Rekenkamer Krimpenerwaard - Tussenrapportage armoede 2023
Tekst van het document
Armoede in de gemeente Krimpenerwaard, een verkenning
Tussenrapportage
1
Rekenkamer Krimpenerwaard 26 september 2023 Samenstelling Rekenkamer: Mw. K. Meijer (voorzitter) Dhr. R. de Bonte (lid) Dhr. R. Paulussen (lid) Mw. P. Feelders-Heijndijk (secretaris/onderzoeker)
Contact met de Rekenkamer: Telefoon: 14 0182 / 06-57096899 E-mail: Rekenkamer@krimpenerwaard.nl Website: www.krimpenerwaard.nl/rekenkamer Twitter (X): @rkckrwaard
2
Inhoud Samenvatting ........................................................................................................................................... 4 1. Inleiding ............................................................................................................................................... 6 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 6 1.2 Centrale vraag en deelvragen ....................................................................................................... 6 1.3 Onderzoeksaanpak ........................................................................................................................ 7 1.4 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 7 2. Literatuur over armoede ...................................................................................................................... 8 2.1 Inleiding .......................................................................................................................................... 8 2.2 Definitie, waarneming en beleidskeuzes .......................................................................................
8 2.3 Gangbare definities ........................................................................................................................ 9 2.4 Oorzaken en gevolgen van armoede ........................................................................................... 10 2.5 Risicogroepen .............................................................................................................................. 12 2.6 Samenvattend: bevindingen voor het vervolg.............................................................................. 13 3. Beschikbare cijfers over armoede in de gemeente Krimpenerwaard................................................ 15 3.1 Inleiding ........................................................................................................................................ 15 3.2 Aantal personen met een laag inkomen in de gemeente Krimpenerwaard ................................. 15 3.3 Kenmerken van personen met lage inkomens in de gemeente Krimpenerwaard ....................... 20 3.4 Aantal personen dat gebruikmaakt van regelingen in de gemeente Krimpenerwaard ................ 21 3.5 Samenvattend: bevindingen voor het vervolg.............................................................................. 23 4. Ervaringen van organisaties in de gemeente Krimpenerwaard ........................................................
24 4.1 Selectie van organisaties ............................................................................................................. 24 4.2 Inwoners in Krimpenerwaard in armoede .................................................................................... 24 4.3 Is armoede in Krimpenerwaard anders dan in andere gemeenten? ........................................... 29 4.4 Veranderingen in de hulpvraag naar aanleiding van recente crisissen ....................................... 30 4.5 Samenvattend: bevindingen voor het vervolg.............................................................................. 30 5. Beantwoording deelvragen en doorkijkje naar beleidsonderzoek ..................................................... 31 Bijlagen .................................................................................................................................................. 33 Bijlage 1: Koppelingen naar tabellen CBS lage-inkomensgrens ....................................................... 34 Bijlage 2: Vindplaatsen van armoede ................................................................................................ 35 Bijlage 3: Literatuur- en bronnenlijst .................................................................................................. 39
3
Samenvatting Inleiding Nadat meerdere raadsfracties hun belangstelling voor het onderwerp armoede toonden heeft de Rekenkamer besloten hier onderzoek naar te doen. Voor u ligt het resultaat van een verkenning naar het onderwerp in een actuele beschrijving van armoede in de gemeente Krimpenerwaard. De Rekenkamer heeft het voornemen deze verkenning op te volgen met een onderzoek waarin het beleid van de gemeente centraal staat. De centrale vraag die in deze rapportage centraal staat is: ‘Hoe ziet armoede er uit in de samenleving van de gemeente Krimpenerwaard, wat zijn relevante definities en welke inzichten vloeien hieruit voort voor de volgende fase van het onderzoek waarin het beleid van de gemeente centraal staat?’
Definities van armoede Er bestaan in de literatuur diverse definities van armoede. Deze kunnen onderverdeeld worden in objectieve definities versus maatwerk. Bij een objectieve definitie wordt er gebruik gemaakt van een inkomensgrens die bepaalt of iemand wel of niet in armoede leeft. Hiermee kunnen overheden een duidelijke grens hanteren of iemand wel of niet in aanmerking komt voor een uitkering. Een geobjectiveerd beeld sluit veel situaties uit waar bij nader inzien toch sprake is van armoede. Denk aan iemand met een middeninkomen die geconfronteerd wordt met hoge uitgaven. De behoefte aan maatwerk vraagt dan om een andere definitie waarin iemands inkomen niet, minder of op een ander wijze centraal staat.
Oorzaken en gevolgen van armoede Armoede is een complex en veelvormig probleem. Armoede kan een incidentele oorzaak hebben (‘life events’) zoals het overlijden van een partner, echtscheiding of ontslag. Armoede kan ook een structurele oorzaak hebben zoals een chronische ziekte (fysiek of psychisch). Kinderen die opgroeien in armoede hebben later een hogere kans om in een armoede-situatie terecht te komen. Armoede heeft negatieve gevolgen voor de gezondheid van mensen, zoals minder vitaliteit en een verhoogde kans op angst en depressie. Langdurige armoede, het permanent leven in schaarste, kan een ingrijpend effect hebben op het vermogen van mensen om doordachte beslissingen te nemen.
De omvang van armoede in de gemeente Krimpenerwaard Omdat er geen eenduidige definitie is van armoede is er ook geen eenduidig cijfer te geven over de omvang van armoede in Krimpenerwaard. Gekeken naar diverse inkomensgrenzen leeft 3,4% tot 7,8% van de inwoners in Krimpenerwaard van een laag inkomen en lopen daarbij risico op armoede. Afgerond komt dit neer op 1900 tot 4300 personen, waarvan 500 tot 800 kinderen. Het aandeel personen in Krimpenerwaard met een laag inkomen is niet afwijkend ten opzichte van andere gemeenten met een vergelijkbaar aantal inwoners en vergelijkbare stedelijkheid. Ook het aantal bijstandsuitkeringen is in Krimpenerwaard vergelijkbaar met soortgelijke gemeenten. In de periode 2015-2021 (meest recente jaar waarover cijfers beschikbaar zijn) is het aandeel personen met een laag inkomen in Krimpenerwaard gedaald. Organisaties die in Krimpenerwaard actief zijn om inwoners die in armoede leven te helpen, geven in interviews aan dat zij recentelijk meer of andere hulpvragen krijgen dan een paar jaar geleden. Vanwege de diverse crisissen doen inwoners die voorheen geen gebruik hoefden te maken van regelingen hier nu wel een beroep op. De medewerkers merken hierbij op dat andere groepen dan voorheen zich melden. Denk bijvoorbeeld aan zzp’ers, inwoners met een midden-inkomen of jongere mensen.
Of er komen weer aanvragen van mensen die eerder uit het systeem waren. Aan de andere kant geven sommige medewerkers ook aan dat er nog
4
geen grote toestroom is geweest van mensen die aan de deur kloppen vanwege de energieprijzen (wellicht nog door het hebben van een vast energiecontract). Een deel van de armoede blijft verborgen in Krimpenerwaard. Dit komt omdat de beschikbare data geen zicht geven op midden-inkomens die geconfronteerd worden met hoge uitgaven of omdat mensen die recht hebben op regelingen er geen gebruik van maken (soms door schaamte).
Het ‘kenmerkende’ van armoede in de gemeente Krimpenerwaard De zichtbare omvang van armoede in Krimpenerwaard (gedefinieerd als een laag inkomen) is vergelijkbaar met soortgelijke gemeenten. Wel is de aard van het probleem op enkele kenmerken anders in Krimpenerwaard. Bij de personen met een laag inkomen zijn er in Krimpenerwaard: • Relatief veel minderjarige kinderen. Daarbij valt op dat veel van hen wonen in een huurwoning zonder huurtoeslag. • Relatief veel personen met een overdrachtsinkomen (een uitkering voor werkeloosheid, bijstand, e.d.). Daarnaast worden door organisaties uit het veld een aantal kenmerken genoemd die specifiek zijn voor Krimpenerwaard: • Grote reisafstanden. Voor sommige mensen is de fysieke afstand tot het gemeentekantoor groot, waardoor zij niet snel aankloppen bij de gemeente, vooral bij gebrek aan een vervoermiddel. • Grote sociale samenhang. De samenhang in de kernen in Krimpenerwaard wordt als positief ervaren. Dit kan wel leiden tot een risico op het verlies van anonimiteit bij het inschakelen van een hulpverlener (met name als het vrijwilligers betreft, die vaak uit de regio zelf komen). • Hulp van een kerk. Kerken kunnen inwoners in armoede ondersteunen door bijvoorbeeld te zorgen voor eten.
Doorkijkje naar de tweede fase van het onderzoek In de tweede fase van het onderzoek zal het beleid van de gemeente centraal komen te staan. Gelet op de bevindingen vanuit de verkenning stelt de Rekenkamer zich voor dat er hierbij gekeken wordt naar de uitgangspunten van het beleid, de genomen maatregelen en het effect van het beleid in de praktijk.
5
1. Inleiding 1.1 Aanleiding Jaarlijks spreekt de Rekenkamer Krimpenerwaard met de fracties uit de raad over de vraag welke onderwerpen interessant en belangrijk worden gevonden voor onderzoek. In 2022 werd het onderwerp ‘armoede’ door meerdere fracties naar voren gebracht. Na doorvragen bleek de belangstelling vooral uit te gaan naar de vraag hoe het probleem zich de afgelopen jaren in de gemeente Krimpenerwaard heeft ontwikkeld. Verschillende raadsleden spraken het vermoeden uit dat het probleem wezenlijk is veranderd onder invloed van de uiteenlopende crisissen die ook de samenleving van de gemeente Krimpenerwaard hebben geraakt (Covid-19, energiecrisis, inflatie, et cetera). De vragen die dan voren kwamen waren dan ook hoe armoede zich op dit moment in de Krimpenerwaardse samenleving voordoet, welke impact het heeft op de levens van mensen binnen de gemeente en of het beleid van de gemeente Krimpenerwaard hierop nog voldoende aansluit. Deze vragen blijken om nog een reden van belang. Raadsleden wezen de Rekenkamer op het ‘eigene’ van de Krimpenerwaardse samenleving. Zo bestaan er diverse sociale netwerken – denk aan kleine kernen, kerkgenootschappen en hechte familieverbanden – waarbinnen mensen elkaar helpen bij tegenspoed zonder terug te vallen op de lokale overheid.
Dit leidt tot de vooronderstelling dat het toepassen van de meer gangbare (kwantitatieve) methoden om armoede in kaart te brengen voor de gemeente Krimpenerwaard niet goed zal werken, omdat een deel van de armoede zich wellicht aan het zicht van de gemeente onttrekt. De crisissen en het eigene van de Krimpenerwaardse samenleving brengt de Rekenkamer ertoe het onderzoek naar armoede in twee fasen te verdelen: • Fase 1: Verkenning. Deze fase moet leiden tot een actuele beschrijving van armoede en de groepen waarbinnen armoede voorkomt binnen de gemeente Krimpenerwaard. • Fase 2: Toetsen van beleid. In de tweede fase wordt onderzocht welke mate het huidige armoedebeleid van de gemeente doeltreffend is en welke verbeteringen eventueel mogelijk zijn. Het voorliggende rapport gaat uitsluitend in op fase 1, dat wil zeggen een verkenning naar armoede in de gemeente Krimpenerwaard. De Rekenkamer heeft deze verkenning in eigen beheer uitgevoerd.
1.2 Centrale vraag en deelvragen De centrale vraag die in de verkenningsfase van het onderzoek centraal staat is: ‘Hoe ziet armoede er uit in de samenleving van de gemeente Krimpenerwaard, wat zijn relevante definities en welke inzichten vloeien hieruit voort voor de volgende fase van het onderzoek waarin het beleid van de gemeente centraal staat?’ De deelvragen die hieruit voortvloeien zijn: 1. Wat zijn hanteerbare en passende definities van armoede in de literatuur? 2. Wat weten we van de omvang van armoede in de gemeente Krimpenerwaard? 3. In hoeverre is armoede in de gemeente Krimpenerwaard anders dan in andere gemeenten? 4. Hoe heeft armoede zich ontwikkeld in Krimpenerwaard in de afgelopen jaren? 5. Welke eisen en praktische keuzes voor de beleidsfase van het onderzoek vloeien voort uit de resultaten van de verkenning? Welke methode(n) van onderzoek moeten worden gebruikt om armoede zo volledig mogelijk in beeld te krijgen? 6
1.3 Onderzoeksaanpak Voor de verkenningsfase van het onderzoek zijn de volgende onderzoeksactiviteiten verricht: A. Quick scan literatuur over armoede De Rekenkamer heeft een reeks van publicaties en onderzoeksrapporten over armoede verzameld en heeft de daarin gehanteerde definities en gebruikte data geanalyseerd. B. Quick scan cijfers over armoede De Rekenkamer heeft op een rijtje gezet wat op dit moment bekend is over armoede in de gemeente Krimpenerwaard, door openbare cijfers hierover te raadplegen. C. Veldwerk: interviews met organisaties uit het veld De Rekenkamer is in gesprek gegaan met een selectie van professionals en vrijwilligers van organisaties die in de gemeente Krimpenerwaard actief zijn om inwoners die in armoede leven te helpen. Er hebben 10 interviews plaatsgevonden. Gesproken is met medewerkers of vrijwilligers van de volgende organisaties: 1. Bibliotheek Krimpenerwaard 2. Kerk 3. Kwadraad 4. Leger des Heils 5. Stichting Budgethulp Krimpenerwaard 6. Stichting Leergeld, Afdeling Zuid-Holland Midden 7. SUN (Stichting Urgente Noden) 8. VluchtelingenWerk 9. Voedselbank IJssel en Lek 10. WelZijn Van de interviews zijn (vertrouwelijke) verslagen gemaakt die ter goedkeuring aan de gesprekspartners zijn voorgelegd. Deze verslagen zullen na afronding van het onderzoek vernietigd worden. D.
Analyse van de opbrengsten uit het veldwerk en schrijven van de eindproducten Na analyse van de literatuur, cijfers en de interviews heeft de Rekenkamer de resultaten beschreven in deze voorliggende tussenrapportage.
1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 beschrijft relevante literatuur over armoede. In hoofdstuk 3 worden openbare cijfers weergegeven over armoede in Krimpenerwaard. Hoofdstuk 4 beschrijft de ervaringen van geïnterviewde organisaties uit Krimpenerwaard die zich met armoede bezighouden. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 een antwoord gegeven op de geformuleerde deelvragen uit het onderzoek. De Rekenkamer heeft voor de leesbaarheid in de hoofdteksten alleen korte verwijzingen opgenomen naar gebruikte bronnen. In de bijlagen zijn deze bronnen uitgebreider weergeven.
7
2. Literatuur over armoede 2.1 Inleiding Met dit hoofdstuk beoogt de Rekenkamer in vogelvlucht inzicht te geven in relevante kennis over armoede uit literatuur en onderzoeksrapporten. De Rekenkamer gaat hier in op de verschillende definities, benaderingen en perspectieven die in grote lijnen te onderscheiden zijn en de groepen die risico lopen om in armoede te belanden. Het hoofdstuk sluit af met een samenvatting van bevindingen die voor de verkenning en de beleidsfase van het onderzoek van belang zijn.
2.2 Definitie, waarneming en beleidskeuzes Armoede is een verschijnsel dat vrijwel geen grenzen lijkt te hebben. Het komt voor in uiteenlopende samenlevingen en culturen en lijkt ook in de geschiedenis altijd bestaan te hebben. 1 Het zal dan ook geen verbazing wekken dat er een grote hoeveelheid interpretaties en definities van het begrip armoede bestaat. Hoewel we in het dagelijks spraakgebruik doorgaans genoeg hebben aan alleen het noemen van het begrip ‘armoede’ ligt dat voor onderzoek en beleid anders. Dan wordt een definitie wel belangrijk, omdat door te omschrijven wat je verstaat onder armoede, je bewust of onbewust ook keuzes maakt in wat je ziet aan armoede (en ook wat je dus niet ziet!). Voor een doelmatige en rechtmatige uitvoering van beleid is een definitie wenselijk, omdat overheden daarmee een duidelijke begrenzing kunnen aanbrengen tussen wat armoede is en wat daarbuiten valt. Anders gezegd, de overheid gebruikt graag een geobjectiveerd beeld van armoede.2 Denk daarbij bijvoorbeeld aan het bepalen of iemand wel of geen recht heeft op een bijstandsuitkering. In dat geval is een duidelijke inkomensgrens als definitie een belangrijke voorwaarde. Er is daarbij wel een verschil tussen armoedebeleid en minimabeleid.
Waar het minimabeleid vooral is bedoeld om mensen met de laagste inkomens te ondersteunen, gaat het bij armoedebeleid (ook) om bijvoorbeeld het wegwerken van schulden en het vinden van werk. Als er de noodzaak is tot maatwerk volstaat een objectieve definitie niet. Denk bijvoorbeeld aan iemand met een behoorlijk inkomen, dus zonder recht op bijstand en sociale huurwoning, die door een echtscheiding de woonlasten niet meer kan dragen en als gevolg daarvan al enkele jaren een problematische schuld aan het opbouwen is.3 Een geobjectiveerd beeld sluit veel situaties uit waar bij nader inzien toch sprake is van armoede. De behoefte aan maatwerk vraagt dan om een andere definitie waarin iemands inkomen niet, minder of op een ander wijze centraal staat. In de praktijk zijn er dan ook diverse definities van armoede ontstaan, variërend van geobjectiveerde maatstaven tot maatwerk.
1 Graeber (2012) 2 Movisie (2020), p. 12. 3 In onderzoeksrapporten en beleidsnota’s maken we vaak gebruik van een voorbeeld waarin we in enkele zinnen
een situatie van armoede beschrijven. In de praktijk blijken de situaties van mensen in armoede vaak zo uniek dat die paar zinnen nooit recht kunnen doen aan de werkelijkheid: veelal een uitzonderlijke en complexe mix van gebeurtenissen en omgevingsfactoren. Wij zijn ons hiervan bewust en hanteren die paar zinnen dus ‘for the sake of argument’. 8
2.3 Gangbare definities De Rekenkamer is nagegaan welke definities in de praktijk van onderzoek en beleid veel gehanteerd worden. Tabel 2.1 geeft een overzicht van veel gebruikte definities. In de tabel is een onderscheid gemaakt in definities gericht op objectivering versus het leveren van maatwerk. Tabel 2. 1: Definities van armoede
Definities gericht op
Voorbeelden
Bron
Objectivering: rechtmatigheid en doelmatigheid (en vergelijkbaarheid)
De ‘lage inkomensgrens’ Een vast koopkrachtbedrag dat jaarlijks wordt aangepast voor prijsontwikkeling. De ‘bijstandsnorm’ Een bedrag aan inkomen gerelateerd aan het minimumloon. Een percentage daarvan vormt weer de grondslag voor toegang tot minimaregelingen (110120-130%). De ‘budgetbenadering’ De hoogte van de armoedegrens stelt het SCP vast met twee referentiebudgetten. Het ene budget is strikter dan het andere. De budgetten geven aan hoeveel geld een alleenstaande nodig heeft voor onvermijdelijke of zeer wenselijke uitgaven. Het SCP baseert zich bij het bepalen van de budgetten op de minimum-voorbeeldbegrotingen van het NIBUD. Netto minimumloon Armoede is het leven met een inkomen van op of onder het ‘bijstandsniveau’, maandelijks inkomen op basis van normen die jaarlijks door de overheid worden vastgesteld. Grondslag is het netto minimumloon. Er is sprake van armoede in situaties waarin individuen of groepen onvoldoende beschikken over materiële, culturele en/of sociale middelen waardoor zij zijn uitgesloten van een levensstandaard die in de samenleving waarin zij leven als minimaal wordt gezien.
CBS
Leveren maatwerk (en vergroten doeltreffendheid)
Rijksoverheid stelt jaarlijks het minimumloon en dus de bijstandsnorm vast.
SCP,
https://digitaal.scp.nl/armoe deinkaart2019/waar-ligt-dearmoedegrens/
Gemeente Maastricht (zie rekenkamer Maastricht 2018, p. 9).
Movisie, p. 13
Uit de scan van literatuur komt de Rekenkamer tot het inzicht dat zowel de objectieve als bredere definities hun waarde hebben. Objectieve definities helpen om het probleem van armoede grofmazig en met cijfers in kaart te brengen. Het helpt bij de agendering van het probleem, het grofmazig in kaart brengen van de omvang, het vergelijken van die omvang in de tijd en met andere gemeenten en het ontwikkelen van objectieve grondslagen voor regelingen. Tegelijkertijd is het dus belangrijk te onderkennen dat met het hanteren van objectieve definities ook een deel van de armoede zich aan het zicht onttrekt. Bredere definities zijn daarom behulpzaam bij het leveren van maatwerk en het ontwikkelen van beleid dat aangrijpt bij diepere oorzaken en gevolgen van armoede zoals stigmatisering, sociale uitsluiting en isolement, stress en gezondheid en de overdracht van het leven in armoede tussen ouders en kinderen (intergenerationele armoede). Ten tijde van deze verkenning werken het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) aan een nieuwe
9
armoedegrens voor Nederland, om zo te komen tot één centrale maatstaf voor beleid en samenleving. 4 Het eindrapport daarvan wordt in 2024 verwacht.
2.4 Oorzaken en gevolgen van armoede ‘Life events’ en structurele oorzaken Armoede kent vele oorzaken. In de literatuur wordt veel verwezen naar ingrijpende gebeurtenissen in het leven van mensen. Denk aan het overlijden van een partner, echtscheiding of ontslag. Deze ‘lifeevents’ brengen – behalve het leed zelf – vaak ook een verandering teweeg in het financiële huishouden van mensen. Veranderingen waardoor mensen voor langere tijd niet kunnen rondkomen. Armoede kan ook een structurele oorzaak hebben, zoals een chronische ziekte (fysiek of psychisch). Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) vat de onderlinge verwevenheid tussen gezondheid en armoede samen door te spreken over een negatieve spiraal: een chronische ziekte of arbeidsongeschiktheid gaat doorgaans gepaard met een lager inkomen en hogere zorgkosten en dus een groter risico op financiële problemen. Problemen met de gezondheid hebben ook weer invloed op andere ‘levensdomeinen’, denk aan grotere problemen om onderwijs goed te doorlopen. Hetgeen weer invloed heeft op de kansen op werk en dus weer op het inkomen.5 Naast deze oorzaken die je in het individuele leven van mensen kan vinden, zijn er ook meer structurele oorzaken in de omgeving van mensen.
Denk aan economische ontwikkelingen zoals inflatie, complexiteit van regels en regelingen, schaarste op de woningmarkt of een slechte toegang tot het onderwijs. Gekeken naar individuele cases is het doorgaans steeds een specifieke samenloop van persoonlijke en omgevingsfactoren die iemand in een situatie van armoede heeft gebracht.
Intergenerationele armoede Bijzondere aandacht gaat vaak uit naar de armoede waar mensen maar niet uit te lijken te komen 6. Afgaande op de definities waarmee we armoede objectiveren, oogt armoede als een tamelijk overzichtelijk en tembaar vraagstuk. Iemand die over een te laag inkomen beschikt is immers direct geholpen met het verstrekken of bemachtigen van financiële aanvulling. In de praktijk is de situatie waarin armoede aan de orde is vrijwel altijd ingewikkelder en daarmee ook lastiger op te lossen. Dit is met name zichtbaar bij levenslange armoede die vaak van generatie op generatie blijkt te worden overgedragen (intergenerationele armoede). Hoewel veel kinderen die in armoede opgroeien op latere leeftijd armoede achter zich laten, is hun kans om als volwassene in armoede te leven bijna tweemaal zo groot dan kinderen die niet in armoede opgroeiden.7 Het Sociaal Planbureau Groningen heeft op basis van onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) een en ander gevisualiseerd in een levenslijn van drie generaties van een familie, zie onderstaande figuur. De figuur laat zien dat het gaat om een complex van oorzaken die soms ook ‘generatie-overstijgend’ zijn.8
4 Bron: https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2023/06/30/op-weg-naar-een-nieuwe-armoedegrens 5 RIVM (2023) 6 Visser (2019) 7 Bron: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2023/11/meeste-mensen-ontstijgen-armoederisico-van-hun-ouders 8 Overgenomen met toestemming van de website van het Sociaal Planbureau Groningen (24-8-2023).
10
Figuur 2.1: Illustratie intergenerationele armoede (bron: website Sociaal Planbureau Groningen)
Negatieve effecten op gezondheid In de literatuur wordt veel ingegaan op de negatieve gevolgen die armoede heeft voor de gezondheid van mensen. Zo zijn inwoners die moeite hebben met rondkomen minder vitaal, en hebben ze een verhoogde kans op angst en depressie.9 Vraagstukken rond gezondheid en armoede horen in gemeenten doorgaans thuis binnen verschillende kokers. Publieke gezondheid berust veelal bij de GGD’s, armoede binnen de afdeling sociaal domein van de gemeente. Uit de literatuur volgt het inzicht dat het voor de effectiviteit en doelmatigheid van het beleid nuttig is om deze vraagstukken op elkaar te betrekken. 10 Zo kan het vereenvoudigen en toegankelijker maken van minimaregelingen als gevolg hebben dat cliënten minder stress ervaren en als gevolg daarvan ook minder gezondheidsklachten vertonen. Minder gezondheidsklachten, zich meer vitaal voelen draagt op zijn beurt weer bij aan het tegengaan van risico’s op armoede.
Schaarste-benadering Recent zien we een nieuwe benadering van oorzaken en gevolgen van armoede die ook meer en meer de basis van veel overheidsbeleid lijkt te vormen, de zogeheten “schaarste-benadering”. Deze benadering stelt dat langdurige armoede, het permanent leven in schaarste, een ingrijpend effect heeft op het cognitieve vermogen van mensen. Armoede zou volgens deze onderzoekers leiden tot een lager IQ11. Zo toont onderzoek aan dat armoede effect heeft op de hersenen. Chronische stress die doorgaans met armoede gepaard gaat, maakt dat er geen goede verbindingen worden gelegd met het 9 De Jonge, Bras en Mellaard (2020), p. 72 10 De Jonge, Bras en Mellaard (2020), p. 77 en RIVM (2023). 11 Bregman (2013)
11
gebied in de hersenen waar doordachte beslissingen voor de langere termijn worden genomen. 12 Doordat hier onverstandige besluiten uit volgen wordt de situatie van armoede opnieuw bevestigd en zelfs vergroot: ook hier een negatieve spiraal. Voorstanders van deze benadering van armoede wijzen erop dat veel overheidsbeleid uitgaat van de ‘eigen kracht’ van mensen in armoede en dat juist die benadering dus niet werkt. Zo kunnen er weliswaar regelingen zijn waar je gebruik van kan maken als je in armoede leeft, als dit veel papierwerk vraagt zullen ze maar weinig bereik hebben. In de stressvolle situatie waarin veel mensen in armoede verkeren zal de rationele keuze om met de formulieren aan de slag te gaan minder snel gemaakt worden en zal men zich in plaats daarvan eerder concentreren op de korte-termijn vraagstukken van die dag. Het is dus zaak om te helpen met het invullen van de formulieren in plaats van een training te geven waarin mensen ‘in hun kracht worden gezet’. De benadering oogst ook kritiek. De schaarste-benadering blijft sterk de nadruk leggen op armoede als vraagstuk van individuele mensen in plaats van een maatschappelijk vraagstuk. Zo is maar de vraag of het onderzoeksgeld dat wordt besteed aan veranderingen in de hersenen zich ook uitbetaalt in een effectievere aanpak.
‘Al dat geld voor hersenonderzoek zouden we beter kunnen stoppen in fundamentele, maatschappelijke veranderingen’.13 Ondanks de kritiek op de schaarste-benadering valt in de literatuur op dat het te eenzijdig benadrukken van ‘eigen verantwoordelijkheid’ en ‘eigen kracht’ niet of maar beperkt effectief is in situaties van armoede en stress.14
Maatwerk: aansluiten bij werkelijke oorzaken en gevolgen Zoals er geen eensluidende definitie is van armoede wekt het geen verbazing dat de literatuur ook geen eenduidige set aan oorzaken en gevolgen van armoede oplevert. Wel maakt het inzichtelijk dat armoede een complex en veelvormig probleem is dat steeds door heel wisselende factoren ontstaat. Veel situaties van armoede vragen daarom om onderzoek en maatwerk in de uitvoering van het beleid.
2.5 Risicogroepen Zoals eerder beschreven zijn er bepaalde groepen mensen die een hogere kans hebben om in armoede terecht te komen. Het RIVM heeft een beschrijving gemaakt van risicogroepen die kenmerkend zijn voor de levensfase waarin mensen verkeren, zie onderstaande tabel. 15 Tabel 2.2: Risicogroepen armoede (bron: RIVM)
Levensfase
Risicogroepen
Kinderen
Kinderen en jongeren uit eenoudergezinnen, kinderen met tenminste twee broers of zussen en kinderen uit gezinnen met een niet- westerse achtergrond leven vaker in armoede. Eenoudergezinnen met een vrouw aan het hoofd hebben een groter armoederisico dan eenoudergezinnen met een man aan het hoofd. Dit komt omdat alleenstaande moeders relatief vaak afhankelijk zijn van een uitkering. Volwassenen met een bijstandsuitkering leven vaker met een lager inkomen dan werkenden en hebben het meeste risico op armoede. Zelfstandigen hebben een groter armoederisico dan mensen in loondienst. Daarnaast hebben niet-westerse migranten en statushouders vaker een laag inkomen en risico op armoede.
Volwassenen
12 Bloemink (2017) 13 Aldus Trudy Dehue, emeritus hoogleraar wetenschapsfilosofie in de Groene Amsterdammer (2017). 14 Zie onder meer het pleidooi van Godfried Engbersen voor een smart state ‘die weet waar steun in de rug nodig
is en die weet wat je aan burgers zelf over kunt laten.’ (Heijden, F. van der, 2013). 15 RIVM (2023) 12
Ouderen
Bij ouderen is er tussen 55 en 65 jaar meer risico op het afhankelijk worden van een uitkering door arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. Maar onder de oudste ouderen (80 jaar en ouder) komt vaker armoede voor dan onder jongere ouderen. Vermoedelijk speelt bij deze ‘oudste ouderen’ mee dat zij relatief vaak van alleen inkomen uit de Algemene ouderdomswet (AOW) moeten rondkomen. Daarnaast vormen de relatief hoge zorgkosten binnen deze leeftijdsgroep wellicht een verklarende factor.
In de tabel is een algemene indeling van risicogroepen opgenomen. Deze indeling geeft geen specifiek inzicht in de ‘nieuwe armoede’ die het gevolg kan zijn van de recente crisissen (energie-armoede, inflatie, et cetera). Na de financiële crisis die startte in 2007 merkt de socioloog Engbersen op dat er nieuwe risicogroepen ontstaan nu ook gesproken kan worden van de ‘working poor’. Voor West-Europa een nieuw fenomeen dat is overgestoken uit de VS. Het gaat dan om lager geschoolden en wellicht ook een deel van de middenklasse die ondanks een inkomen toch een leven leiden in armoede. 16
2.6 Samenvattend: bevindingen voor het vervolg Uit de literatuurscan volgen een aantal bevindingen die van belang zijn voor het vervolg op deze eerste fase van het onderzoek naar armoede. In onderstaande tekst vatten we deze bevindingen samen. Wat ziet de gemeente en wat blijft verborgen? Wat je verstaat onder armoede (definitie) is verweven met wat je ziet aan armoede (waarneemt) en heeft daardoor ook directe invloed op de beleidskeuzes die gemaakt worden. Uit het de scan van literatuur komt de Rekenkamer tot de bevinding dat zowel de objectieve definities als bredere definities van armoede hun waarde hebben. De Rekenkamer spreekt dan ook wel over een ‘benadering van armoede’: een geheel van definities, waarnemingen en beleidskeuzes. Een eerste vraag die zich voor de beleidsfase van het onderzoek dan ook aandient zal zijn of en zo ja welke definities, waarnemingen en beleidskeuzes, de gemeente Krimpenerwaard en de samenwerkingsverbanden waarin zij participeert (impliciet dan wel expliciet) hanteren. Echte armoede centraal, niet volgen van hypes De literatuur beschrijft geen eenduidige set van oorzaken en gevolgen van armoede. Armoede is een complex en veelvormig probleem. Veel situaties van armoede vragen daarom om onderzoek en maatwerk in de uitvoering van het beleid.
Dit roept voor de beleidsfase de vraag op in welke mate de gemeente erin slaagt met haar beleid en uitvoeringspraktijk aan te sluiten bij werkelijke oorzaken en gevolgen van armoede van inwoners in de gemeente Krimpenerwaard. Wat onderneemt de gemeente om deze in kaart te brengen? En: monitort de gemeente oorzaken en gevolgen zowel in algemene zin (ten behoeve van beleid) als in de individuele situaties van inwoners (ten behoeve van concrete hulp en ondersteuning)? Het volgen van nieuwe inzichten is daarbij in de ogen van de Rekenkamer van groot belang. Tegelijkertijd is het belangrijk deze niet kritiekloos te volgen en de feitelijke situaties van inwoners zoveel mogelijk leidend te laten zijn bij het bieden van hulp. De sterke verwevenheid tussen gezondheid en armoede vraagt om samenwerking Uit de literatuur volgt het inzicht dat het voor de effectiviteit en doelmatigheid van het beleid nuttig is om gezondheid en armoede bij elkaar te betrekken. Zo kan het vereenvoudigen en toegankelijker maken van minimaregelingen als gevolg hebben dat cliënten minder stress ervaren en als gevolg daarvan ook 16 Van der Heijden en Krijnen (2013)
13
minder gezondheidsklachten vertonen. Minder gezondheidsklachten, zich meer vitaal voelen draagt op zijn beurt weer bij aan het tegengaan van risico’s op armoede. De Rekenkamer stelt daarom voor de beleidsfase de vraag in welke mate er sprake is van samenwerking en een geïntegreerde benadering bij het nastreven van doelstellingen op het terrein van publieke gezondheid en het sociaal domein.
14
3. Beschikbare cijfers over armoede in de gemeente Krimpenerwaard 3.1 Inleiding De Rekenkamer heeft op een rijtje gezet wat bekend is over armoede in de gemeente Krimpenerwaard. Hiervoor zijn openbare cijfers geraadpleegd bij onder andere het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De gemeente Krimpenerwaard heeft begin 2023 een rapport laten opstellen ten behoeve van de herijking van het minimabeleid.17 Waar relevant worden de bevindingen daaruit ook in dit hoofdstuk weergegeven. De cijfers die in dit hoofdstuk worden gepresenteerd zijn cijfers die betrekking hebben op een laag inkomen. Een laag inkomen hoeft niet synoniem te zijn met armoede. Daarnaast kan armoede ook voorkomen onder inwonersgroepen met een niet-laag inkomen, als deze geconfronteerd worden met hoge uitgaven. Zo waren er anno 2022 mensen met middeninkomens die ook financiële problemen hadden door de hoge energieprijzen en de inflatie. Hierover zijn echter geen (openbare) cijfers beschikbaar.
3.2 Aantal personen met een laag inkomen in de gemeente Krimpenerwaard Zoals besproken in hoofdstuk 2 zijn er diverse definities voor armoede en daarbij wat een laag inkomen is. Het CBS geeft aan dat mensen met een inkomen onder de ‘lage-inkomensgrens’ risico lopen op armoede. Het CBS berekent elk jaar het grensbedrag. Door indexatie vertegenwoordigt het grensbedrag voor alle jaren en alle typen huishoudens een gelijke koopkracht. Voorbeeld: In 2021 (het meest recente jaar momenteel beschikbaar bij het CBS) lag de lageinkomensgrens voor een alleenstaande op € 1.130 euro netto per maand.18 Om in aanmerking te komen voor een gemeentelijke regeling kijkt een gemeente naar het inkomen. De inkomensgrens (de ‘drempel’) voor een regeling varieert daarbij meestal tussen de 110% en de 150% van het sociaal minimum. Het sociaal minimum is het minimale bedrag dat iemand nodig heeft om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. De overheid berekent elk half jaar opnieuw het normbedrag hiervoor. Voorbeeld: Per 1 juli 2023 is de 110%-bijstandsnorm voor een alleenstaande in de leeftijd tussen de 21 jaar en de AOW-leeftijd een maximaal netto inkomen van € 1.338,28 per maand (dit is inclusief vakantiegeld).19
Welk percentage in een gemeente wordt gehanteerd als inkomensgrens (110% of hoger) is een politieke keuze die de gemeenteraad maakt. In Krimpenerwaard ligt het bij een aantal regelingen op 120% (bij de energietoeslag is het 130%, overige regelingen hebben andere criteria). 20
17 KWIZ (2023) 18 Bron: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2023/11/meeste-mensen-ontstijgen-armoederisico-van-hun-
ouders/huishouden-met-laag-inkomen 19 Bron: https://www.krimpenerwaard.nl/overzicht-inkomensgrenzen 20 Bron: https://www.krimpenerwaard.nl/laaginkomen 15
De Rekenkamer heeft gekeken hoeveel inwoners in de gemeente Krimpenerwaard volgens het CBS vallen onder: 1. De lage-inkomensgrens21 2. 110% van het sociaal minimum22 3. 120% van het sociaal minimum23 4. 130% van het sociaal minimum24 De cijfers zijn gebaseerd op de voorlopige cijfers over 2021 van het CBS (de meest recente die op dit moment beschikbaar zijn). Onderstaande grafiek geeft aan welk percentage van de inwoners van de gemeente Krimpenerwaard moet rondkomen van een laag inkomen.
Figuur 3.1 Aandeel personen met een laag inkomen in de gemeente Krimpenerwaard
Voor de gemeente Krimpenerwaard komt dit volgens CBS neer op de volgende (afgeronde) cijfers: • Lage-inkomensgrens 1900 personen waarvan 500 kinderen • 110% van het sociaal minimum 2500 personen waarvan 600 kinderen • 120% van het sociaal minimum 3300 personen waarvan 700 kinderen • 130% van het sociaal minimum 4300 personen waarvan 800 kinderen Het verhogen van een criterium voor een gemeentelijke regeling van 110% naar 120% zou daarmee de doelgroep vergroten met circa 800 personen en 100 kinderen. Ophoging van 120% naar 130% zou de doelgroep van een regeling verhogen met 1.000 personen en opnieuw 100 kinderen.
21 CBS Statline, voorlopige data 2021,
https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/85344NED/table?dl=7755B 22 CBS Statline, voorlopige data 2021, https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/85344NED/table?dl=77592 23 CBS Statline, voorlopige data 2021, https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/85344NED/table?dl=8ED47 24 CBS Statline, voorlopige data 2021, https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/85344NED/table?dl=942FC 16
Laag inkomen per kern in de gemeente Krimpenerwaard Het CBS geeft een overzicht van het aantal huishoudens (niet het aantal personen) in de gemeente Krimpenerwaard dat een laag inkomen heeft per kern (door het CBS “wijk” genoemd).25 Tabel 3.1: Huishoudens met een laag inkomen per kern in de gemeente Krimpenerwaard (CBS, voorlopige cijfers 2021)26
Wijk
Huishoudens met een laag inkomen (%)
Wijk 00 Lekkerkerk Wijk 01 Krimpen aan de Lek Wijk 02 Ouderkerk aan den IJssel Wijk 03 Gouderak Wijk 04 Bergambacht Wijk 05 Bergstoep Wijk 06 Ammerstol Wijk 07 Berkenwoude Wijk 08 Haastrecht Wijk 10 Stolwijk Wijk 11 Vlist Wijk 12 Schoonhoven
4,8 4,3 2,7 4,8 4,8 2,2 4,6 2,2 3,8 3,4 5,0 5,1
In Schoonhoven wonen relatief de meeste huishoudens met een laag inkomen (5,1%), gevolgd door Vlist (5%). Uit de herijking minimabeleid Krimpenerwaard blijkt dat van alle huishoudens in de gemeente Krimpenerwaard met een inkomen tot 120% van het wettelijk sociaal minimum een kwart gevestigd is in Schoonhoven.27 In Berkenwoude en Bergstoep wonen relatief de minste huishoudens met een laag inkomen (beide 2,2%), gevolgd door Ouderkerk aan den IJssel (2,7%).
Lage inkomens in de regio Hoe verhoudt Krimpenerwaard zich tot omliggende gemeenten als het gaat om lage inkomens? Om deze vraag te beantwoorden is gekeken naar hoeveel personen een inkomen hadden tot aan de lageinkomensgrens in de aangrenzende gemeenten. Zie onderstaand figuur.
25 Om te bepalen of een huishouden een laag inkomen heeft, heeft het CBS het inkomen van een huishouden
omgerekend tot het gestandaardiseerde inkomen (exclusief eventueel ontvangen huurtoeslag) en gecorrigeerd voor prijsstijgingen. 26 Bron: https://opendata.cbs.nl/statline#/CBS/nl/dataset/85039NED/table?dl=8F220. De getoonde wijkindeling is gebaseerd op de CBS-indeling. Daarin ontbreekt wijk 09. 27 KWIZ (2023), blz. 4. 17
Figuur 3.2 Aandeel personen met een inkomen tot aan de lage-inkomensgrens28
Krimpenerwaard zit met 3,4% in de ‘middenmoot’ van de aangrenzende gemeenten als het gaat om het aandeel personen met een laag inkomen. De gemeente Molenlanden heeft relatief het minste aantal personen met een inkomen tot aan de lage-inkomensgrens, namelijk 2,3% van de bevolking. Uit andere onderzoeken is bekend dat armoede groter is in stedelijke gebieden. Dat is ook hier te zien. In Gouda gaat het om een aandeel van 5,3% en in Ridderkerk 4,7%.
Krimpenerwaard versus referentiegemeenten Om de cijfers van de gemeente Krimpenerwaard in perspectief te plaatsen heeft de Rekenkamer een vergelijking gemaakt tussen de gemeente Krimpenerwaard en een aantal referentiegemeenten. De referentiegemeenten zijn in de CBS-database geselecteerd op een vergelijkbaar inwoneraantal als de gemeente Krimpenerwaard (47.000-67.000 inwoners) en een vergelijkbare stedelijkheidsklasse (“weinig stedelijk”). Dit resulteerde in de gemeenten Goeree-Overflakkee, Maashorst, Overbetuwe en Utrechtse Heuvelrug als referentiegemeenten. Onderstaande grafiek toont het aandeel personen met een laag inkomen in de gemeenten.
28 Data vanuit CBS Statline, voorlopige cijfers 2021,
https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/85344NED/table?dl=94F66
18
Figuur 3.3 Personen met een laag inkomen in de gemeente Krimpenerwaard en referentiegemeenten29
Ten opzichte van de referentiegemeenten is het aandeel personen in de gemeente Krimpenerwaard met een laag inkomen vergelijkbaar met de andere gemeenten. Er is geen situatie waarbij de gemeente Krimpenerwaard een hoger of lager percentage heeft dan een van de vier anderen. Om te kijken of armoede de afgelopen jaren is toegenomen heeft de Rekenkamer gekeken naar het aandeel personen met een inkomen tot de lage-inkomens van 2015 tot en met 2021 (het meest recente jaar dat beschikbaar is bij het CBS). Onderstaande grafiek toont de resultaten.
Figuur 3.4 Personen met een laag inkomen in de gemeente Krimpenerwaard en referentiegemeenten 2015-2021
29 CBS Statline, voorlopige data 2021,
https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/85344NED/table?dl=7755B. 19
Bovenstaande grafiek laat zien dat in Krimpenerwaard het aandeel personen met een inkomen tot de lage-inkomensgrens daalde tot 2019 en daarna stabiel bleef. Een vergelijkbaar patroon is te zien bij de andere onderzochte gemeenten. Doordat data uit het jaar 2022 nog niet beschikbaar zijn is het nog niet mogelijk om effecten te zien van de energiecrisis of inflatie.
3.3 Kenmerken Krimpenerwaard
van
personen
met
lage
inkomens
in
de
gemeente
In de cijfers van het CBS is het mogelijk een uitsplitsing te maken in kenmerken van de personen met lage inkomens. Het gaat hierbij om: A. De samenstelling van het huishouden B. De leeftijd van de hoofdkostwinner C. De voornaamste inkomstenbron D. Woningbezit De Rekenkamer heeft deze analyse gedaan voor de personen (en betrokken kinderen) met een inkomen tot aan de lage-inkomensgrens.30 Net als in voorgaande paragraaf zijn de resultaten vergeleken met de vier referentiegemeenten. Als bij deze uitsplitsingen de gemeente Krimpenerwaard vergeleken wordt met de vier referentiegemeenten dan zijn er een aantal kenmerken waar de gemeente Krimpenerwaard het hoogst of juist het laagst naar voren komt. Deze worden hieronder beschreven.
A. Samenstelling van het huishouden Bij de huishoudens met een inkomen tot aan de lage-inkomensgrens is een uitsplitsing gemaakt naar het aantal personen in het huishouden en de verdeling volwassenen/kinderen. In de gemeente Krimpenerwaard blijken ten opzichte van de vier referentiegemeenten relatief veel minderjarige kinderen in deze huishoudens te wonen. De gemeente Krimpenerwaard heeft (samen met Maashorst) het hoogste percentage minderjarige kinderen die leven onder de lage-inkomensgrens in een meerpersoonshuishouden, namelijk 4,6%. Ter vergelijking: Overbetuwe heeft daarin met 3,5% het laagste aandeel minderjarige kinderen. Naast de cijfers van het CBS komen er ook een aantal huishoudenskenmerken naar voren uit het rapport ten behoeve van de herijking van het minimabeleid Krimpenerwaard. Van alle éénoudergezinnen met minderjarige kinderen heeft 28 procent een inkomen tot 120% van het sociaal minimum, terwijl dit bij twee-oudergezinnen met minderjarige kinderen 4 procent is.31 Daarnaast blijkt dat huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond 9 keer zo vaak een minimuminkomen hebben dan huishoudens met een Nederlandse achtergrond. Er is hierbij geen vergelijking gemaakt met andere gemeenten.
B. De leeftijd van de hoofdkostwinner De gemeente Krimpenerwaard heeft ten opzichte van de vier referentiegemeenten relatief weinig hoofdkostwinners jonger dan 25 jaar onder de lage-inkomensgrens. Deze bevinding moet wel met voorzichtigheid worden geïnterpreteerd doordat het CBS werkt met afgeronde getallen en de aantallen hier betrekkelijk klein zijn (het gaat om minder dan 50 huishoudens). 30 Dat wil zeggen het ‘strengste’ criterium met het laagste inkomen. De links naar de CBS-data zijn te vinden in
Bijlage 1. Daarnaast heeft de Rekenkamer eenzelfde analyse gedaan op de 110%-grens en zag geen wezenlijke verschillen in uitkomsten. 31 KWIZ (2023), blz. 4. 20
C. De voornaamste inkomstenbron Personen kunnen hun voornaamste inkomen halen uit werk als werknemer/zelfstandig ondernemer of uit een uitkering, ook wel overdrachtsinkomen genoemd. Het overdrachtsinkomen kan worden onderverdeeld in: • Uitkeringen inkomensverzekering (voor werkeloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid en pensioen) • Uitkeringen sociale voorziening (bijstand en overige uitkering sociale voorziening) In de gemeente Krimpenerwaard leven relatief veel personen onder de lage-inkomensgrens met een overdrachtsinkomen. In de gemeente Krimpenerwaard is dit 9,6% (gevolgd door Maashorst met 9,2%). In Goeree-Overflakkee leven relatief de minste mensen met een overdrachtsinkomen onder de lage-inkomensgrens, namelijk 8,4%. Opvallend is het grote aandeel minderjarige kinderen dat in de gemeente Krimpenerwaard onder de lage-inkomensgrens leeft in huishoudens met een overdrachtsinkomen. Dit betreft 56%. In Utrechtse Heuvelrug is dit van de referentiegemeenten het laagst, met 37%.
D. Woningbezit Bij de groepen die leven onder de lage-inkomensgrens wordt een onderscheid gemaakt in woningtype: een koopwoning, een huurwoning met huurtoeslag of een huurwoning zonder huurtoeslag. In de gemeente Krimpenerwaard leven, samen met Utrechtse Heuvelrug, relatief veel minderjarige kinderen uit gezinnen onder de lage-inkomensgrens in een huurwoning zonder huurtoeslag, namelijk 5,4%. In Goeree-Overflakkee is dit het laagst: 2,3%.
3.4 Aantal personen dat gebruikmaakt van regelingen in de gemeente Krimpenerwaard Personen die leven in armoede kunnen gebruikmaken van diverse regelingen zoals bijstand. In deze paragraaf wordt beschreven hoeveel personen in de gemeente Krimpenerwaard gebruikmaken van dergelijke regelingen.
Aantal bijstandsuitkeringen in de gemeente Krimpenerwaard Het aantal bijstandsuitkeringen in de gemeente Krimpenerwaard bedroeg in 2022 ongeveer 660.32 Om dit cijfer in perspectief te plaatsen is ook het aantal bijstandsuitkeringen opgezocht van de vier eerdergenoemde referentiegemeenten uit dit hoofdstuk en dit aantal is gerelateerd aan het inwonertal van 2022. Onderstaande grafiek toont de resultaten.
32 CBS Statline, cijfers 2022. https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/82015NED/table?dl=8EF9E
21
Figuur 3.4: Aantal bijstandsuitkeringen in Krimpenerwaard versus vier referentiegemeenten
Uit bovenstaande grafiek blijkt dat circa 1,2% van de inwoners in Krimpenerwaard een bijstandsuitkering heeft. Dit aantal is vergelijkbaar met de vier referentiegemeenten (daar varieert het tussen de 0,9% en 1,2%).
Gebruik van gemeentelijke regelingen Bij het minimabeleid is de vraag naar het bereik van gemeentelijke regelingen van belang. Hoeveel personen uit de totale doelgroep zijn bekend bij de gemeente en maken op de een of andere manier gebruik van een regeling? In het onderzoeksrapport dat is opgesteld voor de herijking van het minimabeleid in Krimpenerwaard is een schatting gemaakt hoeveel huishoudens er zijn in Krimpenerwaard met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum. Dit is volgens het onderzoeksbureau het meest gebruikte criterium in Krimpenerwaard om in aanmerking te komen voor een gemeentelijke regeling. Onderstaand kader geeft een aantal bevindingen uit het rapport weer. 33 Onderzoeksrapport ten behoeve van herijking minimabeleid Krimpenerwaard 2023 Het aantal minimahuishoudens met een inkomen tot 120% van het wettelijk sociaal minimum in de gemeente Krimpenerwaard wordt geschat op 1.608 huishoudens. Hiervan heeft de gemeente 1.356 huishoudens in beeld, doordat deze huishoudens gebruik maken van een of meerdere regelingen. De overige 252 huishoudens zijn voor de gemeente niet in beeld. Van de 1.356 huishoudens ontvangt: - 44% een uitkering vanuit de Participatiewet - 19% een AOW-uitkering - 37% een overig inkomen. Dit kan bijvoorbeeld een arbeidsongeschiktheidsuitkering zijn of inkomen uit werk.
Uit het rapport blijkt dat de gemeente 84% van de minimahuishoudens in beeld heeft (1.356 van de 1.608 huishoudens).
33 KWIZ (2023)
22
3.5 Samenvattend: bevindingen voor het vervolg Het criterium bepaalt het aantal mensen in armoede Het aantal mensen dat in de gemeente Krimpenerwaard in armoede leeft is afhankelijk van het gebruikte criterium. Op basis van inkomen laten de openbare cijfers zien dat 3,4% tot 7,8% van de inwoners in Krimpenerwaard een risico op armoede hebben door een laag inkomen. Dit komt neer op ongeveer 1900 tot 4300 inwoners. Niet alle inwoners met een laag inkomen maken gebruik van een regeling. Bijvoorbeeld bij de minimahuishoudens maakt 84% gebruik van een gemeentelijke regeling. De Rekenkamer constateert dat er een driedeling is in de groepen die met armoede te maken kunnen krijgen: 1. Lage inkomens die gebruikmaken van regelingen 2. Lage inkomens die geen gebruikmaken van regelingen 3. Midden- en hogere inkomens die geconfronteerd worden met hoge uitgaven De omvang van de eerste groep is redelijk goed in beeld te brengen. De tweede groep kan ingeschat worden door het gebruik van regelingen te vergelijken met het totale aantal lage inkomens. De derde groep is moeilijker in te schatten. Het aantal middeninkomens kan berekend worden, maar niet hoeveel daarvan in (betalings)problemen zitten.
Dit roept voor de beleidsfase van het onderzoek de vraag op hoe de gemeente hiermee omgaat in de uitvoering van haar beleid: welke activiteiten onderneemt de gemeente om de drie groepen in kaart te brengen en het bereik van de regelingen / het armoedebeleid te vergroten? De totale omvang van lage inkomens in de gemeente Krimpenerwaard is vergelijkbaar met soortgelijke gemeenten Krimpenerwaard valt in vergelijking met vier referentiegemeenten in de middenmoot als het gaat om aantal inwoners met een laag inkomen. Het ‘eigene’ aan lage inkomens binnen de gemeente Krimpenerwaard is relatief veel minderjarige kinderen en relatief veel personen met een overdrachtsinkomen Bij de kenmerken van personen met een laag inkomen zijn er twee factoren waar Krimpenerwaard het hoogst naar voren komt ten opzichte van referentiegemeenten:34 − Relatief veel minderjarige kinderen. Daarbij valt op dat veel van hen wonen in een huurwoning zonder huurtoeslag. − Relatief veel personen met een overdrachtsinkomen (een uitkering voor werkeloosheid, bijstand, e.d.).
34 Bijlage 1 bevat koppelingen naar de tabellen van het CBS.
23
4. Ervaringen van organisaties in de gemeente Krimpenerwaard Om te onderzoeken hoe armoede er uit ziet in de gemeente Krimpenerwaard is de Rekenkamer in gesprek gegaan met professionals en vrijwilligers (verder: ‘medewerkers’) die in de gemeente Krimpenerwaard actief zijn om inwoners die in armoede leven te helpen.
4.1 Selectie van organisaties De Rekenkamer heeft in eerste instantie via een internet-zoektocht een lijst samengesteld met mogelijke vindplaatsen van armoede in Krimpenerwaard, namelijk organisaties waar inwoners een hulpvraag zouden kunnen doen in het kader van armoede (zie Bijlage 2). Uit die lijst zijn een aantal vindplaatsen geselecteerd op basis van de volgende criteria: 1. Spreiding in groepen personen die bereikt worden (lage inkomens die wel/niet gebruikmaken van regelingen of niet-lage inkomens die geconfronteerd worden met hoge uitgaven). 2. Spreiding in organisaties die hulp als primaire taak hebben versus organisaties die armoede bestrijden als afgeleide taak op zich hebben genomen. Er hebben 10 interviews plaatsgevonden, met de volgende organisaties: 1. Bibliotheek Krimpenerwaard 2. Kerk 3. Kwadraad 4. Leger des Heils 5. Stichting Budgethulp Krimpenerwaard 6. Stichting Leergeld, Afdeling Zuid-Holland Midden 7. SUN (Stichting Urgente Noden) 8. VluchtelingenWerk 9. Voedselbank IJssel en Lek 10. WelZijn Bezoek Voedselbank locatie Lekkerkerk Elk interview is gehouden door twee onderzoekers vanuit de Rekenkamer. Van de interviews zijn (vertrouwelijke) verslagen gemaakt die ter goedkeuring aan de gesprekspartners zijn voorgelegd.
4.2 Inwoners in Krimpenerwaard in armoede De medewerkers en vrijwilligers (verder ‘medewerkers’) die de Rekenkamer heeft gesproken benaderen inwoners vanzelfsprekend steeds vanuit een andere invalshoek, omdat ze vanuit andere organisatiedoelstellingen en taken met inwoners te maken hebben. Hun verhalen waren dan ook zeer divers en hebben veel inzicht gegeven in hoe armoede er in Krimpenerwaard uit ziet. De zaken die in meerdere interviews genoemd werden heeft de Rekenkamer onderstaand samengevat. De Rekenkamer heeft aan alle medewerkers gevraagd of ze een aantal geanonimiseerde casusbeschrijvingen konden geven van inwoners in Krimpenerwaard die leven in armoede. In onderstaande secties is daarvan een bloemlezing opgenomen, weergegeven in blauwe kaders. De Rekenkamer heeft daarbij gebruik gemaakt van fictieve namen en achtergrondkenmerken. In de gesprekken vestigden de medewerkers de aandacht op een aantal relevante aspecten van armoede zoals zij die in de Krimpenerwaard ervaren en van belang achten om kennis van te nemen voor het beleid. In de navolgende subparagrafen gaat de Rekenkamer in op deze aspecten.
24
Oorzaken van armoede Meervoudige problemen De oorzaak van armoede is divers en vaak is er sprake van meerdere oorzaken tegelijkertijd. Meestal is er sprake van schulden. Daarnaast kunnen de oorzaken van armoede liggen in psychische of fysieke problemen, maar ook werkloosheid of relationele problemen. De medewerkers moeten vaak goed doorvragen om de gehele problematiek in kaart te brengen.
Casus Het echtpaar Pietersen heeft een bijstandsuitkering. Er zijn schulden, die aantal jaar geleden zijn ontstaan na een ongeluk tijdens het werk. De heer Pietersen is niet meer in staat zijn oude werk te hervatten. De heer Pietersen had lange tijd hoop nog een baan te vinden waarmee hij de situatie ten goede zou kunnen keren. Mevrouw Pietersen is ernstig ziek wat veel extra zorgkosten met zich mee brengt. Alle ellende leidt tot steeds verder oplopende schulden. De heer Pietersen kan de trap nauwelijks meer op en af. Ze huren een woning waar sprake is van fors achterstallig onderhoud. De tocht in de woning maakt de gezondheidstoestand van de heer en mevrouw Pietersen er niet beter op. Vanwege de schulden dreigt nu het water afgesloten te worden.
Casus Kees is na een scheiding op straat komen te staan. Er is een vermoeden van een licht verstandelijke beperking. De vrouw van de man deed altijd de administratie. Kees zit nu in bewindvoering vanwege schulden.
Bij gezinnen gaat het vaak om het stuklopen van de relatie waarna de kinderen komen te wonen bij een alleenstaande ouder.
Casus Carla is gescheiden. Haar twee kinderen blijven bij haar wonen, maar het huis waarin ze als gezin woonden wordt verkocht. Carla moet meer gaan werken om een nieuwe woonruimte te kunnen betalen en in hun levensonderhoud te voorzien. Het lukt niet om een passende woonruimte te vinden met hun budget. Carla trekt met haar kinderen in de garage van opa en oma. Daar wonen ze uiteindelijk twee jaar.
Onduidelijke overheidsprocedures In Nederland zijn er veel systemen, regels, procedures en formulieren. Voor laaggeletterden zijn deze soms lastig te begrijpen. Sommige brieven van de overheid worden niet begrepen door lastig taalgebruik. Hierdoor laten inwoners toeslagen liggen of krijgen boetes door niet (op tijd) te betalen. Daar komt bij dat laaggeletterden voor hulp vaak moeilijk te bereiken zijn. Voor mensen voor wie Nederlands niet de eerste taal is, is het soms helemaal lastig de regels en brieven te begrijpen.
25
Casus Ali is 55 jaar en is een niet-Westerse statushouder. Hij is laag opgeleid en heeft een taalachterstand. Hij heeft oorlogstrauma’s opgelopen in zijn land van afkomst. Hoezeer hij zich ook inspant, door zijn leeftijd en taalachterstand komt hij niet aan een baan.
Inwoners met een niet-Nederlandse achtergrond komen soms uit een land waarbij de overheid niet, minder of anders actief is. De eerste stap voor organisaties is dan om deze inwoners te wijzen op wat instanties in Nederland doen. In de interviews wordt verder gesteld dat vaak moet worden uitgelegd dat er een ‘lusten en lasten’ systeem is. De lusten (inkomsten) dienen vaak vergezeld te gaan van bewijzen van uitgaven (bonnetjes). Als mensen deze niet kunnen overleggen kan dit leiden tot terugbetaling. De ervaring van medewerkers is dat mensen met een niet-Nederlandse achtergrond soms geen weet hebben van het bestaan van lasten ten behoeve van publieke voorzieningen, zoals waterschapslasten. Als mensen daar geen rekening mee houden kan dit leiden tot schulden. Aanvragen worden door inwoners als lastig ervaren Er zijn diverse ‘barrières’ bij het doen van een aanvraag voor een voorziening. De eerste betreft de vindbaarheid: bij welke organisatie kan men terecht en wat moet men doen om ervoor in aanmerking te komen? In de gemeente Krimpenerwaard zijn er veel regelingen en uiteenlopende organisaties. Bij sommige organisaties kan een inwoner rechtstreeks aankloppen; bij andere organisaties gaat dat via een hulpverlener. De tweede barrière betreft het invullen van de benodigde formulieren voor een aanvraag. De taalvaardigheid van inwoners speelt daarin een belangrijke rol.
Daarnaast moeten er vaak veel extra stukken bijgevoegd worden, zoals salarisspecificaties en bankafschriften. Sommige inwoners zijn bang dat ze bepaalde bedragen later weer moeten terugbetalen en beginnen daarom niet aan een aanvraag.
Eenmaal in de situatie van armoede: schaamte en stress zorgen voor een negatieve spiraal Schaamte Diverse medewerkers geven aan dat de armoede-problematiek in de gemeente Krimpenerwaard groter is dan dat zij zien. Dit komt deels door schaamte van de inwoners. Armoede gaat gepaard met oordelen vanuit de sociale omgeving. Een aantal medewerkers noemt daarbij het hebben van een auto of huisdieren, wat in de ogen van sommigen ‘niet kan’ als je in armoede leeft. Bang voor de oordelen van anderen proberen inwoners die in armoede leven de feitelijke armoede te verhullen.
Casus Herman krijgt een huisbezoek van een hulpverleningsorganisatie. Het valt de hulpverlener op dat het er in huis armoedig uitziet (onder andere een kapot en versleten bankstel). De hulpverlening merkt op dat er mogelijkheden zijn voor hulp. Daarop antwoordt Herman gepikeerd dat hij gewoon zuinig is met geld uitgeven.
Sommige kinderen in armoede hebben mooie trainingspakjes aan. Kleding van kinderen is voor mensen vaak een laatste bezuinigingspost vanwege de grote sociale gevolgen. Mensen denken soms dat ze hun schuld zelf wel kunnen wegwerken: het niet betalen van de huur valt op, maar het niet betalen van de zorgverzekering is redelijk abstract. Mensen in een situatie van armoede proberen zo anoniem te blijven in hun armoede. Het effect is doorgaans weer meer schulden. 26
Casus Jan-Peter leed al jaren aan een gokverslaving. Hoewel hij een prima baan had, kon hij vanwege zijn psychische problemen het gokken niet laten. Op enig moment raapte hij al zijn moed bij elkaar en bracht hij met een beetje hulp zelf alles in kaart: inkomsten, uitgaven, schulden. Dit leverde een zeer gestructureerd en doordacht overzicht op zijn situatie op, een belangrijke eerste stap in het hulpverleningstraject. Al snel komt de hulpverleningsorganisatie erachter dat er toch weer bedragen van € 1.500 tot € 2.000 missen in het uitgavenoverzicht. Het hulptraject slaagde dan ook niet en Jan-Peter kreeg al snel ontslag van zijn werkgever, waardoor zijn situatie verslechterde.