12 20210318 Toelichting - Mgr. Verhagenstraat ongenummerd_VAST.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Mgr. Verhagenstraat ongenummerd’
Plan ROS Adviesbureau voor ruimtelijke plannen Torenallee 20 (Strijp-S) 5617 BC Eindhoven www.planros.nl
2
Toelichting Bestemmingsplan ‘Mgr. Verhagenstraat ongenummerd’
Gemeente Laarbeek Vastgesteld Februari 2021 NL.IMRO.1659.BPBDMgrVerhstrong-VG01
4
Inhoudsopgave
Inhoudsopgave 5 Hoofdstuk 1.
Inleiding .............................................................................................................. 7
1.1
Aanleiding ........................................................................................................................ 7
1.2
Ligging en plangrenzen ................................................................................................... 7
1.3
Vigerend bestemmingsplan ............................................................................................. 8
1.4
Leeswijzer ........................................................................................................................ 8
Hoofdstuk 2.
Gebieds- en projectprofiel ................................................................................ 9
2.1
Beschrijving plangebied en omgeving ............................................................................. 9
2.2
Beschrijving planvoornemen ......................................................................................... 10
2.3
Supervisor/ beeldregie ................................................................................................... 11
Hoofdstuk 3.
Beleidskader .................................................................................................... 13
3.1
Inleiding ......................................................................................................................... 13
3.2
Rijksbeleid ..................................................................................................................... 13
3.3
Provinciaal beleid........................................................................................................... 16
3.4
Gemeentelijk beleid ....................................................................................................... 19
Hoofdstuk 4.
Omgevingsaspecten........................................................................................ 21
4.1
Milieueffectrapportage ................................................................................................... 21
4.2
Bedrijven en milieuzonering .......................................................................................... 22
4.3
Geluid ............................................................................................................................ 24
4.4
Luchtkwaliteit ................................................................................................................. 25
4.5
Externe veiligheid .......................................................................................................... 29
4.6
Bodem ........................................................................................................................... 30
4.8
Natuur ............................................................................................................................ 31
4.9
Archeologie en cultuurhistorie ....................................................................................... 34
4.10
Verkeer en parkeren ...................................................................................................... 37
4.11
Waterparagraaf .............................................................................................................. 39
Hoofdstuk 5.
Juridische vormgeving ................................................................................... 43
5.1
Algemeen ....................................................................................................................... 43
5.2
Planmethodiek ............................................................................................................... 43
5.3
Verbeelding.................................................................................................................... 43
5.4
Planregels ...................................................................................................................... 43
Hoofdstuk 6.
Financiële aspecten......................................................................................... 45
Hoofdstuk 7.
Procedure en maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................ 47
5
7.1
Bekendmaking ex artikel 1.3.1 Bro ................................................................................ 47
7.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro ........................................................................................... 47
7.3
Inspraak en samenspraak ............................................................................................. 47
7.4
Zienswijzen .................................................................................................................... 47
Bijlagen
6
49
Hoofdstuk 1. 1.1
Inleiding
Aanleiding
Initiatiefnemer is voornemens om 48 woningen te realiseren op de hoek van de Monseigneur Verhagenstraat en de Bosscheweg in Beek en Donk. Het betreffen appartementen en enkele grondgebonden woningen die op de plek van voormalige bouwmachinebedrijf Van der Vrande worden gerealiseerd. Daarnaast wordt het pand (Tuinstraat 2a) op het achterliggende perceel gesloopt en wordt het perceel ingericht met parkeervoorzieningen voor de beoogde nieuwbouw. Dit bouwplan past niet binnen de kaders van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Reden waarom dit nieuw bestemmingsplan is opgesteld onder de naam ‘Mgr. Verhagenstraat ongenummerd’. Het bestemmingsplan bestaat uit een digitale verbeelding met de daarbij behorende regels. Bij het bestemmingsplan is onderhavige toelichting gevoegd. In de toelichting wordt aangegeven waarom het bestemmingsplan is opgesteld en welke afwegingen hebben plaatsgevonden in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Naast de digitale versie is er tevens een papieren versie van het bestemmingsplan beschikbaar. De digitale versie is juridisch bindend.
1.2
Ligging en plangrenzen
Het plangebied is gelegen aan de Monseigneur Verhagenstraat en de Bosscheweg in Beek en Donk. Het plangebied wordt aan de noord- en westzijde door deze twee wegen begrensd. Het overige plangebied grenst aan de achterzijde van de tuinen van de woningen aan de Tuinstraat 2 t/m 12 en aan de achterzijde van het perceel aan de Bosscheweg 6.
Plangebied aangeduid met rode contour
7
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Het plangebied is gelegen binnen bestemmingsplan ‘Kom Beek en Donk’ dat door de raad is vastgesteld op 14 december 2011. De gronden binnen het plangebied zijn in dit bestemmingsplan bestemd als ‘Bedrijf’ en ‘Wonen’ en bestaat uit enkele bouwvlakken en aanduiding ‘bedrijfswoning’ en ‘bijgebouwen’.
Plankaart bestemmingsplan “Kom Beek en Donk” (bron:www.ruimtelijkeplannen.nl)
Het planvoornemen past niet binnen de bestemmingen en regels van het geldende bestemmingsplan. Daarnaast biedt dat bestemmingsplan geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid om het plan te realiseren. Om de beoogde ontwikkeling te faciliteren is daarom een nieuw juridisch-planologisch kader nodig. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting bestaat uit 9 hoofdstukken. Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2. Hierin is een beschrijving van het plangebied en het planvoornemen gegeven. Hoofdstuk 3 bevat de uitgangspunten bij, de randvoorwaarden en zo nodig de beleidskaders voor het opstellen van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in en een verantwoording van alle relevante milieuaspecten. 7. De juridische vormgeving van het bestemmingsplan is verwoord in hoofdstuk 5. De financiële uitvoerbaarheid is verantwoord in hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 gaat ten slotte in op de gevolgde procedure, inclusief een paragraaf over de maatschappelijke uitvoerbaarheid (met name de resultaten van het gevoerde overleg)
8
Hoofdstuk 2.
Gebieds- en projectprofiel
In dit hoofdstuk worden zowel het gebied waar de ontwikkeling plaats gaat vinden als het project zelf beschreven. Tevens wordt ingegaan op de stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten van het project.
2.1
Beschrijving plangebied en omgeving
Het plangebied is gelegen aan de Monseigneur Verhagenstraat en Bosscheweg. De Bosscheweg vormt samen met de Lieshoutseweg (N615) de hoofdwegenstructuur rond de kom van Beek en Donk en ligt langs de Zuid-Willemsvaart. De Bosscheweg is van oorsprong de weg naar ’sHertogenbosch langs de Zuid-Willemsvaart. Vanaf de Bosscheweg wordt de verdere ontsluiting van de kern verzorgd door verschillende wegen, waaronder ook de Mgr. Verhagenstraat.
Obliekfoto plangebied Het terrein en de opstallen binnen het plangebied zijn in verval en de locatie ligt, vanwege de situering op de hoek van de Bosscheweg en de Mgr. Verhagenstraat, op een beeldbepalende locatie. Het omliggende gebied varieert sterkt in korrel en bouwmassa (stedenbouw) maar ook in architectuur. Enerzijds hebben is er de grote korrel van onder andere de bedrijfsgebouwen en woonvoorziening ‘De Bleek’ aan de Bosscheweg en anderzijds de kleine korrel van de lintbebouwing aan de Mgr. Verhagenstraat. In deze Mgr. Verhagenstraat zijn woningen veelal individueel van karakter en variëren in vrijstaand als geschakeld maar ook in kapvormen, tussenruimtes, hoogtes en verspringingen in de voorgevelrooilijn. Het is daarmee verworden tot een typische lintbebouwing met vernaculaire architectuur. Streekgebonden en dorps met over het algemeen traditionele details. Aan de Bosscheweg is een mix te vinden van zowel klassieke als moderne architectuur in zowel oorspronkelijke bebouwing als wel nieuwbouw. Op enkele plaatsen geeft de locatie nog prachtige doorzichten naar tot wasdom gekomen gebieden richting het Aakanaal. Aan de zuid-west zijde geeft het beeld richting de Zuid-Willemsvaart met oorspronkelijke elementen als de ophaalbrug en de kraanbaan. 9
2.2
Beschrijving planvoornemen
Het voorliggende ontwerp heeft zich te voegen in het fijnmazige lint als in de grove korrel aan de Zuid-Willemsvaart. Met het ontwerp is er op deze grove korrel aangesloten met een appartementengebouw welke is samengesteld uit pandsgewijze woningen met een kap. Aan de Bosscheweg profileert het zich hiermee nadrukkelijker richting het centrum van Beek en Donk en krijgt het daar op de zuidwestzijde een gezicht met uitzicht naar de vaart. Aan de Mgr. Verhagenstraat gaat het juist door deze pandsgewijze opbouw van de woningen in te zetten en de voorgevelrooilijn te laten verspringen mee in het beeld en morfologie van de lintbebouwing. Door de hoogtes van de archetypes te variëren en af te laten lopen in de richting van Gemert sluit het in profiel aan op de reeds bestaande woningen uit het lint. Een extra ‘komma’ is stedenbouwkundig nog gezet door het bestaande lint vanuit Gemert met twee woningen te ‘verlengen’ en er een woonstraatje te leggen tussen appartementengebouw en ‘de verlenging’. Dit woonstraatje maakt de inrit naar het achterliggende parkeerterrein mogelijk dat bij het woongebouw hoort. Bij deze entree is er een prachtig doorzicht naar het achterliggende groengebied en het woonstraatje geeft plaats aan de hoofdentree van het woongebouw. In de architectuur van de bebouwing worden de bestaande ingrediënten van de reeds bestaande Beek en Donkse architectuur ingezet.
Dak, nok, goot en de wijze van het maken van materiaalcombinaties en typische metselwerk verbanden of sparingsmethodieken worden waar mogelijk toegepast. In de gevel zijn typische repetitieve woongebouw gevels ontweken door balkon en loggia’s af te wisselen of hier combinaties van te maken. Hierdoor krijgen de archetype volumes wat meer het karakter van de individuele bebouwing uit Beek en Donk en de Mgr. Verhagenstraat.
Sfeerimpressie stedenbouwkundig plan
10
2.3
Supervisor/ beeldregie
In mei 2020 is het stedenbouwkundig plan gepresenteerd aan het supervisorteam. Hierbij heeft de supervisor zijn waardering geuit voor het plan. Aangeven is dat het plan een interessante invulling toont op deze locatie en een interessant antwoord geeft op de verschillende schaalniveaus van de grote bouwvolumes aan de Bosscheweg tot de (kleinschalige) woningen aan de Monseigneur Verhagenstraat. Met het plan is duidelijk verbinding gezocht met omliggende bebouwing. De kenmerkende architectuur van het dorp is op ingenieuze en sprekende wijze vertaald in de massaopbouw, geleding en uitstraling. De grondgebonden woningen vormen door de situering een ensemble en blijven sluiten in schaal en maat aan op de belendende woningen. Het appartementencomplex is pandsgewijs opgebouwd. Het volume wordt benadrukt doordat elk ‘pand’ verschilt in hoogte en een eigen kap heeft. Het hoogste deel van de bouwvolumes is vijf bouwlagen met zadelkap en loopt af richting zowel de Bosscheweg (drie bouwlagen met kap) als de Mgr. Verhagenstraat naar tweeënhalf tot drie lagen met kap. In architectuur (uitstraling, kleur- en materiaalgebruik) zijn het appartementencomplex en de grondgebonden woningen sterk aan elkaar verwant. Door het eenduidige kleur- en materiaalgebruik als ook het verloop in hoogte reageert het plan op de omliggende bebouwing en voegt het zich op een vriendelijke manier in zijn omgeving.
De architectuur toont een hoog ambitieniveau. Er is door de architect goed gekeken naar de omgeving en karakteristieke architectuur van Beek en Donk. Op inventieve wijze is hieraan een eigentijdse interpretatie gegeven. De gevelopbouw oogt interessant en herhaling wordt zoveel mogelijk ontweken door afwisseling van materiaal en gevelopbouw. Waar de bebouwing in schaal en maat afwijkt van de dorpse schaal en maat van de Mgr. Verhagenstraat wordt in architectuur juist verbinding gelegd. Door verfijning in de details en ornamentering, als ook de materiaal- en kleurtoepassing die eigen is voor de omgeving, is het complex passend gemaakt op de locatie. Juist hierdoor blijft sprake van samenhang. Ondanks de grotere schaal van het gebouw wordt er aansluiting gemaakt op het dorp. Het gebouw voegt zich door zijn uitwerking op een logische wijze in het weefsel en blaast de dode hoek in het dorp nieuw leven in. Vanuit de omgevings- en ruimtelijke kwaliteit ziet de supervisor weinig belemmeringen en veel aanknopingspunten voor uitwerking tot bestektekeningen en vergunningaanvraag.
11
12
Hoofdstuk 3. 3.1
Beleidskader
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ruimtelijke beleidskaders op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Verantwoord wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past in het (toekomstig) ruimtelijk beleid. Er wordt geen complete samenvatting gegeven van alle beleidsaspecten. Uitsluitend de relevante beleidskaders voor het plangebied zijn in dit hoofdstuk weergegeven en verantwoord.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de definitieve Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk ambities van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. Het Rijk zet twee zaken helder neer: een kader voor prioritering van investeringen om Nederland in beweging te krijgen en een selectief ruimtelijk beleid dat meer loslaat en overlaat aan provincies en gemeenten. Het is de uitdaging om Nederland in de wereldeconomie van de toekomst concurrerend te houden. Dat betekent dat onze stedelijke regio's en netwerken versterkt moeten worden door de kwaliteit voor de leefomgeving te verbeteren, hoogwaardige en klimaatbestendige woon- en werkmilieus te realiseren, de bereikbaarheid te verbeteren en de mobiliteit te verduurzamen, maatregelen te treffen ten behoeve van waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimte te maken voor de noodzakelijke transitie naar duurzame energie. Het Rijk onderscheidt 13 nationale belangen in de SVIR. Daarnaast kiest ze nadrukkelijk voor een vereenvoudiging van de regelgeving en brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij degenen die het aangaat: burgers en bedrijven. Zo beëindigt het Rijk zijn rol bij nationale landschappen, Rijksbufferzones, binnenstedelijk bouwen, landsbrede verstedelijkingsafspraken, sport- en recreatievoorzieningen.
Het Rijk vindt de stedelijke regio's rond de Mainports (Rotterdam en Amsterdam), de Brainport, greenports en de valleys van nationaal belang (nationaal belang 1). De gebiedsontwikkeling Brainport Avenue is van nationaal belang. In de SVIR wordt Brainport Zuidoost-Nederland beschouwd als de belangrijkste toptechnologieregio van ons land. Het centrum van deze Brainport is gelegen in Eindhoven met o.a. Hightech systemen, medische technologie en automotive als belangrijkste thema's. Daarnaast zijn Chemelot in Sittard-Geleen als belangrijk chemie-cluster, het medische cluster in Maastricht en de greenport Venlo als cluster van agro-food, tuinbouw en logistiek belangrijk. Realisatie Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van aard (beleidsmatig versus procesmatig). • Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit geeft de juridische kaders die nodig zijn om het geldende ruimtelijk rijksbeleid te borgen. 13
•
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. De ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp en aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Bro.
Nationaal belang 13 vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. In de volgende subparagraaf wordt hier nader op ingegaan. 3.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder is een motiveringsvereiste voor ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Het gaat bij de Ladder onder andere om het voorkomen van onnodig ruimtebeslag en het voorkomen van planoverschotten op de (regionale) woningmarkt. De ladder is opgenomen in artikel 3.1.6. lid 2 Bro en luidt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplein die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan voorzien.” De volgende stappen dienen doorlopen te worden: 1. uitgangspunten vaststellen: Wat zal met het bestemmingsplan mogelijk gemaakt worden. Is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling; 2. afweging locatiekeuze: valt het bestemmingsplan binnen of buiten bestaand stedelijk gebied; 3. beschrijving van de behoefte: voorziet de functie wonen die het plan mogelijk maakt in een behoefte. Ad.
1 Nieuwe stedelijke ontwikkeling In artikel 1.1.1 Bro is een stedelijke ontwikkeling als volgt gedefinieerd: “Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Voor een woningbouwlocatie volgt uit de jurisprudentie dat vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. Dit plan voorziet in de realisatie van 48 woningen waardoor sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De ladder is alleen van toepassing op een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Hiervan is in beginsel alleen sprake als het nieuwe bestemmingsplan meer bebouwing mogelijk maakt. In dit plan worden 48 woningen gerealiseerd. Dit betekent dat dit bestemmingsplan ‘Ladderplichtig’ is en een beschrijving van de behoefte nodig is. Ad. 2 Ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied Voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied is vanuit de Ladder extra motivering vereist. Daarom is van belang om te weten of het plangebied binnen of buiten stedelijk gebied is gelegen.
In artikel 1.1.1 Bro wordt het stedelijk gebied als volgt gedefinieerd: “Bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.” 14
Dit plangebied is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied van Laarbeek. Ad. 3 Beschrijving van de behoefte Dit bestemmingsplan voorziet in het realiseren van maximaal 48 woningen in de vorm van appartementen en grondgebonden woningen. Het betreffen middel(dure) huurwoningen. Het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de beoogde woningbouw op deze locatie betreft gemeente Laarbeek. Daarnaast is gemeente Laarbeek onderdeel van de Metropoolregio Eindhoven. De woningmarktopgave is per definitie een bovenlokale opgave, waarbij de woningmarkt een groter gebied bestrijkt dan alleen de eigen gemeente of de Metropoolregio Eindhoven. Met een regionaal woningbouwprogramma spreken de 21 gemeenten in de regio Zuidoost-Brabant uit rekening te houden met elkaars belangen en te streven naar een evenwichtige woningmarkt. Meerwaarde voor de regio als geheel, en de gemeenten als onderdeel daarvan, ontstaat bij regionale samenwerking en afstemming op het gebied van woningbouw en niet bij concurrentie tussen gemeenten onderling. Hierbij wordt opgemerkt dat in de regio Stedelijk Gebied Eindhoven (SGE) de woningvraag groter is dan de totale harde plancapaciteit. In het Regionaal Ruimtelijk Overleg Zuidoost Brabant worden jaarlijks met de Provincie o.a. de kwantitatieve woningbouwafspraken voor de komende 10 jaar vastgelegd.
Voor de periode 2015 tot en met 2024 vastgelegd dat Laarbeek in die periode in totaal 1.105 woningen mag toevoegen aan de woningvoorraad. Dit is inclusief de al vastgestelde woningbouwplannen (harde capaciteit) en plannen die nog in ontwikkeling zijn en waarover nog besluitvorming moet plaatsvinden (zachte capaciteit). Hierdoor is er nog een ‘restcapaciteit’ van meer dan 200 woningen. Zoals ook beschreven in 'Wonen in Laarbeek – woonvisie 2017 –2021' is in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking zuinig ruimtegebruik een belangrijk motto voor nu en de toekomst. Uitbreiding van de bestaande woningvoorraad in nieuwe plannen zal dan ook vooral gevonden moeten worden binnen de bestaande dorpskernen (inbreiding) of via transformatie van bestaande gebouwen, die hun functie verloren hebben, tot woningen. Daarmee kan voor dit plan met maximaal 48 woningen ruimschoots in een kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte voorzien. 3.2.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Naast de SVIR is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel AMvB Ruimte genoemd, van toepassing. Het besluit bevat regels ter borging van een aantal nationale belangen. Het gaat onder meer over rijksbelangen zoals rijksvaarwegen, zones buisleidingen, zones van hoogspanningsleidingen en militaire objecten.
Onderhavig planvoornemen voorziet in een kleinschalige ontwikkeling. Het Barro voorziet niet in onderwerpen die op het besluitgebied van toepassing zijn. Dit houdt in dat voor het planvoornemen geen beperkingen vanuit de Barro gelden.
15
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Omgevingsvisie De Brabantse Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Op 14 december 2018 is de omgevingsvisie vastgesteld. Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma's. Tot die zijn vastgesteld blijven bestaande beleidsplannen voor natuur, ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer en milieu en water van kracht. Daarmee wil Brabant op tijd klaar zijn voor de Omgevingswet wanneer deze in 2022 wordt ingevoerd. In de Omgevingswet staan waarden als veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor ieder van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Maar ook een concreet tussendoel: waar moeten we in 2030 op zijn minst staan om dat langetermijndoel te halen? De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.
3.3.2 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De structuurvisie bestaat uit twee delen (A en B) en een uitwerking. Deel A Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie van de provincie bestaat op hoofdlijnen uit een robuust en veerkrachtig natuur- en watersysteem, met aandacht voor bescherming tegen hoogwater, droogte en biodiversiteit. Een multifunctioneel landelijk gebied, waar de functies landbouw, recreatie en natuur in relatie tot elkaar ruimte krijgen en een gevarieerd en aantrekkelijk stedelijk gebied met sterke steden, groene geledingszones en uitloopgebieden (intensieve recreatie, stadslandbouw). Aandacht wordt gevraagd voor sterke regionale economische clusters, (inter)nationale bereikbaarheid en knooppuntontwikkeling (zowel in de centra als aan de randen van de steden). De provincie realiseert haar doelen door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren. Deel B De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend. Deze vier ruimtelijke structuren worden in deel B beschreven en zijn: 1. de groenblauwe structuur 2. het landelijk gebied 3.
de stedelijke structuur 4. de infrastructuur In dit geval is het plangebied volledig gelegen binnen de stedelijke structuur. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. De provincie kiest hier voor twee perspectieven. Ten eerste stedelijke concentratiegebieden waar de groei van de verstedelijking wordt opgevangen. De provincie wil de verstedelijking op goed ontsloten plekken concentreren en de groene ruimte tussen steden openhouden. Ten tweede dienen kernen in het landelijk gebied zoveel 16
mogelijk te worden ontzien van verdere verstedelijking. Alleen de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt daar opgevangen. Toepassing plangebied Het plangebied bevindt zich binnen het ‘Kernen in het landelijk gebied. Noord-Brabant is naast een provincie met grote steden, een provincie met veel (verschillende) kernen waar het aantrekkelijk is om te wonen en te werken. De kernen in Noord-Brabant hebben elk hun eigen karakter en relatie met het Brabantse landschap. De grotere kernen hebben door hun grotere regionale betekenis meer groei doorgemaakt. De kleinere kernen maken meer deel uit van het omliggende landschap en hebben nog een natuurlijke overgang richting het landschap. Dit verschil in ontwikkeling heeft geleid tot de meer suburbane kernen, de dorpen en de plattelandskernen. De provincie stuurt op een concentratie van verstedelijking. De sturing op de kernen in het landelijk gebied sluit daarom aan op de sturing voor stedelijke concentratiegebieden. De kernen in het landelijk gebied bouwen voor de eigen woningbehoefte volgens het principe van 'migratiesaldonul'. Er is ruimte beschikbaar voor specifieke verbeterprojecten van enige omvang. Het gaat om kwalitatieve verbeteringen in bestaand stedelijk gebied en het behouden van vrijkomende cultuurhistorisch waardevolle complexen. Regionale afstemming vindt plaats in de regionale agenda's voor wonen.
In paragraaf 3.2.2 is reeds ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. Dit plan maakt de realisatie van 48 woningen mogelijk op een voormalige bedrijfsbestemming alwaar in het verleden bedrijvigheid heeft plaatsgevonden. Een dergelijke ontwikkeling is een goed voorbeeld van stedelijke inbreiding, waarbij veel aandacht is besteed aan zowel zorgvuldig ruimtegebruik als de ruimtelijke kwaliteit. In de SVRO zijn deze twee aspecten aangemerkt als aandachtspunten voor het stedelijk gebied. De voorgenomen ontwikkeling past dan ook goed binnen het beleid uit de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening van de provincie Noord-Brabant. 3.3.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant de ‘Interim omgevingsverordening Noord-Brabant’ vastgesteld. De Interim omgevingsverordening vervangt een aantal provinciale verordeningen: • Provinciale milieuverordening • Verordening natuurbescherming • Verordening ontgrondingen • Verordening ruimte • Verordening water • Verordening wegen Om straks als de Omgevingswet in werking treedt echt klaar te zijn, maakt de provincie eerst een Interim omgevingsverordening. Deze Interim omgevingsverordening voegt de bestaande regels over de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk samen in één verordening en is beleidsneutraal.
Alleen aanpassingen die nodig zijn vanwege de samenvoeging of vanwege al vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie, worden meegenomen. Doordat de Omgevingswet volgens huidige planning pas in 2022 in werking treedt, kan er nog geen invulling worden gegeven aan deze wet. De interim omgevingsverordening is opgebouwd volgens een doelgroepenbenadering. Dit betekent dat de regels in de Interim omgevingsverordening zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel leidend is. Daarbij wordt grofweg onderscheid gemaakt tussen de doelgroepen ‘Burgers en bedrijven’ (hoofdstuk 2, rechtstreeks werkende regels voor 17
activiteiten), gemeenten (hoofdstuk 3, instructieregels), waterschappen (hoofdstuk 4, instructieregels), gedeputeerde staten (hoofdstuk 5, instructieregels), en faunabeheer en beheer waterwegen (hoofdstuk 7). Voor dit bestemmingsplan zijn vooral de bepalingen uit hoofdstuk 3 van belang. Instructieregels voor gemeenten: Stedelijke ontwikkeling en mobiliteit Met dit bestemmingsplan wordt een stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. In de Interim omgevingsverordening is bepaald dat een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen, binnen ‘Stedelijk gebied’ dient te liggen. Dat is volgens de kaart ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ het geval, aangezien het gebied binnen ‘Landelijke Kern’ ligt. In het bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt moet verder onderbouwd worden dat het om een duurzame stedelijke ontwikkeling gaat en dat de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken.
Uitsnede Interim omgevingsverordening kaart 3 ’Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ In de Interim omgevingsverordening is bepaald dat een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in ieder geval: a. een goede omgevingskwaliteit bevordert met een veilige en gezonde leefomgeving; b. zorgvuldig ruimtegebruik bevordert, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. optimaal invulling geeft aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. rekening houdt met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. optimaal invulling geeft aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. bij draagt aan een duurzame, concurrerende economie. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een binnenstedelijke ontwikkeling, waarbij een voormalig perceel voor bedrijven getransformeerd wordt naar wonen. Zoals in hoofdstuk 4 van deze toelichting is gemotiveerd, is ter plaatse van het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat. In paragraaf 3.2.2 en paragraaf 3.3 is gemotiveerd dat de ontwikkeling voorziet in zowel een kwantitatieve als kwalitatieve woningbehoefte die bovendien past binnen de regionaal gemaakte woningbouwafspraken. Gelet op het voorgaande wordt aan alle voorwaarden voor een duurzame stedelijke ontwikkeling voldaan.
18
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Laarbeek 2010-2020: Groei in balans In de structuurvisie 2010-2020 “Groei in balans” staan de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van Laarbeek. Ook de hoofdzaken van het gemeentelijk beleid tot het jaar 2020 zijn hierin opgenomen. De structuurvisie gaat in op diverse aspecten. Het aspect inbreiding kernen en volkshuisvesting is in het kader van het onderhavige planinitiatief relevant. Onderhavig plan ziet op de transformatie van een voormalig bedrijfsperceel naar wonen. Door de sloop van de grotendeels vervallen (bedrijfs)bebouwing en de komst van kwalitatief hoogwaardige bebouwing wordt de kwaliteit op deze locatie verbeterd. Geconcludeerd mag worden dat de ontwikkeling past binnen het beleid dat is vastgelegd in de gemeentelijke structuurvisie. 3.4.2 Wonen in Laarbeek - Woonvisie 2017-2021 In 2017 heeft de gemeenteraad de Woonvisie 2017-2021 vastgesteld. Belangrijkste doelstelling van het gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid is dat de huidige en toekomstige woningvoorraad aansluit bij de behoefte van de Laarbeekse bevolking. In het kader van de leefbaarheid is een evenwichtige opbouw van de bevolking in Laarbeek van belang.
Uitbreiding van de bestaande woningvoorraad in nieuwe plannen zal dan ook gevonden moeten worden binnen de bestaande dorpskernen (inbreiding) of via transformatie van bestaande gebouwen, die hun functie verloren hebben, tot woningen. De gemeente is van mening gelet op de regionale woningbouwafspraken, er nog kwantitatieve ruimte is voor ruim 200 woningen in de periode tot en met 2024. Daarnaast heeft de gemeente voor deze Woonvisie een woningmarkt georganiseerd. Een mix van bedrijven die actief zijn op de Laarbeekse woningmarkt waren hierbij vertegenwoordigd. Hieruit kwam onder andere dat leegstaande bedrijfspanden in een woonomgeving een herbestemming moeten krijgen. Onderhavig plan betreft een dergelijke transformatie, waarbij een voormalige bedrijvenlocatie wordt getransformeerd naar een locatie voor 48 woningen. De meeste woningen hebben een oppervlakte tot 100 m², waarmee ze passen binnen de opgave waar Laarbeek voor staat, namelijk kleinere appartementen voor één en tweepersoons huishoudens tot 110 m². Daarmee past het plan binnen het gemeentelijke beleid.
19
20
Hoofdstuk 4. 4.1
Omgevingsaspecten
Milieueffectrapportage
4.1.1 Wettelijk kader Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: Kolom 1: de activiteit zelf; Kolom 2: drempelwaarden activiteit; Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan); Kolom 4: de besluiten. De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten. In dit kader is met name 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. van belang.
Het gaat daarbij om de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling van maximaal 48 woningen ver beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.beoordelingsplicht. Dit betekent dat voordat het ontwerpbestemmingsplan in procedure gaat, het college van burgemeester en wethouders aan de hand van een aanmeldingsnotitiemoet beoordelen en besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld e.e.a. conform paragraaf 7.6 Wet milieubeheer. Bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aan de hand van de volgende aspecten te worden beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben: 1. de kenmerken van de activiteit (aard, omvang, cumulatie met andere ontwikkelingen); 2. de locatie van de activiteit (kenmerken van het plangebied en de kwetsbaarheid van de omgeving); 3. de mogelijke gevolgen van de activiteit voor het milieu. Het resultaat van deze beoordeling is opgenomen in de bijlage.
21
4.1.2 Conclusie Uit deze vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van onderhavig plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen nadelige effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat wordt voldaan aan de geldende wet -en regelgeving. Geconcludeerd kan worden dat er geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI-codes) in de richtafstandentabel gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; • de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk'; • de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten.
Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied. Toepassing plangebied Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 48 woningen. In de omgeving van het plangebied komen naast de functie wonen ook niet-woonfuncties voor (zoals bedrijventerrein ‘Bemmer’ en het centrum van de kern) en is het plangebied gelegen nabij de Zuid-Willemsvaart. Het gebied is derhalve te typeren als ‘gemengd gebied’, zodat richtafstanden met één stap kunnen worden verlaagd. De richtafstanden gelden volgens de VNG-brochure tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. Nutsvoorziening Bosscheweg 8 Direct ten zuiden van het plangebied is aan de Bosscheweg 8 een nutsvoorziening gelegen. Deze heeft een richtafstand van 10 meter voor geluid. De afstand van de beoogde woningen tot de 22
nutsvoorziening bedraagt meer dan 4 meter. Om die reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage toelichting). Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: • Met betrekking tot het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op de gevels van de nieuwe appartementen en woningen kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de geluidgrenswaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde behorende bij stap 2 van het stappenplan uit de VNG-uitgave. Hiermee wordt derhalve tevens ruimschoots voldaan aan de geluidgrenswaarde uit het Activiteitenbesluit (50 dB(A) etmaalwaarde). •
•
Met betrekking tot de maximale geluidniveaus (LAmax) op de gevels van de nieuwe appartementen en woningen kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de geluidgrenswaarde van 65 dB(A) etmaalwaarde behorende bij stap 2 van het stappenplan uit de VNG-uitgave. Hiermee wordt derhalve tevens ruimschoots voldaan aan de geluidgrenswaarde uit het Activiteitenbesluit (70 dB(A) etmaalwaarde).
Parkeerterrein Voor onderhavig planvoornemen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de realisatie van het parkeerterrein binnen het plangebied behorende bij de toekomstige nieuwbouw. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat in het kader van best beschikbare technieken (BBT) een geluidafschermende voorziening dient te worden gerealiseerd. Om de geluidbelasting op de woningen aan de Tuinstraat te reduceren dient een geluidafschermende voorziening op de perceelgrens van de woningen aan de Tuinstraat, grenzend aan het parkeerterrein, te worden gerealiseerd. Deze geluidafschermende voorziening dient een massa te hebben van minimaal 10 kg/m2, kierdicht te worden uitgevoerd en met een hoogte van minimaal 2,0 meter boven maaiveld. Voor de realisatie van deze geluidafschermende voorziening is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Om het akoestisch woon- en leefklimaat te kunnen beoordelen voor wat betreft de aangrenzende tuinen aan de Mgr. Verhagenstraat en Tuinstraat wordt voor de gecumuleerde geluidbelasting aangesloten bij de classificering van de kwaliteit van de akoestische omgeving volgens de ‘methode Miedema’.
Deze methode gaat uit van het uitdrukken van de geluidbelastingen op een uniforme hinderschaal, waarbij de gecumuleerde geluidbelasting wordt gekwantificeerd in verschillende milieukwaliteitsmaten. Op alle gevels en in alle tuinen is een milieukwaliteit ‘goed’ gewaarborgd na realisatie van het parkeerterrein met uitzondering van de zuidoostgevel van de zorgwoningen aan Bosscheweg 6A t/m 6D en de tuin van Monseigneur Verhagenstraat 18, waarvoor een milieukwaliteit ‘redelijk’ geldt. De hoogte van de gecumuleerde geluidbelasting op voornoemde locaties met milieukwaliteit ‘redelijk’ wordt echter niet bepaald door het geluid afkomstig van het parkeerterrein, maar uitsluitend door het wegverkeerslawaai. Op basis van bovenstaande is sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Bedrijventerrein ‘Bemmer’ Ten noorden van het plangebied is het zuidelijk deel van bedrijventerrein ‘Bemmer’ gelegen. Hier mogen bedrijven voorkomen in de categorieën 2, 3.1 en 3.2. Voor milieucategorie 3.2 geldt een richtafstand van 50 meter binnen een gemengd gebied. Het plangebied is op meer dan 80 meter gelegen van het dichtstbijzijnde bedrijfsperceel. Daarnaast zullen de bedrijven niet in zijn
23
activiteiten en ontwikkelingsmogelijkheden beperkt worden door het voorliggende plan, omdat dichter bij het bedrijventerrein al woningen van derden aanwezig zijn. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast worden niet-woonfuncties niet in de bedrijfsvoering belemmerd.
4.3
Geluid
4.3.1 Wettelijk kader De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximumhoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bron- en/of overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's.
Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in realisatie van een woongebied met maximaal 48 woningen. Deze zijn geluidsgevoelig in de zin van de Wgh. 4.3.2 Wegverkeerslawaai Voor wegverkeerslawaai bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB (inclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder). Is de geluidbelasting lager dan 48 dB dan legt de Wet geluidhinder geen restricties op aan het onderhavige plan. Wordt deze voorkeursgrenswaarde overschreden dan kan door de gemeente een hogere waarde worden vastgesteld. Indien de geluidbelasting lager is dan de maximale ontheffingswaarde, kan de gemeente ontheffing verlenen indien maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB onvoldoende doeltreffend zijn dan wel op overwegende bezwaren stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Aangezien de locatie in onderhavig onderzoek is gelegen in stedelijk gebied bedraagt de maximale ontheffingswaarde 63 dB (inclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder). Op basis van het voorgaande is voor zowel de zoneplichtige weg als voor de genoemde 30km/uurwegen getoetst of de geluidsbelasting van de nieuw te bouwen woningen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde.
De resultaten van dit onderzoek zijn gerapporteerd en als bijlage aan deze toelichting gehecht. De voornaamste bevindingen en conclusies zijn hieronder weergegeven. 24
Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Bosscheweg, gedeelte met een snelheidsregime van 50 en 60 km/uur. Het plan is tevens gelegen aan een tweetal 30 km/uur wegen. Voor de gezoneerde weg Bosscheweg, gedeelte met een snelheidsregime van 50 km/uur en 60 km/uur geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe appartementen en woningen overschrijdt. Voor de 30 km/uur weg Monseigneur Verhagenstraat en Bosscheweg gedeelte met een snelheidsregime van 30 km/uur geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe appartementen en woningen de richtwaarde van 48 dB met respectievelijk maximaal 12 dB en 11 dB overschrijdt. Echter aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn is er geen sprake van een procedure hogere waarde ten gevolge van wegverkeerslawaai. Ondanks dat voor onderhavig woningen geen hogere waarde aangevraagd kan worden, wordt in het kader van een goed woon- en leefklimaat geadviseerd een aanvullend onderzoek uit te voeren ter bepaling van de geluidwering van de gevels. Geadviseerd wordt aan te sluiten bij de nieuwbouweis waarbij voor de hogere waarde de gecumuleerde geluidbelasting op de gevel kan worden aangehouden. Het treffen van eventueel noodzakelijke maatregelen is voorwaardelijk verplichtend opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.
Op deze wijze is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen geborgd. Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is tevens rekening gehouden met het document “Geluidbeleid Wet geluidhinder Hogere waarden” d.d. 14 oktober 2009 van de gemeente Laarbeek. Het gemeentelijk geluidbeleid is echter niet van toepassing op de 30 km/uur wegen. Voor onderhavig bouwplan zijn derhalve geen aanvullende voorwaarden vanuit het gemeentelijk geluidbeleid van toepassing. 4.3.4 Industrielawaai Het plan ligt niet in de zone van een industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder, waarop de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers is toegestaan. Het aspect industrielawaai is dan ook niet aan de orde bij dit bestemmingsplan. 4.3.6 Conclusie Gelet op luchtvaart-, industrie- en wegverkeerslawaai kan ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1 Wettelijk kader Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen 25
ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m³ (μg/m³), voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m³ en een daggemiddelde van 50 microgram/m³. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 25 microgram/m³. 4.4.2 Besluit niet in betekenende mate bijdragen In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Dit geldt onder andere voor: • woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; • woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; • kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m² bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en; • kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m² bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.
4.4.3 Besluit gevoelige bestemmingen Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het 26
gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien. In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld. Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AMvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties. 4.4.3 Goede ruimtelijke ordening Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening.
Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden. 4.4.4 Planbeschrijving en toetsing Het planvoornemen ziet op de realisatie van 48 woningen. Hiervoor wordt onder andere ruim 2.300 m2 bedrijfsbestemming (met een bouwvlak van circa 1.900 m 2) herbestemd. Het aantal te realiseren woningen ligt ver beneden de drempelwaarde 1.500 woningen in de situatie met één ontsluitingsweg. Dit project zal dan ook een 'niet in betekenende mate bijdrage' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Het project mag dan ook zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Ondanks het feit dat de toekomstige woningen niet direct onder NIBM vallen is er wel een berekening met de NIBM tool (2020, infomil) uitgevoerd. Hiervoor is inzichtelijk gemaakt wat de bestaande verkeersgeneratie van het plangebied is. Dat zijn namelijk 109 verkeerbewegingen.
Hierbij is uitgegaan van de cijfers van CROW (381): - 4,8 vervoersbewegingen per 100 m2 BVO (bedrijf arbeidsextensief) = (1.942/100 x 4,8) = 93,2 - één vrijstaande woning en één bedrijfswoning = 2 x 7,8 = 15,6 In de nieuwe situatie kan uitgegaan worden van onderstaand tabel:
27
Hiermee kom je op een toename van 121 verkeersbewegingen.
Op basis van de NIBM tool 2020 van Infomil is vastgesteld dat de bijdrage van het verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Aangezien woningen in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen niet als een gevoelige bestemming worden gezien, hoeft niet aan dit besluit getoetst te worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de Monitoringstool volgt dat ter plaatse van de Bosscheweg en de Zuid-Willemsvaart, met meer verkeersstromen dan ter hoogte van het plangebied) zowel in de huidige situatie als voor 2020 en 2030 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM 10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. Ten slotte wordt ook de grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 niet overschreden. 28
Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan ten aanzien van luchtkwaliteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 4.4.5 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.
4.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. Tot slot wordt het groepsrisico verantwoord. 4.5.1 Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt; april 2015) van toepassing. Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.
Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10 6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.
Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. 4.5.2 Toepassing plangebied Aan de hand van de Risicokaart is bekeken of binnen of in de nabijheid van het plangebied risicobronnen aanwezig zijn. Hieruit blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen of buisleidingen in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Het plangebied ligt ook niet binnen het plasbrandaandachtsgebied, de plaatsgebonden risicocontour, of het invloedsgebied van (vaar)wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Een verdere verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet aan de orde. 4.5.4 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.