Nog toegevoegd op verzoek college Rapport 1990 deel 2.pdf
Tekst van het document
Fig. 4.17. Op korte termijn na sanering realiseerbare functieverdeling (rekening houdend met planologische en financieel-economische belemmeringen)
JS.
stedelljk-recreatlef gebruik/ gecombineerd met wonen
Integrale sanering Hollandsche Ussel
wonen natuur/recreatiegebied Industrie
^f
'
'
i
l
Grontmij
-70-
PRIMAIRE SCENARIO'S
Algemeen Inleiding
In dit hoofdstuk worden de twee in het voorgaande beschreven ontwikkelingslijnen gecombineerd zoals in figuur 5.1 staat weergegeven. Het gaat daarbij om de milieuhygiënische en de ruimtelijke ontwikkelingslijn.
Als resultaat van de milieuhygiënische ontwikkelingslijn (hoofdstuk 3) zijn uiteindelijk drie maatregelenpakketten samengesteld voor zowel de zellingen, de waterbodems als de lozingen en instroming. Deze maatregelenpakketten zijn afgeleid uit de saneringsdoelstellingen voor het gebruik dan wel de functie van de milieucompartimenten of locaties, zoals die in hoofdstuk 3 zijn geformuleerd. Deze drie pakketten van maatregelen worden in dit hoofdstuk uitgewerkt tot drie primaire scenario's: basisscenario; groeiscenario; multifunctioneel scenario. Door de directe koppeling aan de drie evenwichtige kwaliteitsniveaus zijn deze drie scenario's in hoge mate intern consistent.
Als resultaat van de ruimtelijke ontwikkelingslijn (hoofdstuk 4) is onder meer een ideaalbeeld gepresenteerd, waarin de gewenste ruimtelijk/functionele ontwikkeling van de Hollandsche IJssel is aangegeven. In dit hoofdstuk worden voor de drie primaire scenario's de gebruiksmogelijkheden aangegeven. Daarbij geldt de huidige situatie (figuur 4.2) als uitgangssituatie en het ideaalbeeld (figuur 4.16) als na te streven situatie.
In het navolgende worden de drie primaire scenario's beschreven, waarbij achtereenvolgens wordt ingegaan op: de gebruiksmogelijkheden;
MILIEUHYGIËNISCHE ONTWIKKELINGSLIJN
RUIMTELIJKE ONTWIKKELINGSLIJN
INVENTARISA TlE VERONTREINIGINGSSITUA TlE
ANALYSE VAN HET GEBIED
zellingen
waterbodems
oppervlakteverspreidingswater +lozingen mogelijkheden
I
problemen door de verontreinigingssituatie
problemen door tekortkomingen in de ruimtelijke en functionele structuur
1 ONTWIKKELINGSVISIE
INVENTARISA TIE SANERINGSMETHODEN ZONERING VAN FUNCTIES
zellingen
waterbodems
lozingen +instroming
maatregelenpakket zellingen -1
maatregelenpakket waterbodem -1
maatregelenpakket lozingen +instroming -1
optimale gebruiksmogelijkheden 1
maatregelenpakket zellingen -2
maatregelenpakket waterbodem - 2
maatregelenpakket lozingen +instroming -2
optimale gebruiksmogelijkheden 2
maatregelenpakket zellingen -3
maatregelenpakket waterbodem - 3
maatregelenpakket lozingen +instroming -3
•mfmmmmmmmmmmmmmmmmm optimale gebruiksmogelijkheden 3
IDEAALBEELD
viwwmmmbmmmmm
I INVENTARISATIE NAZORGMAATREGELEN zellingen
waterbodems
lozingen +instroming
Fig. 5.1. De basisscenario's
-71-
het maatregelenpakket; de hoeveelheid te bergen materiaal; de benodigde nazorgmaatregelen; de kosten; de fasering.
2 fieb.ruiJtsm.ogelij.kh.ed.en. Voor het aangeven van de gebruiksmogelijkheden van het gebied, nadat de maatregelen behorend bij de scenario's zijn uitgevoerd, worden de milieucompartimenten samengevoegd tot twee eenheden (figuur 5.2). het gebruik van de zellingen; het 'watersysteem'. Ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden van bepaalde onderdelen (oppervlaktewater als vis- of zwemwater) kan de combinatie van verschillende milieucompartimenten bepalend zijn (oppervlaktewater- en waterbodemkwaliteit) .
De gebruiksmogelijkheden van de compartimenten in de verschillende scenario's worden afgezet tegen het huidige gebruik. Het huidige gebruik van de opgehoogde voormalige zellingen is aangegeven in figuur 4.5. Met als uitgangssituatie het huidige gebruik, en als streven het ideaalbeeld uit figuur 4.16, wordt voor de verschillende scenario's de optimale ruimtelijk/functionele ontwikkeling aangegeven. Met nadruk wordt gesteld dat het hier gaat om gebruiksmogelijkheden, behorend bij de verschillende scenario's, en geen inrichtingsvoorstellen die in het kader van de sanering zullen worden uitgevoerd. De sanering schept voorwaarden voor een bepaalde gebruiksvorm, in de zin van het aanbieden van gebieden die -wat betreft de milieuhygiënische kwaliteit- geschikt zijn voor een bepaalde gebruiksvorm.
De scenario's variëren onder meer in de aard van de maatregelen die in het kader van de sanering worden uitgevoerd en de kosten die met de sanering zijn gemoeid. Wanneer de gebruiksmogelijkheden van een bepaald scenario als te beperkt worden beoordeeld, zal moeten worden gekozen voor een hoger kwaliteitsniveau.
-72-
Figuur 5.2
De milieucompartimenten samengevoegd tot twee eenheden
'WATERSYSTEEM'
zellir-igen gebruik
oppervlaktewater
waterbodem
verspreiding
Voor het aangeven van de (recreatieve) gebruiksmogelijkheden van het 'watersysteem' binnen de verschillende scenario's, staat het gebruik als recreatiewater, als zwemwater en als viswater centraal. Oppervlaktewateren waaraan de functie "zwemwater" is toegekend, dienen te voldoen aan een aantal wettelijk vastgestelde normen. Indien aan deze normen wordt voldaan, kunnen deze wateren ook daadwerkelijk (al dan niet lokaal) als zodanig worden gebruikt bij de verschillende kwaliteitsniveaus. Het is de taak van de overheid om een dergelijk gebruik op daarvoor in aanmerking komende plaatsen langs de rivier mogelijk te maken.
wonen natuur/recreatiegebied agrarisch gebruik _ *
Industrie zelling die naar een hogere kwaliteitsdoelstelling wordt gesaneerd
I • -J
kwaliteitsdoelstelling 2 ! , ^., .__. J kwaliteitsdoelstelling 3C
-73-
5.2
Basisscenario
5.2.1
Algemeen Bij het basisscenario wordt gesaneerd tot aan het basisniveau. Dat betekent, dat het voortzetten van het huidige gebruik als uitgangspunt dient bij het treffen van de maatregelen. De sanering op het basisniveau is dus gericht op een milieuhygiënisch verantwoorde handhaving en voortzetting van -in beginsel- de huidige functie respectievelijk activiteiten. Indien aan de huidige situatie milieuhygiënische -directe of indirecte- (potentiële) risico's zijn verbonden, worden dus maatregelen genomen die nodig zijn om het huidige gebruik dan wel de functie van het compartiment of de locatie voort te zetten. De maatregelen zijn zodanig dat de kans op verontreiniging van andere compartimenten eveneens tot een aanvaardbaar niveau wordt teruggebracht. Bronbestrijding vindt plaats op basis van het algemene nationale en internationale beleid. De sanering op dit niveau wordt samenvattend gesteld, volledig gedomineerd door milieuhygiënische basiseisen.
-74-
fieb.rui&smogeliikiied.en.
In het basisscenario is in principe geen ander dan het huidige gebruik mogelijk. Immers de bij dit scenario behorende saneringsdoelstelling stelt, dat zodanig moet worden gesaneerd, dat het huidige gebruik in de toekomst zonder milieuhygiënische bezwaren mogelijk moet blijven. Er zijn twee redenen waarom de situatie die is aangegeven in figuur 5.3 afwijkt van het gebruik in de huidige situatie (figuur 4.5). In de eerste plaats worden alle zellingen die in de huidige situatie braak liggen zodanig gesaneerd dat de oorspronkelijke bestemming weer kan worden gerealiseerd. Alle braakliggende zellingen kunnen dus weer in gebruik worden genomen. In de tweede plaats hebben alle zellingen, waarvan in figuur 4.14 is aangegeven dat zij in principe geschikt zijn voor diverse gebruiksvormen, een zodanig gebruik gekregen, dat zij het ideaalbeeld zoveel mogelijk benaderen, ook al zou dit betekenen dat de huidige functie zou moeten verdwijnen (figuur 5.4).
Voor het aangeven van (recreatieve) gebruiksmogelijkheden van het 'watersysteem* staat het gebruik als recreatiewater, als viswater en als zwemwater centraal. Voor het oppervlaktewater geldt, dat alleen bij de inlaatpunten sprake is van de basiskwaliteit. Voor de waterbodems geldt dat geen direct gevaar aanwezig is voor mens, dier en milieu, uitgaande van het huidige gebruik. Na sanering kan bij het basisscenario worden uitgegaan van bepaalde recreatie vormen op de gehele rivier. Het gaat hierbij dan om recreatievormen als surfen en pleziervaart. In de huidige situatie kan niet in de Hollandsche IJssel worden gezwommen. Mogelijk kunnen echter wel enkele specifieke plaatsen nabij inlaatpunten na sanering geschikt worden gemaakt als zwemwater. Daartoe zijn aanvullende voorzieningen nodig ten aanzien van de waterbodem. Naar verwachting zal de Hollandsche IJssel in het basisscenario ook in de toekomst niet integraal en onbeperkt geschikt zijn viswater. Op lokaal niveau zullen de abiotische omstandigheden voor vissen echter wel significant verbeteren ten opzichte van de huidige situatie.
Fig. 5.4.
Een inrichting van Moordrecht-centrum (10) voor een stedelijk-recreatief gebruik gecombineerd met wonen kan, wat betreft de milieuhygiënische situatie, bij het Basisscenario worden gerealiseerd voor
na
-75-
5.2.3
Ma.a,t.r_egelejap.akke£. Het in 5.2.1 geformuleerde kwaliteitsniveau is uitgewerkt in saneringsdoelstellingen voor de verschillende milieucompartimenten. In aansluiting op deze saneringsdoelstellingen zijn voor ieder compartiment maatregelen geformuleerd. In het navolgende worden per compartiment de te nemen maatregelen beschreven.
Opgehoogde zellingen De maatregelen bestaan hoofdzakelijk uit een isolatie van de bestaande verontreinigingssituatie zodanig dat directe en indirecte contactrisico's van mens, dier en milieu met deze verontreinigingen tot een aanvaardbaar niveau worden gereduceerd. Dit betekent in algemene zin dat aan de bovenzijde van de terreinen een deklaagsysteem wordt aangebracht ter beperking van de contactrisico's en dat de verspreidingsrisico's worden gereduceerd door het aanbrengen van schermconstructies langs de randen van de locaties, gekoppeld aan (tijdelijke) onttrekkingssystemen onder de basis van de holocene deklagen.
Voor de locaties met een woonbestemming, behorende tot de clusters I en II, zoals genoemd in hoofdstuk 3 (Gouderak, Albatros-gedeeltelijk, Zuiderijsseldijk en Werf III), betekent dit, dat aan de bovenzijde, al dan niet na verwijdering van een laag verontreinigd materiaal, een "gesloten" deklaagsysteem wordt aangebracht bestaande uit een steunlaag op het verontreinigde materiaal, een afdichtende laag in de vorm van bijvoorbeeld zandbentoniet of een folie en afgedekt door een drainerende zandlaag en een teelaardelaag, in dikte en samenstelling afhankelijk van het toekomstige gebruik c.q. de toekomstige bestemming. Door middel van dit deklaagsysteem wordt de infiltratie van neerslagoverschot in het te isoleren gebied in zeer belangrijke mate gereduceerd (figuur 3.5; saneringssysteem C "dicht").
Gouderak Albatros Zuiderijsseldijk Werf III (T)
saneringssysteem C "dicht"
-76-
Voor de locaties behorende tot de clusters I en II, die intensief in gebruik zijn als bedrijfsterrein wordt uitgegaan van afdichtende constructies aan het maaiveld, zonder dat materiaal wordt verwijderd met uitzondering van kabels- en leidingenstraten e.d. Als afdichtende constructie kan afhankelijk van de locatiespecifieke omstandigheden worden uitgegaan van asfalt, asfaltbeton e.d. (figuur 3.5; saneringssysteem B "dicht").
Kortenoord Avia EMK Albatros-gedeeltelijk Boele Nijverheidsstraat Koudasfaltfabriek (50%) Middelblok-groot (208*) Heuvelman
saneringssysteem B "dicht
Voor de overige locaties uit de genoemde clusters I en II wordt uitgegaan van een "open" deklaagsysteem aan het maaiveld. Dit wil zeggen, dat door dit systeem de directe en indirecte contactrisico's in voldoende mate worden gereduceerd, maar dat een infiltratie van neerslag overschot niet wordt voorkomen (figuur 3.5; saneringssysteem C "open"). Geitenwei Schanspolder Capelle-Jachthaven Ketensedijk-Feenstra Werf I Werf II
saneringssysteem C "open"
-77-
Voor alle in het voorgaande genoemde locaties geldt, dat een verticaal isolatiesysteem in de vorm van schermconstructies moet worden aangebracht rond het verontreinigde gebied tot aan de hoofdwaterkering. Binnendijks van de hoofdwaterkering kan worden volstaan met een horizontaal interceptiesysteem aan de teen van de dijk. Ter plaatse van de Zellingwijk te Gouderak dient de schermconstructie ook in de hoofdwaterkering te worden aangebracht. Om uitvoeringstechnische redenen kan dit echter ook op andere plaatsen gewenst blijken te zijn.
Bij de locaties uit cluster III en één locatie uit cluster IV wordt uitgegaan van een "open" deklaagsysteem in de vorm van een leeflaag als isolatiemaatregel aan de bovenzijde van de terreinen. Een verticale afscherming langs het open-water is daarbij niet noodzakelijk. Voor de overige locaties uit cluster IV worden maatregelen niet noodzakelijk geacht.
Locaties cluster III* Eén locatie cluster IV* (* zie tabel 3.2)
saneringssysteem C "open"
In geval isolatiemaatregelen worden uitgevoerd in de vorm van open systemen aan het maaiveld, dient daarbij te worden uitgegaan van een definitief interceptiesysteem in de goed doorlatende lagen onder het holocene pakket. Het daarbij vrijkomende water kan al dan niet na voorzuivering worden geloosd op de riolering. Indien een zuivering in een specifiek voor dit doel te ontwerpen zuiveringsinstallatie noodzakelijk is, kan een lozing op het oppervlaktewater na behandeling worden overwogen.
-78-
In die gevallen waarbij wordt uitgegaan van afdichtende constructies aan het maaiveld zal kunnen worden volstaan met een tijdelijk interceptiesysteem. Voor een samenvattend overzicht van de maatregelen wordt verwezen naar tabel 3.2.
-79-
Waterbpdem
De maatregelen bestaan uit een verwijdering van verontreinigd materiaal uit de vaargeul voor zover dit uit milieuhygiënisch/nautische redenen noodzakelijk is. Dit wil zeggen, dat verwijdering van verontreinigd materiaal plaatsvindt in eerste instantie tot 0,50 a 1,00 m onder het nautisch gewenste profiel. Daarnaast geldt voor de gehele waterbodem, dat een toplaag ter dikte van 0,50 m aanwezig moet zijn na sanering die voldoet aan de toetsingswaarde zoals vermeld in het Interim normeringssysteem van DBW-RIZA.
Het voorgaande houdt in dat naast de genoemde verwijdering, integraal in de rivier een laag ter dikte van 0,50 m specie moet worden verwijderd en moet worden vervangen door een laag specie die voldoet aan de kwaliteitsklasse 2, indien de overgang tussen de klasse 3- en klasse 2-contour na verwijdering nog niet is bereikt. Naar verwachting is dit laatste uitsluitend het geval in vak 5A (zie figuur 3.4) en in de vaargeul ter plaatse van de vakken 3, 4 en 5A bij een eKtra verwijdering van 0,50 m onder het nautische profiel, en de vakken 2, 3, 4 en 5A bij een extra verwijdering van 1,0 m. Ter plaatse van droogvallende platen wordt uitgegaan van een verwijdering tot 0,50 m onder de gemiddelde laagwaterlijn en een beperkte aanvulling, terwijl op plaatsen waar verspreidingsrisico's aanwezig zijn (zandgeulen in het holocene kleipakket), eisen moeten worden gesteld aan de doorlatendheid van het aanvulmateriaal.
-80-
De sanering van de instromende wateren, zoals de Nieuwe Maas, wordt voor de nabije toekomst aangegeven door de reductiedoelstellingen geformuleerd in het Rijn Actie Programma (RAP). Sanering van de lozingen afkomstig van de afvalwaterzuiveringsinstallaties, verdergaand dan de doelstellingen geformuleerd in het RAP is noodzakelijk in verband met het verder terugdringen van de stikstof en fosfaatbelasting. Dit vergt een in de tijd gezien gefaseerde aanpak. De afvalwaterzuiveringsinstallaties dienen zodanig te worden aangepast dat defosfatering mogelijk is en dat een verdergaande stikstofverwijdering kan plaatsvinden. Naast deze aanpassingen zijn tevens de volgende maatregelen noodzakelijk: beëindiging van alle rechtstreekse lozingen (scheepvaart, industriële lozingen), overeenkomend met het beleid van Rijkswaterstaat; riolering van woningen, die rechtstreeks lozen op de Hollandsche IJssel, eventueel in combinatie met riolering van de lintbebouwing in de achterliggende polders; beperking van het gebruik van meststoffen via het bestaande wettelijk kader.
5.2.4floe.ve.elhe.id.tejbfirgen. m.at;e£ia.al Bij de sanering van de verontreinigde opgehoogde zellingen conform het principe zoals beschreven in paragraaf 5.2.2 komt globaal 310.000 m
verontreinigde grond en afvalmateriaal vrij.
Volgens een zeer indicatieve benadering wordt ervan uitgegaan dat het de volgende categorieën betreft: 100.000 m
vallend onder het regime
van het stoffen- en processenbesluit van de Wet chemische afvalstoffen en 210.000 m
vallend onder het regime van de Afvalstoffenwet.
Op basis van de beschikbare ervaringen wordt geconcludeerd dat bij de huidige stand der techniek reiniging tot een multifunctioneel bruikbaar of beperkt bruikbaar produkt niet mogelijk is. Bij berging van dit materiaal, in een speciaal voor dit doel in te richten monodeponie -in de regio-, is hiervoor een locatie vereist met een oppervlakte van circa 8 ha.
-81-
Bij de inrichting van deze locatie dient te worden voldaan aan de door het Ministerie van VROM gestelde I.B.C.-criteria zoals vermeld in de Richtlijn gecontroleerd storten (1985). Bij de sanering van de waterbodem komt ruim 1,8*10 m 3 specie vrij. Dit materiaal kan onbehandeld worden geborgen in een speciaal hiervoor in te richten onderwaterbergingslocatie binnen de regio. Hiervoor is een locatie vereist met een oppervlakte van 25 a 35 ha afhankelijk van de bergingsdiepte. Het voorzieningenniveau van deze in te richten locatie moet vergelijkbaar zijn met het voorzieningenniveau van de bergingslocatie Papegaaiebek, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de voorzieningen zijn gebaseerd op de potentiële risico's ten aanzien van het ontstaan van emissies van verontreinigende stoffen naar de omgeving. De Papegaaiebek als bergingslocatie komt niet in aanmerking als gevolg van het ontbreken van voldoende bergingsvolume. Buiten de regio kan mogelijk uitsluitend worden geborgen in een op termijn te ontwikkelen bergingslocatie in het Hollandsen Diep.
Bij een behandeling van dit materiaal in de vorm van een hydrocyclonage kan de afgescheiden grove zandfractie naar verwachting worden gebruikt bij de inrichting van de monodeponie voor het materiaal van de landlocaties. Volgens globale berekeningen komt ruim 200.000 m materiaal voor hergebruik in aanmerking. De resterende hoeveelheid na hydrocyclonage te bergen materiaal bedraagt na indikking en mechanische ontwatering ruim 1,1*10 m . Voor de berging van dit materiaal geldt hetzelfde als gesteld in het voorgaande met dien verstande dat een eventuele partiële berging in de Papegaaiebek moet worden beoordeeld in het licht van het moment van uitvoering. Een volledige berging in de Papegaaiebek behoort niet tot de mogelijkheden.
In geval een dubbele hydrocyclonagestap wordt overwogen, waarbij de fractie <60 \m wordt onderverdeeld in een deelstroom <20 urn en een deelstroom gelegen tussen 20 en 60 ym, kan naar verwachting gebruik worden gemaakt van de opslagfaciliteiten in de Slufter voor de laatstgenoemde fractie.
-82-
Zonder behandeling (ontwatering) betreft het 1,9*10 m . Ook kan berging binnen de regio worden overwogen. Bij berging buiten de regio kan de zeer fijne fractie (<20 pm) eventueel worden geborgen in de Papegaaiebek. Na indikken en mechanisch ontwateren betreft het een hoeveelheid van ruim 600.000 m . Als aanvulmateriaal op de waterbodem kan gebruik worden gemaakt van een deel van het vrijkomende materiaal uit de aan te leggen onderwaterbergingslocatie. Ten behoeve van de aanvulling is een hoeveelheid materiaal vereist van ruim 1,2*106 m 3 .
5.2.5
Ha^oxg Teneinde de potentiële restrisico's voor volksgezondheid en milieu in geval van het falen van het isolatiesysteem in voldoende mate af te dekken, zijn na uitvoering van de sanering nazorgmaatregelen noodzakelijk. De risico's die gerelateerd zijn aan direct en/of indirect contact nabij het maaiveld kunnen worden beheerst door de opzet van een adequaat voorlichtingssysteem en periodieke inspectie van het gebruik van het terrein met als doel te garanderen dat de opgelegde gebruiksbeperkingen ook daadwerkelijk worden nageleefd. De verspreidingsrisico's worden afgedekt met de inrichting van een monitoringsysteem en periodieke analyse van genomen grondwatermonsters. Voor de maatgevende opgehoogde zellingen is daartoe een monitoringsysteem ontworpen, terwijl tevens de signaleringswaarden zijn vastgesteld, die kunnen worden gehanteerd bij de beoordeling over het al dan niet goed functioneren van het isolatiesysteem. De maatregelen voor de waterbodem na sanering betreffen peillodingen in verband met de isolatie van de verontreinigde waterbodem en het handhaven van een voldoende dikke toplaag met een kwaliteit overeenkomstig de toetsingswaarde uit het Interim Normeringssysteem van DBW-RIZA.
Tevens dient een relatief extensief bemonsterings- en analyseprogramma te worden opgezet voor de waterbodem om de kwaliteitsontwikkeling ervan, als gevolg van de zich langzaam verbeterde, oppervlaktewaterkwaliteit te kunnen volgen.
-83-
De nazorgmaatregelen voor het oppervlaktewater ten aanzien van de lozingen bestaan uit: hanöhavingsmaatregelen ten aanzien van het verbod op directe lozingen van woningen, bedrijven en scheepvaart; voorlichtingscampagnes omtrent dit lozingsverbod; periodieke bemonstering en analyse van het effluent van communale en industriële AWZI's.
6
JCofitgn
De totale kosten voor de sanering van de verontreinigde opgehoogde zellingen worden voor dit scenario geraamd op circa ƒ 345*10 . Hierbij is uitgegaan van een berging van het vrijkomende materiaal in een binnen de regio in te richten monodeponie. Kosten voor verwerving of (tijdelijke) uitplaatsing van bedrijven alsmede voor funderingstechnische voorzieningen zijn hierbij niet inbegrepen.
De kosten voor de sanering van de waterbodem zijn sterk afhankelijk van de te kiezen be- en verwerkingsmethoden van de vrijkomende specie. De totale kosten variëren van circa ƒ 130*10 bergen tot circa ƒ 200*10
voor het onbehandelde
voor berging, na tweemaal fractioneren en
mechanisch ontwateren van de fijne fractie, van één deelstroom buiten en één deelstroom binnen de regio.
De investeringskosten voor de aanpassingen van de afvalwaterzuiveringsinstallaties worden inclusief de exploitatielasten over een periode van 50 jaar, uitgedrukt in contante waarden, berekend op ƒ 240*106. Hierbij zijn tevens inbegrepen de herinvesteringskosten binnen deze periode voor het elektrisch-mechanische gedeelte van de installaties, waarvoor afschrijvingstermijnen gelden van maximaal 20 jaar en waarbij de herinvesteringskosten voor deze onderdelen zijn bepaald op 60% van de totale herinvestering. De kosten voor de overige maatregelen (aansluitingskosten woningen en bedrijven op riolering, kosten ten behoeve van terugdringen lozingen scheepvaart e.d.) worden globaal geraamd op ƒ 10*10 .
-84-
De totale kosten, inclusief de kosten voor nazorg binnen de periode van vijftig jaar worden uitgaande van de gehanteerde uitgangspunten en aannamen derhalve globaal geraamd op ƒ 750*106 a ƒ 830*106 afhankelijk van de be- en verwerkingsmogelijkneden van het waterbodemmateriaal. Opgemerkt wordt, dat dit bedrag is opgebouwd uit de investeringskosten en de exploitatiekosten inclusief kosten voor herinvesteringen binnen een periode van 50 jaar, uitgedrukt in een contante waarde. 5.2.7
Eas.er_in.g
Na uitvoering van een aanvullend onderzoek ter detaillering van de inventarisatiegegevens en ter onderbouwing van de voorgestelde maatregelen alsmede ter detaillering van deze maatregelen kunnen maatregelen die verband houden met de sanering van het oppervlaktewater als eerste ter hand worden genomen. Voor het oppervlaktewater geldt, dat kan worden gekozen voor een gebiedsgerichte benadering bij de uitvoering van de saneringsmaatregelen. Het bovenstrooms gelegen gedeelte van de rivier (vak 1) verdient bij de fasering een zekere prioriteit. Eveneens kan de sanering van de opgehoogde voormalige zellingen worden uitgevoerd direct na afronding van de planvoorbereidings- en besluitvormingsprocedure voor zover geen verontreinigd materiaal vrijkomt of voor zover dit materiaal niet hoeft te worden geborgen in een speciaal in te richten monodeponie. De technische en procedurele voorbereidingsperiode inzake de realisatie van een monodeponie en een eventuele onderwaterbergingsdepot zal naar verwachting minimaal 5 jaar in beslag nemen, zodat een grootschalige sanering van de landlocaties alsmede de sanering van de waterbodem pas na deze periode kan worden uitgevoerd.
Voor de waterbodem geldt, dat door middel van een nader onderzoek moet worden vastgesteld of dan reeds het meest optimale saneringsmoment is bereikt in verband met de kwaliteitsontwikkeling van het oppervlaktewater en de waterbodem. Niet uitgesloten wordt dat het noodzakelijk blijkt te zijn een fasering in de uitvoering aan te brengen met een relatief hoge prioriteit voor het bovenstrooms gelegen gedeelte van de rivier.
-85-
Het kan wenselijk c.q. noodzakelijk blijken te zijn de sanering van dit gedeelte van de rivier ter hand te nemen nog voor afronding van de planperiode. Opgemerkt wordt dat deze periode nog niet exact is gedefinieerd. Gerekend wordt op een periode van 3 a 5 jaar.
\ /
JÏP
^ ;-»Zellingen: stedelljk-recreatlef gebruik/' gecombineerd «et wonen Oppervlaktewater; kwaliteitsdoelstelling 1 wonen kwaliteitsdoelstelling 2 natuur/recreatiegebied Industrie
•
kwaliteitsdoelstelling 3
-86-
5.3
Groeiscenario
5.3.1
Algemegn
Bij het groeiscenario wordt gesaneerd tot aan het tussenniveau. Dit betekent dat zodanig wordt gesaneerd dat een beperkte verruiming van de ontwikkelingsmogelijkheden ontstaat. De sanering op dit niveau is dus gericht op een functionele (lokale) kwaliteitsverbetering van de rivier en haar oevers. De maatregelen richten zich op het zoveel mogelijk wegnemen van beperkingen voor het huidige gebruik dan wel de functie van het compartiment of de locatie en eventuele toekomstige functies, die vergelijkbare eisen stellen. De maatregelen zijn zodanig dat de kans op verontreiniging van andere compartimenten moet worden uitgesloten. De meerkosten ten opzichte van het basisniveau dienen gerechtvaardigd te worden door de verruiming van de (lokale) gebruiksmogelijkheden. Deze ontwikkelingen kunnen een bredere uitstraling hebben.
-87-
5.3.2
£ekru.ik,smogeli JLkh.ed.efl In het groeiscenario is in de toekomst na een beëindiging van het huidige gebruik minimaal een vergelijkbaar gebruik zonder restricties mogelijk van de landlocaties. Dat wil zeggen dat op een opgehoogde zelling met een bepaalde vorm van industrie, in principe iedere vorm van industrie mogelijk moet zijn. Dat betekent ook dat gebruiksvormen die min of meer dezelfde, of lagere milieuhygiënische eisen stellen aan de bodem, in de plaats kunnen komen van andere functies, voor zover daarmee een stap in de richting van het ideaalbeeld wordt gezet.
Hierbij wordt ervan uitgegaan dat een woonbestemming de hoogste eisen stelt en industrie de laagste. Recreatie en een agrarische bestemming zijn te beschouwen als tussenvormen. De optimale ruimtelijk/functionele ontwikkeling in het groeiscenario is aangegeven in figuur 5.5.
Voor het aangeven van de (recreatieve) gebruiksmogelijkheden van het 'watersysteem' staat het gebruik als recreatiewater, als viswater en als zwemwater centraal. Voor het oppervlaktewater geldt dat minimaal sprake dient te zijn van de basiskwaliteit. Voor de waterbodems geldt dat geen belemmeringen aanwezig zijn voor de ontwikkeling van de waterkwaliteit. Bovendien mogen de verontreinigingen andere milieucompartimenten niet bereiken dan wel aantoonbaar beïnvloeden. Wanneer het oppervlaktewater in de Hollandsche IJssel voldoet aan de aanvullende normen die zijn beschreven in paragraaf 3.2 kan het in principe de functie als recreatie- en als zwemwater vervullen. Het is de taak van de overheid om aan te geven of een dergelijke functie ook daadwerkelijk aan dit oppervlaktewater zal worden toegekend.
Wanneer het water tevens voldoet aan de aanvullende eisen voor diverse soorten vissen, is de rivier tevens geschikt als viswater voor consumptief gebruik.
-88-
5.3.3
Mast£egeleapakjtei
Het in 5.3.1 geformuleerde kwaliteitsniveau is uitgewerkt in saneringsdoelstellingen voor de verschillende milieucompartimenten. In aansluiting op deze saneringsdoelstellingen zijn voor ieder compartiment maatregelen geformuleerd. In het navolgende worden per compartiment de te nemen maatregelen beschreven.
Opgehoogde zellingen De maatregelen bestaan hoofdzakelijk uit een gedeeltelijke verwijdering van de verontreinigingen in combinatie met een isolatie van de bestaande verontreinigingssituatie, zodanig dat directe en indirecte contactrisico's van mens, dier en milieu met deze verontreinigingen, uitgaande van een vergelijkbaar gebruik van de terreinen in de toekomst, tot een aanvaardbaar niveau worden gereduceerd.
Dit betekent in algemene zin, dat na een verwijdering van de verontreinigingen aan de bovenzijde een deklaagsysteem wordt aangebracht op de dan nog aanwezige verontreinigingen ter beperking van de contactrisico's, en dat de verspreidingsrisico's worden gereduceerd door het aanbrengen van schermconstructies langs de randen van de locaties, gekoppeld aan (tijdelijke) onttrekkingssystemen onder de basis van de holocene deklagen.
-89-
Voor de locaties met een woonbestemming, behorende tot de clusters I (Zellingwijk en het braakliggende deel van het Albatrosterrein) en II (Zuider IJsseldijk en Werf III) alsmede de locatie Ouderkerk-centrum, zoals genoemd in hoofdstuk 3, betekent dit een totale verwijdering van alle verontreinigde ophooggrond c.q. afvalmateriaal in combinatie met een tijdelijk (intensief) onttrekkingssysteem in het verspreidingsgebied.
Zellingwijk Albatros-gedeeltelijk Zuiderijsseldijk Werf III Ouderkerk-centrum
saneringssysteem A
Voor de overige locaties behorende tot de clusters I en II, betekent dit, dat aan de bovenzijde, al dan niet na verwijdering van een laag verontreinigd materiaal, een "gesloten" deklaagsysteem wordt aangebracht bestaande uit een steunlaag op het verontreinigde materiaal, een afdichtende laag in de vorm van bijvoorbeeld zandbentoniet of een folie en afgedekt door een drainerende zandlaag en een teelaardelaag, in dikte en samenstelling afhankelijk van locatie specifieke aspecten. Door middel van dit deklaagsysteem wordt de infiltratie van neerslagoverschot in het te isoleren gebied in zeer belangrijke mate gereduceerd (figuur 3.5; saneringssysteem C "dicht"). -
Geitenwei Schanspolder EMK Avia Kortenoord Albatros-gedeeltelijk Overige locaties cluster II* (* zie tabel 3.2)
saneringssysteem C "dicht"
-90-
Voor de locaties behorende tot cluster III wordt, met uitzondering van de in het voorgaande genoemde locatie Ouderkerk-centrum en de locaties die intensief in gebruik zijn als bedrijfsterrein, eveneens uitgegaan van het aanbrengen aan de bovenzijde van een "gesloten" deklaagsysteem. Het betreft de locaties IJsseldijk 109-111, IJsseldijk 235-335, IJsseldijk 337-365, Groot Hitland (gedeeltelijk) en Klein Hitland (zie voorgaande principeschets; cluster I en II). Voor de bedrijfsterreinen wordt uitgegaan van afdichtende constructies aan het maaiveld, zonder dat materiaal wordt verwijderd, met uitzondering van kabels- en leidingenstraten. Als afdichtende constructie kan afhankelijk van de locatie specifieke omstandigheden, asfalt, asfaltbeton e.d. worden toegepast (figuur 3.5; saneringssysteem B "dicht").
Gouderaksedijk Blok Groot Hitland (gedeeltelijk) (T)
/
saneringssysfeem B "dichf"
Indien geen sprake is van een totale verwijdering van het verontreinigde materiaal, geldt voor alle locaties behorende tot de clusters I, II en III, met uitzondering van de terreinen IJsseldijk 109-111, IJsseldijk 235-335 en IJsseldijk 337-365 (zie volgende principeschets cluster IV), dat een verticaal isolatiesysteem in de vorm van schermconstructie moet worden aangebracht rond het verontreinigde gebied tot aan de hoofdwaterkering. Binnendijks van de hoofdwaterkering kan worden volstaan met een horizontaal interceptiesysteem aan de teen van de dijk. Om uitvoeringstechnische redenen kan het noodzakelijk zijn om ook in de hoofdwaterkering een verticaal isolatiesysteem aan te brengen in plaats van een horizontaal interceptiesysteem.
-91-
Bij de locaties uit cluster IV wordt, met uitzondering van de locatie IJssellaan, uitgegaan van een "open" deklaagsysteem in de vorm van een leeflaag als isolatiemaatregel aan de bovenzijde van de terreinen. De verontreinigingssituatie van de toplaag bepaalt in welke mate tot verwijdering van deze toplaag moet worden gekomen. Naar verwachting zal dit bij de locaties Zellingstraat en Onderneming minimaal zijn. Voor de locatie IJssellaan is een gesloten deklaagsysteem noodzakelijk.
Loswal III (30%) Watertoren (20%) Onderneming Zellingstraat (25%) Groot Hitlandstrekdam (30%)
saneringssysteem C "apen"
In geval isolatiemaatregelen worden uitgevoerd in de vorm van open systemen aan het maaiveld, dient daarbij te worden uitgegaan van een definitief interceptiesysteem in de goed doorlatende lagen onder het holocene pakket. Het daarbij vrijkomende water kan al dan niet na een voorzuivering worden geloosd op de riolering. Indien een zuivering in een specifiek voor dit doel te ontwerpen zuiveringsinstallatie noodzakelijk is, kan een lozing op het oppervlaktewater na behandeling worden overwogen. In die gevallen waarbij wordt uitgegaan van afdichtende constructies aan het maaiveld zal kunnen worden volstaan met een tijdelijk interceptiesysteem. Voor de locaties behorende tot cluster IV wordt een zuivering van het water niet noodzakelijk geacht. Het interceptiesysteem kan daarbij dienst doen als monitoringsysteem.
Een verticaal isolatiesysteem voor deze locaties, behorende tot cluster IV, is evenmin noodzakelijk.
Voor een samenvattend overzicht van de maatregelen wordt verwezen naar tabel 3.2.
-92-
Waterbodem
De maatregelen bestaan uit een integrale verwijdering van alle klasse 3 en 4 specie van de waterbodem. In paragraaf 3.5.1 is de geschatte gemiddelde diepteligging van de klasse 3-contour aangegeven. In die gevallen, waarbij de klasse 3-contour ondieper ligt dan 0,7 5 m, wordt ter plaatse van droogvallende platen toch uitgegaan van een minimum ontgravingsdiepte van 0,75 m, teneinde de potentiële contactrisico's in voldoende mate te reduceren. Indien in de vaargeul wordt uitgegaan van een overdiepte van 0,50 m ten opzichte van het nautisch gewenste profiel dan leidt dit niet tot een extra hoeveelheid te baggeren materiaal ten opzichte van de klasse 3-contour als verwijderingsgrens. Indien om milieuhygiënische redenen (beperking opwoeling sediment) wordt uitgegaan van een overdiepte van 1,0 m dan dient circa 200.000 m
specie extra te worden verwijderd.
Bij deze variant zijn aanvullingen om milieuhygiënische redenen niet noodzakelijk.
-93-
Qpperylaktgwater De sanering van de instromende wateren, zoals de Nieuwe Maas, wordt voor de nabije toekomst aangegeven door de reductiedoelstellingen geformuleerd in het Rijn Actie Programma. Sanering van de lozingen afkomstig van de afvalwaterzuiveringsinstallaties is in zeer vergaande mate noodzakelijk, omdat de gehalten aan verontreinigende stoffen in de effluenten eveneens moeten voldoen aan de gehalten behorende bij de basiskwaliteit. Hierbij gaat het met name om een vergaande fosfaat- en nitraatverwijdering. Ten aanzien van fosfaatverwijdering dienen de afvalwaterzuiveringsinstallaties in ieder geval te worden uitgerust met een vlokfiltratie. Voor voldoende stikstofverwijdering zal een laag belast actief subsysteem noodzakelijk zijn, waar in voldoende mate nitrificatie en denitrificatie kan plaatsvinden.
Naast deze aanpassingen zijn tevens de volgende maatregelen noodzakelijk: beëindiging van alle rechtstreekse lozingen (scheepvaart, industriële lozingen), overeenkomend met het beleid van Rijkswaterstaat; riolering van woningen, die rechtstreeks lozen op de Hollandsche IJssel, eventueel in combinatie met riolering van de lintbebouwing in de achterliggende polders; beperking van het gebruik van meststoffen via het bestaande wettelijk kader.
5.3.4
Hoe.ve_elhe.id. ie_be.raer. rn.aiexia.al Bij de sanering van de verontreinigde opgehoogde zellingen conform het principe zoals beschreven in paragraaf 5.2.2 komt globaal 820.000 m
verontreinigde grond en afvalmateriaal vrij.
Volgens een zeer indicatieve benadering wordt ervan uitgegaan dat het de volgende categorieën betreft: 410.000 m 3 vallend onder het regime van het stoffen- en processenbesluit van de Wet chemische afvalstoffen en 410.000 m° vallend onder het regime van de Afvalstoffenwet.
-94-
Op basis van de beschikbare ervaringen wordt geconcludeerd dat reiniging bij de huidige stand der techniek niet tot een multifunctioneel bruikbaar of beperkt bruikbaar produkt mogelijk is. Bij berging van dit materiaal in een speciaal voor dit doel in te richten monodeponie -in de regio-, is hiervoor een locatie vereist met een oppervlakte van circa 10 a 15 ha afhankelijk van de inrichtingsaspecten. Bij de inrichting van deze locatie dient te worden voldaan aan de door het Ministerie van VROM gestelde I.B.C.-criteria zoals vermeld in de Richtlijn gecontroleerd storten (1985). Bij de sanering van de waterbodem komt ruim 3,3*106 mJ specie vrij. Dit materiaal kan onbehandeld worden geborgen in een speciaal hiervoor in te richten onderwaterbergingslocatie binnen de regio. Hiervoor is een locatie vereist met een oppervlakte van 35 a 50 ha afhankelijk van de bergingsdiepte. Het voorzieningenniveau van deze in te richten locatie moet, uitgaande van de potentiële risico's ten aanzien van het ontstaan van emissies, vergelijkbaar zijn met het voorzieningenniveau van de bergingslocatie Papegaaiebek. De Papegaaiebek als bergingslocatie komt niet in aanmerking als gevolg van het ontbreken van voldoende bergingsvolume. Buiten de regio kan mogelijk uitsluitend worden geborgen in een op termijn te ontwikkelen bergingslocatie in het Hollandsen Diep.
Bij een behandeling van dit materiaal in de vorm van een hydrocyclonage kan de afgescheiden grove zandfractie naar verwachting worden gebruikt bij de inrichting van de monodeponie voor het materiaal van de . . • 3 landlocaties. Volgens globale berekeningen komt ruim 400.000 mJ materiaal voor hergebruik in aanmerking. De resterende hoeveelheid na hydrocyclonage te bergen materiaal bedraagt na indikking en mechanische ontwatering ruim 1,9*10 m . Voor de berging van dit materiaal geldt dat een volledige berging in de Papegaaiebek gelet op de beperkte beschikbare capaciteit niet tot de mogelijkheden behoort.
-95-
In geval een dubbele hydrocyclonagestap wordt overwogen, waarbij de fractie <60 \m wordt onderverdeeld in een deelstroom <20 ]im en een deelstroom gelegen tussen 20 en 60 \m\, kan naar verwachting gebruik worden gemaakt van de opslagfaciliteiten in de Slufter voor de laatstgenoemde fractie. Zonder een speciale ontwatering betreft het een hoeveelheid van 3,3*10 m 3 . Bij berging buiten de regio kan de zeer fijne fractie (<20 Jim) eventueel partieel worden geborgen in de Papegaaiebek. Een volledige berging in de Papegaaiebek behoort, mede gelet op het moment van uitvoering, niet tot de mogelijkheden. Na indikken en mechanisch ontwateren betreft het een hoeveelheid van ruim 1,1*106 m 3 .
5.3.5
N_a.zo.r_g
Teneinde de potentiële restrisico's voor volksgezondheid en milieu in geval van het falen van het isolatiesysteem bij de landlocaties in voldoende mate af te dekken, zijn na uitvoering van de sanering nazorgmaatregelen noodzakelijk. De risico's die gerelateerd zijn aan direct en/of indirect contact nabij het maaiveld kunnen worden beheerst door de opzet van een adequaat voorlichtingssysteem en periodieke inspectie van het gebruik van de terreinen met als doel te garanderen, dat de opgelegde gebruiksbeperkingen ook daadwerkelijk worden nageleefd. De verspreidingsrisico's worden afgedekt met de inrichting van een monitoringsysteem en periodieke analyse van genomen grondwatermonsters. Voor de maatgevende opgehoogde zellingen is daartoe een monitoringsysteem ontworpen, terwijl tevens de signaleringswaarden zijn vastgesteld, die kunnen worden gehanteerd bij de beoordeling over het al dan niet goed functioneren van het isolatiesysteem.
Een relatief extensief bemonsterings- en analyseprogramma moet worden opgezet voor de waterbodem om de kwaliteitsontwikkeling ervan, als gevolg van de zich langzaam verbeterde oppervlaktewaterkwaliteit, te kunnen volgen.
-96-
De nazorgmaatregelen voor het oppervlaktewater ten aanzien van de lozingen bestaan uit: handhavingsmaatregelen ten aanzien van het verbod op directe lozingen van woningen, bedrijven en scheepvaart; voorlichtingscampagnes omtrent dit lozingsverbod; periodieke bemonstering en analyse van het effluent van communale en industriële AWZI's. 5.3.6
Kojs. tgn
De totale kosten voor de sanering van de verontreinigde opgehoogde f*
zellingen worden voor dit scenario geraamd op circa ƒ 515*10 . Hierbij is uitgegaan van een berging van het vrijkomende materiaal in een binnen de regio in te richten monodeponie. Kosten voor verwerving of (tijdelijke) uitplaatsing van bedrijven alsmede voor funderingstechnische voorzieningen zijn hierbij niet inbegrepen. De kosten voor de sanering van de waterbodem zijn sterk afhankelijk van de te kiezen be- en verwerkingsmethoden van de vrijkomende specie. De totale kosten variëren van circa ƒ 145*10
voor het onbehandeld
bergen buiten de regio, tot ƒ 245*106 a ƒ 270*106 voor berging, na tweemaal fractioneren en mechanisch ontwateren van de fijne fractie, van één deelstroom buiten een één deelstroom binnen de regio.
De investeringskosten voor de aanpassingen van de afvalwaterzuiveringsinstallaties worden inclusief de exploitatielasten over een periode van 50 jaar, uitgedrukt in contante waarden, berekend op ƒ 240*10
voor de maatregelen behorende bij de doelstellingen van het
basisniveau. Hierbij zijn tevens inbegrepen de herinvesteringskosten binnen deze periode voor het elektrisch-mechanische gedeelte van de installaties, waarvoor afschrijvingstermijnen gelden van maximaal 20 jaar en waarbij de herinvesteringskosten voor deze onderdelen zijn bepaald op 60% van de totale investeringskosten.
-97-
De noodzakelijke maatregelen aan de afvalwaterzuiveringsinstallaties om te voldoen aan de doelstellingen van het tussenniveau zijn slechts zeer globaal aan te geven. De daartoe benodigde kosten worden indicatief aangenomen op 1,5 maal het bedrag voor het basisniveau.
De kosten voor de overige maatregelen (aansluitingskosten woningen en bedrijven op riolering, kosten ten behoeve van terugdringen lozingen scheepvaart e.d.) worden globaal geraamd op ƒ 10*10 .
De totale kosten, inclusief de kosten voor nazorg binnen de periode van vijftig jaar, worden uitgaande van de gehanteerde uitgangspunten en aannamen derhalve globaal geraamd op ƒ 1.050*106 a ƒ 1.200*106 afhankelijk van de be- en verwerkingsmogelijkheden van het waterbodemmateriaal . Dit betreffen zowel investeringskosten als exploitatie- en herinrichtingskosten over een periode van 50 jaar, uitgedrukt in een contante waarde.
5.3.7
Fagej£in,g Na uitvoering van een aanvullend onderzoek ter detaillering van de inventarisatiegegevens en ter onderbouwing van de voorgestelde maatregelen alsmede ter detaillering van deze maatregelen kunnen maatregelen die verband houden met de sanering van het oppervlaktewater als eerste ter hand worden genomen. Eveneens kan de sanering van de opgehoogde voormalige zellingen worden uitgevoerd direct na afronding van de planvoorbereidings- en besluitvormingsprocedure voor zover geen verontreinigd materiaal vrijkomt of voor zover dit materiaal niet hoeft te worden geborgen in een speciaal in te richten monodeponie. De technische en procedurele voorbereidingsperiode inzake de realisatie van een monodeponie en een eventuele onderwaterbergingsdepot zal naar verwachting minimaal 5 jaar in beslag nemen, zodat een grootschalige sanering van de landlocaties alsmede de sanering van de waterbodem pas na deze periode kan worden uitgevoerd.
-98-
Voor de planvoorbereidingsperiode geldt, dat daarbij tevens rekening moet worden gehouden met de opstelling van een milieu-effectrapportage inzake de realisatie van een monodeponie in de regio. Voor de waterbodem geldt, dat door middel van een nader onderzoek moet worden vastgesteld of dan reeds het meest optimale saneringsmoment is bereikt in verband met de kwaliteitsontwikkeling van het oppervlaktewater en de waterbodem.
Zellingen: I 7H7| stedeUJk-pecreatlef gebruik/ L * "I geconUneerd net m*t wonen ««wn gecombineerd Oppervlaktewater: wonen natuur/recreatiegebied Industrie
I f~
I
kwaUteltsdoelstelUng 2 kwaliteitsdoelstelling 3
-99-
5.4
Multifunctioneel
5.4.1
Algemeen
scenario
Bij het multifunctioneel scenario wordt gesaneerd tot aan het maximum niveau. De sanering op dit niveau is gericht op een zodanige kwaliteitsverbetering dat multifunctioneel gebruik mogelijk wordt. De maatregelen zijn zodanig dat de risico's van verontreiniging van andere compartimenten volledig worden geëlimineerd. De maatregelen zijn bovendien zodanig dat daarmee het casco wordt geboden voor de ontwikkeling van dit deel van de Hollandsche IJssel tot een volwaardig toeristisch-recreatief onderdeel van de "Blauwe Kamer in het Groene Hart", als "schakel tussen de grote wateren van het IJsselmeer en de Delta, voor wat betreft natuur en recreatie".
5.4.2
G_eb_ru.i JcsmogeA i jkhecjen
In het multifunctioneel scenario worden alle zellingen zodanig gesaneerd, dat overal een multifunctioneel gebruik mogelijk is. Hiermee wordt voldaan aan het beginsel van herstel van een multifunctionele bodem zoals dat in principe bij iedere sanering in beschouwing moet worden genomen. Het voordeel hiervan is dat geen beperkingen worden opgelegd aan mogelijke veranderingen in het grondgebruik in de toekomst.
Fig. 5.7. In het Multifunctioneel scenario kunnen de zellingen Boele (19) en Heuvelman (20), wat betreft de milieuhygiënische situatie, worden Ingericht voor een stedelljk-recreatlef gebruik. Links op de schets Is de nieuw aangebrachte laanbeplanting te zien
voor
na
-100-
Het ideaalbeeld uit figuur 4.15 kan binnen dit scenario, voor wat betreft de milieuhygiënische situatie, volledig worden gerealiseerd (figuur 5.6). In figuur 5.7 wordt in een schets, bij wijze van voorbeeld, een verandering in het gebruik aangegeven die mogelijk is in het multifunctioneel scenario.
Voor het aangeven van de (recreatieve) gebruiksmogelijkheden staat wederom het gebruik als recreatiewater, als viswater en als zwemwater centraal. Voor het oppervlaktewater geldt dat het water integraal moet voldoen aan de algemene milieukwaliteit. Daarnaast wordt een multifunctionele waterbodem gerealiseerd. Wanneer de Hollandsche IJssel voldoet aan de aanvullende normen die zijn beschreven in paragraaf 5.1.2 kan het in principe de functies recreatiewater en zwemwater vervullen. Het is de taak van de overheid om aan te geven op welke plaatsen en onder welke voorwaarden dergelijke functies ook daadwerkelijk aan dit oppervlaktewater zullen worden toegekend. Wanneer het water tevens voldoet aan de aanvullende eisen voor diverse soorten vissen, is de rivier tevens geschikt als viswater. Ten opzichte van het groeiscenario worden stringentere eisen ten aanzien van de waterkwaliteit gesteld en derhalve impliciet op lozingen. Daardoor zal de handhaving van de vereiste zwemwaterkwaliteit naar verwachting nergens problemen opleveren. Hetzelfde kan worden gesteld voor het gebruik van de rivier als viswater. 5.4.3
Maatregelenpakket
Het in 5.4.1 geformuleerde kwaliteitsniveau is uitgewerkt in saneringsdoelstellingen voor de verschillende milieucompartimenten. In aansluiting op deze doelstellingen zijn voor ieder compartiment maatregelen geformuleerd. In het navolgende worden per compartiment de te nemen maatregelen beschreven.
-101-
Qp_gehopgde gslljngen De maatregelen bestaan hoofdzakelijk uit een zodanige verwijdering van het verontreinigde materiaal dat multifunctioneel gebruik van de locaties mogelijk wordt. Slechts indien de bestaande verontreinigingen een multifunctioneel gebruik niet in de weg staan, is een verwijdering niet noodzakelijk.
Voor de locaties behorende tot de clusters I en II alsmede de locaties Ouderkerk-centrum en Klein Hitland behorende tot cluster III betekent dit dat alle verontreinigde ophooggrond c.q. afvalmateriaal wordt verwijderd en dat een tijdelijk (intensief) onttrekkingssysteem in het verspreidingsgebied wordt aangebracht teneinde deze verontreinigingen eveneens te verwijderen. In welke mate tot een totale aanvulling (tot kruinhoogte van de waterkering) moet worden overgegaan na verwijdering van de verontreinigingen is afhankelijk van het toekomstige gebruik. Locaties cluster I* Locaties cluster II* Ouderkerk-centrum Klein Hitland (* zie tabel 3.2)
saneringssysteem A
Voor de overige locaties behorende tot cluster III betekent dit, dat aan de bovenzijde, al dan niet na verwijdering van een laag verontreinigd materiaal, een "gesloten" deklaagsysteem wordt aangebracht bestaande uit een steunlaag op het verontreinigde materiaal, een afdichtende laag in de vorm van bijvoorbeeld zandbentoniet of een folie en afgedekt door een drainerende zandlaag en een teelaardelaag in dikte en samenstelling afhankelijk van locatie specifieke aspecten. In deze gevallen is de verontreinigingssituatie op een dieper niveau niet van zodanige aard dat dit leidt tot enige beperkingen in het gebruik indien niet tot verwijdering wordt overgegaan. Een eventuele verspreiding van verontreinigende stoffen vindt niet plaats of wordt door middel van het gekozen deklaagsysteem voorkomen.
-102-
Voor de locaties Blok en Groot Hitland is een verticaal isolatiesysteem in de vorm van schermconstructies langs het open water noodzakelijk. Dit isolatiesysteem dient te worden doorgezet tot aan de hoofdwaterkering. Binnendijks van de hoofdwaterkering kan worden volstaan met een horizontaal interceptiesysteem aan de teen van de dijk. Om uitvoeringstechnische redenen kan het noodzakelijk zijn om ook in de hoofdwaterkering een verticaal isolatiesysteem aan te brengen in plaats van een horizontaal interceptiesysteem. Het aan te brengen interceptiesysteem in het verspreidingsgebied en de daaraan gekoppelde waterzuivering heeft een tijdelijk karakter.
saneringssysteem C "dicht
Voor de locaties Gouderaksedijk, IJsseldijk 109-111, IJsseldijk 235-335 en IJsseldijk 337-365 is een verticaal isolatiesysteem niet noodzakelijk. Gouderaksedijk IJsseldijk 109-111 IJsseldijk 235-335 IJsseldijk 337-365
saneringssysteem C "dicht
-103-
Voor de locaties behorende tot cluster IV wordt, met uitzondering van de terreinen de Onderneming en Zellingstraat eveneens uitgegaan van een "gesloten" deklaagsysteem aan het maaiveld, al dan niet na verwijdering van een laag verontreinigd materiaal. In tegenstelling tot hetgeen is vermeld voor de locaties uit cluster III is in dit geval een verticaal isolatiesysteem en een zuivering van het interceptiewater niet noodzakelijk. Voor de locaties Onderneming en Zellingstraat wordt uitgegaan van een gesloten isolatiesysteem aan het maaiveld.
IJssellaan Loswal III (30%) Watertoren (20%) Groot Hitlandstrekdam (30%)
saneringssysteem C "dicht"
-104-
Waterbodem
De maatregelen bestaan uit een integrale verwijdering van alle klasse 2, 3 en 4 specie van de waterbodem. Uit het verontreinigingsonderzoek is de ligging van de klasse 2-contour slechts zeer incidenteel vastgesteld. Aangenomen is een gemiddelde diepte van 2,0 m onder het waterbodemoppervlakte . Uitgegaan wordt van een gefaseerde verwijdering van het verontreinigde materiaal, waarbij het klasse 3- en 4-materiaal gescheiden van het klasse 2-materiaal wordt ontgraven. Het klasse 2-materiaal kan onbehandeld worden geborgen.
Er wordt van uitgegaan, dat bij een verwijdering tot een gemiddelde diepte van 2,0 m het onderliggende bodemmateriaal voldoet aan de basiskwaliteitsnormen voor de waterbodem. Bij deze variant zijn aanvullingen om milieuhygiënische redenen niet noodzakelijk.
-105-
Oppervlaktewater De sanering van de instromende wateren, zoals de Nieuwe Maas, wordt voor de nabije toekomst aangegeven door de reductiedoelstellingen geformuleerd in het Rijn Actie Programma. Sanering van de lozingen afkomstig van de afvalwaterzuiveringsinstallaties is in zeer vergaande mate noodzakelijk, omdat de gehalten aan verontreinigende stoffen in de effluenten eveneens moeten voldoen aan de bij de algemene milieukwaliteit behorende gehalten. Hierbij gaat het met name om een vergaande fosfaat- en nitraatverwijdering. Ten aanzien van fosfaatverwijdering dienen de afvalwaterzuiveringsinstallaties in ieder geval te worden uitgerust met een vlokfiltratie. Voor voldoende stikstofverwijdering zal een laagbelast actief slibsysteem noodzakelijk zijn, waar in voldoende mate nitrificatie en denitrificatie kan plaatsvinden. Of met deze maatregelen kan worden voldaan aan de doelstellingen van het maximumniveau kan in dit stadium niet worden aangegeven.
Naast deze aanpassingen zijn tevens de volgende maatregelen noodzakelijk: beëindiging van alle rechtstreekse lozingen (scheepvaart, industriële lozingen), overeenkomend met het beleid van Rijkswaterstaat; riolering van woningen, die rechtstreeks lozen op de Hollandsche IJssel, eventueel in combinatie met riolering van de lintbebouwing in de achterliggende polders; beperking van het gebruik van meststoffen via het bestaande wettelijk kader.
5.4.4
Hoeve.elhe.id. ie_be_rgen materiaal Bij de sanering van de verontreinigde opgehoogde zellingen, conform het principe zoals beschreven in paragraaf 5.2.2, komt globaal 2,2*106 m
verontreinigde grond en afvalmateriaal vrij.
-106-
Volgens een zeer indicatieve benadering wordt ervan uitgegaan dat het de volgende categorieën betreft: 1,3*106 m 3 vallend onder het regime van het stoffen- en processenbesluit van de Wet chemische afvalstoffen en 0,9*106 m 3 vallend onder het regime van de Afvalstoffenwet. Op basis van de beschikbare ervaringen wordt geconcludeerd dat reiniging bij de huidige stand der techniek tot een multifunctioneel bruikbaar of beperkt bruikbaar produkt niet mogelijk is. Bij berging van dit materiaal in de regio, in een speciaal voor dit doel in te richten monodeponie, is een locatie vereist met een oppervlakte van circa 25 a 40 ha, afhankelijk van de inrichtingsaspecten. Bij de inrichting van deze locatie dient te worden voldaan aan de door het Ministerie van VROM gestelde I.B.C.-criteria zoals vermeld in de Richtlijn gecontroleerd storten (1985). Bij de sanering van de waterbodem komt ruim 5,1*10 mJ specie vrij. Dit materiaal kan onbehandeld worden geborgen in een speciaal hiervoor in te richten onderwaterbergingslocatie binnen de regio. Hiervoor is een locatie vereist met een oppervlakte van 35 a 50 ha afhankelijk van de bergingsdiepte. Ook kan een gescheiden opslag worden overwogen van het klasse 2-materiaal en het klasse 3- en 4-materiaal.
Het voorzieningenniveau van deze in te richten locatie moet vergelijkbaar zijn met het voorzieningenniveau van de bergingslocatie Papegaaiebek voor zover het klasse 3 en 4 materiaal betreft. De Papegaaiebek als bergingslocatie komt niet in aanmerking als gevolg van het ontbreken van voldoende bergingsvolume. Buiten de regio kan mogelijk uitsluitend worden geborgen in een op termijn te ontwikkelen bergingslocatie in het Hollandsen Diep. Het klasse 2-materiaal kan onbehandeld worden geborgen in een locatie met een relatief laag voorzieningenniveau. Het betreft circa 1,8*106 m 3 .
Bij een behandeling van het klasse 3- en 4-materiaal in de vorm van een hydrocyclonage kan de afgescheiden grove zandfractie naar verwachting worden gebruikt bij de inrichting van de monodeponie voor het materiaal van de landlocaties.
-107-
Volgens globale berekeningen komt ruim 400.000 nr materiaal voor hergebruik in aanmerking. De resterende hoeveelheid na hydrocyclonage te bergen materiaal bee.
Q
draagt na indikking en mechanische ontwatering ruim 1,9*10 m . Voor de berging van dit materiaal geldt hetzelfde als gesteld in het voorgaande, dat wil zeggen, dat de Papegaaiebek als bergingslocatie niet in aanmerking komt. In geval een dubbele hydrocyclonagestap wordt overwogen, waarbij de fractie <60 \xm wordt onderverdeeld in een deelstroom <20 ym en een deelstroom gelegen tussen 20 en 60 \an, kan naar verwachting gebruik worden gemaakt van de opslagfaciliteiten in de Slufter voor de laatstgenoemde fractie. Zonder een speciale ontwatering betreft het een hoeveelheid van 3,3*106 m3. Bij berging buiten de regio dient de zeer fijne fractie (<20 \xm) te worden geborgen in een speciale bergingslocatie met een voorzieningenniveau vergelijkbaar met de Papegaaiebek. Na indikken en mechanisch ontwateren betreft het een hoeveelheid van ruim 1,1*106 m 3 .
5.4.5
N_a£0£g
Aangezien bij dit scenario sprake is van een totale verwijdering van de verontreinigingen zijn nazorgmaatregelen ter plaatse van de opgehoogde voormalige zellingen niet noodzakelijk. Voor de waterbodem daarentegen geldt, dat een, in verhouding tot het groeiscenario, intensiever bemonsterings- en analyseprogramma moet worden uitgevoerd om de kwaliteitsontwikkeling ervan, als gevolg van de zich (langzaam) verbeterde oppervlaktewaterkwaliteit, te kunnen volgen.
De nazorgmaatregelen voor het oppervlaktewater ten aanzien van de lozingen bestaan uit: handhavingsmaatregelen ten aanzien van het verbod op directe lozingen van woningen, bedrijven en scheepvaart; voorlichtingscampagnes omtrent dit lozingsverbod; periodieke bemonstering en analyse van het effluent van communale en industriële AWZI's.
-108-
5.4.6
JKofite_n De totale kosten voor de sanering van de verontreinigde opgehoogde zellingen worden voor dit scenario geraamd op circa ƒ 815*10 . Hierbij is uitgegaan van een berging van het vrijkomende materiaal in een binnen de regio in te richten monodeponie. Kosten voor verwerving of (tijdelijke) uitplaatsing van bedrijven alsmede voor funderingstechnische voorzieningen zijn hierbij niet inbegrepen.
De kosten voor de sanering van de waterbodem zijn sterk afhankelijk van de te kiezen be- en verwerkingsmethoden van de vrijkomende specie. De totale kosten variëren van circa ƒ 200*10
voor het onbehandeld
bergen buiten de regio, tot circa ƒ 300*106 a ƒ 325*106 voor berging, na tweemaal fractioneren en mechanisch ontwateren van de fijne fractie, van één deelstroom buiten en één deelstroom binnen de regio.
De investeringskosten voor de aanpassingen van de afvalwaterzuiveringsinstallaties worden inclusief de exploitatielasten over een periode van 50 jaar, uitgedrukt in contante waarden, berekend op ƒ 240*106 voor maatregelen behorende bij de doelstellingen van het basisniveau. Hierbij zijn tevens inbegrepen de herinvesteringskosten binnen deze periode voor het elektrisch-mechanische gedeelte van de installaties, waarvoor afschrijvingstermijnen gelden van maximaal 20 jaar en waarbij de herinvesteringskosten voor deze onderdelen zijn bepaald op 60% van de totale investeringskosten. De noodzakelijk maatregelen aan de afvalwaterzuiveringsinstallaties om te voldoen aan de doelstellingen van het maximumniveau zijn in dit stadium niet te bepalen. Ten behoeve van een kostenindicatie wordt uitgegaan van een bedrag dat een factor 2 hoger ligt dan de benodigde kosten voor de maatregelen op het basisniveau.
De kosten voor de overige maatregelen (aansluitingskosten woningen en bedrijven op riolering, kosten ten behoeve van terugdringen lozingen scheepvaart e.d.) worden globaal geraamd op ƒ 10*10 .
-109-
De totale kosten, inclusief de kosten voor nazorg binnen de periode van vijftig jaar worden uitgaande van de gehanteerde uitgangspunten en aannamen derhalve globaal geraamd op ƒ 1.500*106 a ƒ 1.650*106 afhankelijk van de be- en verwerkingsmogelijkheden van het waterbodemmateriaal. Dit betreffen zowel investeringskosten als exploitatie- en herinvesteringskosten over een periode van 50 jaar, uitgedrukt in een contante waarde.
5.4.7
£a.s_e.£in.g Na uitvoering van een aanvullend onderzoek ter detaillering van de inventarisatiegegevens en ter onderbouwing van de voorgestelde maatregelen, alsmede ter detaillering van deze maatregelen, kunnen maatregelen die verband houden met de sanering van het oppervlaktewater als eerste ter hand worden genomen.
Voor de voorzieningen aan de afvalwaterzuiveringsinstallaties geldt, dat deze in verschillende stappen moeten worden uitgevoerd, rekening houdend met het rendement van de voorgaande stappen. Afhankelijk van de situering in het gebied kan er voor worden gekozen om een zekere prioriteit aan te brengen zowel in de volgorde van uitvoering als in de mate waarin de voorzieningen worden doorgevoerd. Het bovenstroomse deel van de rivier heeft daarbij de hoogste prioriteit. De sanering van de opgehoogde voormalige zellingen kan worden uitgevoerd direct na afronding van de planvoorbereidings- en besluitvormingsprocedure. Voor de planvoorbereidingsprocedure geldt dat daarbij tevens rekening moet worden gehouden met de opstelling van een milieu-effectrapportage inzake de realisatie van de monodeponie in de regio. De technische en procedurele voorbereidingsperiode inzake de realisatie van een monodeponie en een eventuele onderwaterbergingsdepot zal naar verwachting minimaal 5 jaar in beslag nemen, zodat een grootschalige sanering van de landlocaties alsmede de sanering van de waterbodem pas na deze periode kan worden uitgevoerd.