10 20210224 Toelichting ruimtelijke onderbouwing Stekkermortel Bijlage 2.pdf
Tekst van het document
Ligging ten opzichte van beschermde gebieden
Natura 2000 De planlocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied bevindt zich op circa 12,5 km afstand ten zuidwesten van de planlocatie. Het betreft de Strabrechtse Heide & Beuven. Ecologische Hoofdstructuur De planlocatie maakt geen deel uit van de EHS. Het meest nabijgelegen EHS-onderdeel bevindt zich circa 200 m ten westen van de planlocatie. Het betreft een aantal grote bospercelen en de natte natuur de Mosbulten. 2.3
Toekomstig gebruik van de planlocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens een bouwkavel (1.000 m²) te realiseren. Op de bouwkavel zal een BiO-woning worden gerealiseerd. Het overige deel van de agrarische kavel blijft conform de huidige situatie in gebruik als weidegrond. Ten behoeve van de nieuwbouw zal een gedeelte van het huidige grasland verdwijnen en worden de bomen binnen de planlocatie, waaronder de twee knotwilgen, mogelijk gekapt. De zomereiken en afwateringsloten direct buiten de planlocatie blijven gehandhaafd.
3.
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het veldbezoek is afgelegd op 8 november 2010. Tijdens dit veldbezoek is de gehele planlocatie onderzocht. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Bij aanwezigheid van geschikt habitat is aan de hand van verspreidingsatlassen en andere standaardwerken nagegaan of de betreffende soort(groep)en in de omgeving van de planlocatie voorkomen. Verder zijn toegankelijke gegevens van natuur- en soortbescherming organisaties gebruikt en zijn gegevens van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Een overzicht van de geraadpleegde bronnen is weergegeven in bijlage 3. Verspreidingsgegevens van soorten zijn veelal weergegeven op kilometerhokniveau (1 x 1 kilometer) of op uurhokniveau (5 x 5 kilometer). Aangezien met de schaal van kilometerhokken of uurhokken een groter gebied wordt beschouwd dan alleen de planlocatie, betekent dit niet dat de kritische soorten ook daadwerkelijk voorkomen binnen de begrenzing van de planlocatie. Verder zijn sommige verspreidingsgegevens niet actueel. Dit betekent dat de meest recente verspreidingsgegevens reeds verouderd kunnen zijn. De meeste te gebruiken gegevens vormen daarom geen uitsluitsel over het aantal soorten en type waarneming van een soort in het betreffende gebied, maar enkel een indicatie over het voorkomen.
10103719 LAA.TON.ECO1
Pagina 2 van 9
4.
TOEPASSING VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
4.1
Inleiding
Zorg voor alle inheemse planten- en diersoorten en voor de natuurlijke rijkdommen van gebieden wordt gegarandeerd door de naleving van de wet- en regelgeving ten aanzien van natuur en milieu. De instrumenten die deze bescherming mogelijk maken, zijn op Europees niveau vertaald in Natura 2000. De Europese wetgeving ten aanzien van de soortbescherming is in Nederland vertaald in de Flora- en faunawet. De gebiedsbescherming is vastgelegd in de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998. Hiermee heeft Nederland de Europese wetgeving in de nationale wetgeving verankerd. Door in de planfase van een (bouw)project of ruimtelijke ontwikkeling rekening te houden met het eventueel voorkomen van beschermde planten- en diersoorten kan effectief worden omgegaan met de aanwezigheid van een beschermde soort. Een dreigende overtreding van de Flora- en faunawet kan zo snel gesignaleerd en in veel situaties voorkomen worden. Vervolgens kan er accuraat actie ondernomen worden om zodoende de overlevingskansen en migratiemogelijkheden van een beschermde soort in het betreffende gebied geen blijvende schade toe te brengen. Om alle gebieden met elkaar te verbinden en om uitwisseling en verspreiding van soorten mogelijk te maken, wordt er in Nederland gewerkt aan de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
Verder worden diverse Rode lijsten van bedreigde soorten gehanteerd bij beoordelingen voor de aanwijzing van bescherming en compensatie. In dit hoofdstuk wordt een korte toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Flora- en faunawet bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. In bijlage 4 wordt een nadere toelichting gegeven omtrent de wet- en regelgeving ten aanzien van natuur. 4.2
Flora- en faunawet
Voor de Flora- en faunawet geldt dat vaste rust- en verblijfplaatsen van bepaalde soorten zijn beschermd. De Flora- en faunawet maakt onderscheid in drie beschermingscategorieën. Iedere categorie heeft zijn eigen ontheffingsmogelijkheden en toetsingscriteria. Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingscategorieën. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend werkt. Broedvogels en vleermuizen zijn soortgroepen uit de strengste beschermingscategorie. Voor de overige soortgroepen is de beschermingsstatus afhankelijk van de soort. Broedvogels Alle broedende inheemse vogels en hun nesten zijn wettelijk beschermd en vallen onder de strikt beschermde klasse (soorten tabel 3). De Flora- en faunawet regelt onder meer de bescherming van vogels in het broedseizoen: het verstoren van broedende vogels en jongen, of het vernielen van nesten en eieren is verboden. In de meeste gevallen is een overtreding gemakkelijk te voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of de broedgelegenheid buiten het broedseizoen te verwijderen. Nesten van huismus, steenuil, sperwer, ransuil, kerkuil, boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, ooievaar, oehoe, roek, slechtvalk, wespendief en zwarte wouw zijn het gehele jaar beschermd.
Het betreffen soorten uit de beschermingscategorieën 1 t/m 4 van de aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen (bron: Dienst Regelingen, 25 augustus 2009). De nestplaats, bomengroep of boomholte van een deel van deze soorten worden ook buiten het broedseizoen gebruikt. Een ander deel van deze soorten maken enkel gebruik van door andere vogelsoorten gemaakte nestgelegenheid, of maken ieder jaar gebruik van hetzelfde nest (of dezelfde nestlocatie).
10103719 LAA.TON.ECO1
Pagina 3 van 9
Daarnaast is er een aantal soorten waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn, ondanks dat de soort ieder jaar op dezelfde plek terugkeert om te broeden (beschermingscategorie 5). Van deze soorten wordt verondersteld dat ze over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Voorwaarde hierbij is dat er in de directe omgeving wel geschikt habitat aanwezig is. Voorbeelden hiervan zijn spechtensoorten, huiszwaluw, boerenzwaluw, ekster, bosuil, torenvalk en holenbroeders als boomkruiper, koolmees en bonte vliegenvanger. Nestlocaties van soorten uit de beschermingscategorie 5 zijn in uitzonderlijke gevallen ook buiten het broedseizoen beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Vleermuizen Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten genieten zowel binnen de Flora- en faunawet als binnen de Natuurbeschermingswet een strikte bescherming. Alle vleermuissoorten staan vermeld in bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: "het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort".
Dit houdt in dat niet alleen alle verblijfplaatsen maar ook de verbindingen hiertussen (vliegroutes) en de foerageergebieden bescherming genieten. Vleermuizen zijn streng beschermd omdat dat ze erg kwetsbaar zijn. De afgelopen vijftig jaar zijn sommige soorten erg zeldzaam geworden of geheel verdwenen. Wanneer overwinterende dieren worden verstoord, is de kans groot dat ze sterven omdat ze dan teveel van hun vetreserve gebruiken. Maar al te vaak worden bomen gekapt en oude gebouwen gerenoveerd of gesloopt. Als zich hierin een vleermuiskolonie bevindt, heeft dat grote gevolgen voor de vleermuisstand in de wijde omgeving. Omdat ze meestal maar één jong per jaar krijgen, kan herstel erg lang duren. Vleermuizen kunnen zelf geen verblijfplaatsen maken en zijn dus afhankelijk van bestaande verblijfplaatsen. Daarnaast hebben ingrepen in het landschap ook negatieve gevolgen doordat foerageergebieden en vliegroutes, waar vleermuizen jaren achtereen gebruik van maken, verdwijnen. De impact die een ingreep kan hebben verschilt sterk per situatie en per soort waardoor meestal gedetailleerde gegevens nodig zijn om een passend advies te geven. 4.3
Algemene zorgplicht
De algemene zorgplicht (artikel 2 van de Flora- en faunawet) houdt in dat een ieder die redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen nadelige gevolgen voor de fauna kunnen ontstaan, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten of maatregelen te nemen om de nadelige gevolgen te voorkomen. Zo kan er bijvoorbeeld rekening worden gehouden met amfibieën en kleine zoogdieren worden wanneer materialen en houtstapels, waaronder de dieren kunnen verblijven, worden verwijderd. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor de betreffende soortgroep worden aangegeven. 4.4
Gebiedsbescherming
De quickscan flora en fauna toetst voornamelijk aan de Flora- en faunawet. Indien een plangebied in of nabij een gebied is gelegen dat tot de EHS behoort of onder de Natuurbeschermingswet valt, dient te worden bepaald of er een effect valt te verwachten. Bij een toetsing aan de Natuurbeschermingswet spelen vaak andere facetten mee, zoals de aanwezige doelsoorten en kernwaarden van het betreffende beschermde gebied.
10103719 LAA.TON.ECO1
Pagina 4 van 9
5.
ONDERZOEKSRESULTATEN
5.1
Broedvogels
Het grasland op de planlocatie kan in het voorjaar broedgelegenheid bieden aan een weidevogel als kievit. De knotwilgen op de planlocatie kunnen als broedgelegenheid dienen voor een algemene vogelsoort als merel of winterkoning. De knotwilgen en andere bomen zijn gecontroleerd op nesten en (potentiële) nestholtes; deze zijn niet aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden die er op duiden dat de planlocatie wordt gebruikt als nestlocatie door vogelsoorten waarvan het nest jaarrond beschermd is (categorie 1 t/m 4). Er zijn op de planlocatie tevens geen nesten van soorten uit de beschermingscategorie 5 waargenomen of te verwachten. De omgeving van de planlocatie vormt echter wel geschikt habitat voor steenuil. Het is dan ook niet uit te sluiten dat steenuil incidenteel langs de randen van de planlocatie foerageert. Doordat de agrarische randen van de planlocatie gehandhaafd blijven, zullen de plannen op de planlocatie geen aantasting van (potentieel) foerageergebied van steenuil vormen. Voor de op de planlocatie mogelijk broedende vogelsoorten, met uitzondering van weidevogels, geldt dat, indien de knotwilgen en/of andere bomen buiten het broedseizoen worden verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. Er wordt in de Flora- en faunawet geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen.
Globaal wordt voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Het uitvoeren van een controle op de aanwezigheid van een broedgeval voor aanvang van de werkzaamheden, is in dit geval voldoende om te voorkomen dat er onnodige verstoring ten aanzien van een broedende weidevogel als kievit plaatsvindt. 5.2
Vleermuizen
Volgens het cursusdictaat "Vleermuizen en Planologie" (Limpens et al., 2010) is de planlocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten potentieel kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, franjestaart en baardvleermuis. Uit het Beschermingsplan voor vleermuizen in Noord-Brabant (Twisk en Limpens, 2006) blijkt dat binnen enkele kilometers van de onderzoeklocatie gewone dwergvleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis zijn waargenomen. Verblijfplaatsen op de planlocatie De planlocatie is geheel onbebouwd en de aanwezige bomen op en nabij de locatie beschikken niet over potentiële verblijfsmogelijkheden voor vleermuizen, zoals holtes en ruimtes achter schors. Hierdoor kan worden uitgesloten dat er op de planlocatie verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Overtreding van de Flora- en faunawet ten aanzien van het verstoren van een vaste rust- en verblijfplaats van vleermuizen is niet aan de orde. Verblijfplaatsen buiten de planlocatie De ingrepen op de planlocatie zullen door de onderlinge afstand tot mogelijke verblijfplaatsen in de omgeving geen verstoring veroorzaken ten aanzien van een in de omgeving gelegen vaste rust- en verblijfplaats.
Foeragerende vleermuizen De planlocatie zal, gelet op het aanwezige habitat, deel uit kunnen maken van het foerageerhabitat van mogelijk in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen.
10103719 LAA.TON.ECO1
Pagina 5 van 9
Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. De eikenlaan langs het zandpad (de Stekkermortel) vormt een potentiële vliegroute voor vleermuizen. Zover bekend blijven deze bomen gehandhaafd, waardoor verstoring ten aanzien van vliegroutes niet aan de orde is 5.3
Overige zoogdieren
De planlocatie vormt geschikt habitat voor enkele grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als mol en veldmuis. Voor dergelijke algemeen voorkomende soorten geldt bij ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling, waardoor bij verstoring geen sprake is van overtreding in het kader van de Flora- en faunawet. Het is echter in het kader van de algemene zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Er zijn in het kader van de algemene zorgplicht geen specifieke maatregelen nodig. Het voorkomen van grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Gezien het ontbreken van geschikt habitat en/of geschikte verblijfsmogelijkheden op de planlocatie kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. 5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn binnen enkele kilometers van de onderzoeklocatie geen reptielen waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de planlocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Volgens verspreidingsgegevens van RAVON (o.a. Van Delft & Schuitema, 2005) zijn binnen enkele kilometers van de onderzoeklocatie de volgende soorten amfibieën waargenomen: alpenwatersalamander, kleine watersalamander, gewone pad en bruine kikker. De sloot langs de planlocatie biedt geschikt voortplantingswater aan algemene soorten als kleine watersalamander, gewone pad en bruine kikker. Ook de minder algemene alpenwatersalamander (Tabel 2, Flora- en faunawet) kan in theorie de naastgelegen sloot gebruiken als voortplantingswater. De betreffende sloot blijft echter in de huidige vorm behouden, waardoor verstoring ten aanzien van de (potentiele) functionaliteit voortplantingswater met betrekking tot een soort waarvoor geen vrijstelling geldt bij ruiterlijke ontwikkeling niet aan de orde. Op de planlocatie is voor amfibieën echter geen schuilgelegenheid te vinden, waar ze onder andere kunnen overwinteren. Buiten de planlocatie zijn wel voldoende schuilgelegenheid aanwezig, zoals in nabijgelegen tuinen en bossen. De ingreep op de locatie zal geen verstoring veroorzaken ten aanzien van amfibieën.
Indien van toepassing kan deze soortgroep van de sloten gebruik blijven maken en blijft migratie via de planlocatie mogelijk. Mogelijke verstoring in het kader van de Flora- en faunawet is niet aan de orde. Wel blijft de algemene zorgplicht van kracht. In dit geval is oplettendheid ten aanzien van incidenteel aanwezige individuen voldoende. Bij aanwezigheid dient het individu te worden verplaatst naar vergelijkbaar (geschikt) habitat buiten de ingreep. 5.5
Libellen en dagvlinders
Voor libellen geldt dat aanwezigheid van water nodig is ter voortplanting en gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen.
10103719 LAA.TON.ECO1
Pagina 6 van 9
Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat met waard- en nectarplanten. Het is uitgesloten dat er binnen de planlocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde dagvlindersoort. 5.6
Vaatplanten
Gelet op het huidige gebruik van de planlocatie als agrarisch grasland, is het niet te verwachten dat er beschermde plantensoorten op de locatie aanwezig zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de planlocatie niet te verwachten. 5.7
Gebiedsbescherming
Voor de EHS geldt geen externe werking. Aangezien de planlocatie niet is gelegen in of aangrenzend aan een onderdeel dat behoort tot de EHS, is aantasting niet aan de orde. Externe werking op overige beschermde natuurgebieden, zoals het Natura 2000-gebied de Strabrechtse Heide & Beuven is, gelet op afstand tot de planlocatie en de aard van de ingreep niet aan de orde.
10103719 LAA.TON.ECO1
Pagina 7 van 9
7.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Econsultancy heeft in opdracht van Tonnaer een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Stekkermortel te Mariahout in de gemeente Laarbeek. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. Voorgenomen ingreep: De initiatiefnemer is voornemens een bouwkavel (1.000 m²) te realiseren. Op de bouwkavel zal een BiO-woning worden gerealiseerd. Het overige deel van de agrarische kavel blijft conform de huidige situatie in gebruik als weidegrond. Ten behoeve van de nieuwbouw zal een gedeelte van het huidige grasland verdwijnen en worden de bomen binnen de planlocatie, waaronder de twee knotwilgen, mogelijk gekapt. De zomereiken en afwateringsloten direct buiten de planlocatie blijven gehandhaafd. Waarnemingen en te verwachten soorten: De planlocatie kan broedgelegenheid bieden aan broedvogels (nest niet jaarrond beschermd) als merel, winterkoning en kievit. De planlocatie kan deel uitmaken van het foerageerhabitat van vleermuizen als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. De planlocatie betreft geschikt habitat voor algemene grondgebonden zoogdieren als mol en veldmuis. Verder vormt de naastgelegen sloot geschikt voortplantingswater voor voornamelijk algemene soorten als kleine watersalamander, gewone pad en bruine kikker. De sloot kan echter ook als voortplantingswater dienen voor de minder algemene alpenwatersalamander.
Voor de overige soorten uit de verschillende soortgroepen vormt de planlocatie geen geschikt habitat en/of zijn deze op grond van bekende verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van verblijfsindicaties of -mogelijkheden niet te verwachten. Maatregelen ter voorkoming van overtredingen van de Flora- en faunawet: Indien de betreffende bomen buiten het broedseizoen worden verwijderd, zullen er geen overtredingen van de Flora- en faunawet plaatsvinden met betrekking tot broedvogels. Het uitvoeren van een controle op de aanwezigheid van een broedgeval voor aanvang van de werkzaamheden, is in dit geval voldoende om te voorkomen dat er onnodige verstoring ten aanzien van een broedende weidevogel als kievit plaatsvindt. Algemene zorgplicht: Voor de te verwachten grondgebonden zoogdieren en amfibieën is in dit geval het in acht nemen van de algemene zorgplicht voldoende. Al het redelijkerwijs mogelijke dient te worden gedaan om het doden van individuen te voorkomen. In dit geval is oplettendheid ten aanzien van incidenteel aanwezige individuen voldoende. Bij aanwezigheid dient het individu te worden verplaatst naar vergelijkbaar (geschikt) habitat buiten de ingreep. Gebiedsbescherming De EHS zal niet worden aangetast door de herbestemming van de planlocatie. Externe werking op overige beschermde natuurgebieden (Natura 2000) is niet aan de orde.
Noodzaak tot nader onderzoek Nader onderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen wordt niet noodzakelijk geacht. Noodzaak aanvraag ontheffing Flora- en faunawet artikel 75c Ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Flora- en faunawet ten aanzien van het verstoren van vaste rust- en verblijfplaatsen is niet aan de orde. Tabel I (zie volgende pagina) geeft een samenvatting van de te verwachten verstoring en de te nemen vervolgstappen.
10103719 LAA.TON.ECO1
Pagina 8 van 9
Tabel I.
Overzicht te verwachten verstoring en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Broedvogels
Vleermuizen
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag (*)
Bijzonderheden / opmerkingen
algemeen
mogelijk binnen broedseizoen
nee
nee
verwijderen van bomen buiten het broedseizoen uitvoeren en vooraf controle op broedgeval
jaarrond beschermd
nee
nee
nee
-
verblijfplaatsen
nee
nee
nee
-
foerageergebied
nee
nee
nee
-
vliegroutes
nee
nee
nee
-
Grondgebonden zoogdieren
nee
nee
nee
aandacht voor zorgplicht
Amfibieën
nee
nee
nee
aandacht voor zorgplicht
Reptielen
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
-
Libellen en dagvlinders
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
-
* Ontheffingen van verbodsbepalingen ten aanzien van vleermuizen of broedvogels worden alleen nog verleend op basis van een wettelijk belang uit de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn. Ruimtelijke ontwikkeling valt niet onder een dergelijk belang. Door het treffen van maatregelen zal de functi onaliteit van een rust- of verblijfplaats behouden moeten blijven. De maatregelen, vastgelegd in een activiteitenplan kunnen vooraf door Dienst Regelingen ter goedkeuring worden voorgelegd, middels een ontheffingsaanvraag.
Vrijblijvend advies Huismus is op de planlocatie niet als broedvogel aangetroffen. De directe omgeving is echter potentieel geschikt als leefgebied. De soort staat onder druk door steeds verder afnemende broedgelegenheid, schuilgelegenheid en voedselaanbod. Met een geringe inspanning, bijvoorbeeld door het plaatsen van nestkasten of "vogelvides" op de te realiseren nieuwbouw en het plaatsen van enkele (dichte) struiken, kan een positieve impuls worden gegeven aan een lokale populatie. Steenuil is op de planlocatie niet als broedvogel aangetroffen. De omgeving betreft geschikt habitat voor deze soort aanwezig. Met een geringe inspanning, bijvoorbeeld door het plaatsen van een steenuilnestkast op een geschikte locatie in de toekomstige tuin, kan de planlocatie deel gaan uitmaken van het broedbiotoop van deze soort. Gelet op het steeds verder verdwijnen van broedgelegenheid voor deze soort zal deze relatief eenvoudige maatregel een positief effect op de soort in de omgeving kunnen hebben. Het Nederlandse landelijk gebied is belangrijk voor veel (beschermde) vogelsoorten. Niet alleen de weidevogels, maar ook akkervogels en de vogels die op het erf voorkomen horen daarbij. Vogelbescherming Nederland heeft samen met STONE, Werkgroep Roofvogels Nederland, Kerkuilenwerkgroep en Hirundo de handen ineen geslagen en de nieuwsbrief “Erfvogels in beeld – 2010” gemaakt.
Hierin staan adviezen betreffende inrichting en beheer om de erven met eenvoudige maatregelen vriendelijker te maken voor erfvogels (www.vogelbescherming.nl).
Econsultancy Boxmeer, 18 november 2010
10103719 LAA.TON.ECO1
Pagina 9 van 9
TITEL:
topografische ligging van de locatie PROJECT: LAA.TON.ECO1
NUMMER: 10103719
SCHAAL: 1:25.000
DATUM: 12-11-2010
KA ARTBLAD: 51 E
BIJLAGE: 1
Bre
etse
Pee lwe g
foto 2
foto 1
bouwkavel
deellocatie 2
LEGENDA:
TITEL:
begrenzing onderzoekslocatie standplaats + richting fotoname
luchtfoto planlocatie en omgeving (bron: Bing Maps)
A4
PROJECT: LAA.TON.ECO1
NUMMER: 10103719
SCHAAL: nvt
DATUM: 18-11-2010
GETEKEND: MKo
BIJLAGE: 2a
Bijlage 2b Foto's planlocatie
Foto 1.
De planlocatie gezien vanaf de zandweg (Stekkermortel) met sloot.
Foto 2.
De mogelijk te kappen knotwilgen langs de zuidwestelijke zijde van de planlocatie. 03 ***.***.NEN
Bijlage 3
Geraadpleegde bronnen
LITERATUUR Beersma, P. & W. en A. van den Burg, Steenuilen, Roodbont BV, november 2007. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON)(redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dienst Regelingen, aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet, augustus 2009. Delft, Van J.J.C.W. en Schuitema W. (2005) Werkatlas amfibieën en reptielen in NoordBrabant. Stichting RAVON. Heusden, W.R.M. van & Vreugdenhil, S.J., 2008. Handreiking Flora- en faunawet. Dienst Landelijk Gebied. Limpens, H.J.G.A., Mostert, K. & Bongers, W. (eds.) 1997. Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht. Limpens, H., Regelink, J. Zoogdiervereniging VZZ.
&
Koelman,
R.
(2009).
Vleermuizen
en
planologie.
Twisk, P. en Limpens. H. (2006). Een thuis voor een vleermuis. Beschermingsplan voor vleermuizen in Noord-Brabant. Zoogdiervereniging VZZ.
INTERNET www.minlnv.nl (natuurwetgeving) www.brabant.nl (EHS en beschermde gebieden in Noord-Brabant) www.ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen) www.vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen) www.waarneming.nl (waarnemingen van vrijwilligers) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) www.zoogdieratlas.nl (verspreidingsgegevens zoogdieren)
Bijlage 4
Natuurwetgeving en beleid
Flora- en faunawet De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van de soortbescherming, uitgewerkt in de Flora- en faunawet. Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten te beschermen en in stand te houden. Om dit doel te bereiken, bevat de wet een aantal verbodsbepalingen (zie tabel I). Hierbij wordt het zogenaamde “nee, tenzij…” principe gehanteerd. Dit wil zeggen dat activiteiten met een (potentieel) schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn (“nee”). Van dit verbod kan echter onder voorwaarden (“tenzij”) afgeweken worden door ontheffingen of vrijstellingen. Onder “activiteiten” worden alle activiteiten in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling of inrichting, bestendig beheer en onderhoud en bestendig gebruik verstaan. Voorbeelden hiervan zijn de sloop van gebouwen, de ontwikkeling van woonwijken en bedrijventerreinen, dempen van wateren, maar ook natuurontwikkelingsprojecten. Alle activiteiten moeten getoetst worden op hun effecten op aanwezige en mogelijk aanwezige beschermde planten- diersoorten. Tabel I.
Verbodsbepalingen Flora- en faunawet
Artikel 8
Het is verboden planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen.
Artikel 9
Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.
Artikel 10
Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.
Artikel 11
Het is verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfsplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.
Tabel II.
Soortbeschermingscategorieën Flora- en faunawet
De Flora- en faunawet maakt onderscheid in een drietal beschermingscategorieën. Iedere categorie heeft zijn eigen ontheffingsmogelijkheden en toetsingscriteria. Voor vogels is een aparte categorie. Tabel 1 algemeen beschermde soorten Voor de soorten in Tabel 1 van de Flora- en faunawet geldt, bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, bestendig beheer en onderhoud en bestendig gebruik, een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet. Voor deze activiteiten hoeft geen ontheffing in het kader van artikel 75 aangevraagd te worden. Voorbeelden zijn: ree, haas konijn, egel, bruine kikker, gewone pad, wijngaardslak, brede wespenorchis, grote kaardenbol Tabel 2 overige beschermde soorten Voor de soorten in Tabel 2 van de Flora- en faunawet dient bij overtreding van de verbodsbepalingen een ontheffing aangevraagd te worden. Echter indien er volgens een door het ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode gewerkt wordt, geldt er bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, bestendig beheer en onderhoud en bestendig gebruik, een vrijstelling van de verbodsbepalingen en hoeft er geen ontheffing aangevraagd te worden. De ontheffingaanvraag wordt getoetst aan het criterium „doet geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort‟ („lichte toets‟).
Voorbeelden zijn: eekhoorn, steenmarter, kleine modderkruiper, gele helmbloem, steenbreekvaren, tongvaren Tabel 3 strikt beschermde soorten Voor de soorten van Tabel 3 van de Flora- en faunawet dient bij overtreding van de verbodsbepalingen bij alle activiteiten (waaronder ruimtelijke ontwikkeling en inrichting) een ontheffing aangevraagd te worden. In een zeer beperkt aantal gevallen kan er op basis van een door het ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode een vrijstelling verleend worden voor de ontheffingsverplichting bij een zeer beperkt aantal activiteiten. De ontheffingaanvraag wordt getoetst aan een drietal criteria (uitgebreide toets). Bij de uitgebreide toets dient aan alle afzonderlijke criteria te worden voldaan.De criteria zijn als volgt: de activiteiten of werkzaamheden doen geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort, er is geen andere bevredigende oplossing (alternatief) voor de geplande activiteiten of werkzaamheden, die minder schade oplevert voor de betreffende soort en er moet sprake zijn van een bij de wet genoemd belang. Voorbeelden zijn: das, waterspitsmuis, alle vleermuissoorten, rugstreeppad, boomkikker, kamsalamander
Tabel II (vervolg). Soortbeschermingscategorieën Flora- en faunawet Vogels Voor vogels geldt dat er altijd een ontheffing aangevraagd dient te worden. Indien activiteiten plaatsvinden waarbij verbodsbepalingen worden overtreden ten aanzien van (broed)vogels dient er een uitgebreide toets, zoals beschreven bij Tabel 3 Flora- en faunawet toegepast te worden. Indien er gewerkt wordt volgens een door het ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode is het mogelijk dat er geen ontheffing aangevraagd hoeft te worden bij bestendig gebruik en onderhoud, bestendig beheer en ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Bij broedvogels kan een overtreding in de meeste gevallen gemakkelijk voorkomen worden door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Tabel III.
Algemene Zorgplicht
Algemene Zorgplicht (artikel 2) Een belangrijk uitgangspunt binnen de Flora- en faunawet is dat op elke burger de plicht rust om voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun directe leefomgeving. Dit houdt in dat iedereen zich dient in te spannen om de nadelige gevolgen voor een soort te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. De zorgplicht is ten alle tijden van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats.
Natuurbeschermingswet De Natuurbeschermingswet 2005 heeft tot doel bijzondere natuurgebieden in Nederland te beschermen en in stand te houden. De wet omvat onder andere de richtlijnen van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn ten aanzien van gebiedsbescherming. Doordat de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn beide zijn opgenomen in de Natura 2000 wetgeving, zullen de termen “habitatrichtlijngebied” en “vogelrichtlijngebied” komen te vervallen. De betreffende gebieden worden momenteel opgenomen en aangewezen als Natura 2000 gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de Europese Unie. Handelingen die een negatieve invloed hebben op gebieden die binnen dit netwerk vallen, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door het ministerie van LNV (via Dienst Regelingen) of door de provincie. In de aankomende jaren zullen voor alle gebieden beheerplannen opgesteld worden. Tot die tijd zal er echter per project beoordeeld moeten worden of er nadelige effecten te verwachten zijn voor een beschermd gebied.
Ecologische hoofdstructuur (EHS) De Nederlandse Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een netwerk van gebieden dat planten- en diersoorten in staat stelt zich door en tussen verschillende natuurgebieden te verplaatsen. Het netwerk moet voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat gebieden hun ecologische waarde verliezen. De EHS is onderdeel van een Europees ecologisch netwerk en bestaat uit kerngebieden (in Nederland de Natura-2000 gebieden, Beschermde Natuurmonumenten en de Wetlands) of verweven gebieden (gericht op de verweving van landbouw, wonen en natuur) die onderling verbonden worden door ecologische verbindingszones. Ecologische verbindingszones zijn stroken en stukjes natuur die de verspreid liggende natuurgebieden met elkaar verbinden. Op deze manier kunnen dieren en planten zich van het ene naar het andere leefgebied verplaatsen. Met name de kleine populaties die met uitsterven worden bedreigd, blijven hierdoor levensvatbaar. Negatieve invloed op de werking van een verbinding of aantasting van een verbinding dient vermeden en gecompenseerd te worden zodat het netwerk niet verslechtert. Rode Lijsten In opdracht van het ministerie van LNV zijn voor diverse soortgroepen zogenaamde Rode Lijsten samengesteld. Deze Rode Lijsten vermelden van welke soorten het voortbestaan in Nederland bedreigd wordt.
Op deze manier geven de lijsten een indicatie van het belang van aanwezige planten en dieren in een gebied voor het behoud van de hele populatie. In door het ministerie van LNV opgestelde soortbeschermingsplannen wordt aangegeven welke maatregelen genomen moeten worden om het voortbestaan van deze soorten te waarborgen. Deze soortbeschermingsplannen worden door diverse provincies gehanteerd voor het opstellen van compensatieverplichtingen.