BP Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek, toelichting en regels, versie 27-10-2023
Tekst van het document
BCDECFFGHIDJKLH MNOPQRNOSTUVWXTYZ[\]^_TRR_T`^ a^Y bCFCCHECTYcGFJCHCcdLLce
MSRSPMf
gRMSb^MS^a`
`RSP\f
VhTijEikCcTVlVU
[\ZmT[`_f
_an[\ZmnopUonB]VVlqBbloprgblo
m]`ZRNOS_^\^Z IJKLMNOPQRSTUT VKPWWPJXYYJRZ[ Z\[]R^VR_Y``OJaNPPJ KPXPbccJRdefZRg]d[fd OJbchOJKWcNOPQTJX QQQTOJKWcNOPQTJX
m]`ZRNOSb^g^Z
MSRSPM icJjPkKl UccWcJKQPWkl MJKQPWkl UYnKtPnKPX`l
`RSP\ emRnPkKPopPWRZdZZ qRrsJORZdZ] ZZRYstsnKsnRZdZ] Z\RcuKcpPWRZdZ]
g^ZM[^ ePRNPWnOP ePRNPWnOP ePRNPWnOP ePRNPWnOP
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
Toelichting
Toelichting
3
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
4
Toelichting
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
Inhoudsopgave Toelichting
3
Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Vigerende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer
7 7 7 7 8
Hoofdstuk2 Bestaande situatie 2.1 Bestaande situatie omgeving 2.2 Bestaande situatie plangebied
9 9 10
Hoofdstuk3
13
3.1 3.2
Planbeschrijving
Nieuwe situatie Verkeer en parkeren
13 15
Hoofdstuk4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Gemeentelijk beleid
17 17 19 23
Hoofdstuk5 Omgevingsaspecten 5.1 Milieu 5.2 Waterparagraaf 5.3 Archeologie en cultuurhistorie 5.4 Flora en fauna 5.5 Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten
27 27 35 37 40 41
Hoofdstuk6 Juridische planbeschrijving 6.1 Algemeen 6.2 Verbeelding 6.3 Regels 6.4 Handhaving bestemmingsplan
43 43 43 43 45
Hoofdstuk7 Uitvoerbaarheid en resultaten overleg 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.2 Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro 7.3 Communicatie 7.4 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
47 47 47 47 48
Regels
49
Hoofdstuk1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
50 50 54
Hoofdstuk2 Artikel 3 Artikel 4
Bestemmingsregels Wonen Waarde - Archeologie 3
55 55 57
Toelichting
5
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
Artikel 5
Waterstaat - Waterkering
60
Hoofdstuk3
Algemene regels
61
Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Overige regels
61 62 63 64 65 66
Hoofdstuk4
Overgangs- en slotregels
67
Artikel 12 Artikel 13
Overgangsrecht Slotregel
67 68
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1
Bouw- en architectuurhistorische analyse
Bijlage 2
Akoestischonderzoek wegverkeerslawaai
Bijlage 3
Bodemonderzoek
Bijlage bij regels Bijlage 1
6
Landschapsinrichtingsplan
Inhoudsopgave
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Op het perceel Schuwacht 324 in Krimpen aan de Lek staat een cultuurhistorisch waardevolle woonboerderij met hierachter een karakteristiek bijgebouw. De woonboerderij van 1920 vormt samen met het bijgebouw een boerenerfensemble. Het gehele ensemble kan worden beschouwd als cultuurhistorisch waardevol erfgoed, zoals dat is aangetoond in een bouw- en architectuurhistorische analyse van IDDS te Noordwijk (rapport van januari 2022). Om het bijgebouw te behouden is het vanuit oogpunt van cultuurhistorie wenselijk om dit bijgebouw te voorzien van de aanduiding 'karakteristiek' met de mogelijkheid hierin gelijktijdig een extra wooneenheid toe te staan. Dit bestemmingsplan maakt de vervolgfunctie juridisch/ planologisch mogelijk.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt op een perceel aan de Schuwacht 324 te Krimpen aan de Lek in de tweedelijns bebouwing van het bebouwingslint. In westelijke richting staan iets verderop vrijstaande woningen. In zuidelijke richting staat de bestaande boerderijwoning op nummer 324. In oostelijke richting staat verderop een stal van een veehouderijbedrijf. In noordelijke richting ligt het veenweidegebied. Het plangebied zelf is bereikbaar via de bestaande ontsluiting van het woonperceel Schuwacht 324. Het plangebied en omgeving is aangeduid in figuur 1.
Figuur 1: Situering plangebied (rood gestippeld omlijnd) en omgeving.
1.3
Vigerende bestemmingsplannen
Voor het plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen:
Toelichting
7
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
Bestemmingsplan "Landelijk Gebied (voormalige gemeente Nederlek"
"Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard"
Raadsbesluit 24 april 2018
Uitspraak Raad van State 12 februari 2020
Na bestuurlijke lus opnieuw vastgesteld op 14 juli 2020 29 januari 2019
n.v.t.
Het perceel is in het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Nederlek)' bestemd voor 'Wonen'. Per bouwvlak is één woning toegestaan. Een uitsnede van de verbeelding is opgenomen in figuur 2. Voor het plangebied gelden verder de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - vaw1' en de algemene aanduiding 'Milieuzone boringsvrije zone'. Het oprichten van een extra wooneenheid in een bestaand bijgebouw is in strijd met de regels van het bestemmingsplan.
Figuur 2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Landelijk Gebied, voormalige gemeente Nederlek'.
1.4
Leeswijzer
Hoofdstuk 3 beschrijft de huidige situatie. In Hoofdstuk 3 wordt een planbeschrijving van de nieuwe toestand beschreven. In Hoofdstuk 4 wordt het beleidskader uiteengezet. Hierin wordt het voor dit bestemmingsplan relevante rijks-, provinciaal en gemeentelijke beleid beschreven. Hoofdstuk 5 omvat de omgevingsaspecten, waaronder de Waterparagraaf. Ook uitvoeringsaspecten worden hier beschreven. In Hoofdstuk 6 wordt de keuze voor de planmethodiek nader toegelicht. Hoofdstuk 7 is gewijd aan de uitvoerbaarheid. Hier wordt met name ingegaan op de uitkomsten van de inspraak en het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.
8
Toelichting
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
Hoofdstuk 2 2.1
Bestaande situatie
Bestaande situatie omgeving
Veenweide Het grondgebied van de Krimpenerwaard bestaat uit veenweidegebied. Het veenweidegebied wordt gekenmerkt door twee hoofdrichtingen. De ene hoofdrichting loopt evenwijdig aan de Lek en de Hollandsche IJssel en wordt bepaald door de nederzettingen, watergangen en doorgaande wegen. De andere richting staat haaks op deze rivieren en wordt bepaald door de verkaveling, watergangen en verbindingswegen. Het slagenlandschap in het veengebied bestaat uit twee verschillende werelden: die van de dijklinten c.q. kleinschalige linten in het veenweidegebied met bruggetjes en knotwilgen met daarachter de ruimte met sloten en weilanden. Bebouwingslinten De bebouwing in het buitengebied bevindt zich in een aantal bebouwingslinten die over het gehele grondgebied te vinden zijn en die min of meer buurtschappen vormen. De bebouwingslinten kennen een zeer divers gebruik: voornamelijk woningen en in mindere mate agrarische bedrijven en niet agrarische bedrijven. Plangebied en omgeving Het woonperceel aan de Schuwacht 324 ligt achter het dijklichaam van de Lek. Aan weerszijden staan voornamelijk vrijstaande woningen. Oostelijk van het plangebied is een veehouderijbedrijf gevestigd. Aan de overzijde van de Schuwacht ligt openluchtzwembad Schuagt met in westelijke richting daarvan een waterzuiveringsstation.
De huidige bebouwing op het perceel bestaat uit een voormalige agrarische boerderijwoning. Op het erf staan enkele bijbehorende bouwwerken, waaronder een karakteristiek bijgebouw en een voormalige hooiberg. Oostelijk gelegen woning op nummer 322. Westelijk gelegen woning op nummer 326.
Zwembad Schuagt.
Toelichting
Waterzuiveringsstation aan Schuwacht 7.
9
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
2.2
Bestaande situatie plangebied
2.2.1 Hoofdgebouw De bebouwing die hoort bij Schuwacht 324 in Krimpen aan de Lek bestaat uit een voormalige boerderij, die als het hoofdbouwvolume gezien moet worden, een bijgebouw uit 2006 en een vernieuwde hooiberg. Het hoofdbouwvolume staat haaks op de weg, en bestaat uit het oorspronkelijke woonhuis dat een begane grond en een zolder omvat, en het tot woonhuis verbouwde bedrijfsgedeelte. Zoals gebruikelijk in deze streek zijn deze bouwdelen onder hetzelfde dak geplaatst. De symmetrische voorgevel van het oorspronkelijke woonhuis is opgetrokken naar een relatief sober ontwerp waarin geput is uit de vormtaal en detaillering van de Neorenaissance, terwijl het eenvoudig afgewerkte dakoverstek enige invloed uit de Chaletstijl verraadt. Alle gevelopeningen worden aan de bovenzijde afgesloten met een segmentboog, in de boogtrommels bevindt zich metselmozaïek waarvoor geglazuurde bakstenen zijn gebruikt. De zijgevels zijn significant soberder, hoewel het neorenaissancistische karakter door de toepassing van strekse bogen boven de gevelopeningen wordt voortgezet, ook bij het voormalige bedrijfsgedeelte. Aan de plaatsing van de gevelopeningen in de zijgevels van het bedrijfsgedeelte is af te lezen dat inpandig een vloedzolder aanwezig is, of is geweest. Voorts kan worden gezegd dat al het muurwerk in schoonmetselwerk is opgetrokken, met machinale baksteen in kruisverband.
Aan het grindpad dat zich langs de rechterzijde van het hoofdbouwvolume uitstrekt, en dat aansluit op een diep grasland (oorspronkelijk in gebruik als weiland) met aangeplante bomen, ligt links het bijgebouw dat het onderzoeksobject is, en rechts de vernieuwde hooiberg. Het bijgebouw werd in 2006 gebouwd, met dezelfde dimensionering als de schuur die hier tot 2006 stond.
Het hoofdbouwvolume.
Op de achtergrond is het bijgebouw zichtbaar.
2.2.2 Het bijgebouw Het bijgebouw ligt iets excentrisch ten opzichte van de bouwkundige middenlijn van het hoofdbouwvolume. Net als het hoofdbouwvolume omvat het bijgebouw een begane grond en een zolder, en is het onder een zadeldak geplaatst (gedekt met geglazuurde pannen) dat aan alle zijden iets voor de gevels oversteekt. Het muurwerk is als schoonmetselwerk uitgevoerd, in kruisverband en platvol voegwerk met Portlandcement. Omdat in de onderzone een donkere voeg is aangebracht ontstaat de indruk van een trasraam. De architectuur van het bijgebouw is zeer sober, en geënt op die van het hoofdbouwvolume en op de voorganger die in 2006 werd geamoveerd. Dit komt niet alleen tot uitdrukking in de aard en uitvoering van het metselwerk, hoewel het voegwerk iets lomper van uitvoering is dan in de oudbouw, maar vooral in de toepassing van strekse bogen boven de gevelopeningen. Het sobere karakter van het gebouw is vanuit historisch oogpunt in lijn met hoe dergelijke bijgebouwen in vroeger tijden werden vormgegeven. De voornaamste verbijzonderingen zijn de geprofileerde, en fors geprononceerde, dakgoten en de gesneden makelaars die de windveren bij de kop- en eindgevel in de nok samenvoegen. Ook in de profilering van het kozijnhout is een duidelijke verwijzing naar het historisch bouwen te zien.
Dergelijke profielen, met een biljoen die glooiend overgaat in een kapel, werden vanaf de late negentiende eeuw algemeen toegepast. Voorts kan worden opgemerkt dat het bijgebouw een tamelijk gesloten karakter heeft. In de kopgevel die gericht is op het hoofdbouwvolume zijn alleen vensters aanwezig, die relatief klein zijn. De hoofdentree is gericht op het pad langs de rechter zijgevel. Deze indeling kan als passend gezien worden voor bijgebouwen op het boerenerf. Een inrichtingstekening is opgenomen in figuur 3.
10
Toelichting
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
Het karakteristieke bijgebouw.
Gezien vanuit zuidoostzijde.
Op voorgrond bijgebouw. Hierachter hoofdgebouw.
De kopgevel van het bijgebouw.
Toelichting
11
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
Figuur 3: Inrichtingstekening plangebied.
12
Toelichting
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
Hoofdstuk 3 3.1
Planbeschrijving
Nieuwe situatie
3.1.1 Bouwhistorisch onderzoek De woonboerderij van 1920 vormt samen met het bijgebouw een boerenerfensemble. Het gehele ensemble kan worden beschouwd als cultuurhistorisch waardevol erfgoed. Om een karakteristiek bijgebouw achter de boerderij te behouden is het vanuit oogpunt van cultuurhistorie wenselijk om dit bijgebouw te voorzien van de aanduiding 'karakteristiek' in plaats van nu alleen de woonboerderij. Ten behoeve hiervan is een bouw- en architectuurhistorische analyse uitgevoerd door IDDS te Noordwijk (rapport van januari 2022, Bijlage 1). Bijgebouwen (algemeen) Uit de resultaten van dit onderzoek valt af te leiden dat bijgebouwen een onlosmakelijk onderdeel zijn van het boerenerf. Deze komen voor in vele vormen en functies, waarvan de hooibergen en wagenschuren uiteraard de meest bekende zijn. Het zijn vooral agrarische functies die de bijgebouwen hebben. Er wordt vee in gestald, oogst opgeborgen of gereedschap opgeslagen. Niet zelden is er sprake van een gecombineerde functie. Vanuit bouwkundig en visueel/architectonisch oogpunt zijn de bijgebouwen ondergeschikt aan het hoofdbouwvolume: het woonhuis en bedrijfsgedeelte. De hiërarchie van het boerenerf is van oudsher zó dat de bijgebouwen zich op het achterste deel van het erf bevinden. Het “achter” is het terrein van de man, alle bedrijfsactiviteiten spelen zich hier af.
Het voorste deel van het erf, met de sier- en moestuin, de boomgaard en bleekveldjes, is het terrein van de vrouw. Zoals gebruikelijk wordt het agrarisch bedrijf gekenmerkt door een hoge mate van pragmatisme. Bijgebouwen konden een functie verliezen of een nieuwe toegewezen krijgen, en al naar gelang het gebruik werden de gebouwen aangepast. Onderhoud werd veelal sporadisch uitgevoerd, al naar gelang de belangrijkheid van de functie die het bijgebouw had. Het bijgebouw van Schuwacht 324 Op de plek waar in 2006 het huidige bijgebouw werd opgetrokken bevond zich een schuur die in 1932 werd opgetrokken. Dit blijkt uit de kadastrale hulpkaart die in 1933 werd vervaardigd. De wijziging laat zien die in het voorgaande jaar waren doorgevoerd (figuur 4). De schuur fungeerde als wagenberging en opslag en was gebouwd naar een zeer eenvoudig ontwerp, zonder enige noemenswaardige verbijzonderingen. Het ontwerp was sterk gebaseerd op de traditionele, agrarische vormentaal, hetgeen sterk tot uitdrukking kwam in de kop- en eindgevel, die als tuitgevels waren vormgegeven. In de tweede helft van de twintigste eeuw werd het pand verbouwd waarbij de kopgevel werd vernieuwd en aan de rechterzijde een overkapping werd geplaatst. In de relatief forse, gesloten ogende gevelvlakken waren kleine vensteropeningen en personendeuren opgenomen.
Ook de vernieuwde kopgevel had een sterk gesloten karakter, ondanks de brede doorgang met poortdeuren die rechts in de gevel was geplaatst.
Figuur 4: Uitsnede uit de kadastrale hulpkaart, dienstjaar 1933. Lekkerkerk, sectie D 5829. (KAD). Het onderzoek toont aan dat het bijgebouw, dat in 2006 na de sloop van een voorganger werd opgetrokken, karakteristiek is voor de locatie en het gebied waar het zich bevindt (zie onderstaande foto's). Uit bestudering van historische bronnen, de architectuur van het hoofdbouwvolume en de
Toelichting
13
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
voorganger van het huidige bijgebouw kan worden gesteld dat het uiterlijk van het bijgebouw als karakteristiek kan worden aangeduid. De dimensionering, het materiaalgebruik, de detaillering en het gesloten karakter zijn karakteristiek voor de bijgebouwen die op de boerenerven van de Krimpenerwaard gevonden kunnen worden. De sobere opzet van het gebouw ondersteunt het beeld van het erf dat nog als herkenbaar en traditioneel geduid kan worden.
Het bijgebouw vlak voor de sloop.
De oorspronkelijke gevel is hier zichtbaar.
3.1.2 Beoordeling Uit de resultaten van de bouwhistorische verkenning zijn de volgende waarde-stellingen vastgesteld: De cultuurhistorische waarde van de voormalige boerderij wordt bepaald door het ensemble van het hoofdgebouw met de bijbehorende karakteristieke bijgebouwen en het omliggende boerenerf met beplantingen. Hoewel in een latere periode het bijgebouw en de hooiberg werden vernieuwd, is de cultuurhistorische waarde van dit ensemble bewaard gebleven. Belangrijk daarbij is dat het nieuwe bijgebouw in 2006 werd gebouwd op dezelfde locatie, in hetzelfde volume en in dezelfde eenvoudige bouwstijl als de afgebroken voormalige wagenschuur, waardoor de ruimtelijke karakteristiek van het ensemble behouden bleef. Op basis van deze waarde-stelling kan worden vastgesteld dat het bijgebouw bij de boerderijwoning karakteristieke waarden heeft die waard zijn om te behouden. Van planologische en cultuurhistorische overwegingen is de aanduiding 'karakteristiek' hiermee in voldoende mate aangetoond. Met deze aanduiding blijft het bijgebouw behouden, omdat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning het gebouw te slopen of minder geschikt te maken voor de verwezenlijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming.
3.1.3 Gewenste planologische situatie Om het bijgebouw te behouden is het nodig om de aanduiding 'Karakteristiek' op te nemen, zodat publiekrechtelijk is geborgd dat het cultuurhistorisch waardevolle object blijft behouden. Dit wordt geborgd in de Algemene bouwregels, artikel 7.2 (Sloop karakteristieke bebouwing). Gelijktijdig kan een bouwvlak worden toegevoegd om hier een extra wooneenheid toe te staan zonder dat de bebouwing toeneemt. De regels van het bestemmingsplan 'Wonen' zijn overeenkomstig de regeling van het geldende bestemmingsplan. Voor het overige blijven de regels en verbeelding van het geldende bestemmingsplan van kracht.
14
Toelichting
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
3.2
Verkeer en parkeren
Verkeer De Schuwacht is een verbindingsweg tussen Krimpen aan de Lek en Lekkerkerk. Ter plaatse geldt een maximum snelheid van 60 km/uur. Deze weg is tevens een recreatieve verbindingsroute voor langzaam verkeer. In westelijke richting ligt de woonkern Krimpen aan de Lek.
De Schuwacht.
Erftoegangsweg vanaf Schuwacht.
Parkeren De woning wordt vanaf de bestaande uitrit ontsloten op de Schuwacht. De kavel is van dusdanige omvang dat er meerdere voertuigen op eigen terrein kunnen worden geparkeerd. Qua parkeernorm wordt uitgegaan van 'vrijstaand', 'weinig stedelijk' in 'rest bebouwde kom' (CROW, december 2018, publicatie 381). Hiervoor geldt een maximum parkeernorm van 2,7 parkeerplaatsen per woning (inclusief 0,3 pp aandeel bezoekers). Deze parkeervraag wordt opgelost op eigen terrein, omdat op het erf drie parkeerplaatsen kunnen worden aangelegd. Dit wordt geborgd in artikel 11.2 (parkeren) van de planregels.
Toelichting
15
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
16
Toelichting
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
Hoofdstuk 4 4.1
Beleidskader
Rijksbeleid
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (2020) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' vastgesteld (afgekort NOVI). De visie bevat hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking treedt, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de NOVI wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving met bijbehorende opgaven geformuleerd. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen.
De vier prioriteiten De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. Dat zijn complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Politieke en maatschappelijke keuzes zijn vooral daar nodig, om op deze prioriteiten voortgang te boeken op een manier die draagvlak heeft en bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. Het gaat hier om de volgende prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Drie afwegingsprincipes Doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’.
Deze dubbele doelstelling uit de Omgevingswet is vertaald in een omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving: ontwikkeling van de leefomgeving gaat samen met versterking van te beschermen waarden als gezondheid, landschap, waterveiligheid, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit. Veiligheid, gezondheid en duurzaamheid zijn basale randvoorwaarden voor alle maatschappelijke activiteiten zoals bedrijfsmatige activiteiten, de energietransitie en de woningbouw. Om aan het afwegingsproces en de omgevingsinclusieve benadering richting te geven, gebruikt het rijk in het omgevingsbeleid drie afwegingsprincipes. Deze zijn: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Relatie tot het bestemmingsplan In de uitwerking van prioriteit 4 'Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied' is een aantal beleidskeuzes opgenomen. Eén van de beleidskeuzes is als volgt: "Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Omgevingsbeleid wordt landschapsinclusief." Onder unieke landschappen wordt onder andere het Groene Hart benoemd.
Toelichting
17
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
Naast de beleidskeuze, is ook het volgende nationaal belang opgenomen: "behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang". Het Rijk is medeverantwoordelijk voor het beschermen van waardevol landschap, zoals het Groene Hart, de Waddenzee en de Veluwe. De opgave bij dit nationale belang is om cultureel erfgoed en (inter)nationale unieke landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten te ontwikkelen, te behouden, te versterken en te benutten bij gebiedsontwikkeling en transformatie. Het plangebied is gelegen in het Groene Hart, dit gebied is aangewezen als Nationaal landschap. Het doel is om de kwaliteit te versterken en te beschermen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het behouden van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Deze functiewijziging geeft een impuls aan de kwaliteit van dit perceel in het buitengebied, waarbij de landschappelijke waarden blijven behouden. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (afgekort Barro) bevat een beperkt aantal beslissingen van wezenlijk belang uit de Structuurvisie. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken.
Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro en de hierbij behorende ministeriële regeling zijn op 30 december 2011 in werking getreden. Door de (thans 14) nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. De rijksbelangen zijn bij dit plan niet in het geding. 4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (2017) Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro) Nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen aan de 'Ladder' voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijk ordening. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Dit betekent dat in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving wordt opgenomen van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Doel van de Ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden.
De Ladder is als een procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Hierna wordt de planontwikkeling getoetst aan de Ladder, zoals deze vanaf 1 juli 2017 geldt. Toetsing initiatief aan Ladder voor duurzame verstedelijking De belangrijkste motiveringsplichten van de Ladder, namelijk dat de behoefte aan een nieuwe ontwikkeling moet worden aangetoond en dat moet worden toegelicht – als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd – waarom het bestaand stedelijk gebied niet geschikt is voor de nieuwe ontwikkeling, vloeien voort uit andere wettelijke normen en jurisprudentie. Ook in het geval er geen sprake is van een formele 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', moet toch het nut en de noodzaak aan die ontwikkeling en de uitvoerbaarheid daarvan worden aangetoond. In dit bestemmingsplan wordt alleen een extra wooneenheid mogelijk gemaakt in een bestaand bijgebouw. Het begrip 'woningbouwlocatie', zoals opgenomen in de definitie in het Besluit ruimtelijke ordening is niet nader gedefinieerd in het Bro. Het moet echter gaan om een ruimtelijke ontwikkeling van enige omvang. Op grond van jurisprudentie is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Gesteld kan worden dat de gebruiksmogelijkheden te kleinschalig zijn om onder het regime van artikel 3.1.6 lid 2 Bro te vallen, waarin de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen (o.a.
Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 23 april 2014, zaaknummer 201306183/1). 4.1.4 Conclusie Rijksbeleid Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het initiatief raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing voor deze planontwikkeling. Vanuit rijksbeleid zijn er geen beperkingen aan deze planontwikkeling.
18
Toelichting
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. Omdat onderdelen uit het Programma ruimte naar het visiedeel zijn omgezet, is het resterende deel hiervan nu onderdeel van het Omgevingsbeleid. Het gehele Omgevingsbeleid is alleen redactioneel gewijzigd, de beleidsinhoud is niet veranderd. Op 1 april 2023 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie in werking getreden. De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar deze regio voor staat. De ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. Door in te zetten op de zes ambities draagt de provincie bij aan het sterker maken van Zuid-Holland. Bij de zes ambities is een aantal opgaven geïdentificeerd. De opgaven zijn vanuit provinciale optiek en op een zeker abstractieniveau geformuleerd zonder een beoogde eindsituatie te schetsen.
Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Het betreft de volgende ambities: 1. Naar een klimaatbestendige delta 2. Naar een nieuwe economie: the next level 3. Naar een levendige meerkernige metropool 4. Energievernieuwing 5. Best bereikbare provincie 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving In het Omgevingsprogramma zijn de instrumenten opgenomen waarmee de doelen en ambities uit de Omgevingsvisie uitgevoerd gaan worden. Omgevingskwaliteit Verbetering omgevingskwaliteit Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Daarbij streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Met het provinciaal omgevingsbeleid wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Met het samenvoegen van al het bestaande beleid voor de fysieke leefomgeving heeft de provincie een eerste stap gezet richting een meer integrale sturing op omgevingskwaliteit.
Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit is weergegeven in de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit', behorende bij zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening. Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit werkt de provincie vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid die zij van provinciaal belang acht. De 12 opgaven zijn: landschap en cultuurhistorie, gezondheid en veiligheid, natuur en recreatie, ruimte en verstedelijking, wonen, bodem en ondergrond, cultuurparticipatie en bibliotheken, klimaatadaptatie, zoetwater en drinkwater, bereikbaarheid, regionale economie en energievoorziening Kwaliteitskaart Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. De kwaliteitskaart bestaat uit een aantal legenda-eenheden. De provincie vraagt gemeenten om voor ontwikkelingen in en nabij het buitengebied de kwaliteitskaart te benutten en gebruik te maken van de opgestelde gebiedsprofielen. De Schuwacht ligt in het gebiedsprofiel Krimpenerwaard. In paragraaf 4.2.3 wordt hierop ingegaan. De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming.
Op de Laag van de Ondergrond ligt het plangebied in een rivierdeltacomplex van rivierklei en veen. Als
Toelichting
19
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
richtpunt wordt aangehouden dat ontwikkelingen in het rivierengebied het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar houden. In de Laag van de cultuur- en natuurlandschappen maakt het gebied onderdeel uit van het veen(weide) landschap (figuur 5). De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Als richtpunt wordt onder andere aangehouden dat ontwikkelingen rekening houden met het behoud van kenmerkende landschapselementen. Voorts dragen ontwikkelingen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden. Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders. Daarnaast ligt het plangebied aan een dijklint: de bebouwing staat op of tegen de dijk. Er is weinig ruimte voor nieuwe bebouwing. Er liggen hier kansen voor ontwikkeling, mits rekening wordt gehouden met de overige karakteristieken van het lint. Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Richtpunten zijn onder andere: Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied.
Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Op de Laag van de stedelijke occupatie maakt het plangebied onderdeel uit van de dorpsrand (figuur 5). De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, door o.a. de nabijheid van voorzieningen. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij worden drie typen 'overgangskwaliteiten' onderscheiden. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit. Op de Laag van beleving is het plangebied niet specifiek benoemd. Toetsing aan kwaliteitskaarten Dit bestemmingsplan maakt alleen een wooneenheid mogelijk in een karakteristiek bijgebouw zonder dat de bebouwing wijzigt. Sprake is van een gebiedseigen ontwikkeling. Deze herontwikkeling tast de richtpunten niet aan.
Conclusie De Omgevingsvisie is zelfbindend voor de provincie. De omzetting naar 'Karakteristiek' met een extra wooneenheid is in overeenstemming met de uitgangspunten van het provinciaal ruimtelijk beleid. De richtpunten uit het provinciale omgevingsbeleid worden niet aangetast.
Figuur 5: Links uitsnede Kwaliteitskaart 'Laag van de Cultuur- en natuurlandschappen' en rechts 'Laag van de stedelijke occupatie'. Plangebied zwart omlijnd.
20
Toelichting
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
4.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. De geconsolideerde versie is op 1 april 2023 in werking getreden. In deze verordening zijn alle regels voor de fysieke leefomgeving van het bestaande provinciale omgevingsbeleid samengevoegd. Voor zover relevant worden deze hieronder toegelicht. Ladder voor duurzame verstedelijking De in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Op grond hiervan dient een bestemmingsplan waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt te voldoen aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeldop kaart 19 in bijlage II. Toetsing aan Ladder voor duurzame verstedelijking Dit bestemmingsplan maakt alleen een extra wooneenheid mogelijk in een bestaand bijgebouw. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, zoals opgenomen in de definitie in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Toetsing aan de Ladder is derhalve niet nodig.
Ruimtelijke kwaliteit Op grond van artikel 6.9, lid 5 van de Omgevingsverordening (Ruimtelijke kwaliteit) kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp.
Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. Toetsing aan ruimtelijke kwaliteit Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. Op de Kwaliteitskaart is het plangebied aangeduid als veen(weide)gebied achter een dijklint. Deze ontwikkeling voorziet alleen in een toevoeging van de aanduiding 'Karakteristiek', waarbij gelijktijdig een extra wooneenheid mogelijk wordt gemaakt zonder dat de bebouwing wijzigt. Gesteld kan worden dat deze planontwikkeling binnen de bestaande gebiedsidentiteit past. Hier is sprake van 'inpassing', zodat aanvullende maatregelen op het vlak van ruimtelijke kwaliteit niet nodig zijn voor dit plan. Risico'svan klimaatverandering In paragraaf 6.2.8a (Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen) zijn in artikel 6.27a regels opgenomen over risico's van klimaatverandering.
Hierin is vastgelegd dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag, b. overstroming, c. hitte en d. droogte, alsmede de effecten van de bovengenoemde risico's op het risico van bodemdaling. Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en
Toelichting
21
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's. In paragraaf 4.3.3 (duurzaamheid) wordt nader ingegaan op welke wijze met risico's van klimaatverandering is omgegaan. Conclusie De ruimtelijke- en beeldkwaliteit blijven ongewijzigd. De bebouwing neemt niet toe binnen de bestemming Wonen. De provinciale belangen zijn niet in het geding. De kavelstructuur en het slotenpatroon worden niet aangetast. Resumerend kan worden geconcludeerd dat het plan in overeenstemming is met artikel 6.9 lid 5 sub a (inpassen) van de Omgevingsverordening (ruimtelijke kwaliteit). Gelet hierop is er geen strijdigheid met de provinciale belangen. 4.2.3 Gebiedsprofiel Krimpenerwaard De provincie Zuid-Holland heeft voor de Krimpenerwaard een gebiedsprofiel opgesteld. Een gebiedsprofiel omvat een beschrijving van karakteristieken (wat is er), ontwikkeling (wat speelt er), kwaliteiten (wat is waardevol) en ambitie (wat willen we) van het landschap van het betreffende gebied. Het gebiedsprofiel is in samenwerking met gemeenten en andere overheden en gebiedspartners opgesteld als gezamenlijke basis voor de ruimtelijke kwaliteit van dit gebied. Gedeputeerde Staten stellen het gebiedsprofiel vast als bevestiging van dit gezamenlijke vertrekpunt en tegelijk als uitgangspunt voor provinciale plannen.
Het gebiedsprofiel is een handreiking om de kwaliteit van plannen en ontwikkelingen te stimuleren om zo de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te versterken. Het gebiedsprofiel bevat een schat aan informatie die gebruikt kan worden om te bepalen met welke kwaliteiten het wenselijk is rekening te houden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het gebiedsprofiel is de basis voor het plannen met kwaliteit. Elke ontwikkeling vraagt uiteindelijk om maatwerk. Landschappelijke eenheden Samen met de Lopikerwaard vormt de Krimpenerwaard het grootste aaneengesloten veenweidegebied van Nederland. De nog gave aanwezigheid van de middeleeuwse verkaveling, met de lange lijnen van kaden, weteringen en Tiendwegen is een bijzondere kwaliteit van de Krimpenerwaard. Het middendeel van de Krimpenerwaard heeft een gevarieerd en kleinschalig landschapsbeeld door de aanwezigheid van linten met wegbeplantingen, eendenkooien en pestbosjes. De zone aan weerskanten van de Vlist kenmerkt zich door het sterke contrast van kleinschalig lint en open veenweide dwars op de overheersende oostwest oriëntatie in de Krimpener- en Lopikerwaard. Het plangebied ligt in een deelgebied dat is aangeduid als 'Veenweide met rivierinvloed'. De dijken met dichte lintbebouwing vormen een sterke ruimtelijke begrenzing en een groot contrast met het open veenweidegebied. De bebouwing is geconcentreerd in het lint.
Door de ontginning vanuit de Lek heeft het lint een oost-west oriëntatie. Het lint zorgt voor een geleding van het landschap in noord-zuid richting. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van het lint richtinggevend te zijn, waarbij het lint zijn eigen gezicht behoudt. Ambitiebeeld Ambitiebeeld is het koesteren van het uitgestrekte veenweidegebied en de relatieve openheid met het eeuwenoude kavelpatroon in landbouw- en natuurgebied. Ook behoud en versterken van het contrast tussen onbebouwde wegen en verdichte oostwest georiënteerde linten en de verschillen in symmetrie respectievelijk asymmetrie tussen de linten onderling maken hiervan onderdeel uit. De hoofdambities zijn uitgewerkt in gebiedsprofielkaarten waarin kort de karakteristiek, toekomstige ontwikkelingen en de in de Kwaliteitskaart vastgestelde ambities zijn genoemd. Aansluitend volgt een beschrijving van de karakteristiek en de aanvullende ambities per legenda-eenheid. Planontwikkeling in relatie tot Gebiedsprofiel In de gebiedsprofielkaarten maakt het plangebied onderdeel uit van de kaart 'Veenweide met rivierinvloed'. Dit wordt hieronder beschreven. Onderscheidend rivierengebied Het rivierenlandschap staat in Zuid-Holland onder grote invloed van de getijden van de zee, maar ligt voor een deel ook in het veenlandschap.
De Krimpenerwaard wordt begrensd door de Lek en Hollandsche IJssel. Een typisch oeverwallen landschap komt in het gebied nauwelijks voor, de veenweide loopt tot aan de dijken. In de ondergrond zijn de oeverwallen wel aanwezig en zorgen voor kleine verschillen in hoogteligging, met de hoogste gebieden tussen Schoonhoven en Bergambacht. De dijken met dichte
22
Toelichting
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
lintbebouwing vormen een sterke ruimtelijke begrenzing en een groot contrast met het open veenweidegebied. Spiegeling aan Gebiedsprofiel Bestaande doorzichten blijven behouden. Er vinden geen bouwactiviteiten plaats, zodat het contrast tussen de zuidelijk gelegen rivierdijk en het open veenweidegebied beleefbaar blijft. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan een strategie van 'behoud, herstel en ontwikkeling': behoud en herstel van openheid, van rust en stilte en van het veenweidekarakter, zonder daarmee 'het gebied op slot te zetten' (ontwikkeling). Het tegengaan en saneren van verrommeling heeft hier prioriteit. Conclusie Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met het ambitiebeeld van het Gebiedsprofiel Krimpenerwaard. De ruimtelijke kwaliteit van het dijklint in het veenweidegebied wordt niet aangetast.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1 Omgevingsvisie De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft op 14 juli 2021 de Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin is het beleid voor de fysieke leefomgeving beschreven met het oog op de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking treedt. Versterken kwaliteiten Krimpenerwaard De gemeente vindt het belangrijk richting te geven aan toekomstige ontwikkelingen die invloed hebben op de leefomgeving. Het gaat vooral om initiatieven en ontwikkelingen die niet passen binnen de geldende bestemmingsplannen. Daarom is een omgevingsvisie opgesteld voor het hele grondgebied van de gemeente. Bij het opstellen van de visie en speerpunten is uitgegaan van de kwaliteiten en waarden van de Krimpenerwaard. De Omgevingsvisie geeft op hoofdlijnen antwoord op de vraag hoe de toekomst van de Krimpenerwaard eruit ziet. De inhoud is in samenspraak met inwoners, ondernemers, (maatschappelijke) organisaties en partners gerealiseerd. Belangrijke opgaven De komende jaren wil de gemeente werken aan sterke en leefbare kernen, duurzame economische ontwikkeling, de klimaat- en energietransitie en veranderingen in het landelijk gebied. De visie helpt inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties, investeerders en de gemeente bij het maken van plannen, initiatieven en beleid.
De Omgevingsvisie nodigt uit samen te blijven werken aan een veilige, gezonde en duurzame Krimpenerwaard; waar het prettig wonen, werken, ondernemen en recreëren is. Samen initiatieven tot succes maken De gemeente staat positief tegenover nieuwe initiatieven. Initiatieven die passen bij de Krimpenerwaard en bijdragen aan haar toekomst. Zij hanteert het ‘ja-mits’ principe. Het is een kans om meer te werken vanuit wensen en signalen van de samenleving, vanuit vertrouwen en minder vanuit regels. Ook daagt de gemeente initiatiefnemers en haarzelf uit al in een vroeg stadium contact te zoeken met alle betrokken partijen. Participatie is immers een van de belangrijke aspecten van de Omgevingsvisie. Conclusie De Omgevingsvisie heeft een hoog abstractieniveau, waar ontwikkelingen op perceelsniveau niet zijn beschreven. De ruimtelijke en landschappelijke kwaliteiten worden niet aangetast. Met dit plan blijft een cultuurhistorisch waardevol bijgebouw behouden. De planontwikkeling levert een bijdrage aan het tekort aan woningen. Gesteld kan worden dat het toevoegen van een woning voor de doelgroep doorstromers in overeenstemming is met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie.
Toelichting
23
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
4.3.2 Nota ruimtelijke kwaliteit De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft op 13 december 2016 de “Nota Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Krimpenerwaard” vastgesteld. De nota is op 1 januari 2017 in werking getreden. Vanaf dat moment vervallen de Welstandsnota’s van de voormalige gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist. De nota bevat de beleidsregels met daarin de criteria die de gemeente toepast bij de welstandsbeoordeling van bouwplannen. Met de “Nota Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Krimpenerwaard” is gekozen voor harmonisering en deregulering van het welstandsbeleid met behoud van ruimtelijke kwaliteit. Een groot aantal woongebieden en bedrijventerreinen hebben een soepel toetsingsniveau waarbij verbouwingen welstandsvrij zijn. Om onaanvaardbare situaties tegen te gaan is een excessenregeling opgenomen. De eigenaar van een bouwwerk dat ‘in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand’ kan aangeschreven worden om die strijdigheid op te heffen. Ter ondersteuning van het beleid zijn er twee kaarten gemaakt. Er is een niveaukaart en een gebiedenkaart. De invulling van de beleidskaarten zijn een vertaling van de hoofdlijnen van de ruimtelijke kwaliteit in de Krimpenerwaard ten behoeve van de toetsen van het uiterlijk van bouwwerken op zichzelf en in hun omgeving. De Schuwacht maakt in de Nota onderdeel uit van een bijzonder niveau.
Dit betreft gebieden waar het uiterlijk van de bebouwing van aanzienlijk belang is voor de identiteit van de Krimpenerwaard. In deze gebieden is inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst. De nota ruimtelijke kwaliteit bevat voor gebieden met een bijzonder niveau een uitgebreide set criteria, die in woordkeuze en bandbreedte aanstuurt op een zorgvuldige inpassing van bouwplannen in het gebied. Een plan moet een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het straatbeeld. Ter ondersteuning van de verschillende niveaus van welstand zijn er gebieden te onderscheiden met samenhangende bebouwingstypologieën. Per gebied zijn een beschrijving, waardering en enkele uitgangspunten opgenomen. Afhankelijk van het gevraagde niveau zijn de onderscheidende karakteristieken meer of minder uitgebreid beschreven. De per gebiedstype opgestelde criteria moeten in samenhang met beschrijving, waardering en uitgangspunten geïnterpreteerd worden. Conclusie Het plangebied maakt onderdeel uit van een dijklint (gebied 2C, Lek). Hiervoor zijn gebiedsgerichte criteria aangegeven. Het bijgebouw voldoet aan de in de Nota vastgelegde gebiedsgerichte criteria. 4.3.3 Duurzaamheid Duurzaam bouwen is gericht op het beperken van de negatieve milieuaspecten in alle fasen van het bouwproces en het vergroten van de ecologische kwaliteiten van het leefgebied.
Concreet betekent dit het terugdringen van verspilling van grondstoffen, het verlengen van de levensduur, een flexibeler gebruik van gebouwen en het bevorderen van hergebruik van bouwmaterialen. Bij duurzaam bouwen wordt o.a. aandacht besteed aan waterhuishoudingsaspecten (bijvoorbeeld afkoppeling hemelwaterafvoer), stedenbouwkundige structuur (bijv. oriëntatie van gebouwen op de zon) en bouwkundige maatregelen (isolatie, zonnecollectoren, materiaalgebruik). Ook het gebruik van niet logende bouwmaterialen valt onder de noemer duurzaam bouwen. Dit is van belang voor de waterkwaliteit. Duurzame gemeente In de door de gemeenteraad van Krimpenerwaard op 9 mei 2017 vastgestelde 'Woonvisie gemeente Krimpenerwaard; kerngericht!' is tevens aandacht besteed aan duurzaamheid. Als gemeente wil zij de lat van verduurzamen hoog leggen. Als landelijke gemeente gaat zij een stevige bijdrage leveren aan een verstandig klimaatbeleid. De gemeente beseft dat rond 2050 het aardgas zo'n beetje op zal zijn en dat zij daarom vanaf heden moet toewerken naar een energieneutrale woningvoorraad die niet langer met aardgas verwarmd hoeft te worden. Zij wil een duurzame ontwikkeling stimuleren door ook in te zetten op energiezuinige woningen en energiebesparing.
Burgemeester en wethouders hebben onlangs ingestemd met convenant Klimaatadaptief bouwen van de Provincie Zuid-Holland (met uitzondering van de zettingseis). Klimaatadaptatie/ risico's van klimaatverandering Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit heeft gevolgen voor de stedelijke omgeving, bijvoorbeeld
24
Toelichting
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
door meer wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress. Landelijk zijn deze problemen geadresseerd in de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie. Overheden kunnen hierbij gebruik maken van het stappenplan “weten, willen en werken” om het proces naar een klimaatbestendige inrichting vorm te kunnen geven. De gevolgen van de risico's van klimaatverandering zijn beoordeeld voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte. Hierbij is gebruik gemaakt van de klimaateffectatlas van Zuid-Holland. Wateroverlast door overvloedige neerslag Door klimaatverandering neemt in bodemdalingsgevoelige gebieden met slappe veen- of kleibodems de kans op wateroverlast toe. Op de Kaart Wateroverlast is de draagkracht in het plangebied niet optimaal. De kans op wateroverlast is groot. Het vloerpeil is zodanig gekozen dat het water van het erf niet naar binnen loopt. Er zijn verder geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan. Overstroming In het plangebied is er op de Kaart Overstromingsbeeld geen knelpunt voor overstroming. Er zijn geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan. Hitte Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mens en dier.
De aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt. In het plangebied is er op de Kaart Hitte geen knelpunt voor hittestress. Op het bijbehorend erf staat beplanting met veel bomen voor schaduwwerking. Er zijn verder geen maatregelen nodig. Droogte In het plangebied is er geen sprake van extra bodemdaling door droogte. De woning daalt niet, omdat de palen van beton zijn. Er zijn uit dien hoofde geen beperkingen. Conclusie De woning wordt duurzaam gebouwd overeenkomstig de eisen van het Bouwbesluit. Bij uitwerking van het plan wordt rekening gehouden met de door de gemeente gehanteerde beleidsuitgangspunten op het gebied van Duurzaam Bouwen en klimaatadaptief bouwen.
Toelichting
25
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
26
Toelichting
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
Hoofdstuk 5
Omgevingsaspecten
De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.
5.1
Milieu
De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid. 5.1.1 M.E.R. Wettelijk kader In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Deze beoordeling moet ook plaatsvinden als de omvang onder de drempelwaarde valt. De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven.
Onderzoek/ beoordeling Dit project valt mogelijk onder categorie D 11.2, stedelijk ontwikkelingsproject uit bijlage D. In dit bestemmingsplan wordt in een bestaand bijgebouw alleen een zelfstandige wooneenheid mogelijk gemaakt. De ontwikkeling op deze plaats is om de volgende redenen niet te beschouwen als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.: fysieke wijziging: deze is beperkt, omdat er alleen sprake is van een functiewijziging van een bestaand gebouw zonder dat de bebouwing toeneemt. lokale context: het bebouwingslint blijft gehandhaafd zonder toename aan bebouwing. planologische mogelijkheden: de gronden zijn in het geldende bestemmingsplan al bestemd voor Wonen waar een bijebouw is toegestaan. Er is geen m.e.r.-beoordeling nodig, omdat een functie-aanpassing volgens het Besluit m.e.r. niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. De fysieke wijzigingen zijn beperkt, omdat het plangebied als is bestemd voor Wonen zonder dat de bebouwing toeneemt. Indien een ontwikkeling niet voorkomt op de C en D lijst van het Besluit m.e.r. kan een m.e.r.-beoordeling achterwege worden gelaten. Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig, en dus ook niet m.e.r.-plichtig.
Zoals de hieronder beschreven milieuparagrafen en -onderzoeken aantonen heeft het bestemmingsplan ook om andere redenen dan de omvang (zoals bijvoorbeeld de aard van de ontwikkeling of een ligging nabij een gevoelig gebied) geen significante nadelige gevolgen voor het milieu.
Toelichting
27
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek
5.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Van een 'rustig buitengebied' is sprake wanneer er in de nabijheid vrijwel geen andere functies voorkomen. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd.
De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 5.1 vermeld. Tabel 5.1: Richtafstanden en omgevingstype. Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype Milieucategorie rustig buitengebied gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m Onderzoek/ beoordeling Aan de Schuwacht komen in de directe omgeving naast woningen ook agrarische bedrijven en niet-agrarische functies voor. Voorts ligt het plangebied aan een gebiedsontsluitingsweg tussen Krimpen aan de Lek en Lekkerkerk. Sprake is van een gebied met functiemenging. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandstap kunnen worden verminderd (tabel 5.1). Deze richtafstand geldt met name voor het onderdeel geluid. Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd of er in de omgeving van de geplande woningen milieubelastende activiteiten aanwezig zijn. Uit inventarisatie is gebleken dat er drie milieubelastende activiteiten relevant zijn. Tabel 5.2: overzicht bestaande bedrijven in directe omgeving plangebied. Bedrijf Adres Richtafstand tot Opmerking gemengd gebied Veehouderijbedrijf Schuwacht 320 50 m De afstand tussen de woning en het (SBI code 0122) bouwvlak is minimaal 44 meter.
(milieucategorie 3.2) Zwembad Schuagt Schuwacht 3c 100 m De afstand tussen de bestemming (milieucategorie 4.1) 'Recreatie' en de nieuwe woning is minimaal 95 meter. waterzuiveringsstation Schuwacht 7 50 m De afstand tussen de bestemming (milieucategorie 3.2) 'Bedrijf' en de nieuwe woning is minimaal 66 meter. Veehouderijbedrijf Schuwacht 320 Het perceel Schuwacht 320 heeft een agrarische bestemming met een bouwvlak. Hier is een
28
Toelichting
bestemmingsplan Schuwacht 324, Krimpen aan de Lek