toelichting_NL.IMRO.1931.BP2206DK021-VG01
Tekst van het document
bestemmingsplan
Koningin Julianastraat, Krimpen aan de Lek Gemeente Krimpenerwaard
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.1931.BP2206DK021-VG01
Datum:
2023-10-04
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. R van der Made MSc.
Kenmerk Buro SRO:
SR200317
Opdrachtgever:
QuaWonen
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 17 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 17 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 19 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 24
4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 27 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 27 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 28 4.3 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 29 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 30 4.5 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 31 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 32 4.7 Waterhuishouding.............................................................................................................................................
35 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 37 4.9 Archeologie ....................................................................................................................................................... 39 4.10 Cultuurhistorie ................................................................................................................................................ 41 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 41
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 44 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 44 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 44 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 44 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 45
6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 47 6.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 47 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 47
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens de locatie aan de Koning Julianastraat aan de zuidzijde van de kern te Krimpen aan de Lek te herstructureren door nieuwbouw toe te voegen. Er worden 60 woningen, waarvan 32 appartementen en 28 grondgebonden woningen gesloopt. Daarvoor komen 72 nieuwe woningen terug, waarvan 55 appartementen en 17 grondgebonden woningen. Ook het openbaar gebied wordt ter plaatse heringericht. Voor deze ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan opgesteld. Om een kwalitatief hoogwaardig gebied te laten ontstaan is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Dit plan geeft de kaders mee voor de uitwerking van de gebouwen en de inrichting van de openbare ruimte in de vorm van richtlijnen. In het geldende bestemmingsplan 'Dorpskernen', vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Nederlek op 25 juni 2013, is de planlocatie voorzien van de bestemmingen ‘Wonen’, 'Verkeer', 'Groen' en 'Horeca'. Het beoogde plan is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Om het beoogde plan juridischplanologisch mogelijk te maken is een partiële herziening van het bestemmingsplan nodig. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied van beoogde initiatief is gelegen aan de Koningin Julianastraat, te midden van een woonwijk en op korte afstand van de Lek. De locatie is gelegen aan de zuidzijde van de kern van Krimpen aan de Lek en maakt onderdeel uit van één van de oudste uitbreidingswijken. De locatie betreft de bebouwing aan beide zijden van de Koningin Julianastraat vanaf de Touwslagersstraat aan de oostzijde tot aan bestaande woonpercelen aan de westzijde. Het plangebied grenst aan de noordzijde aan de nieuwbouwontwikkeling van Molenweide. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan de achterpaden van de woningen aan de Scheepmakersstraat. De planlocatie heeft een omvang van circa 12.225 m² inclusief het openbaar gebied.
5
De navolgende afbeeldingen tonen globale ligging en begrenzing van het plangebied.
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)
6
1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de planlocatie geldt het bestemmingsplan 'Dorpskernen', vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Nederlek op 25 juni 2013. Tevens geldt voor het plangebied het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard', vastgesteld door de raad van de gemeente Krimpenerwaard op 29 januari 2019. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.
Uitsnede geldend bestemmingsplan, plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
In het bestemmingsplan 'Dorpskernen' heeft het plangebied meerdere bestemmingen. De percelen in het plangebied hebben de bestemmingen 'Wonen', 'Verkeer', en 'Groen'. De gronden in het uiterste zuidoosten van het plangebied hebben de bestemming ‘Horeca’. Daarnaast geldt voor vrijwel geheel het plangebied de gebiedsaanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied 1', voor de bescherming van het grondwater uit oogpunt van drinkwaterwinning. De herontwikkeling van het plangebied is in strijd met het geldende bestemmingsplan 'Dorpskernen'. Derhalve dient een herziening van het bestemmingsplan vastgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden achtereenvolgens de huidige situatie en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale, en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van (voor)overleg en inspraak zijn opgenomen.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen in de gemeente Krimpenerwaard in de kern Krimpen aan de Lek. Krimpen aan de lek heeft circa 6.500 inwoners en is in de nabijheid van de Lek gelegen. Het plangebied zelf is gelegen ten in het zuidelijke deel van Krimpen aan de Lek en maakt onderdeel uit van één van de oudste uitbreidingswijken. Het betreft de volgende adressen: Koningin Julianastraat 5-67 (oneven), Koningin Julianastraat 4-58 (even) en Touwslagersstraat 33 (café). De initiatiefnemer QuaWonen is een woningcorporatie die actief is in de Krimpenerwaard. De uitgangspunten van de organisatie is het verduurzamen en vitaliseren van het huidige woningbezit. In dit kader is de woningstichting voornemens om woningen op diverse (project)locaties in de Krimpenerwaard te herontwikkelen. De navolgende afbeelding toont de huidige ruimtelijke en functionele structuur van de planlocatie.
Huidige ruimtelijk en functionele structuur (bron: Buro SRO)
8
Onderstaande afbeelding geeft een impressie van het plangebied gezien vanaf de Koningin Julianstraat naar de westelijke richting.
Impressie plangebied (bron: Google Streetview, dec 2021)
De planlocatie is gelegen in Krimpen aan de Lek en bestaat uit 8 woonblokken met rijwoningen/appartementen, die gesloopt zullen worden. De woningen beschikken over 2 bouwlagen en zijn opgetrokken uit gemetselde muren met een zadeldak bestaande uit dakpannen. De woningen beschikken tevens over een witte boeiboord en gemetselde schoorstenen met loodslabben. Aan de voor- en achterzijde van de woningen zijn tuinen gelegen. Het omliggende terrein bestaat verder uit verharding in de vorm van trottoir en parkeergelegenheid.
Entree plangebied vanaf de westkant van de Koningin Julianastraat (bron: Google Streetview, dec 2021)
9
2.2 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie worden de bestaande woningen en de horecagelegenheid gesloopt. Er worden in totaal 60 sociale huurwoningen, waarvan 32 appartementen en 28 grondgebonden woningen gesloopt. Daarvoor komen 72 nieuwe sociale huurwoningen terug, waarvan 55 appartementen en 17 grondgebonden woningen. Ook het openbaar gebied wordt ter plaatse heringericht. De nieuwe bebouwing aan de Koningin Julianastraat voegt zich in de bestaande structuur van Krimpen aan de Lek. Daarbij is de schaal, passend bij de buurt en de overgang met het centrum van Krimpen aan de Lek, afgestemd op de ligging aan de Koningin Julianastraat, Touwslagersstraat en Weltevreden. Een traditionele, maar eigentijdse architectuur is daarbij het uitgangspunt. De onderstaande afbeelding tonen het stedenbouwkundig plan en een 3D-beeld van de beoogde ontwikkeling.
Stedenbouwkundig plan (bron: Buro SRO, 10 november 2022)
10
3D-beeld beoogde ontwikkeling (bron: Buro SRO, 10 november 2022)
Voor de planontwikkeling is een stedenbouwkundig plan opgesteld. Het stedenbouwkundig plan gaat uit van inpassing van de nieuwbouw binnen enerzijds de dorpse structuur en anderzijds de aansluiting en overgang met het centrum van Krimpen aan de Lek. Het programma bestaat 17 grondgebonden woningen en 55 appartementen.
Oriëntatie, accenten en bouwhoogte (bron: Buro SRO, 10 november 2022)
11
Aan de noordzijde zijn, aan de westkant, 9 rijwoningen voorgesteld van maximaal twee lagen met een kap of drie lagen met een plat dak. Deze komen in dezelfde rooilijn te staan als die van de naastgelegen bestaande woningen. Stedenbouwkundig sluit dit aan bij de bestaande ruimtelijke structuur. Deze structuur is naar het oosten, richting Weltevreden, doorgezet, maar onderbroken met een parkeerkoffer. Aan de noordoostzijde is een appartementengebouw voorgesteld van maximaal 3 bouwlagen en 4 bouwlagen. Het gebouw is opgedeeld door de entree in het midden van het gebouw te projecteren. De hoge zijde is gelegen aan het Weltevreden en vormt als het ware de ‘kop’ van de straat. Aan de noordzijde van het noordoostelijke appartementengebouw is een (openbare of afsluitbare) groenvoorziening met een voetpad voorzien, die in het voorliggende bestemmingsplan als 'Groen' is bestemd. Aan de zuidkant van de Koningin Julianastraat is een blok van 8 grondgebonden woningen voorgesteld. Dit blok volgt de rooilijn van de naastgelegen planontwikkeling aan de Koningin Julianastraat 2a. De woningen grenzen met de achtertuinen aan de bestaande tuinen van de Scheepmakersstraat. Door het volgen van de rooilijn ontstaat er ruimte voor een brede groenstrook met bomen aan de straatzijde. Aan de zuidoostzijde komt ook een appartementengebouw te staan, verdeeld over maximaal 3 bouwlagen.
Het gebouw staat op de hoek van de Touwslagersstraat en vormt mede de entree van de straat. Een deel van de woningen is georiënteerd op de Touwslagersstraat en volgt hier de bestaande rooilijnen. Langs de Koningin Julianastraat ligt de rooilijn verder naar voren dan de naastgelegen grondgebonden woningen. Daarmee ontstaat er meer ‘groene ruimte’ aan de zuidzijde, die een meer besloten karakter krijgt en als gemeenschappelijke tuin bij de appartementen zal dienen. Direct tegenover het Weltevreden is de centrale entree gesitueerd.
Overzicht doorsnedes (bron: Buro SRO, 10 november 2022)
12
Doorsnede A (bron: Buro SRO, 10 november 2022)
Doorsnede B (bron: Buro SRO, 10 november 2022)
Doorsnede C (bron: Buro SRO, 10 november 2022)
13
Doorsnede D (bron: Buro SRO, 10 november 2022)
Erfafscheiding Erfafscheidingen vormen de overgang tussen de woonkavels en de private of openbare buitenruimte en zijn beeldbepalend in het straatbeeld. In het plan wordt gebruik gemaakt van lage hagen van maximaal 1 meter hoog aan de voorzijde van de woningen. De lage erfafscheidingen (hagen) vormen de overgang tussen openbaar en privé en zorgen voor een eenduidige groene uitstraling. Extra aandacht dient uit te gaan naar de kopgevels die aan de openbare ruimten grenzen. Bij deze kopgevels loopt de lage erfafscheiding de hoek om waarna hij over gaat in een hoge erfafscheiding. Voor de achter- en zijtuinen, waarbij de privéruimtes aansluiten op het openbaar gebied of de achterpaden, is het belangrijk om één soort erfafscheiding toe te passen, zodat deze ruimtes een rustige uitstraling krijgen. Deze achter- en zijtuinen worden afgeschermd met een staafmat- of gaashekwerk in de kleur antraciet grijs van 1,80 meter hoog, begroeid met hedera. Waar nodig wordt een toegangspoort ingepast. De bergingen worden op voldoende afstand van de erfafscheidingen geplaatst, zodat er ruimte ontstaat voor het opstellen van rolcontainers. Groen Het noordelijke appartementengebouw staat in een overwegend groene ruimte in aansluiting op de bestaande watergang. Deze ruimte wordt als gezamenlijke (besloten) groenvoorziening ingericht.
De woningen op de begane grond worden direct vanaf het achterpad ontsloten. Woningen erboven worden door middel van een galerij ontsloten en bergingen worden inpandig opgelost. Zowel de achtertuinen van de grondgebonden woningen als de gemeenschappelijk tuin van de appartementen liggen aan de bestaande watergang. De bestaande bomen langs de oever blijven gehandhaafd. Beplanting dient een robuuste (groene) sfeer uit te stralen en aan te sluiten bij het bestaande groen van de omgeving. In de openbare ruimte is een aantal bomen mede gekoppeld aan het parkeren om deels het beeld hiervan te verzachten. Bomen staan in groenstroken of plantvakken die van onderbeplanting (vaste planten of heesters) worden voorzien.
14
Groenstructuur (bron: Buro SRO, 10 november 2022)
Parkeren De langs- en haaksparkeerplaatsen worden in grasbetonstraatstenen of vergelijkbaar uitgevoerd. Rijlopers van parkeerkoffers worden bij voorkeur ook zo groen mogelijk uitgevoerd. Wanneer de parkeervakken niet kunnen afwateren in het groen worden molgoten en straatkolken toegepast. Aan zowel de west- als oostzijde van de grondgebonden woningen is een parkeerkoffer gesitueerd, waarvan bij de zuidelijke parkeerkoffer een transformatorruimte is voorzien. Door deze parkeerkoffers blijft de parkeerbehoefte in de Koningin Julianastraat zelf beperkt en is er meer ruimte voor groen. Groenstroken met bomen afgewisseld met langsparkeervakken bepalen daarmee het straatbeeld ter plaatse. Daarmee neemt de woonkwaliteit toe.
15
Infrastructuur en parkeren (bron: Buro SRO, 10 november 2022)
Openbare ruimte Voor de inrichting van de openbare ruimte worden de aanwezige kwaliteiten van onder andere de woonstraat en bestaande watergang verbeterd en versterkt. Het streven is een aantrekkelijke woon- en leefomgeving die tevens een bijdrage levert aan onder andere klimaatadaptatie, biodiversiteit en ruimte voor ontmoeting. Het streven is een rustig en neutraal beeld passend bij de directe omgeving. Inrichtingselementen schikken zich onopvallend in hun groene en bebouwde context. Verlichtingsmasten, afvalbakken, nutsvoorzieningen en hekwerken krijgen over het gehele gebied een uniforme vormgeving in aansluiting bij de directe omgeving en conform de lijst van de gemeente. De inrichting van de (openbare) buitenruimte dient zo min mogelijk verharding te krijgen. Daarbij wordt er aan de zuidzijde van het plangebied een trafo toegevoegd. Afval Afval wordt ingezameld middels gebruik van minicontainers. In de openbare ruimte zullen in een verdere uitwerking plekken worden aangewezen, middels een symbooltegel, waar de containers op de ophaaldag geplaatst kunnen worden. In de directe omgeving staan ondergrondse containers ten behoeve van de appartementen. Afhankelijk of de capaciteit hiervan voldoende is dient er zo nodig een aantal bijgeplaatst te worden. Hiervoor is binnen de planontwikkeling ruimte beschikbaar.
Duurzaamheid Vanuit het stedenbouwkundig plan wordt ingezet op een duurzame ontwikkeling dat bijdraagt aan een gezonde leefomgeving. Daarbij kan ingezet worden op diverse maatregelen, zoals minder en andere vormen van energiegebruik, het tegengaan van hittestress, het voorkomen van wateroverlast, het bevorderen van de biodiversiteit en het stimuleren van bewegen en ontmoeten. Bij de verdere uitwerking van de bouwplannen voor de gebouwen en de inrichting van de (openbare) buitenruimte dient dit nader vorm te krijgen.
16
3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk zoals het realiseren van nieuwe woningen en het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016, 1 januari 2017 en 1 december 2020 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
17
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
•
•
•
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Het voorliggende bestemmingsplan maakt 72 woningen mogelijk, ter vervanging van de 60 bestaande woningen. Hiermee worden 12 woningen toegevoegd en wordt het plan aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Derhalve dient beoordeeld te worden of de stedelijke ontwikkeling in een behoefte voorziet. Kwantitatieve behoefte De Regionale Agenda Wonen 2019 Regio Midden-Holland is het document waarin de gemeenten Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinxveen en Zuidplas het regionale beleid met betrekking tot wonen hebben opgenomen. In de regio Midden-Holland is de verwachting dat het aantal huishoudens de komende periode zal stijgen met circa 15.000 huishoudens van 2015 tot 2030. In de gemeente Krimpenerwaard is de verwachting dat het aantal huishoudens tot 2030 zal stijgen met 2.536.
Uit de woonvisie van de gemeente Krimpenerwaard (zie toelichting paragraaf 3.3.2) volgt dat er in de gemeente tot 2030 een woningbouwbehoefte van 3.000 woningen bestaat. Hieruit volgt dat het voorgenomen plan in kwantitatieve zin tegemoet komt aan de woningbouwbehoefte. Kwalitatieve behoefte Met de beoogde ontwikkeling worden sociale huurwoningen gerealiseerd. In de Regionale Agenda Wonen 2019 Regio Midden-Holland wordt onder andere aandacht besteed aan het vergroten van de beschikbaarheid van goedkope huurwoningen. Met de ontwikkeling worden 72 sociale huurwoningen gerealiseerd, en 60 sociale huurwoningen gesloopt, waardoor er 12 extra sociale huurwoningen beschikbaar zullen zijn. In Krimpenerwaard is tot 2030 behoeft aan circa 300 extra sociale huurwoningen. Om in te spelen op gezinsverdunning als gevolg van demografische veranderingen moeten er gelijkvloerse en kleinere woningen aan de woningvoorraad worden toegevoegd. Daarnaast zal de doorstroming voor ouderen naar aantrekkelijke, passende woonruimte moeten worden bevorderd, waardoor meer aanbod vrijkomt voor starters en jonge gezinnen. Met de beoogde ontwikkeling worden er 55 appartementen en 17 grondgebonden woningen gerealiseerd. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in speelt op de kwalitatieve behoefte binnen de regio en de gemeente.
18
Bestaand stedelijk gebied Het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan ligt binnen het bestaand stedelijk gebied als bedoeld in het Bro. Derhalve is een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet benodigd. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 april 2023. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
•
het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;
• •
de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;
• • • •
de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;
het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.
In aanvulling hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond. 2.
Ambities en sturing
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
• • • • • •
Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendig meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving
19
3.
Omgevingskwaliteit
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
•
Een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken.
•
Een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit. Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
•
4.
Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.
Ambities en sturing
De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de ontwikkeling. 3.
Omgevingskwaliteit
Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven. Laag van de ondergrond Op de kaart van de 'Laag van de ondergrond' is het plangebied aangewezen als 'rivierdeltacomplex rivierklei/veen'. Bij ontwikkelingen in het rivierengebied dient het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar gehouden te worden. Het plangebied wordt aan alle kanten omringd door bebouwing. De verschillen tussen komgronden en oeverwallen zijn in het plangebied niet meer aanwezig. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied bevindt zich in een 'veen(weide)landschap'. De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de verkavelingspatronen. Richtpunten voor het veenlandschap zijn:
•
Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden.
• • •
Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen. Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden. Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders.
20
•
Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.
Met de beoogde ontwikkeling worden nieuwe sociale woningen in Krimpen aan de Lek gerealiseerd. In de huidige situatie is het plangebied vrijwel geheel omsloten door bebouwing en door wegen. Bij de beoogde ontwikkeling is ingezet op het zoveel mogelijk terug laten komen van het verkavelingspatroon in het stedenbouwkundig plan. Laag van stedelijke occupatie Het plangebied is gelegen in 'steden en dorpen' heeft de volgende richtpunten:
• • •
• • • • • •
Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads- en dorpsranden). Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht.
De stedenbouwkundige opzet en de woningen van de beoogde ontwikkeling zullen in verschijningsvorm passend zijn bij bovengenoemde richtpunten. 4.
Beleidskeuzes
De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Krimpenerwaard'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart: Herkenbaar waterrijk veen(weide) Het plangebied is gelegen in veenweidegebied. Het hele middengebied van de Krimpenerwaard is veenweidegebied. Dit is vermeld in de Laag van de cultuur- en natuurlandschappen. Eén deel in het noorden van het plangebied is bodemdalingsgevoelig. Ontginning van het gebied is al sinds de middeleeuwen gaande, waardoor het maaiveld al enkel meters ingeklonken is. Hier dient met de beoogde ontwikkeling rekening mee gehouden te worden. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit verbetert en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen.
De beoogde herontwikkeling van het plangebied past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities.
21
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 april 2023 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsvisie. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 5 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.
b.
c.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.
Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen, omdat het beoogde plan geen wijzigingen op structuurniveau aanbrengt en past bij de bestaande gebiedsidentiteit van het stedelijk gebied. In toelichting paragraaf 2.2 is het stedenbouwkundig plan weergegeven en beschreven. Bij de totstandkoming van het stedenbouwkundig plan is aandacht geweest voor de inpassing in en de overgang naar de omgeving. De ruimtelijke kwaliteit neemt met het beoogde plan (beperkt) toe. In aanvulling hierop zijn de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en de gebiedsprofielen in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan zoveel mogelijk voldoet aan de richtpunten. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X.
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking, waaruit volgt dat de ontwikkeling in een behoefte voorziet. Sub b is niet van toepassing, omdat de woningbouwlocatie kleiner dan 3 hectare is en binnen het bestaand stads- en dorpsgebied ligt. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening.
22
Milieubeschermingsgebied voor water De planlocatie ligt in een milieubeschermingsgebied voor grondwater als bedoeld in artikel 1.2 lid 2 sub a van de Wet milieubeheer. Op kaart 5 bij de Omgevingsverordening zijn de milieubeschermingsgebieden voor grondwater aangeduid. Op deze kaart wordt onderscheid gemaakt in waterwingebieden, grondwaterbeschermingszones, en boringsvrije zones. Het plangebied ligt in een boringsvrije zone, die het laagste beschermingsregime kent. In de Omgevingsverordening worden geen eisen gesteld aan bestemmingsplannen ten aanzien van de ligging in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. In de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland worden wel beperkingen opgelegd aan een milieubeschermingsgebied voor grondwater. In een boringsvrije zone is onder andere voor boorputten, het graven dieper dan 4 meter onder het maaiveld, het verwijderen van funderingswerken/heipalen en andere handelingen die de weerstand van de bodem kunnen aantasten een ontheffing van de Provinciale milieuverordening nodig. In de planregels van het voorliggende bestemmingsplan is een regeling opgenomen die toeziet op de kwaliteit van het grondwater en die beperkingen oplegt aan bodemingrepen dieper dan 4 meter onder het maaiveld.
Risico's van klimaatverandering In artikel 6.27a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: 1. 2. 3. 4.
wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte.
Wateroverlast door overvloedige neerslag De planlocatie is gelegen aan de zuidkant van Krimpen aan de Lek waar voldoende infiltratiemogelijkheden zijn. Rond het plangebied zijn verschillende watergangen aanwezig. Verdere maatregelen om wateroverlast door overvloedige neerslag tegen te gaan worden op deze locatie niet nodig geacht. Overstroming De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat voor het plangebied een kleine kans op overstromingen van tussen de 1/300 per jaar en 1/3.000 per jaar geldt. Het thema overstromingen is gelet op de aard en omvang van het initiatief verder niet van belang. Hitte In het stedelijk gebied speelt het thema hittestress een belangrijke rol. Het plangebied wordt zoveel mogelijk groen ingericht. Per saldo neemt de hoeveelheid groen toe ten opzichte van de huidige situatie. Het planten van nieuwe bomen zorgt voor meer groen en schaduw. Dit levert een bijdrage aan het tegengaan van hittestress. Droogte Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft.
Langdurige droogte kan leiden tot bijvoorbeeld schade aan funderingen, verdroging van groen, een slechte oppervlaktewaterkwaliteit, versnelde bodemdaling en hittestress. Om droogte te voorkomen kunnen onder andere eisen gesteld worden aan het openbaar groen, oppervlaktewater en de gewenste grondwaterstand. Door water binnen en rondom het plangebied vast te houden wordt droogte tegengegaan. In de huidige situatie zijn er al verschillende watergangen aanwezig rond het plangebied. Door het plangebied verder groen in te richten en door de inrichting van een waterpartij ten noorden van het plangebied wordt een bijdrage geleverd in het vasthouden van water.
23
Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Krimpenerwaard In de Omgevingsvisie Krimpenerwaard geeft de gemeente aan wat zij belangrijk vindt voor de fysieke leefomgeving. Kenmerkend in de visie is het 'ja, tenzij'-principe. Dit betekent dat de gemeente positief staat tegenover nieuwe initiatieven en samen met initiatiefnemers kijkt hoe deze gerealiseerd kunnen worden. De omgevingsvisie is daarmee de lat waarlangs de initiatieven worden gelegd. Om de omgevings- en ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Krimpenerwaard ook voor de toekomst te borgen, heeft de gemeente in de omgevingsvisie aangegeven wat de gemeente en gemeenschap de belangrijkste waarden binnen de Krimpenerwaard vinden. Dit worden de “Krimpener-waarden” genoemd. De “Krimpener-waarden” zijn als volgt opgedeeld:
• • •
Waarden van heel de Krimpenerwaard; Waarden per gebied; Waarden van de kernen.
De waarden van heel de gemeente Krimpenerwaard worden beschreven aan de hand van verschillende thema's, de waarden per gebied worden beschreven per gebied en de waarden van de kernen staan beschreven in het rapport 'Koers en Kader Krimpenerwaard'. In het derde hoofdstuk van de omgevingsvisie komen de visie en speerpunten aan bod. Hierin worden voor verschillende deelgebieden de speerpunten aangegeven. Deze speerpunten worden verderop in de omgevingsvisie toegelicht. In het laatste hoofdstuk van de visie beschrijft de gemeente hoe ze de geest van de Omgevingswet tot uitvoer wil brengen. De gemeente Krimpenerwaard ziet de Omgevingswet als kans om meer te werken vanuit wensen en signalen vanuit de samenleving en vertrouwen en minder vanuit regels. Vitale kernen De kernen zijn het hart van de gemeenschap in de Krimpenerwaard. Hier wonen, werken en ontmoeten mensen elkaar. Hier zijn bloeiende verenigingen, doen mensen hun boodschappen, gaan kinderen naar school en wordt er gesport. Voor alle kernen zet de gemeente onder andere in op de volgende speerpunten:
• • • • • •
toename woningen in relatie tot behoefte; een diverser woningaanbod; ruimte voor vitale, toekomstbestendige bedrijvigheid; bevorderen gezondheid; gezond en veilig woon- en leefklimaat; toekomstbestendige winkelgebieden.
Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt een nieuwe woonbuurt ontwikkeld in Krimpen aan de Lek. In de omgevingsvisie geeft de gemeente aan dat ze per kern ruimte willen bieden aan woningbouw zodat er voorzien kan worden in woningen waaraan behoefte is. In totaal worden er 72 sociale huurwoningen gerealiseerd, zowel grondgebonden woningen als appartementen. Hierdoor wordt ingespeeld op een brede doelgroep. De gemeente wil graag dat de mensen binnen Krimpenerwaard kunnen blijven wonen. De beoogde ontwikkeling speelt hier een rol in bij door een passende woning te bieden voor verschillende doelgroepen. Met de beoogde
24
Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de omgevingsvisie Krimpenerwaard. 3.3.2 Woonvisie Krimpenerwaard Tijdens de raadsvergadering van 9 mei 2017 heeft de gemeente de Woonvisie Krimpenerwaard; Kerngericht vastgesteld. Sinds 1 januari 2015 vormen de voormalige gemeenten Bergambacht, Ouderkerk, Nederlek, Schoonhoven en Vlist samen de gemeente Krimpenerwaard. Binnen de nieuwe gemeente is nu behoefte aan een gezamenlijke woonvisie. In de woonvisie wordt vooruit gekeken tot 2030. Het uitvoeringsprogramma gaat specifieker in op de periode 2017-2020. Om aan te sluiten op de trends en ontwikkelingen op het gebied van 'wonen', zijn vijf strategische thema's uitgewerkt: 1. 2. 3. 4. 5.
Positionering in de regio; onderscheidend zijn. Betaalbaar & beschikbaar; betaalbare woningen, doorstroom bevorderen, aansluiten op woningbehoefte, aandacht voor bijzondere doelgroepen. Duurzame gebouwde omgeving; energiezuinig en kwalitatief goed bouwen, aandacht voor bestaande bebouwing. Wonen-welzijn-zorg, draagvlak voor huisvesting van bijzondere doelgroepen in buurten. Bouwen aan vitale kernen; transformatie, inbreiding, kwaliteitsverbetering, woningbouw binnen de kernen.
Groeiperspectief In elke kern is sprake van huishoudensgroei. Om dit te faciliteren stelt de gemeente de ambitie om minimaal 3.000 nieuwe woningen te realiseren in de periode 2015-2030. Er is voornamelijk behoefte aan koopwoningen. Er is met name bij jongeren behoefte aan woningen (rij- en hoekwoningen) in het goedkope segment. Voor ouderen bestaat er een behoefte aan nultredenwoningen. Om voldoende en passende woningen in de juiste woonomgeving beschikbaar te hebben en aan te sluiten op de ambities van de Krimpenerwaard is de huidige plancapaciteit van circa 1.400 woningen voor de periode tot 2025 niet voldoende. De doelstelling van 3.000 nieuwe woningen in de periode 2015-2030 betekent dat er nog een woningbouwopgave van 1.600 extra woningen tot 2030 is. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden 72 sociale huurwoningen gerealiseerd. Er is in de gemeente Krimpenerwaard een kwantitatieve woningbouwbehoefte van 1.600 extra woningen tot 2030. Doordat met voorliggend plan 72 woningen mogelijk worden gemaakt en 60 oude woningen worden gesloopt, wordt er een kleine bijdrage geleverd aan deze ambitie. Eén belangrijk onderdeel van de woonvisie gaat over de betaalbaarheid en beschikbaarheid van woningen.
Met de ontwikkeling worden meerdere woningen gerealiseerd met een woningbouwprogramma dat verschillende doelgroepen kan bedienen, waaronder jongeren, een- en tweepersoonshuishoudens, gezinnen (met jonge kinderen) en senioren. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de woningbehoefte vanwege de toenemende vergrijzing. Uitgaande van de recente verhuismobiliteit (gedrag) is er met name bij jongeren behoefte aan woningen (rijen hoekwoningen) in het goedkope segment. Doorrekening van de behoefte op basis van de verhuiswensen laat een gevarieerder beeld zien, met ongeveer evenveel interesse in het goedkope prijssegment als in het wat duurdere segment. Qua woningtype varieert de vraag van (goedkopere) appartementen tot tweekappers en vrijstaande woningen. Met voorliggend plan zijn 72 sociale huurwoningen beoogd, waarvan 55 appartementen en 17 grondgebonden woningen die geschikt zijn voor verschillende doelgroepen. Duurzaamheid Bij grotere projecten bespreekt de gemeente Krimpenerwaard met de ontwikkelaar hoe er duurzaam gebouwd kan worden. Daarbij wordt ingezet op ketensamenwerking en energieneutrale nieuwbouw. Ook bij voorliggend plan is dit aan de orde. Daarnaast worden de beoogde gebouwen conform het Bouwbesluit 2012 gebouwd en voldoen ze aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Verdere duurzame maatregelen worden nader afgestemd met de gemeente Krimpenerwaard.
25
3.3.3 Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard 2017 De Nota Ruimtelijke Kwaliteit (vastgesteld op 13 december 2016) vormt de welstandsnota van de gemeente Krimpenerwaard. Het doel bij deze nota is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen het aanzien van hun omgeving als algemene waarde. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische waarden een rol te geven bij ontwikkelingen. Op de niveaukaart is voor elk gebied in de gemeente Krimpenerwaard het minimale toetsingsniveau aangegeven om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in 'soepel', 'gewoon' en 'bijzonder'. Op de gebiedenkaart zijn gebieden met samenhangende bebouwingstypologieën aangegeven. Per gebied zijn in de nota een beschrijving, waardering en enkele uitgangspunten opgenomen. Naast de gebieden zijn op de gebiedenkaart gebieden met een ontwikkelingskader aangegeven. Dit zijn de gebieden waar een beeldkwaliteitsplan geldt. Planspecifiek Uit het raadplegen van de niveaukaart is gebleken dat voor het plangebied alle drie de welstandsniveaus relevant zijn. Voor het plangebied geldt een 'Soepel' niveau.
Hiervoor geldt dat nieuwbouwplannen geen afbreuk mogen doen aan de basiskwaliteit van de openbare ruimte. Op de gebiedenkaart is het plangebied aangeduid als 'Woongebied'. In de woongebieden van de Krimpenerwaard worden korte rijen woningen afgewisseld met vrijstaande woningen en enkele appartementenblokken in een hoofdzakelijk sobere baksteenarchitectuur langs overwegend groene straten. Ontwikkelingen dienen te voldoen aan de volgende criteria: a.
b.
c.
d.
gebouwen maken deel uit van een stedenbouwkundig patroon, waarin vooral de voorgevelrooilijnen en hoeken van belang zijn: 1. gebouwen met de voorgevel richten op de belangrijkste openbare ruimte 2. vrijstaande woningen, appartementencomplexen en gebouwen met een bijzondere functie zoals scholen en kerken kunnen een meer vrije positie innemen en daarbij een meerzijdige oriëntatie krijgen de bouwmassa is evenwichtig en afgestemd op de schaal van het dorp of de wijk, bezien vanuit de openbare ruimte en het landschap: 1. uitbreidingen indien zichtbaar vanuit het openbaar toegankelijk gebied vormgeven als ondergeschikt element of opnemen in de hoofdmassa 2. vrijstaande woningen, appartementencomplexen en gebouwen met bijzondere functies harmoniëren met het karakter van het gebied en kunnen afhankelijk van hun ligging afwijken van de gebruikelijke massa, opbouw, vorm en uitwerking de architectonische uitwerking en detaillering zijn eenvoudig maar degelijk en afgestemd op de belendingen: 1. bij rijen en blokken aan voorkanten de herhaling behouden 2. wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op het hoofdvolume en de rij of het cluster materialen en kleuren zijn degelijk en terughoudend en aan voorkanten in samenhang met de rij of het cluster
De beoogde ontwikkeling voldoet aan bovenstaande criteria. Om de ruimtelijke kwaliteit van voorliggend plan te borgen is een beeldkwaliteitsplan (Buro SRO, d.d. 6 juni 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1) opgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan wordt door de gemeenteraad als aanvulling op de Nota Ruimtelijke Kwaliteit vastgesteld en zal het welstandskader bij de omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen vormen.
26
4 Milieu- en omgevingsaspecten In een bestemmingsplan dient gemotiveerd te worden in hoeverre het plan milieutechnisch haalbaar is. Dit houdt in dat verschillende ruimtelijke en milieutechnische aspecten, zoals ecologie, archeologie, bodem, waterhuishouding, geluid, externe veiligheid, etc. onderzocht moeten worden. In dit hoofdstuk worden deze aspecten nader gemotiveerd.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
•
de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).
het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen; dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RBOBR:2017:3537, 29 juni 2017) en (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang
27
van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Ook het opvullen van een open gebied in een stedelijke omgeving en het uitbreiden van bebouwing zijn, op basis van een uitspraak 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879, 12 juni 2019) en een tussenuitspraak van de AbRvS (ECLI:NL:RVS:2019:1668, 22 mei 2019) niet zonder meer te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Met het voorliggende plan wordt de bestemming van het plangebied ongewijzigd en blijft het een woonbestemming, waarbij 60 woningen gesloopt worden en 72 nieuwe woningen gerealiseerd worden. Gelet op de omvang van het plangebied, de omvang van de te slopen gebouwen en de realisatie van slechts 12 extra woningen, wijzigt het totale bouwvolume niet substantieel. Tevens is de ontwikkeling te zien als een vorm van kleinschalige opvulling in bestaand stedelijk gebied. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat er hier geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. Daarmee valt voorliggend plan onder sub d: het plan wordt wel genoemd maar voldoet niet aan de drempelwaarde.
Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.(beoordelings)plicht geldt.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Voor de herontwikkeling van de locatie dient onderzocht te worden of de bodem ten aanzien van milieuhygiënische aspecten geschikt wordt geacht voor het beoogde gebruik, namelijk wonen en tuin. Hiertoe is een verkennend bodemonderzoek (Inventerra, d.d. 12 augustus 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2) uitgevoerd.
Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat er op de planlocatie licht verhoogde concentraties zware metalen in de grond en in het grondwater zijn aangetroffen. Deze aangetoonde verhoogde gehalten zijn echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. Aangezien het niet mogelijk was om inpandig te boren kan geen uitspraak worden gedaan over de bodemkwaliteit onder de bebouwing. Wel wordt ervan uitgegaan dat de bodemkwaliteit onder de bebouwing niet (noemenswaardig) zal afwijken van de bodemkwaliteit rondom de bebouwing. Tevens zijn geen boringen ter hoogte van de openbare weg geplaatst Conclusie Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling zijn.
28
4.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).