgevingsplan preciezer worden aangeduid. De gemeenteraad wordt verzocht behoedzaam om te gaan met het verschuiven van grenzen of het hanteren van overgangszones. Dit leidt namelijk onvermijdelijk tot precedenten die op enig moment niet meer uitlegbaar zijn, waardoor het oogmerk van een gebiedsgerichte
1
•
•
•
benadering (helderheid en voorspelbaarheid) langzaam verloren zal gaan. De begrenzing van de deelgebieden is bovendien tot stand gekomen op basis van de Lagenbenadering, waarbij de verschillen in onder- en bovengrond bepalend is bij het komen tot een samenhangende indeling. Als De Werkgroep zijn wij er voorstander van de bestaande cultuur-historisch belangrijke bebouwingsconcentraties zoveel mogelijk te behouden. Aanpassingen daarin zullen wat ons betreft niet veel verder gaan dan onderhoudswerkzaamheden en de binnenzijde bij de tijd brengen. Dit is in lijn met de inhoud van de Omgevingsvisie buitengebied. Datacenters en logistieke centra vallen ook binnen milieucategorieën 1 en 2, maar horen o.i. alleen al vanwege omvang niet thuis in Laarbeeks buitengebied. Maximeren op bedrijfsomvang? De bedrijfsmogelijkheden in het buitengebied blijven sowieso beperkt tot het bestaande bouwblok met een maximale oppervlakte van 1,5 hectare. Mogelijk is deze omvang voor de provincie Noord-Brabant bij een omzetting naar bedrijvigheid al ontoelaatbaar. Maar de belangrijkste conclusie is dat datacenters en logistieke centra gezien de noodzakelijke oppervlakte in deze branches, om deze reden niet realiseerbaar zijn in het buitengebied. Deze zorg kan dus worden weggenomen.
Maar het is juist dat binnen de milieu-categorieën 1 en 2 (de minst belastende milieucategorieën) ook bedrijven voorkomen die in het buitengebied ongewenst zijn. Bij de uitwerking van De Brede Plattelandsbestemming en de vertaling in het omgevingsplan kunnen de gewenste en ongewenste bedrijven worden benoemd. In de huidige bestemmingsplanpraktijk voor bedrijventerreinen is dat al mogelijk door middel van een Staat van bedrijfsactiviteiten. De gemeenteraad is t.z.t. betrokken bij de vaststelling van het omgevingsplan en heeft dan de mogelijkheid om keuzes eventueel bij te sturen. Op pagina 64 is te lezen dat de gemeente ervan uitgaat dat de zorgmarkt zichzelf op enig moment reguleert en wildgroei van zorgboerderijen voorkomt. Op de volgende pagina echter is te lezen dat het belangrijk blijft om de veiligheid en kwaliteit van de zorgboerderijen te blijven controleren. Dit lijkt met elkaar in tegenspraak. Op pagina 64 is benadrukt dat de gemeente de komst van zorgboerderijen toejuicht. Gezien de absolute stijging van het aantal gevallen van dementie in de toekomst, zijn deze zorgboerderijen in de toekomst broodnodig. De gemeente wil het aantal zorgboerderijen daarom vooralsnog niet aan banden leggen. Dit zal door de markt vanzelf worden gereguleerd. De uitspraak op pagina 65 is toegevoegd naar aanleiding van de debatavond met de gemeenteraad op 21 januari 2021.
De komst van zorgboerderijen was die avond één van de debatonderwerpen. ABL en PNL hebben tijdens dit debat aandacht gevraagd voor de omvang, zorgkwaliteit en veiligheid van de zorgboerderijen. De passage op pagina 64 heeft derhalve betrekking op het aantal zorgboerderijen. De toevoeging op pagina 65 is opgenomen in verband met de omvang, kwaliteit en veiligheid van de zorgboerderijen.
Vragen PNL • De opzet met een gebiedsgerichte benadering lijkt zo op het eerste oog een goede. Echter we hebben wel onze bedenkingen als het gaat over de grensgebieden. En met 8 gebieden zijn het er veel van. Het risico is er dat aan de ene kant van de weg wel iets mag en aan de andere kant van de weg niet. Hoe dit uit te leggen aan de inwoners? Wij vragen hier niet alleen aandacht voor maatwerk maar ook voor een goede communicatie? Deze grenzen zijn hard en zullen in de vertaling van de omgevingsvisie in het omgevingsplan preciezer worden aangeduid. De gemeenteraad wordt verzocht behoedzaam om te gaan met het verschuiven van grenzen of het hanteren van
2
•
•
•
•
•
overgangszones. Dit leidt namelijk onvermijdelijk tot precedenten die op enig moment niet meer uitlegbaar zijn, waardoor het oogmerk van een gebiedsgerichte benadering (helderheid en voorspelbaarheid) langzaam verloren zal gaan. De begrenzing van de deelgebieden is bovendien tot stand gekomen op basis van de Lagenbenadering, waarbij de verschillen in onder- en bovengrond bepalend is bij het komen tot een samenhangende indeling. Grootschaligheid kan nu in twee gebieden. Heeft dit tot gevolg dat we ergens anders landbouwgrond opgeven maar in een paar daarvoor bestemde gebieden nog intensiever doorgaan? Gaat dit niet ten koste van de landschappelijke kwaliteit en de ecologische waarden in deze gebieden? Mag er ook grootschaligheid in andere gebieden plaatsvinden? Meer natuurinclusief werken heeft uiteraard gevolgen voor het verdienmodel van de landbouw. Hoe denkt het college dat de gemeente hier aan kan bijdragen? Zoals herhaaldelijk in de nota van beantwoording beschreven: de bestaande rechten van agrarische bedrijven worden geëerbiedigd. De meer alternatieve vormen van landbouw (kringloop, natuurinclusief) hebben nog onvoldoende verdienvermogen voor een zelfstandig bestaan. Tegelijkertijd wil het college de wissel uit oogpunt van milieu en duurzaamheid omzetten naar deze vorm van agrarisch ondernemerschap.
De conclusie is daarom: grootschalig waar het (nog) kan en duurzaam waar het moet. Het is belangrijk hierbij te vermelden dat (1) nieuwe intensieve veehouderijen vanuit de provinciale regels al niet meer zijn toegestaan en (2) uitbreiding van bestaande bedrijven boven de bestaande vergunning, aan zeer strenge regels is gebonden. Onze voedseldistributie is efficiënt dankzij grootschaligheid. Als je zaken kleinschalig gaat opzetten wordt het daar niet per se duurzaam van en worden de producten duurder wat weer nadelig is voor mensen met een kleine beurs. Hoe gaan we dit dilemma aanpakken? Het zal in de toekomst steeds meer aankomen op agrarisch ‘ondernemerschap’. De consument (en in het verlengde de supermarkten) zal meer en meer de koers aan de landbouw opleggen door eisen te stellen aan de kwaliteit en het uiterlijk van het voedsel. Het college heeft vertrouwen in dit zelf-corrigerend vermogen van de markt. Voorkomen moet worden - in onze ogen - dat bepaalde gebieden in het buitengebied vol komen staan met zorgboerderijen. Wij zijn voor een goede spreiding over Laarbeek. Feitelijk geldt dit ook voor B&B’s. Het kan niet zo zijn dat er een ongebreidelde groei ontstaat van B&B’s.
Op welke manier denkt het college dit vorm te geven en/of concreet te maken? Het college heeft vertrouwen in het zelf-regulerend vermogen van de markt, zowel voor zorgboerderijen als Bed & Breakfast-ondernemingen. Maar op dit moment moeten we concluderen dat de zorgboerderijen een absolute noodzaak zijn om het groeiend aantal gevallen van dementie op een waardige manier te kunnen ondersteunen. Geur meten in plaats van berekenen. Wij willen de werkelijke uitstoot meten die echt uit de stallen en bedrijven komen. Op basis daarvan kan er worden gestuurd op verbetering. Kunnen we dit als gemeente vorm geven? Zo ja hoe gaan we dit dan aanpakken? Op pagina 71 van de ontwerp-omgevingsvisie zijn de geurcontouren op basis van berekening in kaart gebracht. Een onderzoek dat speciaal in het kader van de omgevingsvisie heeft plaatsgehad. Hieruit blijkt dat in Laarbeek nauwelijks sprake is van normoverschrijding. Dit in tegenstelling tot meer agrarische gemeenten in de omgeving. We mogen ons in die zin gelukkig prijzen. Het meten van de daadwerkelijk geur is technisch gezien erg lastig en bovendien wordt geur per persoon anders ervaren. Vandaar dat het veel verstandiger is om te rekenen op basis van normen. Het fietspad naar Son en Breugel vinden wij zeker voor de Mariahoutse inwoners van essentieel belang. De afstand naar het snelfietspad - langs het kanaal - is geen realistisch
3
•
•
•
•
alternatief voor de inwoners van Mariahout. Heeft het college voornemens om actief in te zetten op het realiseren van het fietspad naar Son en Breugel? In de omgevingsagenda is actiepunt C3 opgenomen: het onderzoek doen naar de verbetermogelijkheden van de 60 km/uur wegen zonder vrijliggend fietspad in het kader van Duurzaam Veilig. Dit is een belangrijke eerste stap in het proces. Vanuit deze onderzoeksresultaten wordt naar een eventueel vervolg gekeken. De boeren/ondernemers die te maken hebben met leegstand moeten een verdienmodel kunnen krijgen om de leegstand te compenseren. Hierdoor voorkom je de druk om met criminelen in zee te gaan en wordt de veiligheid van de omgeving bevorderd. Ook wordt verrommeling tegen gegaan. Hoe denkt het college hier een actieve rol in te kunnen spelen? Dit is nu juist de reden waarom het college een Brede Plattelandsbestemming wil uitwerken en invoeren. De Brede Plattelandsbestemming moet het mogelijk maken dat ondernemers in het buitengebied bredere functiemogelijkheden verkrijgen zodat omzetting snel en goedkoop kan plaatsvinden. Teeltondersteunende voorzieningen en zonnepanelen hebben een grote impact op de omgevingskwaliteit. Terughoudendheid en maatregelen om een en ander uit beeld te houden dienen hier als voorwaarde opgenomen te worden. De 1,5 m hoogte als maximum is in onze ogen discutabel.
Soms zie je zeker percelen met een hoogte van 2 meter of meer. Wat is nu het uitgangspunt? In de ontwerp-omgevingsvisie wordt voorgesteld om teeltondersteunende voorzieningen hoger dan 1,5 meter enkel nog toe te staan in de ‘toekomstbestendige agrarische ontwikkelgebieden’ (pionierslandschap en Aalandschap). Naar aanleiding van de zienswijzen is hieraan toegevoegd de voormalige reconstructiewetzone – boomteelt. In de overige gebieden blijven de teeltondersteunende voorzieningen beperkt tot maximaal 1,5 meter. Dit dient nog te worden uitgewerkt in beleid (zie actiepunt F4 van de ontwerp-omgevingsvisie). In het kader van de energietransitie is het plan geopperd om in Mariahout de mogelijkheid van bodemenergie te benutten. In hoeverre moet hier rekening gehouden worden met de Mijnwet? In de Mijnbouwwet (2002) werd de winning van aardwarmte geregeld, maar deze wet bleek onvoldoende aan te sluiten op de kenmerken van aardwarmtewinning. Daarom is per 1 juli 2021 een herziening op de Mijnbouwwet van kracht, met daarin een nieuwe vergunnings-systematiek voor (proef)boringen ten behoeve van aardwarmte. Deze vergunningen worden afgegeven door de Minister, de gemeente heeft daarbij een adviesrecht (art. 16 lid 2A). Mocht dit zich voordoen dan maken we daar uiteraard gebruik van.
Daarnaast gelden andere beperkingen voor bodemverstoring waar gemeente en hogere overheden ook aan zullen toetsen als er een aanvraag binnenkomt. Wonen in het buitengebied moet in onze ogen in beperkte zin mogelijk zijn. Tijdens de raadsvergadering komen wij met aanbevelingen zoals wij die op dit moment zien. We zien in de voorliggende visie ook een mogelijkheid om creatief om te gaan met het realiseren van woningbouw met name in de kernranden. Een voorbeeld daarvan is het gebied rond de Buizerdstraat in Aarle-Rixtel dat al voor een deel in eigendom van de gemeente is. Is het daarom niet raadzaam om dergelijke gebieden in deze visie op te nemen? Om gebiedsspeculatie te voorkomen worden in de omgevingsvisie geen gebieden aangewezen voor woningbouw. Dit geldt ook voor de gronden die in gemeentelijk eigendom zijn, omdat zelfs deze aanwijzing (in de directe omgeving) grondspeculatie teweeg kan brengen. Het college adviseert de gemeenteraad dan ook met klem om hierover geen openbare uitspraken te doen. In de omgevingsvisie is in algemene zin een pleidooi gehouden voor de realisatie van bijzondere woonvormen in de kernranden.
4
•
•
In het raadsvoorstel staat dat niet alleen de visie wordt vastgesteld echter dat ook de nota bebouwingsconcentraties wordt ingetrokken. Waarom is dit? En wat zijn de consequenties van het intrekken van dit beleid? In de Gebiedsvisie bebouwingsconcentraties worden op basis van zichtlijnen uitspraken gedaan over bouwmogelijkheden binnen bebouwingsconcentraties in het buitengebied. In de omgevingsvisie wordt echter een pleidooi gehouden voor de bescherming van met name historische bebouwingsconcentraties. Bescherming die noodzakelijk is om de authenticiteit van deze gehuchten te kunnen bewaken. Het lukraak intensiveren van deze gehuchten met bebouwing komt de belevingswaarde van deze gebieden niet ten goede. Bovendien is de onderliggende argumentatie voor het wel of niet bebouwen van een perceel (op basis van zichtlijnen) juridisch gezien flinterdun. Er wordt ernstig getwijfeld of deze gebiedsvisie een juridische test zou kunnen doorstaan. De consequentie van het intrekken van de gebiedsvisie is dat een aantal bouwkansen binnen bebouwingsconcentraties komt te vervallen. De eigenaren hebben echter ruim tien jaar de mogelijkheid gehad (vanaf het moment van vaststelling van de gebiedsvisie) om deze bouwkansen te verzilveren. Door hiervan geen gebruik te maken heeft men ‘riskant stilgezeten’ en vervalt de mogelijkheid om een geslaagd beroep te doen op tegemoetkoming van planschade.
Tenslotte voorzitter, wat is nu precies de status van deze visie? Zodra de omgevingsvisie door de gemeenteraad is vastgesteld, vormt de visie een koersdocument voor wat betreft de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in het buitengebied van Laarbeek. Er staat geen bezwaar of beroep open tegen de vastgestelde visie. Het is de bedoeling dat de visie een levend document blijft en elke drie jaar tegen het licht wordt gehouden voor wat betreft eventueel noodzakelijke of wenselijke aanpassingen.
Vragen ABL • Op het gebied van gezondheidsbevordering wordt gesproken over het stimuleren van zorgboerderijen. Faciliteren lijkt ons hier meer op zijn plaats, actief werven, wat stimuleren doet vermoeden, lijkt ons geen noodzaak voor. De gemeente gaat inderdaad niet actief werven. Faciliteren is een beter woord om in dit verband te hanteren. • Voor het mogelijk maken van volkstuinen en bewegingsstimulerend inrichten vragen we extra aandacht voor de verkeersbelasting die dit mogelijk met zich meebrengt. Verkeersbelasting is altijd een aspect om in de totale afweging te betrekken. • Voor gezondheidsbescherming wordt gesproken over omgevingswaardes als onderdeel van de omgevingswet. Betekent dit dat omgevingswaardes de milieuvergunningen op termijn gaan vervangen? We zien het opstellen van beleid nog niet terugkomen in de omgevingsagenda. Omgevingswaarden vervangen de milieukwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. Gemeenten kunnen voor geluid, geur, trilling en bodem omgevingswaarden kiezen die strenger of minder streng zijn dan de landelijke standaardwaarden. Bij luchtkwaliteit en externe veiligheid zijn alleen strengere omgevingswaarden toegestaan dan de landelijke standaardwaarden. Het vaststellen van afwijkende omgevingswaarden is echter niet vrijblijvend. Deze waarden moeten vervolgens ook worden gemonitord.
In de visie is ervoor gekozen om als gemeente geen afwijkende waarden vast te stellen. Omgevingswaarden vervangen de milieuvergunningen niet, ze fungeren als toetsnorm voor de milieuvergunning (officieel: omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten).
5
•
•
•
•
•
Aansluitend hierop. De gemeente neemt geen actieve houding aan op het gebied van saneren van agrarische overlastsituaties om financiële redenen. We begrijpen de dilemma’s maar hier verwachten we toch een actieve houding in het kader van bescherming van de volksgezondheid en de natuur. Vanuit het rijk komen steeds meer signalen voor steun voor dit beleid. Op pagina 71 van de ontwerp-omgevingsvisie zijn de geurcontouren op basis van berekening in kaart gebracht. Een onderzoek dat speciaal in het kader van de omgevingsvisie heeft plaatsgehad. Hieruit blijkt dat in Laarbeek nauwelijks sprake is van normoverschrijding. Dit in tegenstelling tot meer agrarische gemeenten in de omgeving. We mogen ons in die zin gelukkig prijzen. In die situaties waarbij desalniettemin aantoonbaar sprake is van ontoelaatbare geurhinder, zal de gemeente proberen de beschikbare regelingen en subsidies in te zetten. Direct dan ook de andere zijde. Het is lastig in te schatten waar we boeren bedoeld of onbedoeld belemmeren in hun bedrijfsvoering met het aannemen van deze visie.
Voortkomend uit de zienswijze van boerenondernemers is een gebied uiteindelijk aangepast hierop, maar zijn er meer situaties die we nu niet voldoende in beeld hebben en straks een probleem gaan vormen en we boeren onbedoeld klem zetten? Hoe gaan we hier mee om? Vooropgesteld, de bestaande vergunningrechten van agrarische ondernemers worden gerespecteerd. Met de introductie van De Brede Plattelandsbestemming proberen we de lastige keuze om te transformeren naar een andere activiteit, te vergemakkelijken. De omgevingsvisie is een levend document dat elke drie jaar tegen het licht zal worden gehouden in verband met mogelijke nieuwe ontwikkelingen. Voor verkeersoverlast en verkeersveiligheid ontbreekt een concreet plan. Lastige kwesties maar laten we dan in ieder geval afspreken dat verkeersoverlast met ontwikkelingen uit deze visie niet verder mag toenemen. De echte oplossing zien wij in de eerder voorgestelde verkeersvisie. In de omgevingsagenda zijn actiepunten opgenomen voor onderzoek naar sluiproutes en 60 km/uur wegen zonder vrijliggend fietspad. We zijn benieuwd naar de uitwerking van de ‘brede plattelandsbestemming’ en zijn blij met het beeldkwaliteitsplan wat wordt opgesteld. Deze twee documenten zijn een verlengstuk van deze visie.
Maakt het soort bedrijven uit categorie 1-2 wel of niet toestaan hier ook onderdeel van uit? Nee, de keuze voor het toestaan van het soort categorie 1 en 2 bedrijf in het buitengebied vindt plaats in de vertaling naar het omgevingsplan. Op het gebied van klimaatverandering vinden we de visie te mager voor het buitengebied. Hier lezen we voorbeelden van maatregelen uit de bebouwde kom maar voor het buitengebied verwachten we wel meer visie gevolgd door concrete plannen. Vooral de verdroging baart ons zorgen. De omgevingsvisie schets in algemene zin de gevolgen van klimaatverandering voor wat betreft de aspecten wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen. In het Laarbeekse buitengebied is met name wateroverlast en verdroging aan de orde. Daarbij is wateroverlast vaak van tijdelijke aard. Verdroging neemt steeds meer structurele vormen aan. De kunst is om als er teveel water valt dit niet massaal af te voeren, maar juist vast te houden zodat het in tijden van droogte benut kan worden. Dit is een grote opgave die vooral regionaal moet worden vormgegeven. Water vasthouden zal met name bovenstrooms (buiten de gemeente Laarbeek) plaats moeten vinden. In Laarbeek zal met name de keuze aan de orde zijn waar we accepteren dat percelen natter zullen worden of periodiek zelfs onder water mogen komen te staan. Het waterschap is daarin leading.
Als gemeente zullen we lokaal maatregelen nemen m.b.t. klimaatadaptatie. Veelal combineren we dit met onze groene ambities,
6
•
•
•
bijvoorbeeld bij de aanleg van ecologische verbindingszones en waterbergingen nabij de dorpsranden. Daarnaast anticiperen we op klimaatverandering door bijvoorbeeld onze droogtegevoelige bossen door aangepast bosbeheer meer klimaatrobuust te maken. De concrete plannen zijn er dus wel, maar die zijn veelal geïnitieerd ‘onder een andere vlag’. Klimaatadaptatie wordt daarin volledig geïntegreerd. We zien volop aandacht voor voedselbossen. Een prima ontwikkeling, onduidelijk is of we dit nu actief gaan stimuleren. We zouden hier ook graag ruimte zien voor initiatieven als Heerenboeren waar mensen gezamenlijk hun voedsel verzorgen onder de supervisie van een boer. De belangstelling voor Herenboeren is reeds benoemd op pagina 31 van hoofdstuk vijf (‘Trends en ontwikkelingen’). De gemeente zal dergelijke initiatieven altijd ondersteunen. Dat er veel aandacht is voor arbeidsmigranten in zowel de visie als de zienswijzen vinden we noodzakelijk. Deze mensen moet fatsoenlijk gehuisvest worden. Het clusteren in het buitengebied zou integratie inderdaad in de weg staan. Voor het zogenaamde ‘short stay’ zouden hier mogelijkheden liggen, maar het ‘long stay’ zien we dit ook beter binnen of aan de rand van de kernen. Er is een beleidsvisie voor de huisvesting van arbeidsmigranten onder constructie. Oplevering is voorzien in de eerste maanden van 2022.
Naast rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten worden met deze visie ook beeldbepalende panden in historische bebouwingslocaties aan strengere regels gehouden. Hoewel we mogelijk vooruitlopen op het omgevingsplan met daarin de ruimtelijk regels, kan dit mogelijk tot problemen leiden bij eigenaren als verregaande beperkingen opgelegd worden zoals beperking van het bouwvlak. Hoe moeten we dit zien? En hoe wordt bij een eigenaar kenbaar gemaakt in het bezit te zijn van een beeldbepalend pand met de bijkomende beperkingen. Hier kan zelfs sprake zijn van planschade. De beeldbepalende panden zijn opgenomen in de Herziene Welstandsnota 2012. Een groot deel van deze panden is ook beschermd als cultuurhistorisch waardevol in de bestemmingsplannen. De individuele panden zijn dus al beschermd. De bebouwingsconcentraties als ensemble nog niet. Hiervoor wordt onderzocht op welke manier deze binnen de mogelijkheden van de omgevingswet beschermd kunnen worden. Te denken valt aan bijvoorbeeld een aanduiding in het omgevingsplan of een beeldkwaliteitsplan. Overigens moet vermeld worden dat de lijst van beeldbepalende en cultuurhistorische waardevolle panden geactualiseerd wordt als onderdeel van het erfgoedbeleid 2021-2026. De geactualiseerde lijst wordt verwerkt in het toekomstige omgevingsplan. De wijzigingen worden gecommuniceerd naar de betreffende pandeigenaren.
Vragen PvdA • In plaats van één buitengebied is er gekozen voor een gebiedsgerichte benadering met 8 samenhangende gebieden. Een van onze eerste vragen gaat over het hanteren van de harde grenzen tussen deze gebieden. We lezen op pagina 41: Wat straks aan de ene kant van de staat wel mag, mag niet meer aan de andere kant. Komt er een gebiedsscheiding op staatniveau? Dit is nu niet duidelijk. Deze grenzen zijn hard en zullen in de vertaling van de omgevingsvisie in het omgevingsplan preciezer worden aangeduid. De gemeenteraad wordt verzocht behoedzaam om te gaan met het verschuiven van grenzen of het hanteren van overgangszones. Dit leidt namelijk onvermijdelijk tot precedenten die op enig moment niet meer uitlegbaar zijn, waardoor het oogmerk van een gebiedsgerichte benadering (helderheid en voorspelbaarheid) langzaam verloren zal gaan. De
7
•
•
•
•
begrenzing van de deelgebieden is bovendien tot stand gekomen op basis van de Lagenbenadering, waarbij de verschillen in onder- en bovengrond bepalend is bij het komen tot een samenhangende indeling. De brede plattelandsbestemming is een goede oplossing voor de vrijkomende agrarische bedrijven. Geldt deze bestemming voor alle panden in het buitengebied of alleen Voormalig Agrarische Bedrijven. Daar bedoelen we mee, blijft functie wonen ook gewoon alleen wonen. Of mag een woonboerderij nu ook een zorgboerderij worden? Dit is nog niet bepaald. Actiepunt A1 heeft betrekking op de uitwerking van De Brede Plattelandsbestemming waar de provincie Noord-Brabant een belangrijke stempel op zal (willen) drukken. De Brede Plattelandsbestemming zal vooral zijn diensten bewijzen bij de transformatie van agrarische bedrijven. Of De Brede Plattelandsbestemming ook bij burgerwoningen of bedrijfswoningen gedienstig kan zijn is nog onderwerp van nadere studie. Uit de ingediende zienswijzen valt in elk geval op te maken dat een aantal bewoners zich hierover zorgen maakt. Het stoplichtmodel is erg overzichtelijk. Specifiek hierbij onze interesse in grootschalige landbouw op rood. Het aantal agrarische bedrijven is flink afgenomen de laatste jaren, maar we zijn er nog niet. Klopt het dat er 2 van de 8 deelgebieden als toekomst bestendig agrarisch ontwikkelgebied zijn aangemerkt.
Uit de responsnota (24F) blijkt dat er ook nog een landschap toegezegd is van rood naar oranje te gaan. Wij vinden als PvdA dat er geen uitbreiding meer moet komen en er nog meer gestimuleerd mag worden op stoppen. En als er uitbreiding komt, alleen als de voorwaarde opgenomen wordt dat het bedrijf duurzamer wordt en meehelpt aan de stikstofreductie. Voor een deel is sprake van een theoretische discussie. Ten eerste omdat de bestaande vergunningrechten sowieso dienen te worden gerespecteerd. Ten tweede omdat provinciale regels de nieuwvestiging van intensieve veehouderij uitsluit. En ten derde omdat een verzoek tot uitbreiding van het agrarisch bedrijf - uitstijgende boven de bestaande vergunningrechten - wordt voorgelegd aan de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen en wordt getoetst aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV). Dit is eveneens omschreven bij antwoord 24F in de Nota van beantwoording. Zoals een van de reclamanten uit de responsnota zegt: (Blz 36 zegt reclamant 21) Laarbeek zou zich op de kaart kunnen zetten met een generatie-overstijgende visie die recht doet aan de inzichten van deze tijd. Dit document is verre van generatie overstijgend. Alleen inzetten op de brede plattelandsbestemming is wat ons betreft niet voldoende. We kijken uit naar de plannen van de nieuwe regering, want iedereen is om dat de veestapel verminderd moet worden.
Wij zien graag een kans voor deze bedrijven om daarin mee te gaan en College kom met een stappenplan. Het is te gemakkelijk om een ‘generatie-overstijgende’ visie voor te schrijven als dat op dit moment nog niet realistisch is. Het college constateert dat er nog geen toekomstbestendig verdienmodel voor deze transformatie aanwezig is. Vandaar dat is gekozen voor landbouwperspectief waar het kan en transformatie waar het moet. Het college dient rekening te houden met alle belangen, niet alleen het natuur- en milieubelang. Ook hebben ons zorgen bereikt over het inzetten op toerisme en recreatie in het Biezenlandschap. Is dit gebied daar wel geschikt voor? En moet heel Laarbeek niet op de kaart gezet worden met toerisme en recreatie? Elke functie die op de visiekaart aan een deelgebied is toegekend moet worden gelezen als een globale aanduiding. Indien een deelgebied dus voor toerisme en recreatie wordt aangewezen, dan is dat altijd een aanduiding op hoofdlijnen. De concrete toewijzing van functies in het omgevingsplan vergt maatwerk, bijvoorbeeld indien sprake is van wringende belangen bij aanwezige natuurwaarden.
8
•
•
•
•
•
Bij het op groen zetten van bedrijvigheid categorie 1 en 2 zouden wij enkele uitsluitingen willen toevoegen. Onder deze categorie vallen bijvoorbeeld ook data en distributiecentra. Kijk naar het voorbeeld in Nuenen. Dit is wat we zeker niet willen, is het mogelijk om bepaalde bedrijvigheid toch bij voorbaat al uit te sluiten? De bedrijfsmogelijkheden in het buitengebied blijven sowieso beperkt tot het bestaande bouwblok met een maximale oppervlakte van 1,5 hectare. Mogelijk is deze omvang voor de provincie Noord-Brabant bij een omzetting naar bedrijvigheid al ontoelaatbaar. Maar de belangrijkste conclusie is dat datacenters en logistieke centra gezien de noodzakelijke oppervlakte in deze branches, om deze reden niet realiseerbaar zijn in het buitengebied. Deze zorg kan dus worden weggenomen. Maar het is juist dat binnen de milieu-categorieën 1 en 2 (de minst belastende milieucategorieën) ook bedrijven voorkomen die in het buitengebied ongewenst zijn. Bij de uitwerking van De Brede Plattelandsbestemming en de vertaling in het omgevingsplan kunnen de gewenste en ongewenste bedrijven worden benoemd. In de huidige bestemmingsplan-praktijk voor bedrijventerreinen is dat al mogelijk door middel van een Staat van bedrijfsactiviteiten. De gemeenteraad is t.z.t. betrokken bij de vaststelling van het omgevingsplan en heeft dan de mogelijkheid om keuzes eventueel bij te sturen.
Het hoofdstuk gezondheid vinden we inhoudelijk erg sterk. Wel baart ons het stuk over een meer buigzame gemeentelijke geurverordening ons zorgen. En het ruimte creëren en salderen. Graag zien we dat alles op alles gezet wordt op het verbeteren van de luchtkwaliteit in onze Gemeente. In onze achterban wordt gezegd: Het stinkt echt op de Donk. Met een buigzame geurverordening wordt bedoeld dat het college gebruik wil maken van de mogelijkheid om de omgevingswaarde voor geur naar boven óf naar beneden bij te stellen, afhankelijk van het gebied. Voor het verbeteren van de luchtkwaliteit zou ‘een buigzame geurverordening’ essentieel kunnen zijn. Buigzaamheid kan in twee richtingen worden uitgelegd. Wat betreft het omgevingsdialoog, hoe denkt de gemeente burgers in bescherming te nemen bij een initiatiefnemer zonder goed fatsoen? De omgevingswet stelt dat de omgevingsdialoog vormvrij is. Het in de visie opgenomen stappenplan is dan ook facultatief. Wél is in het kader van de implementatie van de Omgevingswet in onderzoek of de gemeenteraad bij bepaalde ruimtelijke initiatieven een omgevingsdialoog dwingend kan opleggen. In dat geval wordt de omgevingsdialoog een indieningsvereiste bij de aanvraag van een vergunning en kan de aanvraag ‘niet in behandeling worden genomen’ bij het ontbreken ervan. Maar uiteindelijk is de gemeente wel gebonden aan de wettelijke mogelijkheden in dezen.
Goed dat er grenzen gesteld zijn aan de Ruimte voor ruimte woningen, maar lezen op pagina 97 wel dat er een uitzondering gemaakt kan worden. Geldt deze uitzondering niet voor historische bebouwingsconcentraties? Niet op voorhand. Solitaire ruimte-voor-ruimte woningen worden in het buitengebied alleen nog overwogen indien hiermee aantoonbaar een planologisch (geur, leefomgeving) of landschappelijk vraagstuk kan worden opgelost. Dit zou ook het geval kunnen zijn in een historische bebouwingsconcentratie. Vandaar dat de gemeente deze optie graag open wil houden. Op bladzijde 108 gaat het over regionaal meetnetwerk die stikstofdioxide, fijnstof en ozon meet. In Laarbeek komen geen meetkasten via het netwerk maar er is wel een mogelijkheid om mobiele meetkasten te plaatsen. Gaat Laarbeek dit ook doen? Vooralsnog is hiervan geen sprake. Dit zal worden overwogen op het moment dat zich dringende milieuvraagstukken voordoen.
9
•
•
•
•
•
•
In de responsnota zien we veel reclamanten die bezorgd zijn over voortzetting van hun (boeren)bedrijf. We vinden het een moeilijk dilemma met veel tegenstrijdige belangen. PvdA Laarbeek vindt dat het belang van gemeente voor alle inwoners voorop moet staan. Zij moeten daarom dus ook durven kiezen om op geen enkele mogelijke manier mee te werken aan schaalvergroting, maar juist actief afschalen. En die boer daarbij helpen, vanuit landelijke en provinciale richtlijnen. In een van de reacties op deze zienswijze refereert de gemeente aan People planet profit? Bij schaalvergroting van agrarische bedrijven, profiteert alleen de boer niet the people. Indien schaalvergroting op de ene plek betekent dat daarmee een bedrijf op een andere - minder geschikte - locatie komt te vervallen (bijvoorbeeld door samenvoeging), profiteren ook the people. Veel zorgen vanuit Mariahout, begrijpelijk. Maar de energie transitie moet doorgaan. Het is in het belang van het klimaat en in het belang voor onze kinderen en kleinkinderen, ook van de mensen die daar wonen. En daarom is het zo belangrijk dat deze mensen meegenomen worden in de plannen en dat er acceptatie is. Het participatieproces rond de potentiële locaties voor grootschalige opwek van energie, draait op volle toeren. Ook meerdere keren genoemd: meer inzetten op zon op dak.
Stimuleer meer eigen initiatief van bewoners om zelf hun energie op te wekken. Dit is één van de aanpassingen zoals genoemd in de Nota van wijziging. Uit het raadsvoorstel: hebben we nog de volgende vraag: Wat betekent het niet intrekken van de structuurvisie Groei in Balans 2010? Gelden er dan verschillende regels? Wat staat boven wat, structuurvisie – omgevingsvisie. De structuurvisie Groei in Balans bevat ook regels voor de kernen. Vandaar dat deze visie nog niet volledig kan worden ingetrokken. De meest recente visie (omgevingsvisie buitengebied) gaat altijd boven de oude visie. Dit is het ‘haasjeover-principe’. Er wordt gesproken over de gulden middenweg. Agrarische bedrijven inperken waar het kan en ruimte bieden waar het (nog) kan. Waarom durft de gemeente niet een stap meer te zetten naar een meer duurzamere omgevingsvisie? Een correctie: de uitspraak is ‘agrarische bedrijven inperken waar het moet en ruimte bieden waar het kan’. Op hoofdlijnen kan de PvdA Laarbeek instemmen, maar de omgevingsvisie mag ambitieuzer wat betreft klimaatdoelen. We hebben in Laarbeek geen ‘eigen’ klimaatdoelen vastgesteld. Daarmee is het landelijke doel (halen klimaatakkoord Parijs) ook voor Laarbeek het doel waar we lokaal aan werken. De omgevingsvisie sluit daar op aan. De gemeente doet haar best, maar het oplossen van wereldproblemen duurt nu eenmaal wat langer.
Vragen CDA • De brede plattelandsbestemming, zo onderschrijven wij, moet gelden voor alle locaties in het buitengebied. Zowel een agrarische locatie, bedrijfslocatie als ook een woonlocatie waarbij bestaande rechten gerespecteerd moeten worden. De functies in de oranje categorie behoeven mogelijk in een later stadium tot een betere ruimtelijke afweging te komen. Vooralsnog geeft het nu nog de mogelijkheid om maatwerk te leveren bij complexere vragen en wringende belangen. Dit is nog niet bepaald. Actiepunt A1 heeft betrekking op de uitwerking van De Brede Plattelandsbestemming waar de provincie Noord-Brabant een belangrijke stempel op zal (willen) drukken. De Brede Plattelandsbestemming zal vooral zijn diensten bewijzen bij de transformatie van agrarische bedrijven. Of De Brede Plattelandsbestemming ook bij burgerwoningen of bedrijfswoningen behulpzaam
10
•
•
•
•
kan zijn is nog onderwerp van nadere studie. Uit de ingediende zienswijzen valt in elk geval op te maken dat een aantal bewoners zich hierover zorgen maakt. De vele zienswijzen ontvangen van bewoners uit het pionierslandschap benadrukken de zorgen van deze bewoners, om niet het afvoerputje van Laarbeek te willen zijn of te gaan worden. Met betrekking tot het gebied voor de windmolens, vinden wij dat er teveel wordt vastgehouden aan het zoekgebied uit de RES. Het zou al veel onrust schelen als de grens van windmolens komt te liggen ten westen van de Schaapsdijk. Ten oosten tussen de bossen lijkt het CDA Laarbeek bij voorbaat al niet reëel omdat daar veel meer huizen op kortere afstand liggen en met name daar natuur steeds meer ruimte moet krijgen. Zie aanplant voedselbos John Heesakkers en aankoop van gronden door gemeente voor natuur. Beloofd is dat onderzoek naar de reële mogelijkheden eind dit jaar er moet zijn. Het is logisch als de reële grens duidelijk is voor het vaststellen van deze visie. Als CDA Laarbeek zijn wij van mening dat het niet realistisch is als ten oosten van de Schaapsdijk windmolens komen. Komend jaar wordt de Visie grootschalige opwek en de vestiging van het voorkeursrecht gemeenten (Wvg) geëvalueerd. Bij deze evaluatie wordt het voorstel van het CDA meegenomen. In deze evaluatie krijgt de keuze een zorgvuldige eigen afweging.
In de visie zijn ook twee acties opgenomen m.b.t kwaliteitsverbetering landschap: handhaven van LIR afspraken uit het verleden en het opstellen van een “beeldend handboek kwaliteitsverbetering”. Als CDA hebben wij al eens eerder aangegeven: eerst investeren in de landschappelijke inpassing alvorens over te gaan tot uitvoer. De mogelijke rol van een gemeentelijke plattelandscoördinator zou daarin kunnen worden meegenomen. Er is veel aandacht voor de algemene omgevingskwaliteit. Het gedoseerd toevoegen van onverwachte kleur aan het buitengebied. Worden hier ook de teeltondersteunende maatregelen bedoeld(opstellen van een beleid voor teeltondersteunende voorzieningen)? Verder is in de visie te vernemen dat de visie buitengebied ruimte geeft om aan de kernranden tijdelijke woningen toe te staan om de woningnood op korte termijn te kunnen verlichten tot het moment dat de woningmarkt over 10-20 jaar weer is gewijzigd. We zijn als CDA Laarbeek content met de tekstuele aanpassing dat deze woonvormen voor zowel ouderen als jongeren bedoeld zijn. Het gedoseerd toevoegen van kleur aan het buitengebied staat helemaal los van het beleid ten aanzien van teeltondersteunende voorzieningen. Omgevingsdialoog: in de nieuwe omgevingswet is opgenomen omwonenden vroegtijdig bij ruimtelijke plannen te betrekken. Echter zijn hiervoor geen regels opgenomen.
In de omgevingsvisie is een eerste stappenplan ontwikkeld voor initiatiefnemers om tot een geslaagde dialoog te komen; hopelijk is dit stappenplan voldoende om een eerste aanzet te bewerkstelligen. Wij zijn er wel van overtuigd dat dit stappenplan evenals de omgevingsvisie geactualiseerd moet worden als blijkt dat de werkwijze niet functioneert. Het voornemen om de visie iedere 3 jaar te actualiseren zal een hele klus zijn. Een zo actueel mogelijke visie zal ook haar levendigheid daarmee behouden en de creativiteit en investeringsbereidheid onder burgers en ondernemers verhogen. Ter kennisname. Tot slot willen wij het college succes wensen bij het SMART formuleren van de acties bij de verdere uitwerking. De brede plattelandsbestemming moet vanuit de provincie niet gezien worden als de omgevingsvisie van Laarbeek. De provincie moet deze gaan zien als een belangrijke stap om het buitengebied in heel Brabant in transitie te brengen. Deze transitie begint in Laarbeek. Ter kennisname.
11