CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Nota beantwoording zienswijzen ontwerp bestemmingsplan Binnenstad Schoonhoven 090721.pdf (aangepast nav behandeling commissie)

Raadsvergadering 14 juli 2021, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan Binnenstad Schoonhoven7.340 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota beantwoording zienswijzen ontwerp bestemmingsplan Binnenstad Schoonhoven Versie: 9 juli 2021 Van 21 september 2020 tot en met 2 november 2020 heeft het ontwerp bestemmingsplan Binnenstad Schoonhoven ter inzage gelegen. In deze periode zijn 12 reacties ontvangen. Mede naar aanleiding daarvan is nader overleg geweest met twee van de indieners ter verduidelijking en afstemming. De reacties worden hierna behandeld. In het algemeen kan geconcludeerd worden dat het doel van het nieuwe bestemmingsplan, het mogelijk maken van passende ruimtelijke initiatieven met behoud van de (cultuurhistorische) kwaliteiten, breed wordt gesteund. De reacties betreffen 1 vooroverlegreactie en 11 zienswijzen. De vooroverlegreactie is ingediend door Rijkswaterstaat. De volgende zienswijzen zijn verder ingediend: 1. Stichting open jeugd en jongerenwerk Schoonhoven (reclamant 1) 2. De heer Ouweneel (reclamant 2) 3. Bewoners het Klooster Schoonhoven (reclamant 3) 4. Slangen + Koenis architecten (reclamant 3) 5. Historische Vereniging Schoonhoven (reclamant 4) 6. De heer Elshof (reclamant 5) 7. Stedenbouwkundig adviesbureau Verstoep mede namens 4 partijen (reclamanten 7,8,9,10 en 11) Vooroverlegreactie Rijkswaterstaat 1.

Alvorens niet-riviergebonden bouwwerken op het DIKA terrein gerealiseerd kunnen worden moet er een plan voor duurzaam rivier verruimende maatregelen ter goedkeuring aan de waterbeheerder te worden voorgelegd. 2. Graag toevoegen dat een omgevingsvergunning kan worden afgegeven als een positief advies door de waterbeheerder is afgegeven. Reactie 1. De planvorming voor DIKA betreft de ruimtelijke inpassing daarvan. De rivierverruimende maatregelen dienen te voldoen aan de door Rijkswaterstaat gestelde en te stellen eisen. Het overleg en de goedkeuring door Rijkswaterstaat staan los van de ruimtelijke inpasbaarheid. 2. Het bestemmingsplan voorziet hierin. Conclusie 1. De zienswijze onder 1 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. Wel is de formulering omtrent de rivierverruiming aangepast. 2. De zienswijze onder 2 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. Reclamant 1 Betrokkene maakt de volgende opmerking 1. In de planvorming voor de Spoorzone is geen rekening gehouden met een vervangende ruimte voor de jeugdsoos van de Gereformeerde Gemeente. Reactie 1. De jeugdsoos is ondergebracht in een van de gemeente gehuurde ruimte in het Transformatiegebied Spoorzone.

Ook deze gebruikers zijn reeds bij de start van het haalbaarheidsonderzoek naar de gebiedsontwikkeling geïnformeerd over dit voornemen en de onmogelijkheid om daarbinnen ruimte in te passen voor de soos. De gemeente zal zich blijven inspannen een vervangende ruimte voor de jeugdsoos te vinden maar het feit dat er geen vervangende ruimte is weegt niet op tegen het belang van de herontwikkeling. Conclusie 1. De zienswijze onder 1 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen.

Reclamant 2 1. Betrokkene maakt bezwaar tegen het flexibiliseren van de maximale bouwhoogte in het algemeen en Spoorzone in het bijzonder. 2. Op de N210 geldt ter hoogte van de bebouwde kom een snelheidslimiet van 60km/u in plaats van 50 km/u. Dit heeft gevolgen voor de uitgevoerde geluidsberekening voor DIKA en Spoorzone. 3. De beoogde bebouwing van het DIKA-terrein sluit niet aan bij identiteit, aard en schaal van Schoonhoven. Reactie 1. De hoogte van nieuwe gebouwen en bouwwerken is evenals aard en schaal (korrelgrootte) een belangrijk aandachtspunt maar voorbeelden uit het verleden maken duidelijk dat de bestaande hoogte niet altijd goed uitkomt. Bovendien blijkt uit het verleden dat ook een hoger gebouw/bouwwerk, waarbij van tevoren niet is te zeggen wat de maat precies zal zijn, als ruimtelijk passend wordt beoordeeld. Het vooraf fixeren van een ‘vaste’ hoogte leidt tot een schijnzekerheid omdat dan alsnog maar al te vaak op redelijke gronden moet worden afgeweken zonder de belangen en het gebruik van omliggende gronden onevenredig te schaden. In dit plan zijn daarom ‘zachte’ beoordelings- en procesregels opgenomen om de inpassing te begeleiden zodat de maat, aard en schaal op een zorgvuldige wijze worden afgestemd op de ruimtelijke structuur in die lokale situatie. Zie met name artikel 3, 4, 5 in relatie met 32.3.

Het overzicht van de historische gevels en kappen voor de historische binnenstad is als referentie opgenomen. In dit proces is een zorgvuldige belangenafweging door burgemeester en wethouders mogelijk. 2. Per abuis wordt in de tekst alleen gesproken over 50 km/u. In de berekening is echter al rekening gehouden met 3 snelheden: 80 km/h voor het gedeelte tot de Pleinweg, 60 km/h tot het DIKA-terrein en 50 km/h voor het deel tot de veerpont. De resultaten en de hogere waarden zijn dus goed opgenomen. De tekst zal gecorrigeerd worden. 3. De beoogde transformatie voor het DIKA-terrein dient qua aard, schaal en maat passend te zijn. Daarvoor zijn in het bestemmingsplan beoordelingsregels opgenomen. De inpassing van de schoorsteen (23 m boven lokaal maaiveld) is daarbij leidend.

Conclusie 1. De zienswijze onder 1 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 2. De zienswijze onder 2 geeft aanleiding de paragraaf over het geluidsonderzoek redactioneel aan te passen maar dit leidt niet tot heroverweging van dit onderdeel van het plan. 3. De zienswijze onder 3 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. Wel zijn de beoordelingsregels aangescherpt maar de oogmerken voor de DIKA locatie zijn niet veranderd. Reclamant 3 1. Betrokkene vraagt aandacht voor het volbouwen van tuinen en intensiveren van bouwvlakken. 2. Betrokkene vraagt aandacht voor het coördineren van aanvragen met het oog op het benutten van de parkeercapaciteit in en om de kern. 3. Betrokkene vraagt wat de status van het participatieverslag is in het kader van het voorbereiden van nieuwe initiatieven. Reactie 1. De regeling voor aan en bijbouwen is aangepast aan de landelijke wetgeving. Ven belang is met name dat zulke plannen zorgvuldig moeten worden voorbereid door met de buren te overleggen zodat rekening kan worden gehouden met hun eventuele wensen en het plan beter zal ‘landen’. Dat is ten eerste een verplichting van de initiatiefnemer zelf. Op grond van de regeling in dit bestemmingsplan dient van deze preparticipatie een verslag te worden gemaakt zodat het college in staat is een zorgvuldige belangenafweging te maken. Zie verder de reactie bij punt 3. 2.

De aanvragen voor intensivering van bebouwing kan na saldering met de parkeerbehoefte van bestaande functies alsnog leiden tot een extra parkeervraag in de omgeving (tot 500 meter om de ontwikkeling heen) als in het plan redelijkerwijs onvoldoende parkeerplaatsen

kunnen worden gerealiseerd. Hiervoor dienen initiatiefnemers een verkenning uit te voeren die bij de gemeente in samenhang met andere aanvragen kunnen worden beoordeeld. 3. In artikel 5 van het bestemmingsplan wordt geregeld dat een initiatiefnemer voorafgaand aan een wijziging in de fysieke leefomgeving waarvoor op grond van dit plan een vergunningsplicht geldt, de eigenaren en gebruikers van de aanliggende percelen moet consulteren over de wijzigingen. Daarvan moet een verslag overlegd te worden waaruit blijkt op welke wijze invulling is gegeven aan de raadpleging en waaruit blijkt wat is gedaan om eventuele zorgen en bezwaren weg te nemen. Het doel van deze vroegtijdige participatie is een project zonodig vroegtijdig al te verbeteren en voorts in tweede instantie een zorgvuldige belangenafweging door het bevoegd gezag mogelijk te maken. Het bevoegd gezag betrekt daartoe de uitkomsten van de participatie in haar besluitvorming. De manier van buurtoverleg en de verslaglegging daarvan zijn wel vormvrij. De initiatiefnemer heeft er echter weinig aan om vragen en zorgen te verzwijgen omdat de betrokkene altijd het recht heeft naderhand zienswijzen bij het college in te dienen dan wel in bezwaar of beroep te gaan.

Het bevoegde gezag kan dan in het uiterste geval de vergunning intrekken omdat zij niet in staat is gesteld een zorgvuldige belangenafweging over het projectplan te maken. Het bevoegd gezag heeft overigens ook zelf vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid een onderzoeksplicht en zal bij twijfel kunnen nagaan of vragen en zorgen die leven in de directe omgeving zijn meegenomen in het verslag. Indien daartoe aanleiding bestaat zal ambtelijk met de eigenaren en gebruikers van de aanliggende percelen direct contact worden opgenomen om bijvoorbeeld uitleg te vragen. Verwacht wordt dat deze werkwijze leidt tot betere projecten, minder conflicten en minder lange procedures. Conclusie 1. De zienswijze onder 1 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 2. De zienswijze onder 2 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 3. De zienswijze onder 3 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. Reclamant 4 1. Is voor de herontwikkeling van het DIKA-terrein de omschrijving van het maximale programma juist (bouwvolume)? 2. Is de toevoeging dat de massa voor het DIKA-terrein met 10% kan worden overschreven nodig omdat ook al toestemming van RWS nodig is? 3. Kunnen de stedenbouwkundige maten worden aangepast in een % te bebouwen oppervlak en maximale hoogte om meer flexibiliteit voor het ontwerp als gevolg van voortschrijdend inzicht mogelijk te maken? 4.

Kan de positie van het bouwvlak flexibel worden gemaakt om de vormgeving te optimaliseren met het oog op de doelstellingen van de transformatie? 5. Is het genoemde aantal woningen van 30 nodig omdat het bouwvolume al is gemaximeerd? Daarbinnen kunnen b.v. ook 60 kleinere woningen worden gerealiseerd. 6. Moet een verblijfsgebied in het dakvlak boven nieuwbouw ook groen zijn? 7. Is het mogelijk het perceel ten oosten van het DIKA-terrein -deels- in de transformatie te betrekken? Reactie 1. Nee de beschrijving is niet juist maar de intentie verandert niet. Inmiddels zijn ook de stedenbouwkundige regels en het transformatiegebied naar aanleiding van nieuwe inzichten over de situering en de ruimtelijke inpassing en na overleg met de Historische Vereniging enerzijds en de ontwikkelaar anderzijds aangescherpt. De beoordelingsregels zijn hierop aangepast. 2. Ja, deze toevoeging is relevant voor de bestaande situatie en toegevoegd naar aanleiding van de overlegreactie van Rijkswaterstaat. 3. Deze suggestie wordt niet overgenomen omdat het ontwikkelingsgebied niet definitief is begrensd. In de regels worden een bruto vloer oppervlak en een bouwhoogte opgenomen. 4. De inpassing van het nieuwe bouwvlak is flexibel, zie 26.5.1. Het genoemde bouwvlak slaat alleen op de bestaande situatie. 5.

Het genoemde aantal van 30 woningen betreft het aantal waarvoor met dit bestemmingsplan een hogere waarden wordt vastgesteld. Er zijn dus meer woningen mogelijk, mits deze geluidluw gerealiseerd worden. Gezien de uitbreiding van het transformatiegebied naar het

oosten en de afstand tot de provinciale weg is het aantal woningen met een hogere waarde aangepast. 6. Nee, het dakvlak bovenop de nieuwbouw (niet zijnde het woondek) kan naast duurzaamheidsvoorzieningen ook benut worden voor energievoorzieningen. 7. Deze suggestie wordt mede op aanraden van de Historische Vereniging overgenomen. Het transformatiegebied wordt hierdoor vergroot. Conclusie 1. Voor de herontwikkeling van het DIKA-terrein wordt de omschrijving van het maximale programma verbeterd (niet gewijzigd). 2. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 3. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 4. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 5. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 6. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 7. Het perceel ten oosten van het DIKA-terrein wordt in het transformatievlak betrokken met het oog op een optimale invulling van de opgaaf. Reclamant 5 1. Vertrekpunt van het nieuwe bestemmingsplan voor de binnenstad is dat de initiatiefnemer verantwoordelijk is voor het overleg met omwonenden en eventuele andere belanghebbenden over de ruimtelijke inpassing van een plan. Dit is naïef. De cultuurhistorie is in het geding en zal daarbij opzij geschoven worden. 2.

Waarom is de cultuurhistorische waardenkaart niet opgenomen als beoordelingskader? 3. De toetsing van nieuwe initiatieven is subjectief. 4. Onduidelijk is hoe de verslaglegging van de omwonenden moet worden verwerkt en wat de rol is van het overleg in het kader van de beoordeling. 5. De bouwhoogte tot 27 meter voor de DIKA locatie past niet bij de plek. 6. Waarom is de naastliggende parkeerplaats niet in de transformatie van DIKA betrokken. 7. Wat betreft: Spoorzone, waarom is in de randvoorwaarden geen ondergronds parkeren opgenomen? De in het ontwerpplan beoogde hoogtes passen niet bij de plek. 8. Waarom is het beschermd stadsgezicht niet uitgebreid naar de westzijde van de oude stad? 9. In artikel 4.2.1.b wordt bepaald dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen ter versterking van de cultuurhistorische waarden. Waarom is er niet voor gekozen hiervan een bindend voorschrift te maken? 10. In de artikelen 6 en 7 worden doelstellingen en bouwregels gegeven voor de inpassing van voorzieningen voor duurzaamheid, natuurinclusiviteit en klimaatadaptatie. Het is onvoldoende duidelijk dat de inpassing van deze voorzieningen bij strijdigheid ondergeschikt is aan de ambities ten aanzien van de binnenstad en de cultuurhistorische waarden zoals opgenomen in de artikelen 3 en 4. 11. In artikel 14.3 moet de verwijzing 14.2 onder 2 zijn 14.2 onder b. 12. In artikel 19.2.2.

moet een onderverdeling worden gemaakt tussen het afwijken ten behoeve van rijksmonumenten en de bijbehorende gebouwen en overige (hoofd)gebouwen in de binnenstad. Reden is dat de wijziging van een rijksmonument en bijbehorende gebouwen altijd een uitgebreide procedure is. 13. Geadviseerd wordt aan de hand van een aantal casussen de toepassing van het bestemmingsplan voor de binnenstad met raadsleden en CRK door te nemen. Reactie 1. Dit is niet juist. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het project en het overleg met de omgeving maakt daar onderdeel van uit. Het nieuwe bestemmingsplan heeft daarom een procesgericht karakter en is mede gebaseerd op het uitgangspunten dat de initiatiefnemer wordt uitgedaagd een plan op te stellen dat ruimtelijk goed past in de lokale structuur in overleg met de omgeving. Maar al te vaak waren plannen in het verleden al helemaal uitgekristalliseerd in overleg met de gemeente (monumenten en welstand). De buurt kreeg daarna het woord terwijl zij er 30 jaar en meer mee te maken krijgen. Vervolgens wordt het mede gezien de geleverde inspanningen en compromissen lastig weer terug te schakelen. Die situatie willen wij voortaan zoveel mogelijk voorkomen. Dat betekent niet dat de cultuurhistorische waarden een ondergeschikte rol spelen.

Wij zijn er van overtuigd dat de opzet van het bestemmingsplan leidt tot goede plannen die én cultuurhistorisch verantwoord

zijn én door de aanwonenden omarmd zullen worden omdat zij vroegtijdig zijn benaderd. De initiatiefnemer zal merken dat het beter is om naar de omgeving te luisteren en het plan waar mogelijk te verbeteren, omdat belanghebbenden zich in tweede instantie in het kader van de verplichte gemeentelijke inspraakprocedure toch tot de gemeente kunnen wenden . 2. De wetgever biedt nu al diverse mogelijkheden om buitenplans nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Omdat hier geen toetsingskaders bij genoemd zijn, staat de gemeente qua beoordeling en sturing vaak op een achterstand. Met dit nieuwe bestemmingsplan wordt flexibiliteit geboden aan ontwikkelingen die te verwachten zijn, maar worden wel de kaders vastgelegd in de vorm van proces en beoordelingsregels, doelstellingen en waarden. Dat betekent met name én overleg met de omgeving én respect voor cultuurhistorische waarden. 3. In de regeling wordt naar aanleiding van deze zienswijze de cultuurhistorische waardenkaart als beoordelingskader genoemd. De kaart wordt als bijlage bij de regels gevoegd. Als een plan wordt ingediend moet dit door de initiatiefnemer worden onderbouwd aan de hand van de beoordelingsregels. Indien in de motivering onderdelen onderbreken wordt om een aanvulling gevraagd. Waar nodig faciliteert de gemeente daarbij.

De door de initiatiefnemer ingediende motivering, aangevuld met het participatieverslag en het advies van de welstand wordt met het oog op de belangenafweging voorgelegd aan het college. Niet wordt ingezien dat deze aanpak subjectief is. 4. Het vroegtijdig overleg met de omwonenden zorgt naar onze mening voor een betere voorbereiding. Het verslag maakt het mogelijk dat het bevoegd gezag een zorgvuldige belangenafweging kan maken. 5. Nee. De massa voor de herontwikkeling van het DIKA complex is begrensd door het aantal m2 bruto oppervlak. Er is gezien de prominente plek en de functie voor gekozen in deze entree een iconisch accent op te nemen. Alles hangt daarbij af van het ontwerp dat aan de hand van de regels wordt opgezet en beoordeeld. Wij zijn ervan overtuigd dat een ‘hedendaagse’ Landmark passend kan zijn. 6. Deze suggestie wordt overgenomen en de naastliggende parkeerplaats P2 wordt in het transformatiegebied opgenomen waarbij het totale programma hetzelfde blijft. De ruimte tussen DIKA en de dijk wordt vrij gehouden voor andere toekomstige mogelijkheden zoals het eventueel uitbreiden van de begraafplaats. 7. Onderzocht is of ondergronds parkeren voor de locatie Spoorzone haalbaar is. Dit is niet het geval. De hoogtes van het plan variëren. Maximum en minimum sluiten aan bij de omgeving en leveren geen onevenredige schade voor de belangen van derden op. 8.

Het planologisch regime van het beschermd stadsgezicht geldt binnen de gehele ster/wallen. 9. De impact van een nieuw initiatief wisselt van geval tot geval afhankelijk van omvang, aard en ligging. Indien de uitstraling van ondergeschikte aard is, is het (pre)advies van de Commissie ruimtelijke kwaliteit voldoende. 10. Niet wordt ingezien dat de ondergeschikte betekenis van de doelstellingen voor duurzaamheid, natuurinclusiviteit en klimaatadaptatie onduidelijk is. Overigens is het niet wenselijk om de ondergeschiktheid absoluut te maken. Het college zal van geval tot geval bij strijdigheid een afweging moeten kunnen maken. 11. Artikel 14.3 wordt gecorrigeerd. 12. De toe te passen vergunningprocedure voor monumenten is geregeld in de Wet administratieve bepalingen omgevingsrecht (b.v. artikel 2.1, eerste lid onder f, juncto 3.10, eerste lid, onder d, Wabo) zodat er geen onderscheid hoeft te worden gemaakt in artikel 19.2.2. 13. De opzet met open normen en procesmatige aanpak van projecten is reeds aan de hand van casussen aan de raad gepresenteerd.

Conclusie 1. De zienswijze onder 1 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 2. De zienswijze onder 2 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 3. De zienswijze onder 3 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 4. De zienswijze onder 4 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 5. De zienswijze onder 5 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 6. De parkeerplaats P2 wordt opgenomen in het transformatiegebied. Mede hierdoor kan de maximale hoogte van de nieuwbouw worden verlaagd tot maximaal 22 meter gerekend vanaf het maaiveld en blijft daarmee onder de hoogte van de beeldbepalende schoorsteen (23 m). 7. De zienswijze onder 7 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen.

8. De zienswijze onder 8 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 9. De zienswijze onder 9 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 10. De zienswijze onder 10 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 11. De verwijzing in artikel 14.3 wordt gecorrigeerd. 12. De zienswijze onder 12 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen 13. De zienswijze onder 13 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen.

Reclamant 6 1. Betrokkene wijst op de lopende behandeling van een beroepschrift van de buurman tegen de afwijkende hoogte van zijn nieuwbouwpand aan de Havenstraat 4 (8,4 meter). De vergunning is verleend met toepassing van het kruimelbeleid. Betrokkene gaat er van uit dat de beleidsregels ten tijde van de behandeling van de aanvraag leidend blijven. 2. Betrokkene heeft een principe-aanvraag ingediend voor de herbouw van Koestraat 10 en 12. De daar toe te passen goothoogte sluit aan bij de historische situatie. Betrokkene gaat er van uit dat de regels ten tijde van de indiening van de aanvraag leidend zijn. Reactie 1. Gezien het jaar van behandeling van de aanvraag (2018) is dit correct. 2. De principe-aanvraag dateert uit 2017 maar is niet vervolgd met een aanvraag omgevingsvergunning. Aan de uitspraak over een principe-aanvraag kunnen geen rechten worden ontleend zoals ook aanvrager weet. Indien te zijner tijd alsnog een omgevingsvergunning zou worden aangevraagd wordt deze beoordeeld op grond van het dan geldende bestemmingsplan. Conclusie 1. De zienswijze onder 1 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 2. De zienswijze onder 2 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. Reclamant 7 1. Betrokkene onderschrijft de intenties om met een nieuw plan de dynamiek in de binnenstad te bevorderen. 2.

Betrokkene vraagt zich af of de gekozen opzet met aanduidingen het plan leesbaar maakt. 3. Hebben de bouwvlakken een status in het bestemmingsplan? 4. Niet overal is een bouwvlak aangegeven of sluit het bouwvlak niet aan bij de situatie. Concreet: de woningen aan de Wal, de Molenstraat van het plan de ‘plateelfabriek’, cafetaria de Veerpoort, Eethuis de Waag, wooncomplex de Zevender aan de Jan Kortlandstraat, muziektent Spingerpark, Lopikerstraat 44-46 (bouwvlak is groter dan getekend), Koestraat 4 (bouwvlak komt niet overeen met de situatie). Is het plan wel voldragen genoeg om te worden vastgesteld? 5. Lopikerstraat 81 heeft geen functieaanduiding. 6. Het pand Lopikerstraat 75 is onder de bestemming wonen gebracht terwijl er een restaurant gevestigd is met een terras (het terras is wel bestemd). Is dit een bewuste keuze? 7. Groene Singel 12 is een dienstwoning, waarom is deze niet bestemd? 8. Er is veelvuldig gebruik gemaakt van het overgangsrecht voor: Koestraat, Lange Weistraat, Kerkstraat, Havenstraat, Doelenplein, Lopikerstraat en Voorhaven. Dit is alleen toegestaan als er binnen de planperiode van het plan zicht is op het beëindiging van het gebruik. Dit is in de toelichting niet onderbouwd. 9. De aan en bijbouwen zijn in het plangebied teruggebracht tot maximaal 50% van het achtererf met een maximum van 30m2.

Dat betekent dat grotere uitbreidingen onder het overgangsrecht worden geplaatst terwijl er binnen de planperiode geen zicht is op beëindiging van de overschrijding. 10. In artikel 1.24 (cultuur en ontspanning) is geen definitie opgenomen. 11. Voorgesteld wordt voor gebouwen die met de hoofdtoegang niet direct aan de openbare weg liggen het ter plaatse afgewerkte maaiveld als peil te beschouwen. 12. Bij de toepassing van artikel 3.2.3 (parkeerbalans) dient bij het bepalen van de benodigde parkeercapaciteit de parkeerbehoefte van de bestaande functie(s) te worden betrokken (saldering).

13. In artikel 19 worden de mogelijkheden voor uitbreiding van gebouwen beperkt waardoor de inpassing van inpandige voorzieningen voor duurzaamheid (warmte, energieopwekking) worden beperkt. Gevraagd wordt om een flexibele regeling. 14. In artikel 19.2.2 wordt bepaald dat de dak en goothoogte, dakhelling, dakvorm en nokrichting van (nieuwe) gebouwen moet aansluiten bij de aangrenzende bebouwing. Betekent dit dat afwijkende maten niet meer toegestaan zijn en hoe wordt omgegaan met verschillende hoogtes aan beide zijden? 15. In artikel 19.6 wordt bij ondergronds bouwen een afwijking van 5% ten opzichte van de bestaande omtrek ten behoeve van daglichttoetreding en ventilatie toegestaan. Dit is te weinig. Ook is niet voorzien in een regeling voor de toegang van de ondergrondse ruimten. Reactie 1. Van deze zienswijze wordt met genoegen kennis genomen. 2. Elke systematiek heeft voordelen en beperkingen. Gebleken is dat de dynamische aanduidingen op de digitale kaart ook de geïnteresseerde leek helpt om de relevante informatie te vinden. 3. Ja, de bouwvlakken hebben een status in het bestemmingsplan. Bouwvlakken zijn opgenomen op de plankaart. In principe zijn de plankaarten uit het vigerende bestemmingsplan overgenomen. Meer specifiek: -Artikel 19.2.1 gaat over nieuwe hoofdgebouwen buiten de historische binnenstad.

Daarvoor geldt dat hoofdgebouwen binnen een bouwvlak moeten worden gebouwd. Daarbij is maatvoering (bouwhoogte) opgenomen. Deze regeling is overgenomen uit het geldende plan. Als hieraan kan worden voldaan, kan bouwvergunning verleend worden. -Artikel 19.2.2 gaat over hoofdgebouwen in de historische binnenstad. Hierin staat dat nieuwe hoofdgebouwen alleen mogen worden gebouwd met een afwijking. Daarbij geldt dat een hoofdgebouw inpasbaar moet zijn. Als eis is opgenomen dat hoofdgebouwen in het bestaande bouwvlak gebouwd of uitgebreid moeten worden. Daarbij is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om het bouwvlak te overschrijven. Daarbij is onder andere als regel opgenomen dat de overschrijding ondergeschikt moet zijn. Hiermee is de footprint van het gebouw bepaald. 4. Ja, het bestemmingsplan is voldragen. De bouwvlakken zijn ingetekend op basis van het vigerende bestemmingsplan en de verleende vergunningen. De muziektent is een paviljoen en geen gebouw. De hoogte is nu opgenomen. Bij de Koestraat 4 is formeel sprake van bijgebouwen die buiten het bouwvlak zijn opgericht. Als gevolg van bestaand recht kunnen de bestaande contouren ook bij nieuwbouw een uitgangspunt zijn hoewel de intentie is de afwijking zo klein mogelijk te houden. 5. Correct, dit is aangepast. 6. Ja dit is een bewuste keuze.

Het pand Lopikerstraat 75 ligt in afwijking van de Lopikerstraat 81 aan de Lopikerstraat zelf en hiervoor is in het kader van de ambities gekozen voor een woonprofiel, met dien verstande dat het bestaande gebruik kan worden voortgezet. Verandering kan daarmee langs de weg van de geleidelijkheid plaats vinden. 7. Correct, dit is aangepast. 8. Dit is niet correct. Het bestaand gebruik (in de actuele of vergelijkbare vorm) is ook positief bestemd. Als evenwel het bestaand gebruik een jaar of langer wordt onderbroken vervalt dit recht. 9. Bestaande aan- en bijbouwen kunnen worden gehandhaafd maar bij nieuwbouw (anders dan noodzakelijke renovatie) zullen de nieuwe regels gelden. Overigens kan met toepassing van artikel 32.3 van het nieuwe plan in een concrete situatie maatwerk worden geleverd mits met name passend in de omgeving en in overleg met de omgeving. De regeling voor bij- en aanbouwen wordt aangepast aan de rijksregeling. 10. Correct, wordt gecorrigeerd. 11. De regeling voorziet hierin. 12. Dit is juist en is in de beoordelingsregels meegenomen. 13. De nieuwe regeling voorziet in de mogelijkheid om voor ondergeschikte onderdelen af te wijken van de regels. 14. De regeling is gestoeld op het Omgevingsdenken 2.0. Daarin is sprake van een ‘open’ beoordelingskader met zachte normen.

Harde normen zoals vast hoogtes zijn op grond van het verleden niet werkbaar gebleken omdat in de praktijk vaak wordt afgeweken. De voorkeur

gaat daarom uit naar een zorgvuldige belangenafweging per situatie op basis van onder meer de waarden en doelstellingen en in overleg met de omgeving. 15. De regeling wordt op dit punt aangepast. Conclusie 1. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 2. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 3. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 4. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 5. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 6. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 7. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 8. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 9. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 10. De definitie voor cultuur en ontspanning wordt opgenomen. 11. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 12. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 13. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 14. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 15. De overschrijdingsmaat van ondergrondse bouwwerken ten opzichte van de bestaande footprint van 5% wordt gewijzigd in 10%.

De inpassing van de toegang tot een ondergrondse ruimte is geheel afhankelijk van de concrete situatie en wordt per geval beoordeeld (maatwerk) waarbij de voorkeur bestaat deze inpandig op te nemen rekening houdend met eisen zoals brandveiligheid. Reclamant 8 1. Betrokkene wijst er op dat het nieuwe plan moeilijk leesbaar is. 2. De bestemming van het pand Havenstraat 4 wordt gewijzigd van Gemengde Doeleinden waaronder publiekgerichte dienstverlening en horeca in de plint naar wonen. Dit is een beperking van de gebruiksmogelijkheden. 3. De bestemming van de panden Koestraat 10 en 12 wordt gewijzigd van Gemengde doeleinden waaronder publiekgerichte dienstverlening en horeca in de plint naar wonen. Dit is een ernstige beperking van de gebruiksmogelijkheden. 4. De mogelijkheden voor aan en bijbouwen worden beperkt tot 50% van het achtererf met een maximum van 30m2. Dat is een inperking van de planologische mogelijkheden. 5. De regels omtrent met name goot en dak hoogte, dakhellingen en nokrichting betekenen een beperking ten aanzien van de huidige regeling.

Reactie 1. Het bestemmingsplan is digitaal te raadplegen. Na vaststelling van het bestemmingsplan zal de gemeente een handleiding/ leeswijzer opstellen om het plan goed te kunnen lezen. 2. Op grond van het Ambitiedocument Schoonhoven Zilverstad met historische allure wordt gestreefd naar een duurzaam woon- en leefklimaat voor de inwoners in combinatie met een aantrekkelijke economisch milieu rond het centrum. Daarvoor wordt in de Zilveras en de Lopikerstraat en directe omgeving de nadruk gelegd op de economische functie (in de plint) en daarbuiten op wonen. In het geval van de Havenstraat 4 sluit dit ook aan bij het huidige gebruik en de recent afgegeven vergunning aan betrokken om het pand ten behoeve van de woonfunctie te verbeteren. Het is geheel in lijn met een goed leef- en woonklimaat om deze functie door te trekken voor de omgeving. Het vestigen van horeca of een andere publiekgerichte functie zou deze visie doorbreken. Voorts wordt niet ingezien dat de wijziging de belangen van betrokkene onevenredig schaadt. 3. Niet wordt ingezien dat de belangen van betrokkene worden geschaad omdat de wijziging de bestendiging van het gebruik betekent. Ook de panden in de omgeving worden voor wonen bestemd waardoor het woon en leefklimaat alleen maar verbetert en ook dat is in het belang van betrokkene. Zie verder 2. 4. Zie reactie zienswijze 8.8. 5. Dit is onjuist.

De huidige regeling voorzag niet in afwijkingen en de nieuwe regeling laat juist meer flexibiliteit toe per situatie.

Conclusie 1. De zienswijze onder 1 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 2. De zienswijze onder 2 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 3. De zienswijze onder 3 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 4. De zienswijze onder 4 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 5. De zienswijze onder 5 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. Reclamant 9 1. Betrokken wijst er op dat het nieuwe bestemmingsplan moeilijk leesbaar is. 2. De gebruiksmogelijkheden van het pand Koestraat 96 worden door het nieuwe bestemmingsplan aanzienlijk ingeperkt 3. De regeling voor aan en uitbouwen wordt beperkt tot 50% van het achtererf met een maximum van 30m2 4. In de vigerende beheerverordening is een bandbreedte opgenomen voor de nieuwe hoogte van de dakgoot. De nieuwe regeling bevat bepalingen over onder andere goot- en dakhoogte en nokrichting. Reactie 1. Het bestemmingsplan is digitaal te raadplegen. Na vaststelling van het bestemmingsplan zal de gemeente een handleiding/ leeswijzer opstellen om het plan goed te kunnen lezen. 2. De bestemming wonen is de bestendiging van het jarenlange gebruik. Daarom wordt niet ingezien dat de belangen onevenredig worden geschaad.

Op grond van het ambitiedocument Schoonhoven Zilverstad met historische allure wordt gestreefd naar een duurzaam woon en leefklimaat voor de inwoners in combinatie met een aantrekkelijke economisch milieu rond het centrum. Daarvoor wordt in de Zilveras en de Lopikerstraat en directe omgeving de nadruk gelegd op de economische functie (in de plint) en daarboven en buiten op wonen. In het geval van de Koestraat 96 sluit dit ook aan bij het huidige gebruik. Het is overigens geheel in lijn met een goed leef- en woonklimaat om deze functie door te trekken voor de omgeving. Het vestigen van horeca of een andere publiekgerichte functie zou dit streven doorbreken. Daarom wordt niet ingezien dat de wijziging de belangen van betrokkene onevenredig schaadt. 3. Zie reactie zienswijze 8.8. 4. Dit is onjuist. De huidige regeling voorzag niet in afwijkingen en de nieuwe regeling laat juist meer flexibiliteit toe per situatie. Conclusie 1. De zienswijze onder 1 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 2. De zienswijze onder 2 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 3. De zienswijze onder 3 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 4. De zienswijze onder 4 geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. Reclamant 10 1.

Betrokkene is eigenaar van diverse panden in de binnenstad waaronder Koestraat 4, Koestraat 92 en 94 en Lopikerstraat 11a. De nieuwe regeling betekent een ernstige beperking van de gebruiksmogelijkheden van de panden. Het gebruik wordt onder het overgangsrecht geplaatst terwijl niet is aangetoond dat dit tijdens de planperiode wordt beëindigd. Wat betreft de panden Koestraat 92 en 94 wordt er nog op gewezen dat hier kleine winkeltjes zijn die niet op een A-locatie mogelijk zijn. 2. De regeling voor aan en uitbouwen wordt onterecht beperkt tot 50% van het achtererf met een maximum van 30m2. 3. In de vigerende beheerverordening is een bandbreedte opgenomen voor de nieuwe hoogte van de dakgoot. De nieuwe regeling bevat bepalingen over onder andere goot- en dakhoogte en nokrichting. Dit is beperkend. Reactie 1. Wat betreft het pand Koestraat 4 merken wij op dat de eigenaar gevraagd heeft om medewerking aan een buitenplanse afwijking voor de realisatie van kleine appartementen in de bestaande gebouwen vanwege de onmogelijkheid om het huidige gebruik als bowlingbaan met horeca voort te zetten.

Deze ontwikkeling van de Koestraat 4 toont aan dat het nieuwe bestemmingsplan aansluit bij de noodzaak tot flexibiliteit en een bestendiging betekent van wat zich in die realiteit al langer voordoet in de binnenstad. Betrokkene heeft namelijk zelf verzocht om medewerking aan een buitenplanse wijziging naar wonen. Bovendien wordt de bestemming van de panden in de omgeving op dezelfde wijze aangepast zodat er een goed woon- en leefklimaat ontstaat. Daarom wordt niet ingezien hoe de nieuwe regeling de belangen van betrokkene onevenredig zou schaden. Ten aanzien van de Koestraat 92 en 94 wordt opgemerkt dat ook hier de allang in gang gezette ontwikkeling naar wonen wordt bestendigd terwijl het huidige gebruik (of vergelijkbare uitingsvormen) tevens is bestemd en een geleidelijke ontwikkeling in de ruimtelijk gewenste richting wordt ingezet. Ook hierbij wordt daarom niet ingezien hoe de belangen van betrokkene onevenredig worden geschaad. Ten aanzien van de Lopikerstraat 11a worden de gebruiksmogelijkheden in overeenstemming gebracht met de visie en speerpunten. Het huidige bestendige gebruik past daarin. Ook hier is voorts het overgangsrecht niet relevant. 2. De regeling wordt in overeenstemming gebracht met de landelijke regeling. 3. Dit is onjuist. De huidige regeling voorzag niet in afwijkingen en de nieuwe regeling laat juist meer flexibiliteit toe per situatie.

Conclusie 1. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 2. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. 3. Deze zienswijze geeft geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. Reclamant 11 1. Gevraagd wordt voor het perceel Groen Singel 12 de vergunde dienstwoning als woonbestemming positief te bestemmen. Reactie 1. Deze opmerking is terecht. Conclusie 1. Naar aanleiding van de zienswijze wordt het bestemmingsplan aangepast.

Nota van wijzigingen Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen zijn de volgende aanpassingen aangebracht: 1. Voor cultuur en ontspanning is de definitie toegevoegd. Voorts zijn definities toegevoegd voor o.a. woning en voorgevellijn. 2. In artikel 3.2.2.b wordt verwezen naar de gevel en kappenkaart voor het beschermd stadsgezicht; 3. Aan artikel 3.2.2 is een nieuw lid c toegevoegd waarin is bepaald dat nieuwbouwwoningen moeten voldoen aan een evenwichtige opbouw van het woningaanbod. Voor het vaststellen van een percentage op projectniveau stellen burgemeester en wethouders beleidsregels vast; 4. In artikel 4.2.1.c wordt geregeld dat aanvrager bij (ver)bouw een historisch vooronderzoek kan worden gevraagd; 5. Artikel 14.3 en 15.3 zijn gewijzigd in die zin dat het inpassen van nieuwe functies ook gepaard kan gaan met bouwactiviteiten waarvoor dan artikel 32.3 van toepassing is; 6. In artikel 19.2 is toegevoegd dat nieuwe hoofdgebouwen binnen het bouwvlak moeten worden gebouwd; 7. In artikel 19.3 is toegevoegd dat een overschrijding van het bouwvlak kan worden toegestaan mits die overschrijding ondergeschikt is en aansluit bij maat en schaal van de bebouwing en omgeving; 8.

In artikel 19.3 is een nieuwe regeling voor bij- en aanbouwen opgenomen geënt op de regeling voor vergunningvrij bouwen met uitzondering van de maatschappelijke voorziening op het voormalige AZS terrein, daar is op grond van het recent vastgestelde bestemmingsplan een bijgebouw van 125m2 toegestaan;

9. Voor ondergronds bouwen is in verband met daglicht en toegankelijkheid de overschrijding gewijzigd in 10% (artikel 19.6). 10. In artikel 26 (Transformatie DIKA) is het bouwvolume gecorrigeerd naar het te bouwen bruto vloeroppervlak exclusief de gebouwde parkeerplaatsen op maaiveld en de entreevoorzieningen op maaiveld. De hoogte van de nieuwbouw in de vorm van 3 torens is gewijzigd naar 22 m. tot net onder de historische schoorsteen. 11. Het bouwvlak van de kleinschalige woningen aan de Oude Singel is verlengd tot maximaal 11 meter om toekomstige uitbreidingsplannen van deze woningen te reguleren.

Ambtelijk doorgevoerde wijzigingen Het ontwerp is op de volgende onderdelen aangevuld en verbeterd. De aanpassingen betreffen redactie, verbetering en verduidelijking van omschrijvingen, verwijzingen en vernummeringen. Artikel 1.14 wordt als volgt aangepast (cursief): ‘bestaand gebruik: a) het gebruik van de gronden en bouwwerken dat aanwezig is op het tijdstip van de vaststelling van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte (niet zijnde het gebruik dat reeds in strijd was met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan) rest geschrapt; b) … In artikel 1.24 wordt de volgende definitie opgenomen: ‘Cultuur en ontspanning: voorzieningen ten behoeve van cultuur en ontspanning, waaronder: podiumkunsten / theater, bioscopen, musea, expositieruimten, galeries, toeristische attracties, bowling- en poolcentra, muziek- en dansscholen, creativiteitscentra; Lid 1.39 horeca wordt als volgt aangepast: ‘een bedrijf, waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies worden verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van erotisch getinte vermaaksfuncties’; De rest van het lid wordt onveranderd ingevoegd. Lid 1.50: wordt als volgt aangepast (cursief): ‘De kwaliteit van de fysieke leefomgeving, bestaande uit: 1.

milieu-, gezondheids- en veiligheidskwaliteit; 2. ruimtelijke kwaliteit: gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde; 3. cultuurhistorische waarden zoals vervat in het aanwijzingsbesluit' beschermd stadsgezicht' uit 1974 zoals opgenomen in bijlage 2 van deze planregels; 4. maatschappelijke waarden in de vorm van sociale samenhang en economische vitaliteit.’ Met het oog op de toepassing van de artikelen 3.3, 4.2.2 en 23.1 wordt ingevoegd een nieuw lid 1.53: definitie pand: ‘een van de omgeving afgesloten geheel van onderling verbonden ruimten die betreedbaar is’. De daarop volgende leden van artikel 1 worden vernummerd. Ingevoegd wordt een nieuw lid 1.65 Voorgevellijn: denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen .

De volgende leden worden vernummerd. Ingevoegd wordt Lid 1.68 (nieuw) Wonen Het oprichten, instandhouden en gebruiken van een woning. Aangepast wordt Lid 1.69 (nieuw) Woning Een voor één huishouden bestemd pand, waarbij inwoning is toegestaan. Artikel 3.2.2 onder c wordt als volgt gewijzigd (Cursief) Nieuwe woningen, waaronder woningen als bedoeld in de 'Verordening Middenhuur Krimpenerwaard' of diens rechtsopvolger, moeten bijdragen aan een evenwichtige opbouw van de woningvoorraad en het bieden van een passend woningaanbod. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van door het college vast te stellen beleidsregels.'

Artikel 7.1 wordt als volgt aangepast (cursief): 7.1 Toepassing en voorrang 1. De bepalingen uit dit artikel zijn van toepassing op nieuw te realiseren bouwwerken, wijzigingen aan bestaande bouwwerken en het gebruik van gronden. 2. Indien het behalen van de doelen in artikel 6 ten koste zal gaan van de doelen genoemd in 3 en 4 kan geen toepassing worden gegeven aan de mogelijkheden in dit artikel. Artikel 8.2 wordt als volgt aangepast: Het gebruik van gronden en bouwwerken voor een alternatieve onzelfstandige woonvorm, zoals een kleinschalige zorginstelling, begeleid wonen of kamergewijze verhuur zonder hoofdbewoner, is uitsluitend toegestaan met een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit . Artikel 14.3 wordt gewijzigd aangezien nieuwe functies wel gepaard kunnen gaan met bouwactiviteiten. Bouwactiviteiten kunnen mogelijk worden gemaakt met toepassing van artikel 32.3. Aan artikel 32.3 wordt een nieuw lid toegevoegd (zie hierna) Artikel 19.2.1 wordt als volgt aangepast (cursief): 19.2.1 Nieuwe hoofdgebouwen buiten de historische binnenstad (schil) Nieuwe hoofdgebouwen zijn buiten de 'overige zone - historische binnenstad' binnen het bouwvlak toegestaan waarbij de maximale goot - en bouwhoogte is toegestaan zoals met de aanduiding 'maximum goothoogte m)' en 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.

Artikel 19.2.2 wordt als volgt aangepast (cursief): 19.2.2 Afwijken en bijbehorende afwijkingsregel Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken voor een nieuw hoofdgebouw of het wijzigen van een bestaand hoofdgebouw binnen de aanduiding 'overige zone - historische binnenstad', onder de voorwaarden zoals bedoeld in 4.2 (rest geschrapt) en 5. Dit betekent in ieder geval dat: 1. het gebouw ruimtelijk en stedenbouwkundig inpasbaar is in de omgeving en: 2. het nieuwe gebouw aansluit op maat en schaal van aangrenzende bebouwing; 3. …: Artikel 19.3 wordt in overeenstemming gebracht met het vigerende rijksbeleid voor aan- en bijbouwen: 19.3 Bouwen van bijbehorende bouwwerken Nieuwe bijbehorende bouwwerken en overkappingen mogen worden opgericht. Daarbij gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken en overkappingen mogen in het achtererfgebied worden opgericht; b. bijbehorende bouwwerken en overkappingen worden op meer dan 1 meter van openbaar water gerealiseerd; c. de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken en overkappingen bedraagt ten hoogste: 1. indien een bouwperceel kleiner dan of gelijk aan 100 m 2 is: 50% van dat bouwperceel; 2. indien een bouwperceel groter dan 100 m 2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m 2 is: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bouwperceel dat groter is dan 100 m 2; 3.

indien een bouwperceel groter dan 300 m 2 is: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bouwperceel dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m 2; 4. ter plaatse van de bouwaanduiding 'bijgebouwen' bedraagt de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken en overkappingen maximaal 125 m 2; d. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen bedragen maximaal 3 meter cq. 4,5 meter; e. bijbehorende bouwwerken aangebouwd aan een hoofdgebouw bedragen maximaal 0,25 m van de hoogte van de bovenkant van de vloer van de 2e bouwlaag van het hoofdgebouw; f. de bouwhoogte van een overkapping bedraagt maximaal 3 m. g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - geen bebouwing toegestaan' mogen geen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd; h. bij een bijbehorend bouwwerk aangebouwd aan een hoofdgebouw binnen de 'overige zone historische binnenstad' is het gestelde in 19.2.2 van toepassing;

i.

Het bevoegd gezag kan afwijken van het gestelde in dit artikel, zowel qua positionering als qua oppervlak van bijbehorende bouwwerken en overkappingen. Ter bescherming van de cultuurhistorische waarden gelden daarbij specifiek de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 4 en 5.

Artikel 23.1 wordt als volgt gewijzigd (cursief): 23.1 Commerciële terrassen 1. Het inrichten van terrassen, anders dan bedoeld voor het gebruik door de eigen bewoners, is binnen de zone gemengd Zilveras toegestaan indien … Artikel 23.1.b. wordt als volgt gewijzigd (cursief): Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het maximum onder a sub 1, mits … Artikel 23.1.c wordt als volgt gewijzigd (cursief): … 4. de vlonders dienen aansluitend aan bestaande trappen verankerd te worden en mogen de vrije doorvaart niet beperken; 5. ten behoeve van de behandeling van de aanvraag wordt advies ingewonnen bij de waterbeheerder; Artikel 24.5 wordt als volgt aangevuld: ‘In aanvulling op de uitzondering genoemd in lid 3 is het gestelde in lid 1 en 2 niet van toepassing voor een klein evenement in de Zilveras, indien: … Artikel 26 Gemengd-Transformatiegebied DIKA terrein: De beoordelingsregels voor het DIKA terrein zijn aangepast in overleg met de ontwikkelaar en in overeenstemming gebracht met de ambities. In essentie wordt met de transformatie het volgende beoogd: 1. het maaiveld wordt bij herontwikkeling bij calamiteiten onderstroombaar gemaakt; 2. er is een woningbouwprogramma van maximaal 10.000 m2 mogelijk met daarin 700 m2 voor maatschappelijk doeleinden; 3.

de bebouwing is maximaal 22 meter hoog en blijft daarmee onder de hoogte van de historische schoorsteen (23m) die wordt opgenomen in de transformatie; 4. in oostelijke richting – verder van de schoorsteen en het historische centrum- is de maximale bouwhoogte 26m. Artikel 32.3 wordt als volgt aangepast 32.3 Bestemmingsplanactiviteit 1. … a. … (ongewijzigd) b. er sprake is van een goede ruimtelijke inpassing; c. … (ongewijzigd) d. … (ongewijzigd) e. … (ongewijzigd) f. …. (ongewijzigd) 2. Voor eventuele bouwactiviteiten die strijdig zijn met een andere ter plaatse voorkomende bestemming is een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van de bouwregels van de betreffende bestemming vereist. De omgevingsvergunning kan worden verleend als wordt voldaan aan de voorwaarden onder 1. Bouwvlak Oude Singel In het recente verleden zijn voor enkele panden aanvragen voor uitbouw over twee verdiepingen gehonoreerd. Deze ontwikkeling wordt in dit bestemmingsplan gereguleerd door middel van een generieke verlenging van het bouwvlak van ca 9 naar 11 meter. Dit leidt tot een evenwichtig beeld met een goede ruimtelijke maat en een goed verhouding tussen hoofdgebouw en achtererf.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=af12fba6-d890-42da-a048-2937d7c7c86a