CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

11 20250508 Bijlage H Verordeningen met wijzigingen bijhouden

Raadsvergadering 8 mei 2025, gemeente LaarbeekBij agendapunt: B Voorstel tot vaststelling van beleidsneutrale actualisatie verordeningen fysieke leefomgeving40.665 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Laarbeek 2025 In tulé Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Laarbeek De raad van de gemeente Laarbeek; overwegende dat gemeenten, provincies en de gemeenschappelijke diensten die in hun opdracht werken, zich bij de zorg voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving met oog voor de maatschappelijke func es daarvan, waar die zorg gestalte krijgt in de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving van het omgevingsrecht, voor de gezamenlijke opgave gesteld zien om in landelijk verband de kwaliteit van deze uitvoering en handhaving te bevorderen, te borgen en te beoordelen en dat het met het oog daarop wenselijk is om regels vast te stellen, in onderlinge afstemming op het niveau van Omgevingsdienst Zuidoost Brabant, door de deelnemende gemeenten en provincies; overwegende dat het uitgangspunt voor de kwaliteitsbevordering in ieder geval de in landelijke samenwerking opgestelde geldende kwaliteitscriteria 2.1 zijn die op basis van technische en maatschappelijke ontwikkelingen indien daartoe aanleiding is met betrokken par jen in landelijke afstemming zullen worden aangepast; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 maart 2025 1 oktober 2019; gelet op de ar kelen 18.20, eerste en derde lid, en 18.23,

eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet ar kelen 5.4, eerste lid, 5.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en ar kel 149 van de Gemeentewet; gezien het advies van de commissie Algemene Ruimtelijke Zaken van 16 april 2025 21 november 2019; besluit vast te stellen de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Laarbeek: Paragraaf 1. Algemene bepalingen Ar kel 1 Begripsbepalingen In deze verordening en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - betrokken we en: Omgevingswet (Ow) en de Wet milieubeheer (Wm), voor zover paragraaf 18.3.3 van de Omgevingswet van overeenkoms ge toepassing is verklaard;de wet en de we en, bedoeld in ar kel 5.1 van de wet, voor zover bij of krachtens de genoemde we en is bepaald dat hoofdstuk 5 van de wet van toepassing is; - het college: college van burgemeester en wethouders;

- kwaliteitscriteria: de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde vigerende kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisa es die met de uitvoering en handhaving van de betrokken we en zijn belast.; Ar kel 2 Reikwijdte Deze verordening is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de betrokken we en door of in opdracht van burgemeester en wethoudershet college. Paragraaf 2. Kwaliteit Ar kel 3 Betrokkenheid van de raad De gemeenteraad ziet toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken we en in het licht van de voor de gemeente vastgestelde beleidskaders voor de fysieke leefomgeving. Ar kel 4 Kwaliteitsdoelen 1. Burgemeester en wethoudersHet college beoordeeltlen de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken we en in het licht van daarvoor door hen gestelde doelen in de uitvoerings- en handhavingsstrategie. hen krachtens ar kel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht gestelde doelen. 2. De doelen in de uitvoerings- en handhavingsstrategie voor de betrokken we en, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en handhaving van de betrokken we en, bedoeld in ar kel 2, hebben in ieder geval betrekking op: a. de dienstverlening; b.

de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten; c. de financiën; Ar kel 5 Kwaliteitsborging 1. Op de uitvoering en handhaving van de betrokken we en door of in opdracht van burgemeester en wethouders het college zijn de kwaliteitscriteria van toepassing. 2. Over de naleving van de kwaliteitscriteria doetn het college burgemeester en wethouders jaarlijks mededeling aan de gemeenteraad. 3. Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden nageleefd, doetn burgemeester en wethoudershet college daarvan gemo veerd opgave.

Paragraaf 3. Slotbepalingen Ar kel 6 Inwerkingtreding en citeer tel 1. De ‘Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Laarbeek’, vastgesteld bij besluit van de raad van de gemeente Laarbeek van 12 december 2019, of zoals laatstelijk gewijzigd, wordt ingetrokken ingang van de in het tweede lid genoemde datum.

2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking. 3. Deze verordening wordt aangehaald als de ‘Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Laarbeek 2025’. 1. Deze verordening treedt in werking op 12 december 2019. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Laarbeek. Ondertekening Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente Laarbeek, 1 mei 2025 12 december 2019, De raad voornoemd, de raadsgriffier, M.L.M. Heijnsbergen de burgemeester van Laarbeek, L.A.G.P. van der Aa F.L.J. van der Meijden

TOELICHTING ALGEMEEN Deze verordening regelt de kwaliteit van de door en in opdracht van het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) uitgevoerde vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) van het omgevingsrecht. Het algemeen deel van deze toelich ng beschrij kort de achtergrond en aanleiding van deze verordening, licht de reikwijdte daarvan toe en schetst de hoofdlijnen van de inhoud van de verordening. 1. Achtergrond en aanleiding Samen met het kabinet werken gemeenten en provincies aan het verbeteren van de uitvoering van het omgevingsrecht. De visie van het kabinet over de verbetering staat beschreven in het kabinetsstandpunt (november 2008) waarin het kabinet reageert op de analyses en voorstellen van de commissie Mans, Oos ng, Lodders, d’Hondt en de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De verbeterpunten zijn terug te brengen tot drie hoofdpunten: 1. De kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken. 2. Het verbeteren van de afstemming strafrecht-bestuursrecht. 3. De bevoegdheidsverdeling overheden, interbestuurlijk toezicht en bestuurlijke drukte. Het IPO en de VNG hebben afspraken gemaakt met het kabinet over hoe zij gezamenlijk met de departementen werken aan het verbeteren van deze punten. Deze afspraken zijn deels vastgelegd in de Package Deal (29 september 2009).

Hiertoe is een gezamenlijk programma (PumA, programma uitvoering met ambitie) opgezet, dat inmiddels is afgerond. Zo is er nu onder meer een landelijk

stelsel van omgevingsdiensten, zijn de kwaliteitscriteria 2.1, voor de uitvoering van de Wabo in brede samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkeld en beschikbaar gesteld en is er een landelijke handhavingsstrategie voor bestuurs- en strafrecht1. Een deel van de afspraken uit 2009 is verankerd in de voorgestelde wijziging van de Wabo (Kamerstukken II 2014/15, 33 872, nr. 2). Bij het verankeren van de afspraken in de wetzijn door de VNG en het IPO nieuwe afspraken gemaakt met het kabinet. Het nieuwe wetsvoorstel is geschreven vanuit een stelsel dat gebaseerd is op vertrouwen en decentralisatie. Dit betekent dat een belangrijk deel van de besluitvorming over de kwaliteit van de uitvoering decentraal plaatsvindt door de desbetreffende bevoegde gezagen. Leidend hierin is de afspraak met het kabinet dat er een landelijk kwaliteitsniveau moet worden gerealiseerd en behouden. Afgesproken is dat de VNG in samenwerking met het IPO op basis van de kwaliteitscriteria 2.1 (een) modelverordening(en) zal opstellen, die door alle gemeenteraden en provinciale staten kan worden vastgesteld. De hierbij door de gemeenteraad vast te stellen verordening volgt deze modelverordening, die voor gemeenten en provincies gelijkluidend door VNG en IPO is opgesteld. In 2015 kwamen de VNG en het IPO met een uniforme modelverordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht.

Deze uniforme modelverordening werd opgesteld omdat gemeenten, provincies en de gemeenschappelijke diensten die in hun opdracht werken, zich voor een gezamenlijke opgave gesteld zagen. De opgave was om in landelijk verband de kwaliteit van de uitvoering en handhaving te bevorderen, te borgen en te beoordelen bij de gedeelde zorg voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving (zie VNG ledenbrief Lbr.15/055 van 7 juli 2015). De grondslag van deze verordening werd destijds opgenomen in de artikelen 5.4 en 5.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Sindsdien zijn de kwaliteitscriteria 2.1, en later per 15 april 2022, kwaliteitscriteria 2.3, voor de uitvoering van de Wabo ontwikkeld en beschikbaar gesteld in brede samenwerking tussen bevoegde gezagen. Het uitgangspunt voor de kwaliteitsbevordering zijn de in landelijke samenwerking opgestelde kwaliteitscriteria 2.3, die op basis van technische en maatschappelijke ontwikkelingen met betrokken partijen in landelijke afstemming zullen worden aangepast. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (hierna: Ow) vervalt de Wabo als grondslag voor de verordening. De Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht Laarbeek hee de ar kelen 18.20 en 18.23 van de Ow als grondslag en is om die reden opnieuw vastgesteld.

De hierbij door de raad vast te stellen verordening volgt de Model Verordening uitvoering en handhaving (omgevingsrecht), die voor gemeenten en provincies gelijkluidend door de VNG en het IPO is opgesteld. 2. Reikwijdte: een brede verantwoordelijkheid voor kwaliteit Deze verordening gaat uit van een brede verantwoordelijkheid van gemeenten en provincies voor kwaliteit. Dat wil zeggen dat als vertrekpunt wordt genomen dat alle uitvoerings- en handhavingstaken van het college van burgemeester en wethoudersop grond van de Ow Wabo en de betrokken we en, onderwerp van de verordening vormen. Het gaat dan om thuistaken, die het college “in eigen huis” verricht, de basistaken die krachtens ar kel 18.22 van de Ow de wet in opdracht van het college door omgevingsdiensten worden verricht en de plustaken, die het college naast de basistaken hee belegd bij de omgevingsdienst. Behalve milieutaken betre het dus ook uitdrukkelijk de zogenaamde "BRIKS-taken" (inzake bouw-, reclame-, inrit-, kap- en sloopvergunningen). Deze reikwijdte vloeit voort uit het gegeven dat waar de zorg voor een gezonde en veilige leefomgeving gestalte krijgt via vergunningverlening, het toezicht en de handhaving, de regeling van

de kwaliteit van deze verrich ngen niet dient te berusten op een kunstma g onderscheid naar de plaats waar een taak wordt verricht, of op een opsplitsing van de omgevingsvergunning, het toezicht of de handhaving. In de prak jk blijkt dat de kwaliteit van de uitvoering en handhaving a ankelijk is van de wijze waarop alle betrokken par jen bij de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving zich daarvoor inze en door samenwerking. Hier geldt dat de ke ng zo sterk is als de zwakste schakel. Dit gegeven laat onverlet dat op dit moment verschillende snelheden bestaan in het bereiken van kwaliteit, bijvoorbeeld waar het de beschikbaarheid en deskundigheid van de betrokken organisa es betre . Dit geldt overigens niet alleen voor de diensten van gemeenten en provincies, maar ook voor omgevingsdiensten en voor verschillende Rijksdiensten. De eisen die deze verordening aan de organisa es van gemeentebesturen en provinciebesturen en in hun opdracht de omgevingsdiensten stelt, berusten daarom op het vertrekpunt van de Kwaliteitscriteria 2.31 waarvoor een dynamische begripsbepaling is opgenomen in ar kel 1 van de verordening en die door de betrokken organisa es toegepast dienen te worden volgens de regel “comply or explain” (zie daarover verder ar kelsgewijs toelich ng bij ar kel 5). Deze verordening stelt eensluidende regels.

In alle gevallen zal het college, als bevoegd gezag, op grond van afdeling 13.2 van het Omgevingsbesluit van burgemeester en wethouders, als Wabobevoegd gezag, op grond van ar kel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht beleid moeten voeren over de kwaliteit. Deze verordening regelt waarover de doelen van dit beleid ten minste moeten gaan. Deze verordening regelt bovendien dat de verrich ngen van de gemeentelijke organisa es en de omgevingsdiensten, waar het de VTH-taken betre , in het licht van die doelen worden beoordeeld. Tot slot regelt het dat de gemeenteraad, elk in het kader van het horizontale toezicht, inhoudelijk debat kan voeren over de hoofdlijnen van het meerjarige kwaliteitsbeleid dat door het college wordt gevoerd. 3. Samenhang met veiligheid Onderwerpen die tot het bereik van de verordening behoren, kunnen onderdeel blijven uitmaken van andere thema's dan die van de fysieke leefomgeving alleen. De verordening belemmert bijvoorbeeld niet dat onderwerpen met betrekking tot fysieke veiligheid ook aan de orde kunnen komen in beoordelingen of rapportages op andere domeinen, zoals dat van de openbare orde en veiligheid binnen gemeenten, waar raakvlakken bestaan tussen bijvoorbeeld de Wabo Ow en de Alcoholwet, Drank- en Horecawet, Bibob en andere bijzondere we en.

De eensluidende regeling van de verordening betekent ook dat voor bijvoorbeeld Brzo geen de taken op grond van ar kel 18.22, tweede lid, van de Ow geen specifieke, aanvullende eisen worden gesteld. Ook hier is het relevante kader breder dan de Wabo Ow alleen en vindt taakuitoefening plaats in samenwerking met andere bevoegde gezagen. De basis van de kwaliteitscriteria blijven ook hier de afspraken die in het kader van het Programma Uitvoering met Ambi e (PUMA) zijn gemaakt. De criteria voor de Omgevingsdiensten met ’Brzo-taken, bedoeld in ar kel 18.22, tweede lid van de Ow, zijn in Nederland hetzelfde. In afstemming met de andere Brzo-bevoegde gezagen kunnen aanvullende afspraken gemaakt worden. 4. Hoofdlijnen van de kwaliteitsverordening De verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht vormt het kader voor de kwaliteit van de uitvoerings- en handhavingstaken op het terrein van de Ow van de Wabo-taken door de gemeente en in opdracht daarvan handelende (omgevings)diensten. De verordening drukt het de commitment uit van de gemeenteraden aan kwaliteit.

De verordening verbindt daarmee inhoudelijke ambi es voor kwaliteit aan bestaande, deels in ontwikkeling zijnde, andere kaders die door procedurele of inhoudelijke normering van vergunningverlening, toezicht en handhaving bijdragen aan deze kwaliteit. Denk bijvoorbeeld aan de Gemeentewet, de Provinciewet, de OwWet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer, de Algemene wet bestuursrecht en de Wet gemeenschappelijke regelingen. Op basis van deze verordening wordt op het benodigde niveau verbinding gemaakt met deze kaders. Van deze kaders is de Ow Wabo en daarop gebaseerde regelgeving wellicht de belangrijkste. Zo bevat ar kel 13.5 e.v. van het Omgevingsbesluit 7.1 e.v. van het Besluit omgevingsrecht (Bor), procedurele regels voor het uitvoerings- en handhavingsbeleid en de vergunningverlening door het Ow bevoegd gezagdoor het Wabo-bevoegd gezag. Dit houdt in dat het college burgemeester en wethouders verplicht zijn is tot het stellen van doelen, het iden ficeren van ac viteiten ter uitvoering daaraan, de inrich ng van de uitvoeringsorganisa e, het monitoren en het rapporteren daarover. Volgens het wetsvoorstel VTH gaan deze regels ook gelden voor de vergunningverlening. Het Bor wordt hiervoor gewijzigd.

In de prak jk zijn bovendien verschillende kaders gebruikelijk voor het beoordelen van de kwaliteit door de omgevingsdienst (respec evelijk de eigen diensten), door burgemeester en wethoudershet college en tot slot door de gemeenteraad. Vertrekpunt iszijn de geldende kwaliteitscriteria 2.1 (die zijn verankerd in ar kel 1 en ar kel 5, zie voor een toelich ng het ar kelsgewijs deel) en andere standaarden en methoden die door het bevoegde gezag al veel worden gehanteerd. Deze zijn ontwikkeld en worden toegepast met als doel de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving te waarborgen en te bevorderen. Of dat het geval is, moet jaarlijks worden beoordeeld door het collegeburgemeester en wethouders. Hiervoor is input nodig van de omgevingsdiensten en van de interne gemeentelijke organisa e. Het college Burgemeester en wethouders zullenzal dus beoordelen "of het goed gaat" op basis van de door henzelf geformuleerde beleidsdoelen voor in ieder geval de dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van producten en diensten of de financiën. Daarnaast zijn ook andere doelen mogelijk. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de veiligheid of de duurzaamheid (in de zin van natuur en milieukwaliteit) met inbegrip van daarvoor geselecteerde indicatoren. Uiteindelijk zal het college hierover verantwoording afleggen aan de gemeenteraad (horizontale verantwoording).

De leden van de gemeenteraad vormen immers ook een eigen oordeel "of het goed gaat” in het licht van de kwaliteit van de leefomgeving. De poli ek-bestuurlijke overwegingen van de leden van de gemeenteraad zullen betrekking hebben op de meerjarige hoofdlijnen van het beleid, niet op de organisatorische kwes es van beze ng die tot de competen e van de directeuren van de diensten behoort. Daarbij zal ook het verband gelegd kunnen worden tussen de strategische plannen en visies over de hoofdlijnen van het omgevingsbeleid binnen de gemeente], zoals een milieubeleidsplan, een structuurvisie of vastgelegd in de omgevingsvisies en omgevingsprogramma (op oneel). De gemeenteraad oefenten invloed uit op de formulering van doelen en indicatoren door het college burgemeester en wethouders en op de bijstelling daarvan zoals bijvoorbeeld welke informa e zij willen terug zien in de verantwoordingsrapportages van het college. In die zin worden de kaders voor de beoordeling van de gemeenteraad overgelaten aan het poli eke debat over kwaliteit. Zo ordent de verordening de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving door de betrokken actoren met elkaar te verbinden vanuit ieders competen e: - De organisa es, werken onder leiding van hun direc e overeenkoms g de geldende kwaliteitscriteria 2.32 met betrekking tot deskundigheid en beschikbaarheid, en leggen rekenschap af

aan het college van burgemeester en wethouders die hiervoor verantwoording afleggen aan de raden en staten. - Het college is, als bevoegde bestuursorgaannen, belast met het stellen van beleidsdoelen voor de kwaliteit van de vergunningverlening, toezicht en handhaving, overeenkoms g de procesregels van het Omgevingsbesluit.het Besluit omgevingsrecht en de Regeling omgevingsrecht, in ieder geval over dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van besluiten en financiën - De gemeenteraad oefent trainen horizontaal toezicht uit op het college en gebruikten waar nodig de krachtens de organieke we en de aan hemhun toekomende mogelijkheden met het oog op de hoofdlijnen en de con nuïteit het beleid over de kwaliteit van VTH, als belangrijk onderdeel van de zorg voor een veilige en gezonde leefomgeving. 5. Doelen voor kwaliteit en kwaliteitscriteria Binnen een systeem van kwaliteit in het omgevingsrecht kan onderscheid gemaakt worden tussen input-criteria, throughput-criteria, output-criteria en outcome-criteria. Deze criteria zijn cyclisch met elkaar verbonden en hebben allemaal invloed op elkaar. Om bij de laatste te beginnen: outcomecriteria zeggen iets over de omgevingskwaliteit, de veiligheid en gezondheid van de fysieke leefomgeving, etc. Het gaat om het maatschappelijke effect van beleid (dus het maatschappelijke effect van de geleverde Omgevingswet Wabo-diensten).

Deze criteria/doelstellingen moeten bepaald worden in samenspel tussen bestuur en ambtelijke organisa e. Gemeenteraad en het collegeburgemeester en wethouders stellen kaders, bijvoorbeeld op basis van het collegeakkoord of het handhavingsplan. Output-criteria zeggen iets over concrete presta es die geleverd worden om het beleidsdoel te realiseren. In dit geval gaat het om aan de samenleving geleverde OmgevingswetWabo-diensten, bijvoorbeeld het aantal vergunningen, het aantal toezichtsac es, het aantal subsidies, voorlich ngen, etc. De throughput-criteria, ofwel procescriteria, beschrijven de processen die moeten leiden tot producten op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Input-criteria gaan over middelen, mensen en jd. Voor output-criteria en outcomecriteria zijn tot op heden nog geen concrete voorbeelden beschikbaar in tegenstelling tot throughputcriteria en input-criteria die in de geldende kwaliteitscriteria 2.32 zijn beschreven. Het is aan elke organisa e zelf om output- en outcome-criteria te bepalen. Ervaringen uit pilots die in 2012 bij gemeenten zijn uitgevoerd hebben geleerd dat door een samenspel tussen bestuur en ambtenaren er breed gedragen resultaten kunnen ontstaan.

In een aantal werksessies in 2010 met verschillende par jen en twee jaar later in bovengenoemde pilots bij gemeenten, zijn er wel onderwerpen bepaald waarop deze doelen het beste bepaald kunnen worden. Deze lijst onderwerpen is uiteraard niet limita ef, maar is een lijst waar men in bovengenoemde sessies op uit is gekomen: - Dienstverlening: de manier waarop (in communica e, snelheid, service) de organisa e met belanghebbenden (aanvragers, omgeving klagers, etc.) omgaat. - Uitvoeringskwaliteit van producten en diensten: de mate waarin een product voldoet aan de juridische doelen (zoals geformuleerd in de relevante wet- en regelgeving en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur) en bijdraagt aan de omgevingsdoelen. Ook wel aangeduid als de inhoudelijke kwaliteit. - Financiën: de inzet van middelen in rela e tot de kwaliteit van de geleverde diensten/producten. Bij de voorbereiding van de modelverordening is door het IPO en de VNG voortgebouwd op de ervaringen uit de pilots. 6. Impact van deze verordening: meer dan regels alleen

Deze verordening is een blijvend kader voor het bevorderen, beoordelen en borgen van de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Blijvende goede verrich ngen in dit kader vergen meer dan regels alleen. Zo zullen de bestaande kwaliteitscriteria 2.31 na verloop van jd, gelet op wijzigingen in de omringende wetgeving en met het oog op de brede reikwijdte die ze krijgen met deze verordening, een levend instrument blijven. Dat betekent dat ze op termijn in brede samenwerking met andere gemeenten en provincies en omgevingsdiensten herzien moeten worden. Hetzelfde geldt voor de doelen en de daarvoor gehanteerde indicatoren, die door bevoegde gezagen worden gebruikt.

7. Interbestuurlijke regeldruk, uitvoerbaarheid en handhaa aarheid Deze verordening beoogt zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande rapportage en informa estromen, op basis van afdelingen 13.2 en 13.3 van het Omgevingsbesluit het Besluit omgevingsrecht en de organieke wetgeving. enDe verordening introduceert geen nieuwe rapportageverplich ngen maar vereist wel extra input voor bestaande rapportages. Wel is het van groot belang dat een jdige en transparante uitvoering van bestaande verplich ngen bijdragen aan de mogelijkheid voor de ambtelijke diensten, de bevoegde colleges en de poli ek-bestuurlijke overwegingen van de gemeenteraad om ieders rol in de kwaliteitsketen te kunnen spelen. De verordening is vanuit deze bestaande competen everdeling gericht op horizontaal toezicht. Van regeldruk voor burgers en bedrijven is geen sprake. ARTIKELSGEWIJS Ar kel 1 In dit ar kel zijn slechts begrippen opgenomen die niet al met een begripsbepaling zijn gedefinieerd in de Ow Wabo. Als betrokken we en worden aangemerkt de Wabo Ow zelf, en de Wm, voor zover bij of krachtens die we en is bepaald dat paragraaf 18.3.3 van de Ow van overeenkoms ge toepassing is. Dat de Wm van toepassing is, is bepaald in ar kel 18.1a van de Wm. en de we en bedoeld in ar kel 5.1 van de Wabo, voor zover bij of krachtens die we en is bepaald dat Hoofdstuk 5 van de Wabo van toepassing is.

Op de uitvoering of handhaving van een geheel andere wet, zoals bijvoorbeeld de Alcoholwet Drank- en Horecawet, is deze verordening niet van toepassing (wat onverlet laat dat over overlappende onderwerpen elders wordt gerapporteerd, zie het algemeen deel van de toelich ng). De we en waarom het krachtens ar kel 5.1 Wabo om kan gaan zijn: de Flora- en faunawet, de Kernenergiewet, de Monumentenwet 1998, de Natuurbeschermingswet 1998, de Ontgrondingenwet, de Wet bescherming Antarc ca, de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder, de Wet inzake de luchtverontreiniging, de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke ordening, de Waterwet en de Woningwet. Een belangrijk begrip in deze verordening is kwaliteitscriteria. De kwaliteitscriteria waar het hier om gaat zijn - thans - de alom bekende Kwaliteitscriteria 2.3 2.1 voor VTH, die in brede samenwerking door de bevoegde gezagen zijn ontwikkeld en beschikbaar gesteld voor de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving, op het gebied van de beschikbaarheid en de deskundigheid van de daarmee belaste organisa es. Deze liggen aan de basis van het VTH-stelsel. Het ligt in de rede dat van deze kwaliteitscriteria in de loop van de jaren verbeterde en geactualiseerde versies beschikbaar zullen worden gemaakt om de versie 2.31 op te volgen. Op dit moment is versie

2.3 van kracht. Vanwege deze verdere ontwikkeling van de kwaliteitscriteria is in de begripsbepaling een dynamische verwijzing opgenomen, zodat bij de ontwikkeling en beschikbaarstelling van een volgende versie van de kwaliteitscriteria niet tot aanpassing van de verordening hoe te worden overgegaan. Met deze begripsbepaling en de verankering in ar kel 5 van de verordening liggen de Kwaliteitscriteria 2.1 aan de basis van deze verordening. Het begrip omgevingsdienst is niet apart gedefinieerd, omdat hiervoor is aangesloten bij de omgevingsdiensten waarvan melding wordt gemaakt in ar kel 18.21 van de Ow. Voor het begrip omgevingsdienst is aangesloten bij de omgevingsdiensten waarvan melding wordt gemaakt in ar kel 5.3 van de Wabo, zoals dat zal komen te luiden wanneer wetsvoorstel 33 872 tot wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving) tot wet is verheven.2 Ar kel 2 De reikwijdte van de verordening hee een inhoudelijke a akening en een a akening naar bevoegd gezag. Ten eerste moet het gaan om de uitvoering of handhaving van de betrokken we en. De terminologie “uitvoering en handhaving” duidt op de uitvoerings- en handhavingstaak, bedoeld in ar kel 18.20 van de Ow.

is overgenomen uit het wetsvoorstel en wordt ook gehanteerd in het Besluit omgevingsrecht zoals dat op grond van het wetsvoorstel zal worden gewijzigd. “Uitvoering en handhaving” betekent dan vergunningverlening, toezicht en handhaving. Dat wil zeggen alle taken tot uitvoering of handhaving van de Ow en van de Wm, voor zover dat in die wet is bepaald. Wabo en van de we en, bedoeld in ar kel 5.1 van de Wabo. Zie daarover de toelich ng bij ar kel 1. Ten tweede moet het gaan om de uitvoering of handhaving door of in opdracht van het collegeburgemeester en wethouders. De verordening is dus van toepassing als het gaat om de uitvoering van de betrokken we en door burgemeester en wethouders zel et college zelf of, in opdracht van het college door een omgevingsdienst of een private par j (maar vanwege het college). Uitvoering van de Ow of de Wm door andere bevoegde gezagen, we en die genoemd zijn in ar kel 5.1 van de Wabo of van de Wabo zelf door andere bevoegde gezagen, zoals het provinciebestuur en andere gemeentebesturen die hun verordeningen op basis van hetzelfde model vaststellen, het waterschapsbestuur of de Minister van Infrastructuur en Milieu of de Minister van Economische Zaken, valt buiten het bereik van deze verordening.

De uitvoering en handhaving van de Wet bescherming Antarc ca of de Kernenergiewet wordt bijvoorbeeld niet door de besturen van gemeenten of provincies uitgeoefend en valt dus buiten deze verordening. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de Waterwet voor zover die door het Rijk of door waterschappen wordt uitgevoerd. Waar hier wordt gesproken over de uitvoering of handhaving van taken door of in opdracht van het bevoegd gezag wordt gedoeld op de uitvoering door gemeentelijke en regionale uitvoeringsdiensten.

Ar kel 3 Dit ar kel is van belang in verband met de rolverdeling tussen de gemeenteraad en burgemeester en wethouders.het college. Ingevolge de systema ek van afdelingen 13.2 en 13.3 van het Omgevingsbesluithet Besluit omgevingsrecht, is de jaarlijkse beoordeling van en rapportage over kwaliteit een taak voor het bevoegd gezag. Dat wil zeggen: burgemeester en wethoudershet college. Bezien vanuit de Gemeentewet, is kaderstelling juist de taak van de gemeenteraad.

De kaderstellende rol krijgt allereerst gestalte door de vaststelling van deze verordening als geheel. Daarnaast is het echter, gelet op de samenhang met afdelingen 13.2 en 13.3 van het Omgevingsbesluithet Besluit omgevingsrecht, van belang uitdrukking te geven aan het feit dat de gemeenteraad vooral vanuit de hoofdlijnen betrokken zijn bij het beleid en zullen toezien op de con nuïteit van de kwaliteit over meerdere jaren. Het horizontale toezicht door de gemeenteraad op het (regionale) uitvoerings- en handhavingsbeleid door burgemeester en wethoudershet college, zal daarom plaatsvinden in het licht van het strategische beleid dat op hoofdlijnen wordt gevoerd voor de fysieke leefomgeving, zoals een omgevingsvisie.s, milieubeleidsplannen en structuurvisies. Ar kel 3 richt zich tot de gemeenteraad. Indirect is het eveneens van belang voor burgemeester en wethoudershet college, en de omgevingsdiensten die in hun opdracht werken, omdat de rol van de gemeenteraad zich juist bij de meerjarenprogrammering en hoofdlijnen laat gelden. Voor het waarmaken van deze rol, beschikt de gemeenteraad reeds over de mogelijkheden die de organieke wetgeving hemn biedt en de kaders die door de raad zijn op strategisch niveau voor de fysieke leefomgeving in plannen en visies zijn hebben vastgelegd.

Om deze rol waar te kunnen maken is het vanzelfsprekend van belang dat het college de raad daartoe door jdige informa everstrekking in staat stelt. Dat daarvoor eveneens informa e van de omgevingsdienst van belang kan zijn, spreekt voor zich en is op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de opdrachten aan de omgevingsdiensten voldoende gewaarborgd. Ar kel 4 Afdeling 13.2 en 13.3 van het Omgevingsbesluit verplicht het bevoegd gezag Ar kel 7.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht verplicht het bevoegd gezag (lees: burgemeester en wethoudershet college) om beleid te formuleren voor de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken. De grondslag van deze bepaling (thans ar kel 18.21 en 18.22 van de Ow) art. 5.3 Wabo) zag voorheen op een doelma ge en programma sche handhaving, maar is op grond van het eerder vastgestelde r zal op grond van de wijziging van de Wabo en het Bor door het wetsvoorstel VTH, ook gaan gelden voor uitvoering (vergunningverlening). Er is dan sprake van een uitvoeringsbeleid en handhavingsbeleid, waarover onderlinge afstemming plaats dient te vinden tussen de bevoegde gezagen op het niveau van de omgevingsdienst. Welk beleid moet worden geformuleerd laat het Bor Omgevingsbesluit inhoudelijk open. Dit ar kel strekt ertoe een inhoudelijke ambi e te geven aan de procesverplich ng om kwaliteitsbeleid te vormen.

Ten eerste door voor te schrijven dat burgemeester en wethoudershet college naar de kwaliteit van de uitvoering en handhaving kijken kijkt in het licht van het geformuleerde (regionale) beleid, waarbij de doelen van dat beleid betrekking moeten hebben op een aantal voorgeschreven inhoudelijke thema's. Het gaat er daarbij telkens om die doelen te zien, niet vanuit elke mogelijke factor die daaraan kan bijdragen, maar vanuit het perspec ef van de presta es en kwaliteit van de uitvoering van de eigen organisa es. Het gaat dan in ieder geval om dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van producten en diensten en om financiën. In paragraaf 4 van deze toelich ng is de herkomst van de in dit ar kel gehanteerde begrippen toegelicht.

Er is voor gekozen in deze verordening geen voorschri en te geven over de te gebruiken indicatoren. Dat is in de eerste plaats een taak voor de bevoegde gezagen, die daarmee in de prak jk al ruime ervaring hebben. Ar kel 5 Dit ar kel gee een verankering aan de kwaliteitscriteria 2.31 en de opvolgers daarvan (zie ook de toelich ng bij ar kel 1, waarin een begripsbepaling voor kwaliteitscriteria is opgenomen). Het strekt ertoe te regelen dat van die kwaliteitscriteria voor de uitvoering van VTH-taken in de prak jk gebruik gemaakt wordt. Het gaat immers om criteria waaraan zorgvuldig en met grote deskundigheid is gewerkt door de betrokken bevoegde gezagen. Van belang is dat deze criteria relevante input leveren voor de kwaliteit. Dat gee vanzelfsprekend geen garan e dat de doelen die door het college zijn gesteld op grond van ar kel 3 ook zonder meer in alle gevallen worden gehaald. Het bereiken van deze doelen zal immers niet alleen a ankelijk zijn van de goede verrich ngen van de uitvoerende organisa es. Van de naleving van de kwaliteitscriteria zal daarom jaarlijks mededeling gedaan moeten worden aan de gemeenteraad. Het gaat hier om een belangrijke inhoudelijke mededelingsplicht die kan worden meegenomen in bestaande jaarlijkse rapportages, in de op grond van het Omgevingsbesluit het Besluit omgevingsrecht op te stellen documenten.

Omgekeerd wil het evenmin zeggen dat, als de criteria (nog) niet in alle relevante taken worden toegepast, dat de kwaliteit per defini e te wensen zal overlaten. In dit geval zal echter wel gemo veerd moeten worden waarom de criteria niet toegepast zijn of konden worden en hoe wel voor de gestelde kwaliteit wordt gezorgd. De kwaliteitscriteria 2.31 zijn derhalve een cruciaal richtsnoer waarvoor geldt: pas toe of leg uit, “comply or explain”. Ar kel 6 Dit ar kel regelt de inwerkingtreding van de verordening. Het is, gelet op de aard van de gestelde regels, niet nodig om deze verordening in overgangsrecht te voorzien.

Afvalstoffenverordening van de gemeente Laarbeek 2018 De raad van de gemeente Laarbeek; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van Laarbeek d.d. 30-10-2018; Besluit: vast te stellen de Afvalstoffenverordening van de gemeente Laarbeek 2018

§ 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsomschrijvingen 1. In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan: a. wet: Wet milieubeheer; b. inzamelen: de activiteiten gericht op het ophalen of innemen van afvalstoffen die binnen de gemeente ter inzameling worden aangeboden en het feitelijk ophalen en innemen daarvan; c. ter inzameling aanbieden: de wijze van overdragen van afvalstoffen aan een inzamelende persoon of instantie, inclusief het achterlaten van afvalstoffen in daartoe door of vanwege de inzamelende persoon of instantie geplaatste inzamelmiddelen of voorzieningen of op een daartoe aangewezen plaats; d. inzamelmiddel: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel, bijvoorbeeld een huisvuilzak, minicontainer, afvalemmer, kca-box of big bag, ten behoeve van één huishouden; e. inzamelvoorziening: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(e) bewaarmiddel of -plaats, bijvoorbeeld een verzamelcontainer, wijkcontainer of brengdepot, ten behoeve van meerdere huishoudens; f. inzameldienst: de krachtens artikel 7, eerste lid, aangewezen inzameldienst, belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen; g. andere inzamelaars: de krachtens artikel 7, tweede lid, aangewezen personen en instanties, belast met het afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke afvalstoffen; h.

inzamelvergunning: de vergunning zoals bedoeld in artikel 11; i. gebruiker van een perceel: degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt; j. straatafval: huishoudelijke afvalstoffen van zeer beperkte omvang en gewicht, zoals proppen, papier, sigarettenpeuken, kauwgom, plastic bekertjes en blikjes, verpakkingsmateriaal, etenswaren, niet zijnde klein chemisch afval, ontstaan buiten een perceel; k. wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten; l. motorrijtuigen: alle voertuigen, bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het voertuig zelf aanwezig dan wel door elektrische tractie met stroomtoevoer van elders. Artikel 2 Beslistermijn 1. Het college beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen 8 weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2. Het college kan zijn beslissing voor ten hoogste 8 weken verdagen. 3. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.

Artikel 3 Indiening aanvraag 1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het college besluiten de aanvraag niet te behandelen. 2. Voor bepaalde, door het college aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken. Artikel 4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden in het belang van de bescherming van het milieu. 2. De houder van een vergunning of ontheffing is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 5 Persoonlijk karakter van de vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens verordening anders is bepaald. Artikel 6 Intrekking of wijziging van de vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b.

indien op grond van verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging moet worden gevorderd in het belang van de bescherming van het milieu; c.

indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn binnen een redelijke termijn; e. indien de houder dit verzoekt. § 2 Inzameling van huishoudelijke afvalstoffen Artikel 7 Aanwijzing inzameldienst en andere inzamelaars 1. Het college wijst de inzameldienst aan, die belast is met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. 2. Naast de inzameldienst kan het college andere inzamelaars aanwijzen die belast zijn met het afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke afvalstoffen. Artikel 8 Afzonderlijke inzameling 1. Door de inzameldienst of andere inzamelaars worden tenminste de volgende categorieën huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk ingezameld: a. b.

groente-, fruit- en tuinafval klein chemisch afval;

c. d. e. f. g. h. i. j. k.

glas; oud papier en karton; textiel; wit- en bruingoed; bouw- en sloopafval; verduurzaamd hout; grof tuinafval; grof huishoudelijk afval; huishoudelijk restafval;

Artikel 9 Inzamelmiddelen en -voorzieningen 1. De inzameling kan plaatsvinden via: a. b. c. d.

een inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel; een inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal percelen; een inzamelvoorziening op wijkniveau; een brengdepot op lokaal of regionaal niveau.

2. Het college kan aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt. Artikel 10 Frequentie van inzamelen 1. Huishoudelijk restafval wordt tenminste een maal per 4 weken bij elk perceel ingezameld. 2. Groente-, fruit- en tuinafval wordt tenminste een maal per 2 weken afzonderlijk bij elk perceel ingezameld. 3. Het college kan de frequentie van inzameling vaststellen van de overige categorieën huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk in aangewezen delen van de gemeente bij elk perceel worden ingezameld. Het college kan de frequentie aanpassen, eventueel per deel van de gemeenten en/of per bebouwingstype. Artikel 11 Inzamelverbod huishoudelijke afvalstoffen behoudens vergunning 1. Het is verboden zonder inzamelvergunning van het college huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen. 2. De inzamelvergunning kan worden geweigerd in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen. 3. Het verbod geldt niet voor de inzameldienst of andere inzamelaars. 4. Het verbod geldt niet voor personen of instanties die in het kader van producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur een inzamelplicht hebben gekregen voor categorieën van huishoudelijke afvalstoffen.

§ 3 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen Artikel 12 Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan anderen 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst, andere inzamelaars en aan de houders van een inzamelvergunning. 2. Het verbod geldt niet voor personen of instanties die in het kader van producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur een inzamelplicht hebben gekregen voor categorieën van huishoudelijke afvalstoffen.

Artikel 13 Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen door anderen dan de gebruikers van percelen 1. Het is anderen dan gebruikers van percelen verboden om huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden aan de inzameldienst of de andere inzamelaars. 2. Het college kan besluiten dat het aan anderen dan gebruikers van percelen verboden is om huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden aan de houder van een inzamelvergunning. Artikel 14 Afzonderlijk ter inzameling aanbieden 1. Categorieën huishoudelijke afvalstoffen: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l.

groente-, fruit- en tuinafval; klein chemisch afval; glas; oud papier en karton; textiel; wit- en bruingoed; bouw- en sloopafval; verduurzaamd hout; grof tuinafval; asbest en asbesthoudend afval; grof huishoudelijk afval; huishoudelijk restafval;

2. Het college kan de inzameldienst en andere inzamelaars aanwijzen aan wie de in het eerste lid aangewezen categorieën huishoudelijke afvalstoffen moeten worden aangeboden. 3. Het is verboden de aangewezen categorieën huishoudelijke afvalstoffen aan te bieden aan anderen dan de krachtens het tweede lid aangewezen inzameldienst en andere inzamelaars. Artikel 15 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel 1. Het is voor de gebruiker van een perceel ten behoeve van wie krachtens artikel 9, tweede lid, voor een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen een inzamelmiddel is aangewezen of van gemeentewege is verstrekt, verboden de betreffende afvalstoffen anders aan te bieden dan via het daartoe aangewezen of verstrekte inzamelmiddel. 2. Het is voor de gebruiker van een perceel verboden andere categorieën huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelmiddel aan te bieden, dan de categorie waarvoor dit inzamelmiddel krachtens artikel 9, tweede lid, is bestemd. 3. Het college kan regels stellen omtrent de plaatsen en wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelmiddel ter inzameling moeten worden aangeboden. 4. Het college kan regels stellen met betrekking tot het maximale gewicht van de afvalstoffen per inzamelmiddel en het maximale aantal inzamelmiddelen dat per keer kan worden aangeboden. 5.

Indien van gemeentewege een inzamelmiddel aan de gebruiker van een perceel is verstrekt kan het college regels stellen omtrent de voorwaarden waaronder het inzamelmiddel is verstrekt, het gebruik en het reinigen daarvan.

6. Indien het inzamelmiddel niet van gemeentewege is verstrekt, kan het college eisen stellen aan het te gebruiken inzamelmiddel. 7. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze ter inzameling aan te bieden dan krachtens dit artikel is bepaald. 8. Het is verboden voor anderen dan de gebruiker van een perceel ten behoeve van wie krachtens artikel 9, tweede lid, een inzamelmiddel is verstrekt of aangewezen, hun afvalstoffen ter inzameling aan te bieden via dit inzamelmiddel. Artikel 16 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelvoorziening ten behoeve van een groep percelen 1. Het is de gebruiker van een perceel voor wie krachtens artikel 9, tweede lid, mede ten behoeve van zijn perceel een inzamelvoorziening voor een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen is aangewezen, verboden de betreffende afvalstoffen anders aan te bieden dan via de betreffende inzamelvoorziening. 2. Het is verboden andere categorieën huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelvoorziening voor een aantal percelen aan te bieden, dan de categorie waarvoor deze inzamelvoorziening krachtens artikel 9, tweede lid, is bestemd. 3. Het college kan regels stellen ten aanzien van de wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelvoorziening ten behoeve van een groep percelen moet worden aangeboden. 4.

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze aan te bieden via een inzamelvoorziening ten behoeve van een groep percelen dan krachtens het derde lid is bepaald. 5. Het is verboden voor anderen dan de gebruikers van percelen voor wie krachtens artikel 9, tweede lid, een inzamelvoorziening is aangewezen, huishoudelijke afvalstoffen aan te bieden via deze inzamelvoorziening. Artikel 17 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via inzamelvoorzieningen op wijkniveau 1. Het is verboden andere categorieën huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelvoorziening op wijkniveau aan te bieden dan de categorie waarvoor de inzamelvoorziening krachtens artikel 9, tweede lid, is bestemd. 2. Het college kan regels stellen omtrent de wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden via een inzamelvoorziening op wijkniveau. 3. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze via een inzamelvoorziening op wijkniveau ter inzameling aan te bieden dan krachtens het tweede lid is bepaald. 4. Het verbod in artikel 15, zevende lid, en artikel 16, vierde lid, geldt niet voor het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via inzamelvoorzieningen op wijkniveau overeenkomstig dit artikel. Artikel 18 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een brengdepot op lokaal of regionaal niveau 1.

Het is verboden andere categorieën huishoudelijke afvalstoffen via een brengdepot op lokaal of regionaal niveau aan te bieden dan de categorieën waarvoor het brengdepot krachtens artikel 9, tweede lid, is bestemd.

2. Het college kan regels stellen omtrent de wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden bij het brengdepot op lokaal of regionaal niveau. 3. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze via een brengdepot op lokaal of regionaal niveau ter inzameling aan te bieden dan krachtens het derde lid is bepaald. 4. Het verbod in artikel 15, zevende lid, en artikel 16, vierde lid, geldt niet voor het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een brengdepot op lokaal of regionaal niveau overeenkomstig dit artikel. Artikel 19 Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen zonder inzamelmiddel 1. Het college kan categorieën huishoudelijke afvalstoffen aanwijzen die zonder inzamelmiddel als bedoeld in artikel 9 van deze verordening ter inzameling kunnen worden aangeboden. 2. Het college kan regels stellen over de wijze waarop deze categorieën huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden. 3. Het college kan regels stellen over het maximale gewicht, de afmetingen en het volume waarop deze categorieën huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden. 4. Het is verboden deze categorieën huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze ter inzameling aan te bieden dan krachtens dit artikel is bepaald. Artikel 20 Dagen en tijden voor het ter inzameling aanbieden 1.

Het college stelt de dagen en tijden vast waarop categorieën huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden. 2. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen en tijden ter inzameling aan te bieden dan krachtens het eerste lid is bepaald. Artikel 21 Het in bijzondere gevallen ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen In afwijking van hetgeen in deze paragraaf is bepaald kan het college regels stellen omtrent het in bijzondere gevallen ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst of andere inzamelaars. § 4 Inzameling van bedrijfsafvalstoffen Artikel 22 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst Het college kan categorieën bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die door de inzameldienst worden ingezameld. Artikel 23 Ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan de inzameldienst 1. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen aan te bieden aan de inzameldienst. 2. Het verbod geldt niet voor de krachtens artikel 22 aangewezen categorieën bedrijfsafvalstoffen, voorzover degene die gebruik maakt van de inzameling door de inzameldienst voldoet aan de daarmee ontstane belastingplicht op grond van de betreffende gemeentelijke belastingverordening.

3. Het college kan regels stellen omtrent de dagen, tijden, wijzen en plaatsen waarop de krachtens artikel 22 aangewezen bedrijfsafvalstoffen aan de inzameldienst ter inzameling kunnen worden aangeboden. 4. Het is verboden de krachtens artikel 22 aangewezen bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden in strijd met deze regels. Artikel 24 Het ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan een ander dan de inzameldienst 1. Het college kan regels stellen voor het ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan een ander dan de inzameldienst. 2. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden in strijd met deze regels. § 5 Zwerfafval Artikel 25 Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging 1. Het is verboden buiten een daarvoor door het college bestemde plaats en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, een afvalstof, stof of voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins te plaatsen op een wijze die aanleiding kan geven tot hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu. 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3. Het verbod is niet van toepassing op: a.

het overeenkomstig deze verordening ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen;

b.

het thuiscomposteren van groente-, fruit- en tuinafval;

c.

voor zover de (afval)stoffen tijdelijk op de weg geraken of worden gebracht als onvermijdelijk gevolg van het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen dan wel het verrichten van andere werkzaamheden op of aan de weg.

4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover bij of krachtens de Omgevingswetde Wet bodembescherming of het Besluit bodemkwaliteit Bouwstoffenbesluitwordt voorzien t in de beoogde bescherming van het milieu. Artikel 26 Achterlaten van straatafval 1. Het is verboden straatafval in de openbare ruimte achter te laten zonder gebruik te maken van de van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen. 2. Het is verboden om andere afvalstoffen dan straatafval achter te laten in daartoe van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen. Artikel 27 Voorkomen van zwerfafval bij ter inzameling gereed staande afvalstoffen 1. Het is verboden afvalstoffen of inzamelmiddelen die ter inzameling gereed staan te doorzoeken en te verspreiden.

2. Het is verboden tegen afvalstoffen of inzamelmiddelen, die ter inzameling gereed staan, te stoten, te schoppen of deze omver te werpen. Artikel 28 Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en drinkwaren De houder of beheerder van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, is verplicht: a. een afvalbak, -mand of soortgelijk voorwerp in of nabij de inrichting op een duidelijk zichtbare plaats aanwezig te hebben, waarin het publiek afval kan achterlaten; b. zorg te dragen dat deze afvalbak, -mand of soortgelijk voorwerp van een zodanige constructie is dat het afval daarin deugdelijk geborgen blijft en dat die afvalbak, mand of voorwerp steeds tijdig wordt geledigd; c.

zorg te dragen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de inrichting, doch in ieder geval terstond op eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met het toezicht op de naleving van dit artikel, in de nabijheid van de inrichting achtergebleven afval, voorzover kennelijk uit of van die inrichting afkomstig, wordt opgeruimd.

Artikel 29 Wegwerpen van reclamebiljetten of ander promotiemateriaal Degene die in de openbare ruimte reclamebiljetten of dergelijke of ander promotiemateriaal onder het publiek verspreidt, is verplicht deze of de verpakking daarvan terstond op te ruimen of te laten opruimen, indien deze in de omgeving van de plaats van uitreiking op de weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats door het publiek worden weggeworpen. Artikel 30 Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige werkzaamheden 1. Het is verboden afvalstoffen, stoffen of voorwerpen zodanig te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten dat de weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig kan worden beïnvloed. 2. Indien bij het laden of lossen of vervoeren van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen deze weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig wordt beïnvloed, is degene die genoemde werkzaamheden verricht alsmede diens opdrachtgever verplicht deze weg te reinigen of te laten reinigen: a.

direct na het ontstaan van de verontreiniging, indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek oplevert;

b.

direct na beëindiging van de werkzaamheden, indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek oplevert;

c.

indien de werkzaamheden langer dan een dag duren, elke dag direct na beëindiging van de werkzaamheden.

§ 6 Overige onderwerpen die de verordening aangaan Artikel 31 Verbod opslag van afvalstoffen 1. Het is verboden afvalstoffen op voor het publiek zichtbare plaats in de open lucht en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet op te slaan of opgeslagen te hebben. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

3. Het verbod is niet van toepassing op het overdragen of ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst, andere inzamelaars of aan houders van een inzamelvergunning. Artikel 32 Afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden Het is de eigenaar of kentekenhouder verboden zich te ontdoen van een autowrak, dat afkomstig is van een huishouden, anders dan door afgifte aan inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, genoemd in artikel 6 van het Besluit Beheer Autowrakken. § 7 Slotbepalingen Artikel 33 Strafbepaling Een gedraging in strijd met de volgende artikelen is een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 3º, Wet op de economische delicten: Artikel 12: Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan anderen Artikel 13: Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen door anderen dan gebruikers van percelen Artikel 14: Afzonderlijk ter inzameling aanbieden Artikel 15: Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel Artikel 16: Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelvoorziening ten behoeve van een groep percelen Artikel 17: Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via inzamelvoorzieningen op

wijkniveau Artikel 18: Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een brengdepot op lokaal of regionaal niveau Artikel 19: Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen zonder inzamelmiddel Artikel 20: Dagen en tijden voor het ter inzameling aanbieden Artikel 23: Ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan de inzameldienst Artikel 24: Het ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen aan een ander dan de inzameldienst Artikel 25: Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging Artikel 26: Achterlaten van straatafval Artikel 27: Voorkomen van zwerfafval bij ter inzameling gereed staande afvalstoffen Artikel 28: Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en drinkwaren Artikel 29: Wegwerpen van reclamebiljetten of ander promotiemateriaal Artikel 30: Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige werkzaamheden Artikel 31: Verbod op een voor het publiek zichtbare plaats aanwezig hebben van afvalstoffen Artikel 32: Afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden Artikel 34 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de krachtens artikel 18.4, derde lid, van de wet aangewezen ambtenaren. Artikel 35 Intrekking De Afvalstoffenverordening van de gemeente Laarbeek 2018, die is vastgesteld op 14 6 januari december 2010 2018 wordt ingetrokken.

Artikel 36 Overgangsbepaling

1. Vergunningen en ontheffingen verleend krachtens de verordening bedoeld in artikel 35, tweede lid, blijven - indien en voorzover het gebod of het verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende een jaar na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht. 2. Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de verordening bedoeld in artikel 35, tweede lid, blijven - indien en voor zover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en beperkingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende een jaar na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht. 3. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing op grond van de verordening bedoeld in artikel 35, tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast. 4.

Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of ontheffing bedoeld in het eerste lid, dan wel voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 35, eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 35, tweede lid. 5. In afwijking van het eerste lid, blijft een vergunning of ontheffing van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend. 6. Gebod- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in de verordening als bedoeld in artikel 35, tweede lid zijn niet van toepassing:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=1b0b9864-98cd-4761-9212-e43023d700d8