14 20210909 Bijlage B Landschappelijk inpassingsplan.pdf
Tekst van het document
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN Laarbeek
COLOFON
Door: LabelTIEN Bosrandweg 1a 7722 KB Dalfsen Telefoonnummer 06 555 72 233 E-mail info@labeltien.nl Internet www.labeltien.nl Project 69.026.21 Auteur ing. L. Grote Gansey - landschapsontwerper Datum laatst gewijzigd 6 januari 2021
Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of LabelTIEN 2
INHOUD
1. 1.1. 1.2.
Introductie Opgave Uitgangspunten
5 5 5
2. 2.1. 2.2. 2.3.
Vigerend beleid Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
6 6 6 8
3. 3.1. 3.2. 3.3.
Visie Identiteit van het verleden Landschappelijke opbouw Visie
12 12 14 15 3
afbeelding 1. Topografische ligging zonnepark contour zonnepark (rood)
4
1. INTRODUCTIE 1.1. Opgave TPSolar is voornemens een zonnepark te realiseren in het buitengebied ten noordwesten van Mariahout. Het zonnepark bestaat uit een veldopstelling van zonnepanelen met bijbehorende infrastructuur. Hiermee kan een bijdrage worden geleverd aan de duurzaamheidsdoelstellingenvan gemeente Laarbeek. Momenteel wordt het ontwikkelingsplan verder uitgewerkt. Onderdeel van de benodigde bescheiden vormt het landschappelijke inventarisatie en visie. LabelTIEN staat met uitgebreide kennis van actueel beleid en het landschap, waarin het zonnepark is gelegen, opdrachtgevers bij met een landschappelijke inpassing. Per definitie wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit. Hierbij wordt advies gegeven, passend bij het landschap en passend binnen het beleid van gemeente en provincie. LabelTIEN varieert in het geven van aanwijzingen ten aanzien van de uitstraling van het zonnepark, tot ruimtelijke inpassing, ontwerp en beplantingsplan van een zonnepark. De kenmerken van het omliggende landschap vormt de inspiratie voor de visie en/of inpassing van een zonnepark. Hierbij gaat het om een eigentijdse invulling, passend bij nieuwe functies, rekening houdend met oorspronkelijke cultuurhistorische waarden.
1.2. Uitgangspunten Dit plan bestaat uit een plankaart van het landschap. Er wordt duidelijk gemaakt waar en hoe investeringen in het landschap vorm krijgen en hoe de ruimtelijke kwaliteit wordt gewaarborgd na inpassing. Middels een korte onderbouwing op basis van een analyse van het landschap, het toetsen van beleid en het analyseren van de streekeigen kenmerken worden handvaten gepresenteerd die fungeren als leidraad voor een inpassingsplan. De visie zou moeten aansluiten op het beleid en de streekeigen kenmerken van het landschap.
5
2.VIGEREND BELEID 2.1. Rijksbeleid De minister van Infrastructuur en Ruimte heeft de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De visie stelt het (integrale) kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau in Nederland. In de nota staat dat de verstedelijkings- en landschapsbeleid wordt overgelaten aan gemeenten en provincies.
2.2. Provinciaal beleid 2.2.1. Structuurvisie Ruimtelijke ordening De provincie Noord-Brabant legt in deze structuurvisie de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid vast. De snelveranderende maatschappij zorgt ervoor dat de gestelde visie geen einddoel is, maar een richting biedt waar de provincie naar toe wil. Om de visie te bewerkstelligen, maakt Noord-Brabant onderscheid op 4 hoofdopgaven: • Werken aan de Brabantse energietransitie; • Werken aan een klimaatproof Brabant; • Werken aan de slimme netwerkstad; (n.v.t.) • Werken aan een concurrerende, duurzame economie. De 4 hoofdopgaven hebben een grote ruimtelijke impact. Meerwaarde recreatie en meervoudig slim ruimtegebruik is noodzakelijk. Werken aan de Brabantse energietransitie Doel 2050: Duurzame energie, grotendeels afkomstig uit NoordBrabant. Doel 2030: Tenminste 50% reductie van broeikasgassen van uitlaat ten opzichte van 1990 en tenminste 50% duurzame energie.
Wat wil de provincie: • Het opstellen van een heldere koers samen met de regio; • Noord-Brabant sluit aan bij de Nationale energieagenda; • De opgave wordt in beginsel niet op de omgeving afgewenteld; • Het verbinden van de energieopgave met zoveel mogelijk andere maatschappelijke doelen; • Het uitgaan van meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik; • Onder voorwaarden energieopwekking in NNB mogelijk maken; • Rekening houden met de ondergrond. Werken aan een klimaatproof Brabant Doel 2050: Brabant is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Doel 2030: Brabant handelt al sinds 2020 klimaatbestendig en waterrobuust; in 2030 zijn de eerste grote gebiedsopgaven daartoe al gerealiseerd. Wat wil de provincie: • Een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting; • Herontwikkeling van het beeklandschap; • Ondersteuning bieden aan de ontwikkeling van nieuwe teelten en teeltsystemen; • Het werken aan een robuust aantrekkelijk rivierlandschap bij Maas en Merwede. Werken aan een concurrerende, duurzame energie Doel 2050: Brabant is top kennis- en innovatieregio in Europa. Producten, materialen en grondstoffen worden op alle onderdelen van de Brabantse economie in verregaande mate hergebruikt. Het streven naar waardecreatie voor mens, natuur en economie gaan hand in hand. Doel 2030: Brabant is top kennis- en innovatieregio in Europa.
De provincie werkt aan een circulaire economie door duurzamer om te gaan met de beschikbare grondstoffen en natuurlijke bronnen. Wat wil de provincie: • Innovatie voor een circulariecirculaire economie; • Digitalisering; • Aantrekkelijk vestigingsklimaat; • Agrofood; • Oog voor sociale impact; • Goede voorbeeld.
6
kk
!
2.2.2. Verordening Ruimte In deze verordening vertaalt de provincie de kaderstellende k k elementen uit het provinciaal beleid naar regels die van toepassing zijn op (gemeentelijk) bestemmingsplannen. k
77
!
7 77 77
kk !
kk
77
kk !
kk
kk
!
Zeekleigebied
kk
Langstraat
kk
!
kk
T ¾
!
kk !
!
kk !
¾ T ¾
kk !
kk !
kk !
kk
kk
!
Baronie
!
kk !
Langstraa
Maasvallei
kk
!
!
!
kk kk
!
kk
!
!
!
!
k
7 77 7 7 7 7 7
Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. De hoofdregel is dat de k ontwikkelruimte dient bij te dragen aan het versterken van de k ruimtelijke kwaliteit. Het ontwikkelen van het landschap reikt verder dan vasthouden aan wat er is, ontwikkelen van het ¾landschap gaat dan ook om het toevoegen van nieuwe kwaliteiten. k Baronie De zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteiten bepaalt dat: • Er zorgvuldig wordt omgegaan met het ruimtegebruik; • Er rekening wordt gehouden met de omgeving; • De ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit.
!
Meierij
k !
k !
7
7 7 7 7
Breuklijn
Overlaat of voormalige inundatievlakte
Maasheggen
Peelraam linie
Schootsveld
¾ West-Brabantse Venen T ¾
!
kk !
Peelkern
T ¾
!
Het plangebied ligt in het gebiedspaspoort: ‘Meijerij'
!
7
7
k
Het is aan de gemeenten om invulling te geven aan ruimtelijke kwaliteit op lokaal niveau. Als uitgangspunt zijn de gebiedspaspoorten. Hierin geeft de provincie aan wat zij van belang vindt voor de kwaliteit van een gebied of landschapstype.
kk
T ¾
T ¾
kk
T
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. Concreet betekent dit dat passende functies zich kunnen ontwikkelen als er ook een prestatie voor het landschap tegenover staat. Daardoor wordt aantasting van de basiskwaliteit en verlies van ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden voorkomen. Ontwikkelingen die passen bij de aard, schaal en functie van het landelijk gebied zijn mogelijk. In principe gaat de provincie uit van de realisering van een fysieke prestatie op de projectlocatie en/of directe projectomgeving. Indien dat niet mogelijk is, is de vorming van gemeentelijk of regionaal landschapsfonds een optie.
T ¾
T ¾
kk
kk
kk
!
!
Brabantse Wal
Peelrand
Legenda
Grens gebiedspaspoort
Oppervlaktewater
HSL
Breuklijn
Boomteelt
Oude zandontginning
Snelweg
Peelraam linie
Kempen Bebouwd gebied Heide
Jong bos
Jonge zandontginning Komgrond
Langstraatontginning Maasterrasrug
Maasterrasvlakte Oeverwal
Oud bos
Peelkernontginning
Dijken
West-Brabantse veenontginning Zeekleipolder
Kreken
Rivieren
Wetering
Sch
Wetering
Beken
Uiterwaarden
Ove mal
Turfvaart
Weg
Rivierdal
Zandverstuiving
Steilrand
Spoorlijn
Peelrandontginning Veenrestant
Maasheggen
Kanaal
kk !
T ¾
o
eg
kk
o
l
Altena
7
Fort
Turfhaven Vliegveld
Windturbine
Bron: Provincie Noord-Brabant. Tek. nr. 26.038, juli 2010. Opmaak: Bureau ISP, Provincie Noord-Brabant
afbeelding 2. Gebiedspaspoort kenmerkenkaart - plangebied:rood (indicatief weergegeven) bron: provincie Noord-Brabant
0
7
s
De Meijerij is een kleinschalig mozaïek ontstaan van oude en jonge ontginningslandschappen afgewisseld met woeste gronden. De woeste gronden werden, voor de introductie van kunstmest, gebruikt voor beweiding door vee. Door overbeweiding ontstonden op enkele plekken stuifzanden. De oude ontginningen bestaan uit dorpen met oude akkercomplexen en broekgebieden in de laagten met waterlopen en de beken. Op de hogere gronden is bebouwing ontstaan in de vorm van linten, dorpen en gehuchten. Door de grote variatie in het landschap kent het gebied ook een grote biodiversiteit. Zo komen er door de afwisseling van vochtige bossen, heiden, vennen en beekdalen veel amfibieën voor. De ambitie: 1. Het karakter van de Meierij als groen hart van Brabant versterken. Dit kan door:
2.3.1. Landschapsontwikkelingsplan Het landschap is geen statisch, maar een dynamisch geheel, dat voordurend aan verandering onderhevig is. Om nieuwe ontwikkelingen een plaats te kunnen geven in het buitengebied heeft de gemeente de kernkwaliteiten van het buitengebied benoemd. Dit zijn: • De grote verscheidenheid aan landschapstypen; • De diversiteit in groenelementen welke voor de natuur waardevol zijn en tevens als 'mooi en prettig' worden ervaren; • De cultuurhistorische waarden, die op verschillende plekken duidelijk waarneembaar aanwezig zijn.
•
2.
3. 4. 5. 6.
mogelijkheden te bieden voor menging van functies in het buitengebied en verbreding van de landbouw. Ontwikkelingen vinden plaats in samenhang met het versterken van landschapselementen die bijdragen aan de biodiversiteit en het groene, kleinschalige karakter; • het verbindingen van (belangrijke) natuurgebieden; • het versterken van de recreatieve verbindingen binnen de Meierij en tussen de omliggende steden; • in te zetten op de ontwikkeling van een robuust beeksysteem, waarin naast duurzame waterhuishouding ook de landschappelijke kwaliteit van het watersysteem versterkt wordt; • het maximaal sparen en bergen van water in de haarvaten van het watersysteem alvorens het water af te voeren naar de beken.
Mogelijkheden voor nieuwe landschapskwaliteit te bieden in de jonge ontginningslandschappen door bijvoorbeeld het ontwikkelen van nieuwe landgoederen en het robuuster maken van de beplantingsstructuren; In te zetten op behoud van de fijnmazigheid van de oude ontginningen door aandacht voor groen ondernemerschap gericht op recreatie, zorg, educatie, natuurontwikkeling; De cultuurhistorische waarden in hun samenhang verder te ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten; Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief van de archeologische landschappen; Het versterken van de ecologische waarden van het landschap door te sturen op te behouden of te ontwikkelen kenmerken van het landschap, waarbij kenmerkende plant- en diersoorten van poelen en kleine wateren, waterlopen, kleinschalig besloten landschap, open weide- en akkergebieden en het halfopen landschap met bomenrijen goede indicatoren zijn. Denk hierbij aan soorten als de kamsalamander, kroeskarper, nachtegaal, grutto, wulp, geelgors en korenbloem.
2.3. Gemeentelijk beleid
Ecologische kwaliteiten Binnen de gemeentegrenzen zijn een drietal gebieden te onderscheiden met ieder een eigen ecologische kwaliteit. Deze gebieden zijn: • De hoogst gewaarde ecologische kwaliteiten bevinden zich in de randen van de bossen, struwelen, landgoederen en de ecologische verbindingien langs watergangen en wegen; • Diverse groene elementen in het buitengebied vormen een fijn netwerk in en tussen de verschillende landschapstypen in het plangebied en vormen de basiskwaliteit; • De kernen zijn compact en hebben een lage ecologische waarde. Het plangebied ligt in het gebied: Middel agrarisch structuurrijk landschap.
afbeelding 3. Ecologische kwaliteiten- plangebied:rood (indicatief weergegeven) bron: LOP - gemeente Laarbeek
8
Esthetische kwaliteiten Mooi is subjectief. De beoordeling berust op de mate van herkenning van de verschillende aanwezige landschapstypen en de samenhang daartussen. De gemeente maakt onderscheid tussen een zevental gebieden. Het plangebied ligt in deelgebied 1: Jonge dekzandontginningen. Het patroon van de jonge dekzandontginning met grote kavels, relatief open, bebouwing in lintvorm langs de occupatie assen is goed herkenbaar.
afbeelding 4. Uitsnede estetische kwaliteit - plangebied:rood bron: LOP - gemeente Laarbeek
afbeelding 5. Streefbeeld - plangebied:rood bron: LOP - gemeente Laarbeek
9
2.3.2. Visie op grootschalige opwek van duurzame energie in Laarbeek Deze visie geeft weer hoe Laarbeek omgaat met aanvragen voor projecten die op grote schaal duurzame energie willen opwekken. De aanleidingen hiervoor zijn de energietransitie en de doelen en verplichtingen die dit voor gemeenten met zich meebrengt, maar ook de lokale wens om zorgvuldig om te gaan met aanvragen en de transitie zo goed mogelijk in te passen in het Laarbeekse landschap en de Laarbeekse gemeenschap. Het uitgangspunt van de visie is dat Laarbeek de grootschalige opwek van energie toestaat. Daarbij wordt aan een aantal voorwaarden getoetst die in onderlinge samenhang worden beoordeeld. De gemeenteraad toetst uiteindelijk of een specifiek project daadwerkelijk doorgang kan vinden. Er zijn vier typen voorwaarden te onderscheiden waaraan een project wordt getoetst: voorwaarden voor een goede landschappelijke inpassing, voorwaarden voor het creëren van maatschappelijke meerwaarde, voorwaarden voor het geven van participatiemogelijkheden voor inwoners, en tenslotte de procedurele en technische voorwaarden die bijvoorbeeld de veiligheid van het project garanderen. Dit toetsingskader geldt voor alle vormen van grootschalige opwek, maar voor twee technologieën zijn de voorwaarden voor landschappelijke inpassing verder uitgewerkt: voor windmolens en zonneparken.
Dit is omdat het veelbelovende technologieën lijken, die tegelijk een duidelijke impact hebben op het landschap. Geschikt landschapstype Niet alle landschapstypen zijn geschikt voor het plaatsen van een zonnepark. Zonneparken hebben ondanks hun geringe hoogte een grootschalige en industriële uitstraling. In landschappen met meer geslotenheid en reliëf kan het mogelijk zijn om de zonnepanelen aan het zicht te onttrekken, maar in een open landschap zou bijvoorbeeld de aanleg van een houtwal of –singel uit de toon vallen. Ook in gebieden die belangrijk zijn voor toerisme vanwege natuurbeleving of de authentieke uitstraling van een landschap, zijn zonneparken niet passend. Ten slotte kan de vraag worden gesteld of de schaal van een zonnepark aansluit bij de schaal van het landschap: een verkaveld landschap met relatief kleine percelen en/of veel afwisseling in ruimtegebruik is beter geschikt voor het aanleggen van een of meerdere kleine zonneparken dan voor een groot zonnepark. Daarom wordt een onderscheid gemaakt tussen grootschalige en kleinschalige parken.
afbeelding 6. Overzichtskaart geschiktheid landschapstypen voor zonneparken - plangebied:rood bron: gemeente Laarbeek
Het pionierslandschap kent een grootschalige opzet van het landschap, hierin passen grote structuren. Het heeft de voorkeur om de structuur van de blokerven te volgen en perceelsgrenzen zichtbaar te laten door perceelscheidingen zoals houtwallen, houtsingels of kavelgreppels. Deze blokstructuren moeten niet doorsneden of gesplitst worden. Voor meervoudig ruimtegebruik gaat de voorkeur uit naar agrarisch medegebruik, natuurontwikkeling en/of waterretentie.
Geschikt voor grootschalige zonneparken: Pionierslandschap
10
afbeelding 7. Overzichtskaart landschapstypen - plangebied:rood bron: gemeente Laarbeek
11
3.VISIE 3.1. Identiteit van het verleden Rondom het plangebied zijn oudere heideontginningen te vinden. Dit is is een half open landschap waarbinnen zowel kleine als grote bosgebieden te vinden zijn. Na de uitvinding van kunstmest rond 1850 werden de ‘woeste gronden’ ontgonnen en werd het mogelijk de oorspronkelijk arme gronden te gebruiken voor de landbouw. De relatief oude ontginningen zijn herkenbaar doordat ze meer opgaande beplanting kennen langs de wegen en op kavelgrenzen en doordat de wegenstructuur plaatselijke verspringt. Het waren voornamelijk individuele en kleinschalige ontginningen.
Historie Het landschap is zeer dynamisch door de vele (ruimtelijke) ontwikkelingen die in het gebied plaatsvinden. Deze aanpassing hangt samen met de veranderende betekenis die aan het landschap wordt toegekend. Werd tot in de jaren na de Tweede Wereldoorlog het landschap met name als agrarisch productiegebied gezien, nu wordt het landschap in toenemende mate beschouwd als uitloopgebied voor de stedeling, als cultuurhistorisch erfgoed, leefgebied voor flora en fauna. Tot op heden leggen grootschalige ontwikkelingen zoals nieuwe industrieterreinen en woonwijken hun claim op het landschap. Ook door ruilverkaveling neemt de verscheidenheid in maatvoering van het landschap af. De vele ruimtelijke ontwikkelingen hebben bijgedragen dat de huidige structuur ingrijpend is gewijzigd. De functie, het agrarisch landgebruik, is daarentegen nauwelijks aan invloed onderhevig geweest. Onderstaande afbeeldingen geven in tijd de ruimtelijke ontwikkelingen neer.
Het plangebied ligt in een open, jonge heideontginningslandschap. Het landschap is rond 1950 meer systematisch en grootschaliger van opzet, met een blokvormige verkaveling en rechte wegen. In het heideontginningslandschap is met name verspreide bebouwingsblokken aanwezig langs de ontginningswegen aanwezig.
Belangrijkste ruimtelijke kenmerken: -
Het plangebied behoort tot het jonge heideontginningslandschap; Het landschap kent een regelmatige rechtlijnig verkavelingspatroon; Functie van het plangebied nauwelijks onderhevig geweest aan ruimtelijke ontwikkelingen; 12
afbeelding 8. Plangebied en omgeving rond 1950
afbeelding 9. Plangebied en omgeving rond 1975
afbeelding 10. Plangebied en omgeving anno nu
13
3.2. Landschappelijke opbouw
afbeelding 9. Landschapstype
afbeelding 10. Zichtbaarheid
afbeelding 11. AHN
Landschapstype In het gebied is het karakter van het jonge heideontginningslandschap herkenbaar, grote(re) percelen en een rationele verkaveling.
Zichtbaarheid De zichtbaarheid van het zonnepark wordt voor een belangrijk deel bepaald door de ligging van de openbare weg. Over het algemeen geldt dat het gehele plangebied zichtbaar is vanaf de openbare wegen. De aanwezige houtwallen en singels beperken enigzins het beeld op het plangebied.
AHN Het plangebied ligt gemiddeld op 12.45 +NAP en loopt licht af richting het noorden.
Het plangebied behoort geomorfologisch tot een dekzandvlakte, ten noordoosten en zuidwesten liggen dekzandruggen.
De bebouwing staat met name aan de ontginningswegen Vossenberg, Veghelsedijk en Lieshoutweg/Rooijseweg. Zichtbaarheid wordt deels beperkt door een groene omkadering van het perceel, anderzijds zijn met name de achterzijden van boerenbedrijven georienteerd richting het plangebied.
14
3.3. Visie In het voorgaande hoofdstuk zijn de randvoorwaarden vanuit het overheidsbeleid in beeld gebracht. Vanuit de analyse en ontstaansgeschiedenis van het plangebied worden de gebiedswensen weergegeven. Het beleidskader en de gebiedswensen samen leveren een ambitierichting voor het plangebied. In de visie worden deze elementen verbeeld en verwoord. De ambitie is verwerkt in een set van aanbevelingen voor de ontwikkelingsvisie. Algemeen: • Draag bij aan een goede overgang naar het omliggende landschap; • Het zonnepark dient bij voorkeur uitgevoerd moeten worden als een aaneengesloten ontwikkeling. Hierdoor blijft het herkenbaar als een grootschalig project voor duurzame energie. Meerdere kleine veldjes zou de uitstraling van wildgroei en verrommeling van het gebied met zich meebrengen. Bestaande waarden: • Behoud en versterk bestaande karakteristieken/kwaliteiten van de jonge heideontginningslandschap; • Versterk kwaliteiten die bijdragen aan de (bio)diversiteit; • Behoud van de overheersende verkavelingsrichting, de hoogteverschillen/lijnen; • Integreer bestaande natuurwaarden in het plan met gebiedseigen natuurdoeltypen; • Behoud de iconen in en rondom het plangebied; • Bestaande maaiveldhoogtes blijven gerespecteerd; • Behoud van het functionerende watersysteem.
Ontwikkel het landschap: Inrichtingselementen • Ten aanzien van de inrichtingselementen, hekwerken en infrastructuren is het kleurgebruik ingetogen en sober, materiaalgebruik is afgestemd op, maar altijd ondergeschikt aan de omgeving; • Hekwerk en poorten dienen zoveel mogelijk vrij te blijven van borden; • Onderzoek of er mogelijkheden bestaan om (deels) geen hekwerk te plaatsen en de functie overgenomen kan worden door aanwezige landschappelijke elementen; • Hoogte van de panelen, incl. constructie, mag niet hoger zijn dan 3,00 meter.
Landschap • Versterken en eventueel aanvullen van bestaande karakteristieken/kwaliteiten van het jonge heideontginningslandschap; • De aanwezige landschappelijke (kenmerkende) elementen is het uitgangspunt voor de inrichting; • Pas gebiedseigen (erf)beplanting toe passend bij het landschap, de kernkwaliteit respecteren; • Onderzoek de mogelijkheid om de kavelgrensbeplanting te bevorderen; • Ontwikkel nieuwe natuurwaarden met gebiedseigen natuurdoeltypen, het habitat al dan niet vergroten van de gebiedseigen natuurdoeltypen. Uitgangspunt vormt de quickscan flora en fauna; • Onderzoek of kansen bestaat tot lokale natuurontwikkeling ten oosten in het plangebied waar een grondgebonden zonnepark niet wenselijk is.; • Randen van het park en tussen de panelen inzaaien met een lokaal passende bloemzadenmengsel, akkermengsel; • Onderzoek of een combinatie van functies mogelijk is. Te denken valt aan agrarische en/of recreatieve functies. Creëer mogelijkheden voor combinatiegebruik/dubbele functie.
15
Afbeelding 12. Verkleinde weergave van de landschappelijke inpassing. 16
STATUS Schetsontwerp
DATUM Januari 2021
GETEKEND DOOR L. Grote Gansey
ONDERDEEL Schetsontwerp
PROJECTNAAM Zonnepark Laarbeek
OPDRACHTGEVER TPSolar Melbournestraat 9 1175 RM Lijnden info@TPSolar.nl
www.labeltien.nl info@labeltien.nl
i
i
SCHETSONTWERP LAARBEEK
Zonnepark
Schaal van het landschap Uitgangspunt bij de inpassing van het grondgebonden zonnepark is dat het bestaande (omliggende) landschap wordt gerespecteerd. Dit houdt in dat de bestaande kwalitatieve structuren zoveel mogelijk wordt behouden al dan niet versterkt, zodat de maat van het landschap beleefbaar blijft. Een ander voordeel is dat het gebied in de toekomst weer makkelijk kan worden teruggegeven aan de landbouw. Het zonnepark ligt in een jonge heideontginningslandschap. Omzoomde percelen is een kwaliteit van dit landschapstype. Daar moet de ontwikkeling van het zonnepark bij aansluiten. Schaal van de omgeving Begrenzing De begrenzing van de panelenvelden komt voort uit een aantal randvoorwaarden. Zo wordt als gevolg van schaduwwerking van de aangrenzende, al dan niet te ontwikkelen, boom- en groenstructuren op afstand tot de panelen aangehouden. Het panelenveld wordt afgesloten door een transparant hekwerk met deels (onder)begroeiing voor een natuurlijke uitstraling. Om het zonnepark aan het zicht van de directe omwonende te ontnemen, wordt aan de oostzijde een informatievoorziening gerealiseerd. Daarnaast wordt ten noorden het zicht beperkt door een houtsingel. Ten zuiden en westen wordt door middel van een struweel het zicht beperkt op de panelen. Panelen De einden van de panelenrijen zullen zo vloeiend mogelijk op elkaar aansluiten.
Hierdoor is geen sprake van kartelranden of/en onregelmatige vorm van het zonnepark. De achterzijde van de panelen worden enerzijds afgeschermd door een reeds te ontwikkelen houtsingel of voedselbos. Fauna De houtsingel en struwelen bevat een rijke flora en fauna. Vogels vinden hun habitat. Ze wonen er het jaar rond, zoals de winterkoning, roodborst, mezen, goudvinken, geelgorzen en merels. Door de ontwikkeling van het zonnepark blijft de waterafvoer op en rondom het park intact. Op het zonnepark zelf wordt het hemelwater zo lang mogelijk vastgehouden. Onder en tussen de panelen zal een variatie aan drogere en nattere delen ontstaan. Dit microgradient is interessant voor verschillende soorten flora en fauna. Daarmee draagt het vasthouden van het water ook bij aan de biodiversiteit.
Beplanting Uitgangspunt bij de inpassing van het grondgebonden zonnepark is dat er rekening wordt gehouden met de beperking van de zichtbaarheid vanuit de omgeving, soorten die passen in de omgeving (inheemse soorten) en dat deze soorten bijdragen aan de biodiversiteit. Er wordt een beschutte leefomgeving gevormd door de ontwikkeling van de houtsingel. Dit in te planten vlak bestaat voornamelijk uit bes- en doorndragende inheemse heestersoorten met enkele boomsoorten, die voedsel en bescherming bieden aan vogels. Daarnaast zijn deze soorten een toegevoegde waarde als waardplant voor enkele vlindersoorten en omwille de bloeiperiode een belangrijke drachtplant voor wilde bijen. In de sloten aan de west- en noordzijde is ruimte voor oevervegetatie. Langs deze watergangen worden rietbermen/oevervegetatie ontwikkeld. Deze voegen extra kleur, tekening en seizoensdynamiek aan het landschap toe. Daarbij versterken zij de milieudiversiteit. Deze rietkragen lijken met name een kansrijke bouwsteen voor de inpassing van de relatief lage zonnevelden. Zij ontnemen niet het zicht op het zonneveld maar filteren wel het zicht op deze velden, zij brengen als het ware een vitrage om de zonnevelden aan. Kruidenmengsel Over het gehele park is ruimte voor het vergroten van de biodiversiteit.
Dit geeft een prachtig impuls om het plangebied op deze locaties te verschralen en het ontwikkelen van een duurzame soortenrijkdom. Dit wordt bewerkstelligt door een bloemenmengsel. Dit mengsel heeft een ingetogen karakter en is zeer aantrekkelijk voor bijen, vlinders en vogels. Door extensief en bewust beheer met schapenbeweiding kan er zich een duurzame natuurlijke middelhoge vegetatie ontwikkelen.
Door ruimte te geven aan natuurontwikkeling levert het zonnepark een bredere bijdrage aan een duurzaam landschap. 17
18