CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

10 20240410 Bestemmingsplan De Biezen 6a Toelichting

Commissie Ruimtelijke Zaken 10 april 2024, gemeente LaarbeekBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan De Biezen 6a Aarle-Rixtel23.114 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting De Biezen 6a Aarle-Rixtel

23-11-2023

Colofon Rapport: Toelichting De Biezen 6a Aarle-Rixtel Status: Ontwerp Datum: 23-11-2023

Opdrachtnemer Geling Advies Postbus 12 5845 ZG Sint Anthonis www.gelingadvies.nl

Contactpersoon G. van den Eijnde Sr. Adviseur 0493 – 597 500 gvandeneijnde@gelingadvies.nl

© NOVEMBER 2023

GELING ADVIES

ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN. NIETS UIT DEZE UITGAVE MAG WORDEN VERVEELVOUDIGD DOOR MIDDEL VAN DRUK, FOTOKOPIE, MICROFILM, GELUIDSBAND, ELEKTRONISCH OF OP WELKE ANDERE WIJZE DAN OOK, EN EVENMIN IN EEN GEAUTOMATISEERD GEGEVENSBESTAND WORDEN OPGESLAGEN, ZONDER VOORAFGAANDE SCHRIFTELIJKE TOESTEMMING VAN GELING ADVIES. AAN DE INHOUD VAN DIT RAPPORT KUNNEN GEEN RECHTEN WORDEN ONTLEEND. GELING ADVIES VERWERPT ELKE AANSPRAKELIJKHEID VOOR EEN ANDER GEBRUIK VAN DEZE TEKST DAN VOOR DE SITUATIE WAARVOOR DEZE WORDT UITGEBRACHT. DE INFORMATIE IN DEZE TEKST IS ONDER VOORBEHOUD EN KAN VERANDERD WORDEN ZONDER VOORAFGAANDE KENNISGEVING.

Toelichting De Biezen 6a Aarle-Rixtel

INHOUDSOPGAVE

1 INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan

1 1 1 2

2 PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgenomen ontwikkeling

4 4 5

3 BELEIDSTOETS 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Nationaal Waterbeleid 3.1.4 Ladder Duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Structuurvisie 2010 – partiele herziening 2014 3.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant 3.2.3 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant 3.2.4 Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Laarbeek 2010-2020 Groei in balans 3.3.2 Omgevingsvisie buitengebied Laarbeek 3.3.3 Landschapsinvesteringsregeling gemeente Laarbeek

9 9 9 10 11 11 12 12 12 15 17 24 24 24 25 27

4 MILEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING 4.1 Mer-beoordeling 4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Archeologie 4.2.2 Cultuurhistorie 4.3 Flora en Fauna 4.4 Waterparagraaf 4.5 Bodem 4.6 (Ondergrondse) infrastructuur 4.7 Bedrijven en milieuzonering 4.8 Geurhinder 4.9 Akoestiek 4.10 Luchtkwaliteit

30 30 30 31 32 34 37 39 41 42 44 46 46

Toelichting De Biezen 6a Aarle-Rixtel

4.11 4.12 4.13 4.14

Externe veiligheid Verkeer en parkeren Spuitzones Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen

48 51 52 53

5 UITVOERBAARHEID 5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2 Economische uitvoerbaarheid

54 54 54

6 JURIDISCHE VERANTWOORDING 6.1 Inleiding 6.2 Toelichting op de verbeelding 6.3 Algemene toelichting op de regels 6.4 Toelichting op de bestemmingen 6.4.1 Agrarisch – Agrarisch bedrijf 6.4.2 Recreatiewoningen 6.4.3 Waarde – Archeologie 5.1 en 7

55 55 55 55 56 56 56 56

7 CONCLUSIE

57

Toelichting De Biezen 6a Aarle-Rixtel

1 1.1

INLEIDING

AANLEIDING De locatie De Biezen 6a te Aarle-Rixtel is in gebruik als nertsenhouderij en vleesveehouderij. Ten behoeve van de bedrijfsvoering zijn voor de nertsenhouderij diverse sheds en voor vleesveehouderij enkele stallen aanwezig. Daarnaast is een werktuigenberging en een werkplaats aanwezig. Vanwege het versnelde verbod op het houden van nertsen, is initiatiefnemer genoodzaakt deze bedrijfsactiviteiten te beëindigen. De sheds worden om deze reden gesloopt. Om te voorzien in een voldoende bedrijfsomvang voor de toekomst wordt geïnvesteerd in de vleesveehouderij en wordt daarnaast een nieuwe recreatieve bedrijfsactiviteit gestart in de vorm van de ontwikkeling van vier recreatiewoningen. De ontwikkeling is voorgelegd bij de gemeente, waarbij geconcludeerd werd dat positief tegenover de ontwikkeling van het agrarisch bedrijf met vier recreatiewoningen werd gestaan. De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door middel van een herziening van het bestemmingsplan.

1.2

LIGGING EN BEGRENZING VAN HET PLANGEBIED Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Aarle-Rixtel. In de navolgende figuren is de ligging en de begrenzing van het plangebied weergegeven.

Toelichting, De Biezen 6a

1

Figuur 1 Plangebied De Biezen 6a (met oranje omlijnd vlak)

1.3

VIGEREND BESTEMMINGSPLAN Voor de locatie geldt het bestemmingsplan “Buitengebied”, zoals vastgesteld op 06-07-2010. Op basis van dit bestemmingsplan kent het perceel de enkelbestemming “Agrarisch – Agrarisch bedrijf” met een bouwvlak. Daarnaast gelden de functieaanduidingen “intensieve veehouderij” en “specifieke vorm van agrarisch – nertsenfokkerij”. Verder is de gebiedsaanduiding “reconstructiewetzone – verwevingsgebied” toegekend. Figuur 2 Locatie binnen bestemmingsplan

Toelichting, De Biezen 6a

2

Daarnaast gelden de bestemmingsplannen “Parkeernormen Laarbeek” (vastgesteld 07-06-2018) en “Parapluplan Archeologie en monumenten gemeente Laarbeek” (vastgesteld 29-09-2022).

Toelichting, De Biezen 6a

3

2 2.1

PLANBESCHRIJVING

HUIDIGE SITUATIE Het plangebied is gelegen in 'De Biezen', nabij de Snelle Loop, ten noordoosten van de kern Aarle-Rixtel. Het gebied ligt in een overstromingsvlakte welke is ontstaan in de laatste ijstijd. Het gebied wordt gekenmerkt door de natte gesteldheid en de natte biotopen en vegetaties die hier van oudsher zijn. Het natte gebied werd pas laat in cultuur gebracht. De gronden werden lang gebruikt als gemeenschappelijke weidegronden (gemene gronden) voor het vee. In de loop van de 19de en 20ste eeuw is het areaal voor gemeenschappelijk gebruik voortdurend ingekrompen, en is het gebied in toenemende mate ontgonnen. Het landgebruik bleef echter extensief van karakter. Dit uit zich ook in de directe omgeving van het plangebied. Naast de verschillende bossen aan de oost- en zuidzijde van het plangebied, is voornamelijk bouwland in de omgeving aanwezig. Op een wat grotere afstand komen enkele bedrijfsmatige functies voor. Het plangebied wordt in essentie waargenomen vanaf de Biezenweg Oost in de benadering uit het westen en tijdens de passage. Het wordt uit de nabijheid waargenomen vanaf de ten westen gelegen zandweg De Biezen en over enige afstand vanaf de ten oosten gelegen zandweg De Biezen. Bos en bomenrijen langs de zandwegen vormen een fraai kader en decor.

De bebouwing binnen het plangebied omvat de bedrijfswoning met bijgebouw, diverse sheds voor het houden van nertsen, enkele rundveestallen en enkele machine- en werktuigenbergingen/werkplaats. Op navolgende afbeelding is het gebruik van de huidige bebouwing weergegeven. Op het terrein zijn daarnaast enkele sleufsilo’s aanwezig.

Toelichting, De Biezen 6a

4

Figuur 3 Huidige situatie binnen het plangebied De Biezen 6a

Nertsensheds

Werktuigen- en machineberging/werkplaats

Bedrijfswoning en bijgebouw

Rundveestallen

De locatie is stevig in het landschap ingepast. De aanwezige beplanting bestaat uit geschoren hagen aan de westkant en noordkant. Aan de westkant bevinden zich daarnaast forse eiken in de berm van De Biezen. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een eikenlaan langs het zandpad De Biezen, ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich een perceel met bos. Verder zijn drie inritten aanwezig ten behoeve van de ontsluiting van het plangebied.

2.2

VOORGENOMEN ONTWIKKELING De ontwikkeling omvat het beëindigen van de nertsenhouderij. Alle sheds worden gesloopt. Daarnaast wordt ook de werkplaats gesloopt. De activiteiten met betrekking tot de vleesveehouderij worden voortgezet en de bedrijfsbebouwing, kuilvoerplaten en vaste mestopslag hieraan gerelateerd blijven behouden. In totaal wordt circa 2425 m2 aan bebouwing gesloopt. Daarnaast wordt circa 700 m2 aan verharding verwijderd. Op onderstaande afbeelding is dit weergegeven.

Toelichting, De Biezen 6a

5

Figuur 4 Te slopen bebouwing en te verwijderen hagen (oranje weergegeven)

Ter plaatse van de te slopen sheds wordt naast de vleesveestal een nieuwe loods gerealiseerd voor de stalling van machines/werktuigen en als werkplaats. De nieuwe loods krijgt een omvang van 510 m2. Een kleine bestaande loods wordt daarnaast verplaatst. In de bestaande vleesveestal wordt daarnaast iets meer vee gehouden. In totaliteit zijn de gehuisveste aantal dieren in de huidige en beoogde situatie in onderstaande tabel weergegeven met de bijbehorende emissies voor geur, ammoniak en fijnstof. De emissies van ammoniak en fijnstof nemen af. De geuremissie neemt minimaal toe, maar leidt niet tot belemmeringen in de omgeving (zie paragraaf 4.8). Tabel 1

RAV-code (BB of BWL)

Diercategorie

aantal dieren

kg NH3 / dier

totaal NH3

OUe / dier

totaal Oue

gr PM10 / dier

totaal PM10

nr stal

Huidige dieraantallen

Huidige situatie

H 1.2 (BB 94.02.013)

nertsen, per fokteef

1808

0,25

452

0

0

8

14464

A 2.100

zoogkoeien

8

4,1

32,8

0

0

86

688

A 3.100

vrouwelijk jongvee

5

4,4

22

0

0

38

190

A 1.1 (BB 93.06.009)

melkkoeien

16

5,7

91,2

0

0

81

1296

A 4.100

vleeskalveren

10

3,5

35

35,6

356

33

330

A 6.100

vleesstieren en overig vleesvee

2

5,3

10,6

35,6

71,2

170

340

G

C

C

D

D

D

643,6

Toelichting, De Biezen 6a

427,2

6

17308,0

Tabel 2

RAV-code (BB of BWL)

Diercategorie

aantal dieren

kg NH3 / dier

totaal NH3

OUe / dier

totaal Oue

gr PM10 / dier

totaal PM10

nr stal

Beoogde dieraantallen

Beoogde situatie

A 2.100

zoogkoeien

8

4,1

32,8

0

0

86

688

A 3.100

vrouwelijk jongvee

5

4,4

22

0

0

38

190

A 1.1 (BB 93.06.009)

melkkoeien

16

5,7

91,2

0

0

81

1296

A 4.100

vleeskalveren

10

3,5

35

35,6

356

33

330

A 6.100

vleesstieren en overig vleesvee

2

5,3

10,6

35,6

71,2

170

340

A 6.100

vleesstieren en overig vleesvee

25

5,3

132,5

35,6

890

170

4250

C

C

D

D

D

C

324,1

1317,2

7094,0

In het noordelijk gedeelte van het plangebied wordt ter plaatse van de te slopen sheds een nieuwe recreatieve functie in de vorm van vier recreatiewoningen ontwikkeld. Deze recreatiewoningen zijn uitermate geschikt voor 'rustzoekende' vakantiegasten door de met bos en water gekleurde context en rustige omgeving. De omgeving leent zich uitstekend voor wandelingen, fietstochten en natuurbeleving. De recreatiewoningen worden per tweetal ontsloten via een gemeenschappelijke inrit en een parkeervoorziening voor twee tot vier voertuigen. In navolgende situatietekening is de beoogde situatie van de locatie weergegeven. Figuur 5 Toekomstige inrichting plangebied De Biezen 6a

Toelichting, De Biezen 6a

7

In het kader van voorliggende ontwikkeling zullen de hagen aan de noordkant en westkant van het plangebied worden gerooid. De hagen zijn nietvan betekenis en sluiten niet aan bij de landschappelijke context. De locatie wordt nader landschappelijk ingepast door: 1) Omzomen van de tuinzone met een grove, op de van oorsprong rond gras- en hooiland aangetroffen, veekerendegemengde hagen (els, hazelaar, wilg, vuilboom en vlier). 2) Inramen van de noordkant met een groensingel. 3) Geleden van de noordkant van de agrarische bedrijfsgebouwen met solitaire 'natte bomen'. 4) Aanplanten van een rij knotwilgen langs de sloot aan de oostkant. In paragraaf 3.3.3 en in bijgevoegd landschappelijk inpassingsplan is de landschappelijke inpassing nader weergegeven.

Toelichting, De Biezen 6a

8

3

BELEIDSTOETS

3.1

RIJKSBELEID

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In Nederland staan we voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. We hebben een lange traditie van ons aanpassen. Deze opgaven benutten we om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de generaties na ons. Met de NOVI bieden we een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk.

Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werken we aan onze prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio’s en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. We spreken hier over ‘omgevingsinclusief’ beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1) Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2) Kenmerken en identiteit van een gebied staan

Toelichting, De Biezen 6a

9

centraal, en 3) Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. De ontwikkeling is passend in de omgeving. Zowel de agrarische functie in de vorm van de vleesveehouderij en de recreatiewoningen. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 3.3.2. Daarnaast is sprake van een combinatie van functies, welke elkaar versterken. Op een rustige manier kan gerecreëerd worden bij de boer. Er is geen sprake van nadelige effecten op de omgeving. Daarmee wordt voldaan aan de NOVI. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vormt het sluitstuk van rijkszijde van het nieuwe stelsel van ruimtelijke ordening, zoals dat in 2008 met de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking is getreden. Kern van de nieuwe Wro is dat overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven langs welke weg zij de belangen denken te realiseren. Rijk en provincies bemoeien zich voortaan uitsluitend met wat daadwerkelijk van nationaal respectievelijk provinciaal belang is. Ook moeten rijk en provincies duidelijk maken of de borging van een belang gevolgen heeft voor ruimtelijke besluitvorming door de gemeenten. De eerste tranche, dat in januari 2010 voor advies naar de Raad van State gezonden is, bevat een beleidsneutrale omzetting van bestaand beleid. De kaders zijn afkomstig uit PKB’s Nota Ruimte, Derde Nota Waddenzee, Structuurschema Militaire Terreinen en Project Mainportontwikkeling Rotterdam. De tweede tranche bevat beleid dat doorwerkt tot in de ruimtelijke plannen van andere overheden. Op 30 juni 2011 zijn alle ontwerpstukken van het Barro als bijlage bij de nieuwe Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) gepubliceerd.

In het Barro zijn opgenomen: het Project Mainportontwikkeling Rotterdam; militaire terreinen en –objecten; de Wadden; de kust (inclusief primaire kering); de grote rivieren; Rijksvaarwegen Hoofdwegen en landelijke spoorwegen Elektriciteitsvoorziening Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; Natuurnetwerk Nederland; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde Ruimtereservering parallelle Kaagbaan

Toelichting, De Biezen 6a

10

Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden. Het Barro is ook wel bekend als de AMvB Ruimte. Inmiddels zijn meerdere wijzigingen in Barro doorgevoerd, waarvan de laatste op 27 mei 2020. Het Barro bevat geen relevante regels die invloed uitoefenen op onderhavig plan. 3.1.3

Regeling algemene regels ruimtelijke ordening De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is op 9 december 2011 vastgesteld ter bescherming van radarposten en militaire terreinen. De Rarro is verschillende keren geactualiseerde en bijgewerkt. De meest recente versie is op 1 juli 2021 geconsolideerd en in werking getreden. De locatie is niet in of nabij radarposten of militaire terreinen gelegen.

3.1.3

Nationaal Waterbeleid In het kader van dit bestemmingsplan geldt onder andere onderstaand beleid op het gebied van water. In het jaar 2000 is de Europese ‘Kaderrichtlijn water’ (KRW) in werking getreden. De KRW heeft tot doel de oppervlaktewateren – waaronder ook overgangswater en kustwater – en het grondwater in de Europese Unie te beschermen en te verbeteren en het duurzaam gebruik van water te bevorderen. Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn omvangrijk en worden in de toekomst alleen maar groter. Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden, is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Dit NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebied beheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee, die als wettelijke bijlagen zijn opgenomen. Nederland heeft te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden. Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk.

In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP:  Een veilige en klimaatbestendige delta.  Een concurrerende, duurzame en circulaire delta.  Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.

Toelichting, De Biezen 6a

11

Een bijlage bij het NWP is het stroomgebiedbeheerplan (SGBP) voor de Maas. Dit beheerplan geeft onder meer een beschrijving van het stroomgebied Maas, de doelen voor de oppervlakteen grondwaterlichamen en een samenvatting van de maatregelen die genomen gaan worden. De locatie is gelegen in dit stroomgebied. In paragraaf 3.2.4 wordt nader ingegaan op specifieke KRW-lichamen in de omgeving. Hier wordt aangetoond dat deze niet worden aangetast door de ontwikkeling. 3.1.4

Ladder Duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen (Bro, artikel 3.1.6). Per 1 juli 2017 is het tweede lid gewijzigd en luidt deze als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Initiatief Voordat de ladder duurzame verstedelijking wordt doorlopen, wordt beoordeeld of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 3.1.6. lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit plan ziet toe op de bedrijfsbeëindiging van de nertsentak. Voor de bestaande vleesveetak wordt een nieuwe loods ontwikkeld. Daarnaast worden vier recreatiewoningen ontwikkeld. In totaliteit neemt de agrarische bedrijfsomvang fors af in bebouwingsoppervlakte. Door de beperkte omvang van de recreatieve tak zullen slechts beperkt mensen op de locatie verblijven.

Om deze reden betreft de ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling. Voor onderhavig plan geldt dat daarmee de ladder verder niet van toepassing is.

3.2

PROVINCIAAL BELEID

3.2.1

Structuurvisie 2010 – partiele herziening 2014 De Structuurvisie 2010 – Herziening 2014 is op 7 februari 2014 door de Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Met dit document legt de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 vast. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt.

Toelichting, De Biezen 6a

12

De autonome ontwikkelingen in het landelijk gebied (agrarische bedrijven die stoppen versus schaalvergroting en intensivering) vragen om ontwikkelingsruimte in het landelijk gebied. De provincie wil daar meer dan voorheen ruimte aan bieden, maar wel met aandacht voor een versterking van de landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van Brabant. Daarnaast gaat de provincie in op de intrinsieke ruimtelijke kwaliteiten die Noord-Brabant heeft. Ook hieruit komen opgaven voort die om een ruimtelijke keuze op provinciaal niveau vragen. De opgaven zijn de volgende:        

ruimtelijke kwaliteit staat onder druk; veranderend klimaat; achteruitgang biodiversiteit; veranderend landelijk gebied; toenemende behoefte aan duurzame energie; toenemende concurrentie tussen economische regio’s; afnemende bevolkingsgroei; toenemende mobiliteit.

Trends en ontwikkelingen Voor onderhavig plan is voornamelijk het aspect veranderd landelijk gebied van belang. Het Brabantse landelijke gebied verandert snel. De land- en tuinbouw in Noord-Brabant zit in een belangrijke transitiefase. De wereldmarkt en het Europese beleid (o.a. de POP-plattelandsontwikkeling 2013) bepalen dit voor een groot deel. Er zijn twee verschillende ontwikkelingsrichtingen te onderscheiden. De eerste is de ontwikkeling van een gebiedseconomie met een verdergaande menging van functies en verbreding van agrarische activiteiten met streekproducten, zorgverblijven, recreatief verblijf en landschapsbeheer. Deze ontwikkeling sluit aan op de toenemende vragen vanuit de samenleving (de stad) om het buitengebied meer te kunnen gebruiken voor andere functies. Maar ook bij de behoefte aan het behoud van voorzieningen die belangrijk zijn voor de leefbaarheid van het landelijk gebied voor haar bewoners. Een tweede ontwikkelingsrichting in het landelijk gebied is een toenemende specialisatie met schaalvergroting van de landbouw. Dat doet zich in Noord-Brabant vooral voor bij glastuinbouw, intensieve veehouderij, rundveehouderij, akkerbouw, vollegronds tuinbouw en boomteelt. Het wordt in toenemende mate lastiger om deze twee ontwikkelingen in het landelijk gebied met elkaar te combineren.

Het leidt tot confrontaties tussen ontwikkelingen onderling en tussen de grootschaligheid en het fijnmazige en afwisselende landelijk gebied van Noord-Brabant.

Toelichting, De Biezen 6a

13

De opgave is om de ontwikkelingen in het landelijke gebied zodanig vorm te geven dat er sprake is van een duurzaam en vitaal platteland. Structurenkaart Het plangebied ligt in het kader van de Structuurvisie in de structuur Groenblauwe mantel (zie onderstaand figuur). Figuur 6 Uitsnede Structurenkaart Structuurvisie 2010 – partiele herziening 2014

Groenblauwe mantel De groenblauwe structuur omvat de samenhangende gebieden in NoordBrabant, waaronder de ecologische hoofdstructuur, waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. De structuur bestaat voornamelijk uit beken en andere waterlopen en uit bos- en natuurgebieden. Daarnaast liggen ook gebieden met een andere functie (zoals agrarisch of recreatie) binnen de groenblauwe structuur, als die gebieden van belang zijn voor de natuur- en waterfuncties. Behoud en ontwikkeling van natuurwaarden in én buiten natuurgebieden is hier belangrijk. Daarnaast biedt de groenblauwe structuur ruimte aan een natuurlijk en robuust watersysteem. Niet alleen voor een goed waterbeheer (waaronder hoogwaterbescherming en waterberging) maar ook voor de ontwikkeling van de natuur. Binnen de groenblauwe mantel is de agrarische sector een grote en belangrijke grondgebruiker. Het is nodig deze positie te behouden en/of een ontwikkeling in grondgebonden agrarisch gebruik te bevorderen. Er zijn ook diverse recreatieve en toeristische bedrijven binnen de groenblauwe mantel aanwezig. Het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, water (-beheer) en landschap is een belangrijke opgave. Waar mogelijk zet de provincie in op herstel van de kwelstromen zoals het verschijnsel wijst dat aan het oppervlak kan treden op de Peelrandbreuk in Oost Brabant.

Herstel van kwelstromen speelt ook in de beekdalen en op de overgangen van

Toelichting, De Biezen 6a

14

zand/veen naar klei in de zone Roosendaal – 's-Hertogenbosch, in de zogenaamde Naad van Brabant. Nieuwe ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel zijn mogelijk, als deze bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties respecteren of bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het (cultuurhistorisch waardevolle) landschap. De versterking van de binnen de groenblauwe mantel aanwezige leefgebieden voor plant- en diersoorten vraagt daarbij specifieke aandacht. Ontwikkelingen passen qua aard en schaal bij het ontwikkelingsperspectief voor de groenblauwe mantel en houden rekening met omliggende waarden. Toetsing plangebied Het voorliggende plan past binnen de kaders van het provinciale beleid zoals dat is vastgelegd in de structuurvisie. In het gebied is ruimte om de vleesveetak voort te zetten en daarnaast een recreatieve functie te ontwikkelen. Wel dient dit in goede samenhang met natuur, water en landschap te gebeuren. Bij het plan vindt een grote mate van ontstening plaats. Dit draagt bij aan het infiltrerend vermogen. Bovendien wordt zorg gedragen dat het plan het waterbergend vermogen van het gebied niet aantast (zie paragraaf 4.4). De nieuwe recreatiewoningen en de nieuwe loods worden gerealiseerd passend in het karakter van het landschap. Bij de vormgeving van het plan is rekening gehouden met de aanwezige beplanting.

Deze wordt zo veel mogelijk behouden en verder versterkt zodat de locatie op een goede manier landschappelijk is ingepast. Tevens wordt rekening gehouden met de waterhuishoudkundige situatie. Door het grote oppervlak aan bebouwing dat wordt gesloopt en verharding dat wordt verwijderd, verbetert het infiltrerend vermogen van de bodem. Het beleid uit de structuurvisie is vertaald naar de regels zoals deze zijn vastgelegd in de Interim omgevingsverordening. Dit voorliggende plan is concreet getoetst aan deze regels uit de Interim omgevingsverordening, zie verderop in deze paragraaf. 3.2.2

Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsvisie Noord-Brabant "De kwaliteit van Brabant" vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Met de omgevingsvisie wil de provincie vast aansluiten bij en gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Samen met andere overheden, initiatiefnemers en andere betrokken partijen wordt

Toelichting, De Biezen 6a

15

actief gezocht naar praktijken waarin deze nieuwe manier van werken centraal staat. De Omgevingsvisie gaat over twee vragen: Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien? Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn. De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert. Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom.

Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier.

Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie. Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen. Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendig bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte

Toelichting, De Biezen 6a

16

beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen. Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd: Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. 3.2.3

Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. Naar verwachting treedt de Omgevingswet op 01 juli 2022 in werking. De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen en heeft de status van: Milieuverordening gebaseerd op artikel 1.2. Wet milieubeheer Verordening wegen gebaseerd op artikel 57 Wegenwet en artikel 2A Wegenverkeerswet Verordening Ontgronden gebaseerd op artikel 5, tweede lid, en artikel 7, tweede lid, Ontgrondingenwet Verordening natuurbescherming gebaseerd op diverse artikelen uit de Wet natuurbescherming Verordening ruimte gebaseerd op artikel 4.1. Wet ruimtelijke ordening Verordening water gebaseerd op diverse artikelen in de Waterwet De Verordening luchtvaart en de vastgestelde Luchtvaartbesluiten bevatten voor een deel ook regels voor de fysieke leefomgeving. Het onderdeel luchtvaart is nog niet in de Interim omgevingsverordening verwerkt.

Dit wordt bij de definitieve omgevingsverordening betrokken. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid zoals de omgevingsvisie. Er heeft voor de Interim verordening geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moet worden. In beginsel zijn de huidige regels

Toelichting, De Biezen 6a

17

met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening. De planlocatie is gelegen in het Landelijk gebied en specifiek de Groenblauwe mantel. Navolgend is de locatie weergegeven binnen de Interim Omgevingsverordening. Figuur 7 Uitsnede Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De ontwikkeling betreft het beëindigen van de nertsenhouderijtak en het slopen van de hierbij horende bedrijfsgebouwen. De bestaande vleesveetak blijft behouden en hierbij wordt een nieuwe loods gerealiseerd. Daarmee wordt in totaliteit de (intensieve) agrarische bedrijfsvoering verkleind. Daarnaast wordt een nieuwe recreatieve functie ontwikkeld in de vorm van vier recreatiewoningen. De nieuwe recreatieve functie kan ontwikkeld worden als wordt voldaan aan de artikelen 3.73 en 3.75. Artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken:

Toelichting, De Biezen 6a

18

1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing (IOV) plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. over een bij de omgeving publieksaantrekkende werking;

passende

omvang

en

b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²;

Toelichting, De Biezen 6a

19

van

het

c. een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. Artikel 3.75 Aanvullende regels voor vrije-tijds voorziening Lid 1 In geval er sprake is van een watergebonden voorziening kan het bestemmingsplan onder overeenkomstige toepassing van artikel 3.73 “Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied” nieuwvestiging mogelijk maken, als elders een bouwperceel is gesaneerd en de daarop aanwezige bebouwing van ten minste gelijke omvang, met uitzondering van de bedrijfswoning, is gesloopt. Lid 2 In geval een bestemmingsplan de vestiging van verblijfsrecreatie, waaronder de bouw van een recreatiewoning, toestaat, geldt in aanvulling op artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied, tweede lid dat het bestemmingsplan borgt dat: a. het terrein en de woningen bedrijfsmatig worden beheerd; b. permanente bewoning is uitgesloten. Daarnaast zijn een aantal algemene regels van toepassing: Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.

Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3

Toelichting, De Biezen 6a

20

Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. Artikel 3.32 Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel: a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken; b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; c.

borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Lid 2 De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een beschrijving van de aanwezige ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken.

Toelichting, De Biezen 6a

21

Toetsing ontwikkeling en plangebied Hierna wordt voor het initiatief getoetst of aan de relevante artikelen wordt voldaan. Artikel 3.73 Ten aanzien van de regels kan het volgende gesteld worden: Ad 1a. De vestiging van de recreatieve functie is passend in de ontwikkelingsrichting van het gebied. In het gebied wordt namelijk ingezet op de ontwikkeling van recreatieve functies. Zie hiervoor paragraaf 3.3.2. Het Biezenlandschap leent zich goed voor recreatieve ontwikkelingen door het attractieve landschap. Bij de ontwikkeling wordt ingezet op de ontwikkeling van vier recreatiewoningen waardoor recreanten op een rustige, ruime en kwalitatief hoogwaardige manier kunnen recreëren in het gebied. De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op in de omgeving gelegen functies. Zie paragraaf 4.7. Daarnaast heeft het geen negatieve effecten op de verkeerskundige situatie ter plaatse. Zie paragraaf 4.12. Tot slot draagt het positief bij aan de leefbaarheid en leegstand in het gebied. De bedrijfsmatige bebouwing die niet langer nodig is voor de functies op de locatie, wordt gesloopt. In totaliteit vindt een grote afname van verstening plaats. Daarnaast nemen emissies afkomstig van de locatie af. Ad 1b. Het bouwperceel wordt bedrijfslocatie.

niet gesplitst. Er blijft sprake van één

Ad 1c. Alle overtollige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. In totaliteit is sprake van een grote afname van verstening. Daarnaast wordt de locatie op een goede manier landschappelijk ingepast. Dit blijkt uit bijgevoegd landschappelijk inpassingsplan. Ad 1d. De vestiging heeft geen betrekking op deze functies. Ad 2. Dit is verwerkt in de regels. Ad 3. A en b zijn niet van toepassing. De recreatieve voorziening heeft een omvang kleiner dan 1 hectare.

Toelichting, De Biezen 6a

22

Artikel 3.75 Ad 1. Hier is geen sprake van. Ad 2. In de bestemmingsregels is vastgelegd dat het terrein en de woningen bedrijfsmatig worden beheerd en permanente bewoning is uitgesloten. Artikel 3.9 Ad 1. De ontwikkeling gaat gepaard met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit. Een grote mate van ontstening vindt plaats en daarnaast wordt de locatie op een goede manier landschappelijk ingepast (zie bijgevoegd landschappelijk inpassingsplan). Ad 2. De uitvoering van de landschappelijke inpassing is verankerd in de bestemmingsplanregels. In het landschappelijk inpassingsplan is gemotiveerd dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied. Ad 3. Bij de ontwikkeling is sprake van de sloop van bebouwing en het landschappelijk inpassen van de locatie. Ad 4. Niet van toepassing. Artikel 3.32 Ad 1. Het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken worden niet aangetast door de ontwikkeling. Deze draagt hier juist positief aan bij. Een grote mate van ontstening vindt plaats door sloop van bedrijfsbebouwing. Dit draagt positief bij aan het infiltrerend vermogen van de bodem. Daarnaast blijft de aanwezige beplanting behouden en wordt de locatie verder landschappelijk ingepast. Ad 2. In bijgevoegd landschappelijk inpassingsplan is ingegaan op de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken in de omgeving.

Toelichting, De Biezen 6a

23

3.2.4

Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) omvat de volledige water- en vitale bodemopgave in Noord-Brabant voor de planperiode 2022-2027, met een doorkijk naar 2050. Dit RWP geeft invulling aan het op orde houden van de basis van het natuurlijk water- en bodemsysteem en is mede gebaseerd op wettelijke regels en beleid. Dit is onder andere vastgelegd in de wettelijk omschreven rollen en taken in het waterbeleid in Nederland, dat uitgaat van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Het RWP formuleert de tussendoelen voor 2027 die nodig zijn om de uiteindelijke ambitie in 2050 te behalen. Uit het RWP blijkt dat aan de oostzijde van het plangebied een KRWoppervlaktewaterlichaam (De Biezenloop) is gelegen. Deze is echter op ruim 200 meter van het plangebied gelegen. Vanwege deze afstand en doordat geen water op het oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd of hieraan wordt onttrokken, heeft de ontwikkeling hier geen invloed op. Daarnaast is het plangebied gelegen in de grondwaterlichamen “Maas Slenk diep” en “Zand Maas”. Deze grondwaterlichamen worden niet aangetast door de ontwikkeling. Er vindt geen grondwateronttrekking plaats, waardoor de grondwaterstand niet wordt aangetast. Het infiltrerend vermogen van de bodem neemt juist toe, wat positief bijdraagt. Figuur 8 Uitsnede Regionaal Water en Bodem Programma

3.3

GEMEENTELIJK BELEID

3.3.1

Structuurvisie Laarbeek 2010-2020 Groei in balans In 2010 is de Structuurvisie Laarbeek, ‘Groei in balans’, vastgesteld. De structuurvisie geeft de ruimtelijke en functionele ontwikkeling in Laarbeek op hoofdlijnen weer en is het uitgangspunt voor de politieke agenda. De gemeente Laarbeek wil zich profileren als gemeente met landelijke

Toelichting, De Biezen 6a

24

uitstraling, gedeeltelijk gelegen in de stedelijke regio, waarin de inwoners zich thuis voelen. Een van de doelstellingen is om optimaal gebruik te maken van de strategische ligging in het stedelijk gebied EindhovenHelmond om zowel de economie als het recreatief-toeristisch potentieel te versterken. Een vitaal platteland en sterke agrarische bedrijven ziet de gemeente als verworvenheden van het uitgevoerde beleid omtrent de reconstructie van het landelijk gebied. Voor duurzame agrarische bedrijven is ruimte in het buitengebied. Wel is kwaliteitsverbetering van belang, waarbij onder andere sloop plaatsvindt van overbodige stallen en schuren. Daarnaast wil Laarbeek zich inzetten voor het creëren van een aantrekkelijk buitengebied voor zowel de inwoner als de recreant en de in Laarbeek wonende forens en kenniswerker. Hierbij wordt gefocust op het stimuleren van recreatie, waarbij rust, ruimte en stilte criteria zijn. De voorziene ontwikkeling sluit hier goed op aan. De nertsenhouderijtak wordt beëindigd en de bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Op de locatie wordt geïnvesteerd in het agrarisch bedrijf en in een nieuwe recreatie tak. In de omgeving kan uitstekend gerecreëerd worden op een extensie manier (vele wandel en fietspaden) in de natuur van het Biezenlandschap. De te creëren verblijfsrecreatieve voorzieningen sluiten aan op de basiscriteria uit de structuurvisie.

Het is de wens om recreanten een rustige, ruime en kwalitatief hoogwaardige verblijfsplaats te geven om te kunnen recreëren in het gebied. Bij de ontwikkeling wordt tevens zorggedragen voor een juiste landschappelijke inpassing van de locatie. 3.3.2

Omgevingsvisie buitengebied Laarbeek De gemeente Laarbeek heeft op 09-12-2021 een omgevingsvisie voor het buitengebied vastgesteld. In de visie wordt het ruimtelijk toekomstbeeld geformuleerd in de vorm van een profielschets: “Laarbeek is een landelijke, zelfbewuste gemeente die haar positie op korte afstand van Helmond en Eindhoven (peri-urbane ligging) benut door te werken aan een aantrekkelijk buitengebied en woon- en leefklimaat. Aantrekkelijk voor zowel de inwoner als de (stedelijke) recreant die rust en ruimte ambieert. Om dit te bereiken streeft Laarbeek door een gebiedsgerichte benadering naar een gevarieerd, multifunctioneel landelijk gebied. Hierbij wordt ingezet op behoud en versterking van een authentiek en gewaardeerd boerenlandschap. De gemeente Laarbeek neemt hierbij haar duurzame verantwoordelijkheid in het kader van grootschalige energie-opwek.” In de omgevingsvisie is Laarbeek opgedeeld in acht samenhangende gebieden, elk met een eigen DNA en uitstraling, verankerd in een gebiedspaspoort. Deze gebieden vormen de basis voor de beleidskeuzes in de visie. Onderhavige locatie is gelegen binnen het “Biezenlandschap”. Op onderstaande afbeelding is de ligging van de locatie in de bebouwingsconcentraties weergegeven.

Toelichting, De Biezen 6a

25

Figuur 9 Visiekaart buitengebied

Het Biezenlandschap leent zich goed voor recreatieve ontwikkelingen door het attractieve landschap. Van belang is daarbij dat kwaliteitsverbetering en herstel van historische elementen en patronen plaatsvindt. Daarnaast zijn alternatieve, kleinschalige, natuurinclusie en biologische vormen van landbouw welkom. In navolgende afbeelding zijn de ruimtelijke kenmerken van het Biezenlandschap weergegeven. Figuur 10 Kenmerken Biezenlandschap

Op basis van een verkeerslichtmodel is voor het gebied uitgewerkt welke ruimtelijke mogelijkheden er zijn. De kleur rood betekent dat de gemeente niet zal meewerken aan de introductie of ontwikkeling van de hierbij genoemde functies. De kleur groen betekent dat de gemeente wel medewerking zal verlenen aan de introductie van een nieuwe functie of

Toelichting, De Biezen 6a Figuur 11 Verkeerslichtmodel toelaatbaarheid

26

ontwikkeling van een bestaande functie. De kleur oranje betekent dat de gemeente in het specifieke geval tot een afweging komt over de toelaatbaarheid.

De ontwikkeling omvat het verkleinen en minder intensief maken van de agrarische bedrijfsvoering. Daarnaast wordt een recreatieve functie ontwikkeld. Beide ontwikkelingen zijn op basis van het verkeerslichtmodel wenselijk. Daarnaast wordt de locatie landschappelijk ingepast en vindt een grote afname van verstening plaats. Hiermee is het initiatief passend binnen de omgevingsvisie. 3.3.3

Landschapsinvesteringsregeling gemeente Laarbeek De provincie Noord-Brabant heeft eerder kaders bepaald rondom kwaliteitsverbetering van het landschap. Zogenaamde ‘rode’ ontwikkelingen in het buitengebied dienen gepaard te gaan met een fysieke kwaliteitsverbetering van het gebied of de omgeving. Zo’n kwaliteitsverbetering kan betrekking hebben op bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie en/of extensieve recreatie. Het bestemmingsplan die ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, moet de kwaliteitsverbetering financieel, juridisch en feitelijk borgen en aan laten sluiten (m.n. landschappelijk) bij het ruimtelijk beleid van de gemeente. De ontwikkelende partij heeft de keuze de fysieke kwaliteitsverbetering zelf op eigen terrein te realiseren, dan wel de verplichting over te dragen aan de gemeente via een fondsbijdrage. De gemeente Laarbeek vindt het van belang dat de wijze waarop met de investeringen in het landschap wordt omgegaan onderling wordt afgestemd. Er wordt daarbij gestreefd naar een zoveel als mogelijk uniforme aanpak, waarbij elke gemeente afzonderlijk accenten kan leggen. Om deze reden heeft de gemeente Laarbeek de notitie Landschapsinvesteringsregeling gemeente Laarbeek opgesteld. Het idee is dat ontwikkelingen met een grote impact het meest moeten investeren in kwaliteitsverbetering.

Rekening houdend met de mogelijke impact op de omgeving worden drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen (met de bijbehorende noodzakelijke kwaliteitsverbetering) onderscheiden: Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen kwaliteitsverbetering van het landschap vereisen.

die

Toelichting, De Biezen 6a

27

geen

(extra)

Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen waarbij de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt vormgegeven door te voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen waarbij de basis inspanning voor kwaliteitsverbetering wordt genormeerd in euro’s (op basis van forfaitaire bedragen). In deze situatie is sprake van behoud van de agrarische bedrijfsbestemming. Binnen deze bestemming wordt de nertsenhouderij beëindigd. Wel wordt een nieuwe loods gerealiseerd voor de bestaande vleesveetak. Ter verbreding op de agrarische bedrijfsactiviteiten wordt binnen de agrarische bedrijfsbestemming een kleinschalige recreatieve functie ontwikkeld in de vorm van vier recreatiewoningen. Omdat binnen de bestaande agrarische bedrijfsbestemming wordt gebleven en enkel kleinschalig ter verbreding vier recreatiewoningen worden ontwikkeld, is sprake van een categorie 2 ontwikkeling. Hierbij is het noodzakelijk te voorzien in een goede landschappelijke inpassing van de locatie. Voor de locatie is bijgevoegd landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Bij de verdere inpassing van de locatie is uitgegaan van de bestaande kenmerken van de locatie en de omgeving. De beplanting in het plangebied bestaat uit geschoren hagen van prunus laurocerasus aan de westkant en noordkant. Aan de westkant bevinden zich forse eiken in de berm van De Biezen.

Ten oosten van het plangebied bevind zich een eikenlaan langs het zandpad De Biezen, ten zuidoosten van het plangebied bevind zich een perceel met bos. De aanwezige hagen sluiten qua soort niet goed aan bij de kenmerken van de landschappelijke context. De hagen verkeren in matige conditie. Het beplantingsplan omvat op grond van het voorafgaande de aanplant van navolgende elementen: H1 grove gemengde hagen S1 een groensingel B1 solitaire elzen, wilgen en zachte berken B2 een rij knotwilgen

Toelichting, De Biezen 6a

28

Figuur 12 Beplantingsplan

Toelichting, De Biezen 6a

29

4 4.1

MILEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING

MER-BEOORDELING Op grond van wettelijke procedureregels dienen B&W een beoordelingsbesluit te nemen dat voor dit plan geen milieueffectrapportage (MER) hoeft te worden opgesteld. In het besluit m.e.r. is opgenomen voor welke voorgenomen activiteit een m.e.r.-plicht of m.e.r. beoordelingsplicht geldt om te toetsen of sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen bij ruimtelijke ontwikkelingen. De ontwikkeling valt onder categoriën D.10 en D.14. Omdat onder de drempelwaarden uit kolom 2 wordt gebleven, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Om deze reden is bijgevoegde aanmeldnotitie opgesteld. Hieruit komt naar voren dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk is.

4.2

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in bestemmingsplannen aandacht te worden besteed aan de aspecten archeologie en cultuurhistorie. In juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vormt – samen met de nieuwe Omgevingswet – het nieuwe kader voor bescherming van het cultuurhistorisch erfgoed. Op grond van het overgangsrecht in de Erfgoedwet blijven bepaalde onderdelen van de Monumentenwet 1988 (waaronder de vergunningplicht voor monumenten, de bescherming van stads- en dorpsgezichten en de regelingen voor archeologie) ongewijzigd van toepassing tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Op grond van artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening moeten gemeenten bij het opstellen van bestemmingsplannen in de toelichting een beschrijving geven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige

Toelichting, De Biezen 6a

30

cultuurhistorische waarden en de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten (archeologische waarden) rekening is gehouden. 4.2.1

Archeologie Op grond van het Verdrag van Malta en de daaruit vloeiende Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), dient bij de opstelling en de uitvoering van ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden. Het uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. De gemeente Laarbeek heeft haar archeologisch beleid vastgelegd in een erfgoedkaart. Op deze erfgoedkaart ligt de locatie deels in een gebied met een lage en deels met een hoge archeologische verwachting. Ter plaatse van de aanwezige bebouwing geldt geen archeologische verwachting. Deze verwachtingen zijn tevens verankerd in het bestemmingsplan Parapluplan Archeologie en monumenten gemeente Laarbeek.

Figuur 13 Ligging binnen archeologische verachtingskaart Laarbeek

In het gebied met een hoge archeologische verwachting geldt deze verwachting op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten. Een deel van deze archeologische resten is afgedekt geraakt door een meer dan 50 cm dik pakket eerdgronden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is groot. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m² en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld of 0,5 m bij esdekken. In het gebied met een lage archeologische verwachting gaat het om een gebied waar op archeologische en landschappelijke gronden de kans op

Toelichting, De Biezen 6a

31

het aantreffen van behoudenswaardige archeologische relicten klein wordt geacht. Vooral de voormalige heidegebieden hebben een lage verwachting; hierbij is verder geen sprake van afdekkende lagen, waardoor archeologische resten dichter onder het oppervlak verwacht kunnen worden. Om die reden is een archeologisch onderzoek alleen vereist bij bodemingrepen die groter zijn dan 25.000 m² en dieper gaan dan 0,4 m onder maaiveld. Dit plan ziet uitsluitend toe op realisatie van een nieuwe loods en vier nieuwe recreatiewoningen. De realisatie van deze gebouwen vindt plaats ter plaatse van de te slopen bebouwing ten dienste van de nertsenhouderij. Hier geldt geen archeologische verwachtingswaarde. Hierdoor kan verondersteld worden dat met de ontwikkeling geen archeologische waarden worden aangetast. Verder geldt op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dat toevalsvonsten gemeld moeten worden bij het Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag is de gemeente Laarbeek. 4.2.2

Cultuurhistorie Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorisch erfgoed moet worden beschermd. Het gaat dan om erfgoed in brede zin; in cultuurlandschappelijke, stedenbouwkundige en bouwhistorische betekenis. Voorgaande is sinds 1 juli 2016 vastgelegd in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. De provincie Noord-Brabant ziet het Brabantse erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Daarom heeft de provincie haar ruimtelijke erfgoed opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Navolgend is de locatie weergegeven binnen de Cultuurhistorische Waardenkaart.

Toelichting, De Biezen 6a

32

Figuur 14 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart

Broekontginningen langs de Aa en de Snelle Loop Het gebied is een redelijk gaaf broekontginningslandschap met landbouwgronden, bossen en lanen. De ontginningsstructuur is goed herkenbaar. Het gebied wordt doorsneden door de Snelle Loop, waarlangs vroeger de Walgraaf lag, de grens tussen Gemert en de dorpen ten westen van de Aa. Het gebied bestaat uit landbouwgronden, eikenlanen en productiebossen met loofhout. Voor een deel bestaat dit bos uit (doorgeschoten) hakhout van zomereik en zwarte els. Het laaggelegen gebied ten oosten van de Aa is in verschillende fasen ontgonnen. In 1840 waren grote delen nog ongeperceleerd. De oudste ontgonnen delen lagen langs de Aa en ten oosten van de Liesdijk. Hier waren kleine strookvormige percelen aanwezig waarvan de sloten loodrecht op de beken stonden. Het oostelijke deel van de Lage Velden, tussen de Wijnboomsteeg en de Rips, bestond uit onregelmatige blokvormige percelen. Bij de samenvloeiing van de Snelle Loop en de Aa lag het Liesven met aangrenzend een gebied met lange strookvormige percelen. Het huidige landschap laat een mozaïek van akkers, grasland-percelen en bossen zien. De percelering is wat grootschaliger geworden en er zijn enkele boerderijen bijgekomen. In bepaalde delen van het gebied, met name bij De Biezen, is de percelering relatief gaaf.

Het gebied kent een samenhang met het gebied rond het klooster van het Heilig Bloed, met het Landgoed Kasteel Gemert en met de akkercomplexen bij Mortel. De aanwezige cultuurhistorische waarden in de perceelsstructuren, waterlopen en groenstructuren worden niet aangetast. De ontwikkelingen vinden binnen de huidige bebouwde omgeving op de locatie plaats. Bestaande groenstructuren blijven waar mogelijk behouden en worden verder versterkt.

Toelichting, De Biezen 6a

33

Bos, houtwallen en lanen Het Broek, De Biezen Bos, houtwallen en lanen in een jonge broekontginning. Plaatselijk (restanten van) hakhout. De beplanting bestaat o.a. uit zomereik, Amerikaanse eik, zwarte els, populieren, geoorde wilg, grauwe wilg, katwilg, rossige wilg, zachte berk, sporkehout, wilde lijsterbes, vogelkers en wilde kamperfoelie. Het hakhout bestaat met name uit zomereik en zwarte els. De lanen bestaan met name uit zomereik. Het geheel dateert overwegend van omstreeks 1900, maar is deels ook ouder. In het plangebied is geen historisch groen gelegen. Enkel op wat grotere afstand ten oosten en zuiden van het plangebied en direct aangrenzend ten westen van het plangebied. Het groen wordt niet aangetast met de ontwikkeling. Lijn van hoge waarden Aangrenzend aan het plangebied zijn De Biezen en Biezenweg gelegen, welke zijn aangewezen als lijnen met een hoge waarde. Deze lijnen worden niet aangetast. Er zijn geen nieuwe uitwegen of andere aanpassingen aan de weg voorzien. De cultuurhistorische waarden worden daarmee niet geschaad.

4.3

FLORA EN FAUNA Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele ecologische waarden in of nabij het projectgebied. De voorgenomen ontwikkelingen mogen geen negatieve effecten hebben op de aanwezige beschermde soorten zoals aangewezen in de Wet natuurbescherming. Indien hiervan sprake is moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Tevens mogen de ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op de aangewezen Natura 2000-gebieden. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebiedsen soortenbescherming. Soortenbescherming Om te bepalen of er met de ontwikkeling mogelijk beschermde flora en fauna aangetast kan worden is er door Exlan een Quick Scan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. De conclusie van dit onderzoek is als volgt: Conclusie Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=d7357c64-40b4-426e-8783-5d7727c29888