CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Binnenstad Schoonhoven - deel 3 - Bijlagen bij Toelichting - deel 2 - 7 tm 11.pdf

Raadsvergadering 14 juli 2021, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan Binnenstad Schoonhoven13.805 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bijlage 7 Geluidcontour 48 dB plangebied

Rho adviseurs voor leefruimte

193100.20150898

Bijlage 8 Geluidsberekening Spoorzone

Rho adviseurs voor leefruimte

193100.20150898

Bijlage 9 Onderzoek stemgeluid terrassen

Rho adviseurs voor leefruimte

193100.20150898

Afdeling Expertise F. Oldeman 088 - 54 50 311 foldeman@odmh.nl Postbus 45 2800 AA Gouda

Akoestisch onderzoek Stemgeluid terrassen Binnenstad Schoonhoven Onderwerp Datum Uitgevoerd door Kenmerk Bijlagen

088 - 54 50 000 www.odmh.nl

Stemgeluid terrassen Binnenstad Schoonhoven 2 april 2020 Ferdinand Oldeman 2020083113 2

Inleiding In Schoonhoven zijn reeds verschillende terrassen in de binnenstad aanwezig. De gemeente ondersteund dit en wil de levendigheid ook graag versterken door ook nieuwe terrassen toe te staan. De gemeente is momenteel bezig met een nieuw bestemmingsplan voor de binnenstad van Schoonhoven waarin de gemeente een eenduidig toetsingskader voor terrassen wil gaan opnemen. Een belangrijk effect van een terras betreft stemgeluid. In tegenstelling tot andere geluiden van horecabedrijven, wordt het stemgeluid volgens het Activiteitenbesluit niet in alle gevallen beoordeeld. Er is echter wel belang bij een eenduidig toetsingskader voor stemgeluid. Voor het afwegingskader voor stemgeluid vanwege terrassen is inzicht in de optredende geluidsniveaus wenselijk. De hoogte van het geluidsniveau bij een woning is afhankelijk van een groot aantal factoren. Enerzijds is de ligging van de woning ten opzichte van het terras van belang, anderzijds de sterkte van het totale stemgeluid vanaf het terras. Deze sterkte is weer afhankelijk van het aantal personen op een terras, van de individuele sterkte van het stemgeluid van de aanwezigen en van de spreektijd per persoon. Het is niet mogelijk bij de bestaande terrassen de geluidsniveaus bij omliggende woningen met geluidsmetingen te bepalen. Vanwege de onvoorspelbaarheid van het gebruik en de geluidsproductie van de terrassen.

Dit is afhankelijk van verschillende aspecten zoals het weer, het jaargetijde, de dag in de week, het tijdstip van de dag, de populariteit van het terras, de aard van het terras, de aard van de bezoekers en het toevallige gedrag van de individuele bezoeker. Gelet op het bovenstaande is het onderzoek naar het stemgeluid uitgevoerd aan de hand van berekeningen. Het voorliggende onderzoek geeft inzicht in de uitgangspunten en de resultaten van deze berekeningen. Uitgangspunten De gegevens over bronsterktes worden ontleend aan de Duitse richtlijn 3770 ‘Emissionskenwerte technischer Schallquellen Sport- und Freizeitanlagen’, opgesteld door Verein Deutscher Ingenieure (VDI). In tabel 1 zijn een aantal relevante bronsterktes uit deze richtlijn samengevat. Tabel 1 Kentallen bronsterktes stemgeluid volgens VDI 3770 Aard van de bron Equivalente bronsterkte LWA,eq Spreken, normaal 65 dB(A) Spreken, verheven 70 dB(A) Spreken, zeer luid 75 dB(A)

Identificatie 2020090806

1 van 7

In tabel 2 zijn de bronsterktes per type terras opgenomen. Deze bronsterktes zijn ontleend aan de VDI richtlijn. Tabel 2 Bronsterkte per terrastype Terrastype Equivalente bronsterkte LWA,eq Rustig terras 65-70 dB(A) Gemiddeld terras 70 dB(A) Levendig terras 75 dB(A) De bronsterkte voor een rustig terras bedraagt circa 65 tot 70 dB(A). In dit onderzoek wordt als worst case uitgegaan van een bronsterkte van 70 dB(A). De equivalente bronsterkte van 70 dB(A) voor een rustig en een gemiddeld terras wordt ondersteund door de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State nummer 201410393/3/A1 van 9 september 2015, waarin een bronsterkte van 70 dB(A) voor menselijk stemgeluid op een terras van een grand café als realistisch is aangemerkt. In de praktijk is het denkbaar dat hogere bronsterktes optreden. In dat geval is sprake van luid schreeuwen, wat wordt getypeerd als onwenselijk gedrag waartegen de exploitant dient op te treden. Dit wordt in dit onderzoek niet meegenomen als representatief gedrag en derhalve buiten beschouwing gelaten. Maximale geluidsniveaus, kortstondige pieken door vooral roepen en geschreeuw, kunnen bij terrassen optreden. Dit is inherent aan het gebruik van het terras en kan ook niet worden voorkomen. Als sprake is van excessief gedrag van gasten dient de exploitant hiertegen uiteraard op te treden.

Behoudens het optreden dit excessieve gedrag, kunnen de maximale geluidsniveaus redelijkerwijs niet worden voorkomen. Van belang is dat niet enkel de gasten op een terras verantwoordelijk zijn voor de maximale geluidsniveaus. Ook publiek op de straat of ander openbaar gebied veroorzaakt deze niveaus. Het is bij woningen dan ook vaak niet duidelijk te onderscheiden waar het geluid precies vandaan komt. Omdat de maximale geluidsniveaus, behoudens excessen, inherent zijn aan het gebruik van het terras en omdat ook vanuit de openbare ruimte vergelijkbare niveaus kunnen optreden, is het verdedigbaar om hiervoor geen aanvullende eisen op te nemen. De volgende uitgangspunten worden in het onderzoek gehanteerd: - Bronvermogen per pratende bezoeker 70 dB(A), bron: VDI 3770. - Bronhoogte stemgeluid bezoeker 1,20 meter. - Bezetting van het terras van 100%. - Per tafel twee bezoekers waarvan 1 praat (‘worst case scenario’). - Openingstijden terras zijn tussen 07.00 uur – 18.00 uur. - Toetspunten op 1,5 meter (naast terras) en 5 meter (boven terras). - Toetspunt naast terras op 1 meter afstand van terras. - 10 Personen op het terras. - Klein terras aan de gevel van 4,5 meter bij 2 meter (‘worst case scenario’). Locatie van de terrassen De locaties van de terrassen worden toegestaan op de Zilveras (zie figuur 1 voor de situering) in het centrum van Schoonhoven.

De terrassen mogen langs de eigen gevel (over de breedte van de gevel tot 2 meter van de gevel), aan de overzijde van de weg en alleen in het zomerseizoen op vlonders in het water worden geplaatst. In het onderzoek is uitgegaan van het meest bepalende terras, het terras aan de gevel.

Identificatie 2020090806

2 van 7

Figuur 1 Situering locatie Zilveras (roodomlijnd) in het centrum van de binnenstad van Schoonhoven Berekening Algemeen De berekeningen zijn uitgevoerd overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van 1999. Er zijn geluidsoverdrachtsmodellen opgesteld met behulp van het programma Geomilieu versie 5.21 van leverancier DGMR. Met geluidsoverdrachtberekeningen (methode II.8) wordt de geluidsbijdrage op de toetspunten bepaald. Voor het gehele gebied is een akoestische bodemfactor aangehouden van 0,0 (akoestisch hard). Terras aan de eigen gevel De terrassen mogen langs de eigen gevel (over de breedte van de gevel tot 2 meter van de gevel), aan de overzijde van de weg en alleen in het zomerseizoen op vlonders in het water worden geplaatst. Van de drie mogelijke terrassen zal het terras aan de gevel het dichtst gelegen zijn bij woningen. Hierdoor zal op deze terrassen het hoogste geluidsniveau optreden ten gevolge van het stemgeluid van de bezoekers. De terrassen aan de overzijde van de weg en op vlonders zullen op grotere afstand van woningen zijn gelegen waardoor de optredende geluidsniveaus lager zullen Identificatie 2020090806

3 van 7

liggen. In de berekeningen wordt daarom uitgegaan van het bepalende terras, terras aan de gevel, als ‘worst case’ scenario. Resultaten berekende geluidsniveaus In tabel 3 zijn de resultaten van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus van het terras aan de gevel gegeven. Tabel 3 – berekende geluidsbelasting Locatie Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) in dB(A) Boven terras op 5 meter hoogte 55 Naast terras op 1,5 meter hoogte 59 De hoogst berekende geluidsbelasting bedraagt 59 dB(A) en treedt op ter plaatse van naastgelegen woningen op de begane grond. Dit is te verwachten aangezien de bron hier op de kortste afstand is gelegen (circa 1 meter). Boven het terras treedt een geluidsbelasting op van 55 dB(A) dit is 4 dB lager. Hoewel dit toetspunt centraal boven het terras is gelegen is de afstand groter (circa 4 meter). Afweging en toetsingskader Belangen Omwonenden Omwonenden van horeca in de binnenstad van Schoonhoven zullen een hogere tolerantie hebben van omgevingsgeluid doordat het een levendiger omgeving is. De geluidsniveaus kunnen echter soms dusdanig hoog zijn dat hinder, zelfs bij gesloten ramen, niet wordt uitgesloten. Omwonenden hebben behoefte aan een kader om enerzijds hinder zoveel als mogelijk te beperken en anderzijds om duidelijkheid te bieden over wat wel en wat niet moet worden geaccepteerd.

Exploitanten De exploitanten hebben in eerste instantie een commercieel belang. Het hebben van een aantrekkelijk terras kan daarbij van belang zijn. Tegelijkertijd is de exploitant ook verantwoordelijk voor de gedragingen van zijn gasten. Als de gasten duidelijk ongewenst gedrag vertonen door bijvoorbeeld luid te roepen, dient de exploitant deze gasten tot de orde te roepen. Daarmee zorgt hij enerzijds voor een goede sfeer op het terras, maar waakt hij ook voor de leefbaarheid van de omgeving. Gasten De gasten verwachten een aantrekkelijke stad met veel faciliteiten. Ook faciliteiten in de vorm van horeca en daarbij behorende terrassen. Gemeente Krimpenerwaard De gemeente Krimpenerwaard zet in op een levendige binnenstad, waarin terrassen positief bijdragen aan de ontwikkeling van de binnenstad. Wettelijk kader Op de activiteiten van bedrijven (inclusief terrassen) is het Activiteitenbesluit van toepassing. In sommige situaties (verwarmd of overdekt terras of een terras op een binnenterrein) stelt het Activiteitenbesluit ook voorwaarden aan de geluidsniveaus vanwege het stemgeluid. Deze voorwaarden dienen bij deze situaties in beginsel te worden gerespecteerd. Er kan enkel door het stellen van maatwerkvoorschrift worden afgeweken van de voorwaarden. Vooral bij terrassen op binnenterreinen waar het van nature al erg rustig kan zijn, moet hiermee terughoudend worden omgegaan.

Identificatie 2020090806

4 van 7

Waar sprake is van een onverwarmd, onoverdekt terras aan de straat of ander openbaar terrein, wordt stemgeluid volgens het Activiteitenbesluit niet beoordeeld. Als wel zou moeten worden getoetst is het volgens de toelichting op het Activiteitenbesluit in veel gevallen onmogelijk om een terras te gebruiken. Bovendien wordt er vanuit gegaan dat het stemgeluid van terrassen die aan de straat of een andere openbare ruimte liggen, opgaat in het omgevingsgeluid. De wetgever heeft dus bewust gekozen om stemgeluid van deze terrassen niet te beoordelen en heeft daarmee bewust hogere geluidsniveaus aanvaardbaar geacht. De geluidsnorm uit het Activiteitenbesluit voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode bedraagt 50 dB(A) en bij horeca die voor 1992 bestonden 55 dB(A). De gemeente Krimpenerwaard zet in op een levendige binnenstad, waarin terrassen positief bijdragen aan de ontwikkeling van de binnenstad. Gelet op bovenstaande kunnen grenswaarden worden gesteld aan stemgeluid die verder gaan dan de standaard grenswaarden volgens het Activiteitenbesluit. Cumulatie In onderhavig onderzoek is inzicht gegeven in het geluidsniveau van een individueel terras bij woningen. Bij woningen vlakbij één bepaald terras, zal dit dichtstbij gelegen terras het geluid van eventuele andere, verder weg gelegen, terrassen veelal overstemmen.

In de woningen kan het stemgeluid van meerdere terrassen gelijktijdig worden waargenomen. Het kan voorkomen dat op enkele locaties sprake zal zijn van meerdere terrassen op korte afstand van elkaar. Woningen kunnen liggen tussen enkele terrassen in. Het totale langtijdgemiddelde beoordelingsniveau kan hier tot maximaal 3 dB(A) hoger zijn dan het niveau van een individueel terras. Bij een nieuwe situatie wordt voorgesteld dat het gecumuleerde langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van het stemgeluid van meerdere terrassen maximaal (59 +3) 62 dB(A) mag bedragen. Dat is het geval als het stemgeluid van het terras voldoet aan het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 59 dB(A). Conclusie Na afweging van alle aspecten is een toetsingskader geformuleerd. Dit toetsingskader houdt in dat terrassen vanuit het oogpunt van stemgeluid planologisch gefaciliteerd kunnen worden gelet op onder andere: - de gemeente inzet op een levendige binnenstad; - de al verleende terrasvergunningen in het gebied; - het veelal geringe verschil tussen de stemgeluiden vanaf een terras en vanaf de straat; - de rol van de exploitant bij het voorkomen van excessen. Uit de berekening blijkt dat bij een individueel terras met maximaal 10 personen in de dagperiode (07.00 – 18.00 uur) het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten hoogste 59 dB(A) bedraagt.

Het geluidsniveau 59 dB(A) wordt als passend ervaren in de binnenstad van Schoonhoven omdat dit reeds een levendige binnenstad is met bestaande horeca, winkels en hier ook toeristen komen. Om de omwonenden te beschermen en duidelijkheid te bieden wordt geadviseerd om deze geluidsnorm vast te leggen in het bestemmingsplan. Indirect wordt dan ook het gecumuleerde langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 62 dB(A) geborgd wat een passend geluidsniveau is voor het gebied. Nieuwe terrassen die aan de regels uit het bestemmingsplan kunnen voldoen worden toegestaan. Nieuwe terrassen die van de voorwaarden afwijken zullen met een akoestisch onderzoek moeten aantonen dat kan worden voldaan aan het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 59 dB(A).

Identificatie 2020090806

5 van 7

Bijlage I Invoergegevens rekenmodel

Identificatie 2020090806

6 van 7

Bijlage II Rekenresultaten rekenmodel

Identificatie 2020090806

7 van 7

Bijlage 10

Rho adviseurs voor leefruimte

Advies veiligheidsregio

193100.20150898

College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Krimpenerwaard Mevrouw B. de Jonge Postbus 51 2820 AB STOLWIJK

15 augustus 2019 Z-2019-090587 Ons kenmerk: UIT-2019-085012 Uw brief van: 8 juli 2019

Verzenddatum:

Zaaknummer:

Postadres Postbus 1123 2302 BC Leiden advies@vrhm.nl www.vrhm.nl

Contactpersoon: Eric Meijer

Bijlage: 1

Telefoon: 088-2465637 E-mail: advies@vrhm.nl Onderwerp: Advies over Voorontwerpbestemmingsplan Binnenstad

Schoonhoven Graag bij correspondentie kenmerk en onderwerp vermelden.

Geacht college, Op 8 juli 2019 hebben wij uw verzoek om advies per e-mail ontvangen. Uw adviesverzoek betreft het voorontwerpbestemmingsplan Binnenstad Schoonhoven, met verbrede reikwijdte. De informatie en afspraken over dit dossier zijn door de gezamenlijke hulpdiensten (politie, GHOR en brandweer) betrokken in en vertaald naar dit advies. Onderstaand treft u ons advies. Voor de Binnenstad Schoonhoven is een voorontwerpbestemmingsplan opgesteld. Dit plan heeft een verbrede reikwijdte en is met veel participatie aan de voorkant (met bewoners, ondernemers, overlegpartners en andere betrokkenen) opgesteld. In de toelichting staat dat het voorontwerpbestemmingsplan vooruitloopt op de Omgevingswet die in 2021 in werking treedt. Daarom hebben wij in de bijlage ons advies gegeven in het kader van een omgevingsvisie en de (fysiek) veilige leefomgeving. Voor informatie kunt u contact opnemen met de heer De Winter, coördinator Risicoadvisering van VRHM, via advies@vrhm.nl of via 088-2465000. Ik verwacht u met dit advies van dienst te zijn geweest.

Graag ontvangen wij een afschrift van het door u genomen besluit. Met vriendelijke groet,

Ing. J.J. Zuidijk, directeur Veiligheidsregio Hollands Midden

Bijlage: • Adviesrapport Digitaal verzonden aan: • gemeente Krimpenerwaard; info@krimpenerwaard.nl In kopie verzonden aan: • b.dejonge@krimpenerwaard.nl • advies@ghorhm.nl • politie 2

Bijlage 1. Adviesrapport Betreft advies behorende bij briefkenmerk UIT-2019-085012 Betreft:

Input op voorontwerpbestemmingsplan Binnenstad Schoonhoven

Opstellers:

Eric Meijer, Veiligheidsregio Hollands Midden (opsteller adviesbrief) Amber van Lunsen, Brandweer Hollands Midden B. Tamerus, Politie, Eenheid Den Haag, DROS, RCCB Majella Roosjen, GHOR Hollands-Midden

De omgevingsvisie en een (fysiek) veilige leefomgeving De maatschappelijke doelstelling van de Omgevingswet is het bereiken en het in stand houden van een gezonde en veilige leefomgeving. Wettelijk kader: voorkomen, beperken en bestrijden van branden, rampen en crises. Visie: Een duurzaam veilige fysieke leefomgeving Waar de Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) voorheen bij ruimtelijke plannen voornamelijk advies uitbracht op het aspect externe veiligheid (gevaarlijke stoffen), neemt VRHM bij de nieuwe omgevingsvisies en -plannen ook andere fysieke veiligheidsrisico’s in ogenschouw. Doelen: Veilige bouwwerken en omgeving Een zelfredzame en samenredzame samenleving Beschermen van (zeer) kwetsbare groepen Effectieve hulpverlening Continuïteit van de samenleving (waaronder zorgcontinuïteit en vitale infrastructuur) Kernwaarden voor een (fysiek) veilige leefomgeving Voor de inhoudelijke inbreng van het aspect fysieke veiligheid in de omgevingsvisie heeft Brandweer Nederland een aantal kernwaarden opgesteld. Deze kernwaarden zijn de kaders en kansen waarmee de fysieke leefomgeving zo veilig mogelijk ontworpen kan worden. In het omgevingsplan kunnen daar vervolgens planregels en omgevingswaarden aan gekoppeld worden. Op deze manier wordt veiligheid een thema waarover aan de voorkant wordt nagedacht.

Samen met andere veiligheidsregio’s heeft de VRHM een aantal kernwaarden opgesteld om richting te kunnen geven in het proces van visievorming en het borgen van veiligheid in de omgevingsvisie. Deze kernwaarden vormen de basis waarop het gesprek kan worden gestart én vormen het advies van de VRHM aan een gemeente. Deze kernwaarden richten zich op het proces van totstandkoming van de omgevingsvisie, ontwerpprincipes hoe een omgeving op een veilige manier in te richten en op risico- en crisiscommunicatie. De bedoeling van deze kernwaarden is om zo vroeg mogelijk in het proces al na te denken over veiligheid. Deze kernwaarden bieden wij aan om u, de gemeente, te helpen een visie te vormen over veiligheid. Kernwaarde 1 De kwaliteit van de leefomgeving wordt mede bepaald door (fysieke) veiligheid. Bij de inrichting van de fysieke leefomgeving is veiligheid een van de thema’s die een rol speelt. Een veilige leefomgeving draagt voor burgers, bedrijven en initiatiefnemers bij aan een goede leef- en vestigingsklimaat. Daarom is veiligheid een thema wat opgenomen moet worden in de omgevingsvisie. De VRHM denkt dan ook graag in een vroeg stadium mee bij dit thema voor de omgevingsvisie. Dit zorgt ervoor dat veiligheidsaspecten vroegtijdig in beeld worden gebracht en er ruimte is om zorgvuldige afwegingen te maken.

Zo wordt ook bij andere thema’s, ontwikkelingen en innovaties aan het aspect veiligheid gedacht.

3

Kernwaarde 2 Samen werken aan een veilige fysieke leefomgeving. Samen streven initiatiefnemers van nieuwe ontwikkelingen, maatschappelijke organisaties en andere overheden naar een veilige leefomgeving. Dit streven is een gezamenlijke verantwoordelijkheid, waarbij alle partijen verantwoordelijkheid dragen voor hun deel van de risico’s. Gezamenlijk streven naar een veilige fysieke leefomgeving werkt het beste als in een zo vroeg mogelijk stadium wordt nagedacht over veiligheid. De VRHM biedt dan ook aan om in dat vroege stadium al mee te denken en een gesprekspartner te zijn. De gemeente kan in de omgevingsvisie vastleggen hoe zij deze samenwerking vormgeven. Bij deze samenwerking bepaalt de VRHM risico’s en bekijkt de veiligheid in de fysieke leefomgeving. De VRHM bepaalt risico’s door te kijken naar het effect en de kans van een incident. Risico’s waar de VRHM naar kijkt zijn: bereikbaarheid en bluswatervoorziening, de risico’s op brand, opslag, vervoer en gebruik van gevaarlijke stoffen, risico’s bij evenementen en natuurbranden. Risico’s worden bekeken in relatie tot de omgeving. De VRHM maakt niet alleen risico’s inzichtelijk, maar ook de mogelijkheden voor ontwikkeling in de gemeente. Zo kijkt de VRHM naar klimaatverandering en de energietransitie.

Met name de ontwikkelingen op waterveiligheid, droogte, hitte, extreem weer, het toenemend risico op natuurbranden en de risico’s van nieuwe mogelijkheden van energieopwekking en -opslag zullen in de toekomst bepalend zijn voor een veilige leefomgeving. De brede blik die de VRHM heeft zorgt voor meerwaarde aan het samenwerken aan een veilige fysieke leefomgeving. Kernwaarde 3 De leefomgeving wordt mede vormgegeven volgens de ontwerpprincipes voor veiligheid. Voor het ontwerpen van een fysiek veilige leefomgeving biedt de VRHM vijf ontwerpprincipes aan. Aan deze ontwerpprincipes kunnen planregels en eventuele omgevingswaarden in het omgevingsplan gekoppeld worden. De ontwerpprincipes zijn op volgorde opgesteld: van het voorkomen van risico’s tot acute hulpverlening bij rampen en crises. 1. Voorkomen of beperking van risico’s vergroot de veiligheid Als eerste proberen we de bron aan te pakken en daarmee het risico volledig weg te halen of te beperken. Dit is de krachtigste manier en heeft daarom de voorkeur. Omdat dit niet altijd mogelijk is, zijn er nog andere principes. 2. Afstand tot de risico’s vergroot de veiligheid Het kan grote gevolgen voor en effecten op de omgeving en haar bewoners hebben als bij een risicobron iets gebeurt. Denk bij deze risico’s bijvoorbeeld aan hoog water, een droog bos, een bedrijf dat werkt met gevaarlijke stoffen of het vervoer daarvan.

Het houden van afstand tot de risico’s draagt ook bij aan een gezonde leefomgeving en leidt minder snel tot een volgend incident in de omgeving. Als het niet mogelijk is om de risico’s te voorkomen of te beperken is het belangrijk dat de omgeving zo ingericht wordt dat de fysieke afstand tot een risico vergroot wordt. Dit beperkt slachtoffers, letsel, overlast en (economische) schade. Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is het daarom van belang te kijken naar de omgeving en de risico’s die zich in de buurt bevinden. Dit is extra belangrijk voor (zeer) kwetsbare groepen (denk aan kinderen, ouderen en/of mensen met een beperking) en in de buurt van vitale infrastructuren (denk aan wegen, elektriciteit en drinkwater). 3. Bouwwerken en omgeving bieden bescherming In de omgeving van een incident moeten mensen de mogelijkheid hebben om te schuilen of de nadelige effecten moeten worden vertraagd. Dit geldt vooral als risico’s niet bij de bron voorkomen kunnen worden en de afstand tot die risico’s niet vergroot kan worden. Mensen kunnen beschermd worden tegen de gevolgen van die risico’s door bewust na te denken over de manier van bouwen, het type en de inrichting van gebouwen. De risico’s waartegen de mensen beschermd kunnen worden zijn onder andere de rookwolken die ontstaan bij brand, de verspreiding van giftige stoffen, de uitval van nutsvoorzieningen en/of explosies. 4

4. Bouwwerken en gebieden zijn snel en veilig te verlaten Wanneer bouwwerken en de omgeving niet voldoende bescherming bieden, is het van belang dat mensen snel en veilig kunnen vluchten. Hierbij is het belangrijk dat van de risicobron af gevlucht kan worden; dit vergroot de zelfredzaamheid van de mensen in het gebied. Het is daarom belangrijk om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen vooraf een analyse van de risico’s te maken. Op basis van deze risicoanalyse kunnen de gebouwen, vlucht- en ontsluitingswegen zo ontworpen worden dat mensen veilig en snel naar een veilige omgeving kunnen vluchten. 5. De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk Hulpdiensten kunnen sneller en effectiever optreden wanneer de bereikbaarheid van gebieden, bouwwerken, bedrijven en evenementen goed doordacht is. Een bewuste inrichting zorgt ervoor dat hulpverleners mensen sneller kunnen bereiken, in veiligheid kunnen brengen en de gevolgen van een incident kunnen beperken. Van belang is het voor de hulpverleners om te weten wat zij aan kunnen treffen. Hierbij kan gedacht worden aan: of er minder zelfredzame mensen verblijven in het gebied en welke risico’s er verder in de omgeving zijn. Voor een goede bereikbaarheid en bluswatervoorziening hanteert de VRHM de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid.

De brandweer kan snel en efficiënt optreden wanneer voldoende bluswater voorhanden is. Zo worden de gevolgen voor de omgeving en haar bewoners beperkt en is een snelle terugkeer naar de ‘normale’ situatie mogelijk. 6. Mensen krijgen bij crisis de passende medische zorg Crises kunnen een grote invloed hebben op de zorgvraag en het zorgaanbod en daarmee op de continuïteit van zorg binnen de gehele zorgsector. Indien de vraag naar zorg tijdens crisis ophoogt, kunnen hulpverleners dit mogelijk niet leveren of geplande operaties kunnen niet doorgaan. Daarom is het belangrijk dat zorgorganisaties zoals ziekenhuizen, huisartsen en de ambulancedienst berekend zijn op de zorgbehoefte van inwoners en bezoekers van de regio, onder alle omstandigheden. De gevolgen voor zorgorganisaties moeten bij ruimtelijke ontwikkelingen bekeken worden. De organisaties moeten meegroeien bij een groei van het aantal inwoners of bezoekers, maar bij krimp is het van belang dat de zorgvoorzieningen ook op peil blijven. Kernwaarde 4 Mensen zijn bekend met risico’s en weten hoe te handelen. Om in de toekomst een fysiek veilige leefomgeving in de gemeente te waarborgen dan wel verder te verbeteren, adviseren we daarom om bij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen deze principes te hanteren.

Door deze kernwaarden in de omgevingsvisie op te nemen, schept de gemeente een richtinggevend kader voor het omgevingsplan en toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. De zelfredzaamheid en samenredzaamheid van bewoners wordt verbeterd door communicatie over risico’s en de voorbereiding hierop. Het veiligheidsbewustzijn van mensen stijgt als iedereen die in een gemeente verblijft weet welke risico’s er zijn, hoe ze zich kunnen voorbereiden en wat ze kunnen doen in het geval van crisissituaties. Dit is dan ook het uiteindelijke doel. Hier hoort ook kennis van de inrichting van de omgeving en de mogelijkheden om te handelen bij. Deze risicocommunicatie kan bijvoorbeeld via een kaart in de meterkast tot bijeenkomsten en rondleidingen bij bedrijven. Tijdens een incident wordt gebruikgemaakt van crisiscommunicatie. Dit is een taak van de burgemeester van de gemeente waar het incident zich voordoet. Met behulp van crisiscommunicatie kan handelingsperspectief gegeven worden aan burgers in de omgeving van een incident. Algemene adviezen ten aanzien van fysieke veiligheid Gelet op de diversiteit van het aantal fysieke veiligheidsrisico’s in de gemeente kan aan de uitwerking van het aspect fysieke veiligheid meer aandacht worden gegeven.

Wij willen u daarom alvast de volgende algemene adviezen voor de omgevingsvisie meegeven: • Neem de kernwaarden voor een fysiek veilige leefomgeving op in de gebiedsvisie. Fysieke veiligheid wordt daarmee een thema waarover aan de voorkant is nagedacht. Door deze kernwaarden in gebiedsvisie op te nemen, schept men een richtinggevend kader voor de omgevingsvisie, het omgevingsplan en toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen.

5

•

Formeel is de adviesrol van de veiligheidsregio geregeld door een verwijzing in het Besluit kwaliteit leefomgeving naar artikel 10 van de Wet veiligheidsregio’s. Om de adviesrol van de veiligheidsregio expliciet in te bedden, adviseren we om concreet in de gebiedsvisie op te nemen dat: o de veiligheidsregio vroegtijdig betrokken wordt bij het gehele proces van de totstandkoming van hieruit voortkomende ruimtelijke plannen; o de veiligheidsregio adviseur is voor fysieke veiligheid bij omgevingsvisies, omgevingsplannen en initiatieven.

Adviezen voor ontwikkelingen, ambities en beleidskeuzes Verschillende ontwikkelingen, ambities en beleidskeuzes die in de omgevingsvisie opgenomen kunnen worden, hebben effect op de fysieke veiligheid in de gemeente. In deze paragraaf beschrijven wij deze ontwikkelingen, ambities en beleidskeuzes, geven we een toelichting op de gevolgen ervan ten aanzien van fysieke veiligheid en geven we aan hoe de fysieke veiligheid gewaarborgd of verbeterd kan worden, waarbij we refereren aan de kernwaarden. Om te zorgen dat de gemeente in de toekomst een veilige leefomgeving aan haar inwoners kan (blijven) bieden, adviseren we om deze aandachtspunten en maatregelen verder uit te werken bij de betreffende ontwikkelingen, ambities en beleidskeuzes.

1. Huisvestingsmogelijkheden kwetsbare mensen De Veiligheidsregio Hollands Midden adviseert om bij de locatiekeuze voor mogelijke toekomstige ontwikkelingen ten behoeve van de huisvesting van kwetsbare groepen rekening te houden met risicogebieden die gevoelig zijn voor overstromingen, extreme neerslag, droogte en hitte. 2. Alternatieve energiebronnen Alternatieve energiebronnen en energieopslagmogelijkheden, zoals windturbines en buurtbatterijen, brengen risico’s met zich mee. Rotorbladen van windturbines kunnen afbreken en bij een brand in een buurtbatterij kunnen zeer giftige stoffen vrijkomen. Bij het toewijzen van locaties voor dergelijke energiebronnen dient dus rekening te worden gehouden met de risico’s die deze bronnen met zich meebrengen. Ons advies is om ervoor te zorgen dat bij de mogelijke toekomstige realisatie van deze risicobronnen, deze op voldoende afstand worden gerealiseerd van (beperkt) kwetsbare objecten, zoals woningen, zorginstellingen, scholen, kantoren, etc. 3. Bereikbaarheid en ontvluchting Een aandachtspunt binnen de gemeente is de bereikbaarheid voor hulpdiensten.

Om ervoor te zorgen dat incidentlocaties snel en veilig zijn te verlaten en een snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk te maken adviseren we om vooraf al na te denken over de indeling van het gebied, de manier van bouwen, duidelijke vluchtroutes, goede aanrijdroutes voor de hulpdiensten en voldoende bluswatervoorzieningen. Wij raden u aan om bij ruimtelijke ontwikkelingen in overleg met de hulpdiensten de ontsluiting van het plangebied en de opstelplaatsen voor brandweervoertuigen en andere hulpdiensten te bepalen. 4. Bluswater Zoals ook aangegeven bij het hoofdstuk “Algemene trends en ontwikkelingen” zijn de gevolgen van klimaatverandering en bodemdaling onbekend. Wij adviseren u dan ook om bij ruimtelijke ontwikkelingen in overleg met de brandweer de bluswatervoorziening van het plangebied op dat moment te beoordelen. Mede omdat de veiligheidsregio in samenwerking met gemeenten de visie op bluswater heeft herzien.

6

5. Veiligheid De gemeente kan ervoor kiezen om in de visie op te nemen dat in het kader van veiligheid voor elke grote nieuwe ontwikkeling er een VER (Veiligheidseffectrapportage) opgesteld gaat worden waarin alle bovengenoemde veiligheidsaspecten aan de orde komen. Om de gemeentelijke ambitie ook werkelijk waar te kunnen maken binnen ruimtelijke ontwikkelingen adviseert de politie aan de gemeente om het volgende in de visie op te nemen: • dat bij nieuwe bouwplannen een parkeerbalans (CROW) wordt opgesteld; • dat bij nieuwe bouwplannen en reconstructies de openbare ruimte ‘Duurzaam Veilig’ ingericht gaat worden en aan de CROW-richtlijnen gaat voldoen; • dat bij nieuwe bouwplannen of de grootschalige renovaties van bestaande bouw de woningen gaan voldoen aan het politiekeurmerk Veilig Wonen; bij bedrijventerreinen, buitengebieden, winkelgebieden e.d. het bouwplan of de grootschalige renovatie gaat voldoen aan het keurmerk Veilig Ondernemen; en bij horecagebieden de plannen getoetst worden aan de richtlijn Veilig Uitgaan.

7

Bijlage 11

Rho adviseurs voor leefruimte

Adviesmemo Archeologie

193100.20150898

Nota archeologiebeleid Schoonhoven

J. Breimer AMZ Publicaties 2011-4

Colofon Hazenberg AMZ Publicaties 2011 Titel: Nota archeologiebeleid, gemeente Schoonhoven Projectnummer: 5261 Auteur: drs. J.N.W. Breimer Opdrachtgever: gemeente Schoonhoven Status rapport: concept versie Datum: oktober 2011 ISSN: 1872-4736 Hazenberg Archeologie bv Middelstegracht 89r 2312 TT LEIDEN 071 -- 5126 216 071 -- 5212 437 http://www.hazenbergarcheologie.nl/ ©2011 Hazenberg Archeologie Leiden bv Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v. druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Hazenberg Archeologie Leiden bv.

Nota archeologiebeleid gemeente Schoonhoven

Inhoud 1. Inleiding .............................................................................................................................................. 4 1.1. Aanleiding.................................................................................................................................... 4 1.2. Uitgangspunten ........................................................................................................................... 4 1.3. Leeswijzer ................................................................................................................................... 4 2. Wettelijk kader .................................................................................................................................... 5 2.1. Verdrag van Malta ....................................................................................................................... 5 2.2. Wet op de archeologische monumentenzorg ............................................................................. 5 3. Taken en bevoegdheden van Rijk, provincie en gemeenten ............................................................. 7 3.1. Taken en bevoegdheden rijk....................................................................................................... 7 3.2.

Taken en bevoegdheden provincie ............................................................................................. 7 3.3. Taken en bevoegdheden gemeenten ......................................................................................... 7 4. Archeologie en ruimtelijke ordening ................................................................................................... 9 4.1. Structuurniveau ........................................................................................................................... 9 4.2. Bestemmingsniveau.................................................................................................................... 9 4.3. Vergunningsniveau ................................................................................................................... 10 5. Gemeente Schoonhoven als bevoegd gezag .................................................................................. 12 5.1. Nut en noodzaak archeologisch onderzoek.............................................................................. 12 5.2. Vrijstellingsgrenzen ................................................................................................................... 13 5.3. Te nemen besluiten door de gemeente Schoonhoven ............................................................. 14 5.4.

Amateurarcheologen................................................................................................................. 15 5.5. Eigendom .................................................................................................................................. 15 6. Organisatie ....................................................................................................................................... 17 7. Financiën .......................................................................................................................................... 18 7.1. Kunnen deze kosten gedekt worden? ........................................................................................... 18 7.1.1. Bestuurslasten ....................................................................................................................... 18 7.1.2. Projectgebonden uitvoeringskosten....................................................................................... 18 7.1.3. Leges...................................................................................................................................... 18 7.2. Andere financiële aspecten ........................................................................................................... 19 7.2.1.

Nadeelcompensatie bij excessieve opgravingskosten ......................................................... 19 7.2.3. Planschade............................................................................................................................ 20 7.2.4. Toevalsvondsten ................................................................................................................... 20 Bijlage ................................................................................................................................................... 22

Hazenberg AMZ Publicaties 2011 Versie: definitief oktober 2011

3

Nota archeologiebeleid gemeente Schoonhoven

1. Inleiding 1.1. Aanleiding De gemeente Schoonhoven staat voor de taak te voldoen aan de archeologische voorschriften uit de Monumentenwet 1988. Belangrijk (hulp)middel hierbij is de voor de gemeente opgestelde archeologische waarden- en verwachtingenkaart. Waar het de gemeente Schoonhoven in eerste instantie om gaat is om te voldoen aan hetgeen wettelijk is voorgeschreven. In dit document staat beschreven welke vraagstukken aan de orde komen bij het voldoen aan de archeologische voorschriften uit de Monumentenwet 1988. Deze nota dient niet gelezen te worden als een stappenplan dat de gemeente Schoonhoven gaat implementeren, maar geeft ons inzicht wat er allemaal kan spelen als verantwoordelijke lokale overheid voor het Schoonhovense bodemarchief. 1.2. Uitgangspunten Gemeentelijk archeologiebeleid dient te voldoen aan de uitgangspunten uit de Monumentenwet 1988. Ook voor het gemeentelijk archeologiebeleid van de gemeente Schoonhoven gelden daarom de volgende uitgangspunten: • • •

archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; de relatie tussen archeologie en ruimtelijke ordening versterken zodat behoud van het bodemarchief onderdeel worden van het planologische besluitvormingsproces; bodemverstoorders betalen archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen en zijn hiervoor operationeel verantwoordelijk.

1.3. Leeswijzer Archeologiebeleid van een gemeente betreft verschillende componenten. Het eerste deel betreft de inbedding in de ruimtelijke ordening (paragraaf 4). De rol die het vervult is afhankelijk van het niveau van het ruimtelijk plan (structuurvisie, bestemmingsplan en vergunningen). Op structuurniveau wordt de archeologie als mede-ordenend principe gebruikt, op bestemmingsniveau als medeafwegingskader en op vergunningsniveau als toetsingskader. Op al deze niveaus is archeologische kennis noodzakelijk. Hoe concreter het plan, hoe gedetailleerder deze kennis moet zijn. Als basiskennis dient de voor de gemeente Schoonhoven opgestelde archeologische waarden- en verwachtingenkaart en de beleidskaart. Als mede-ordenend principe volstaat de informatie die daarop te vinden is. Voor het vaststellen van nieuwe bestemmingen of voor vergunningverlening is vaak gedetailleerdere informatie nodig. Deze wordt verkregen uit onderzoek. Deze onderzoeken dienen uitgevoerd te worden door erkende bureaus. De gemeente is bevoegd gezag en stelt bijvoorbeeld de eisen vast waaraan onderzoek moet voldoen en beoordeelt het uitgevoerde onderzoek (paragraaf 5). De bevoegd gezag-functie bij archeologisch onderzoek vormt daarom het tweede onderdeel van gemeentelijk beleid. Bij nieuw beleid is het ook goed om stil te staan bij de organisatorische aspecten (paragraaf 6).

De financiële aspecten van archeologiebeleid (paragraaf 7) komen aan de orde in het vierde onderdeel van het gemeentelijke beleid. Alvorens in te gaan op de verschillende onderdelen van het gemeentelijk archeologiebeleid, volgt in het hierna volgende hoofdstuk eerst een duiding van het wettelijke kader (paragraaf 2) op basis waarvan de gemeente Schoonhoven haar archeologiebeleid opstelt. In het daarna volgende hoofdstuk staan de verschillende bevoegdheden van het Rijk, provincie en gemeenten beschreven (paragraaf 3).

4

Hazenberg AMZ Publicaties 2011 Versie: definitief oktober 2011

Nota archeologiebeleid gemeente Schoonhoven

2. Wettelijk kader Het archeologiebeleid dat op gemeentelijk niveau dient te worden uitgevoerd, wordt gestuurd door het beleid en de wet- en regelgeving op hoger niveau. Voor het gemeentelijk archeologiebeleid is met name de Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) van belang. Deze wet regelt de zorg voor ons bodemarchief en is de vertaling van het Verdrag van Malta, dat Nederland in 1992 ondertekende. Deze wet is inmiddels opgenomen in de Monumentenwet 1988 en enkele ruimtelijke ordeningswetten waaronder de Wro. 2.1. Verdrag van Malta Het Europese verdrag betreffende de bescherming van het archeologische erfgoed is in 1992 in Valletta (Malta) ondertekend door de ministers van Cultuur van de landen aangesloten bij de Raad van Europa. Dit verdrag wordt ook wel het ‘Verdrag van Malta’ genoemd. Het verdrag van Malta heeft als doel archeologische resten in Europa te beschermen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed (artikel 1). Het accent ligt op het streven naar het behoud en beheer van archeologische resten in de bodem en het zoveel mogelijk beperken van (de noodzaak van) archeologische opgravingen (artikel 2). Het verdrag bepaalt dat archeologie expliciet bij de besluitvorming over ruimtelijke ingrepen moet worden meegewogen. Waar mogelijk dienen de archeologische resten te worden ontzien (behoud in situ).

Wanneer bescherming en inpassing van archeologisch waardevolle terreinen niet mogelijk blijkt, zal de historische informatie door middel van archeologisch onderzoek moeten worden veiliggesteld (behoud ex situ). Om deze doelstelling te bereiken, moet het archeologische belang volledig erkend worden in planologische besluitvormingsprocessen (artikel 5). De veroorzaker van de bodemverstoring is verantwoordelijk voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van archeologisch onderzoek en de financiering daarvan (het ‘veroorzaker-betaalt-principe’; artikel 6). Onderzoek moet worden uitgevoerd door deskundigen en wordt afgesloten met een schriftelijke wetenschappelijke verslaglegging (artikel 7). Een informatieplicht is vastgelegd in de vorm van verplichte uitwisseling van informatie en het actueel houden van een databank met archeologische gegevens (artikelen 7 en 8). Het verdrag verplicht ook tot voorlichting aan het publiek en publiekgerichte ontsluiting van archeologische resten om bij het publiek meer begrip te ontwikkelen voor het belang van het archeologische erfgoed (artikel 9).

2.2. Wet op de archeologische monumentenzorg Sinds 1 september 2007 is de Wet op archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht, waarin concreet invulling is gegeven aan het Verdrag van Malta. Het betreft onder meer een herziening van de Monumentenwet 1988 en sluit daarom zoveel mogelijk aan op bestaande wet- en regelgeving. Doelstelling van de Monumentenwet 1988 is archeologische resten waar nodig te beschermen, zonder meer maatschappelijke lasten in het leven te roepen dan strikt noodzakelijk is. Vergeleken met de doelstelling van het Verdrag van Malta kent de Monumentenwet 1988 dus een nuancering. De wetgever heeft namelijk aangegeven dat de bescherming van archeologie proportioneel dient te zijn. Dit geeft ruimte voor een belangenafweging. De uitgangspunten van de Monumentenwet 1988 sluiten veelal aan bij het verdrag van Malta. Zo wordt veel waarde gehecht aan behoud en beheer in de bodem en verbetering van de informatievoorziening over het cultureel erfgoed. Ook het ‘veroorzaker-betaalt-principe’ is integraal overgenomen. Meest relevant voor de gemeente is de verankering van de archeologie in de bestemmingsplannen en het feit dat het bevoegde gezag ten aanzien van de omgang met het bodemarchief in de meeste gevallen bij de gemeenten is komen te liggen.

In de wet is vastgelegd dat gemeenten bij (op)nieuw vast te stellen bestemmingsplannen rekening dienen te houden met niet alleen de bekende maar ook met de te verwachten archeologische resten. De Archeologische Monumentenkaart (AMK), de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) en de Cultuurhistorische atlas, onderdeel van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van de provincie Zuid-Holland kunnen daarbij als toetsingskader dienen. Nadeel van deze kaarten is dat de kaartschaal voor gemeentelijk niveau te grof is om mee te werken. Een gedetailleerde gemeentespecifieke archeologische beleidskaart, gebaseerd op een archeologische waarden- en Hazenberg AMZ Publicaties 2011 Versie: definitief oktober 2011

5

Nota archeologiebeleid gemeente Schoonhoven

verwachtingenkaart, is dan ook onmisbaar. De gemeente Schoonhoven heeft er daarom voor gekozen een dergelijke kaart te laten opstellen. Omdat een dergelijke kaart niet in het ruimtelijk ordeningsproces valt te gebruiken, heeft de gemeente Schoonhoven er voor gekozen ook een archeologische beleidskaart te laten opstellen. Op deze kaart is gemakkelijk te zien waar de gemeente Schoonhoven een archeologische onderzoeksplicht oplegt en waar niet.

Blootlegging van de Weergangbogen bij de Cromme Grietetoren Bron: Archeologische Werkgroep Schoonhoven

6

Hazenberg AMZ Publicaties 2011 Versie: definitief oktober 2011

Nota archeologiebeleid gemeente Schoonhoven

3. Taken en bevoegdheden van Rijk, provincie en gemeenten De invoering van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving heeft plaatsgevonden door het opstellen van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Met deze wet is de Monumentenwet 1988 aangepast, alsmede de Ontgrondingenwet, de Woningwet, de Wet Milieubeheer en het Besluit Ruimtelijke Ordening. Er is voor gekozen om zoveel mogelijk aan te sluiten bij bestaande regelgeving, om extra wet- en regelgeving te vermijden en om de integratie te bevorderen. In onderstaande paragrafen worden de taken en bevoegdheden, die voorvloeien uit de Monumentenwet 1988, voor het rijk, provincie en gemeente kort toegelicht. 3.1. Taken en bevoegdheden rijk Het archeologische rijksbeleid wordt in naam van de minister van OC en W uitgevoerd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Daar waar monumentale, archeologische of cultuurlandschappelijke waarden van nationaal of internationaal belang in het geding zijn, neemt de Rijksdienst het initiatief inzake behoud, bescherming, onderhoud en onderzoek. Het Rijk heeft samengevat de volgende bevoegdheden en taken: • • • • •

• • •

het Rijk kan gebieden aanwijzen tot beschermd (archeologisch) rijksmonument (artikel 3, lid 1); het Rijk verleent een monumentenvergunningen voor wijziging, afbraak of verwijdering (artikel 11 e.v.) van een archeologisch rijksmonument; het Rijk verstrekt – na toetsing – de vergunningen aan opgravende instanties (artikel 45-48); het Rijk zorgt ervoor dat het archeologische belang wordt betrokken in rijksprojecten (Rijk als initiatiefnemer). het Rijk heeft een wettelijke adviesrol bij projecten waarvoor een m.e.r. wordt opgesteld. De Provincie zal, als zij bevoegd gezag is in de m.e.r-procedure, in principe de adviezen van de m.e.r.-commissie overnemen. het Rijk kan bepaald onderzoek aan een universiteit toewijzen in het kader van ondersteuning van wetenschappelijk onderwijs (artikel 49); het Rijk dient een Centraal archeologisch informatiesysteem (ARCHIS) in stand te houden (artikel 55); de minister (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) kan werk stilleggen (artikel 56) en betreding van terreinen opleggen (gedoogplicht conform artikel 57).

3.2. Taken en bevoegdheden provincie De provincie is bevoegd gezag bij de meeste ontgrondingen en moet als gevolg van de Ontgrondingenwet het archeologische belang toetsen en meewegen bij deze projecten. De provincie kan vanuit deze bevoegdheid verplichten tot archeologisch onderzoek. Bovendien heeft de provincie op grond van de Monumentenwet 1988 de bevoegdheid om archeologische attentiegebieden aan te wijzen. Attentiegebieden zijn gebieden die archeologisch waardevol zijn, of naar verwachting archeologisch waardevol zijn, maar die binnen bestaande bestemmingsplannen onvoldoende worden beschermd. Indien een bepaald gebied door de Provincie wordt aangewezen als attentiegebied, moet de gemeenteraad - binnen een door Provinciale Staten te stellen termijn – voor dit gebied een nieuw bestemmingsplan vaststellen (artikel 44). De provincie Zuid-Holland maakt geen gebruik van deze bevoegdheid. De provincie is verantwoordelijk voor de instandhouding van een depot en kan eisen stellen aan een verantwoorde en toegankelijke opslag. Op verzoek van een gemeente kan de provincie ook een gemeentelijk depot aanwijzen (artikel 51). 3.3. Taken en bevoegdheden gemeenten Met de invoering van de herziene Monumentenwet is sprake van decentralisatie van taken en verantwoordelijkheden.

Gemeenten krijgen een kerntaak in de uitvoering van de archeologische monumentenzorg, zodat ze bij de ruimtelijke besluitvorming het archeologische belang zullen moeten afwegen samen met andere maatschappelijke belangen.

Hazenberg AMZ Publicaties 2011 Versie: definitief oktober 2011

7

Nota archeologiebeleid gemeente Schoonhoven 1

De artikelen 38 tot en met 43 van de Monumentenwet 1988 geven een overzicht van de belangrijkste verplichtingen die de gemeente heeft en de instrumenten die de gemeente hiervoor ten dienste staan. De gehele Monumentenwet 1988 kan worden geraadpleegd via http://wetten.overheid.nl.

Detail van de prachtige kaart van de Lek rondom Schoonhoven en Nieuwpoort, gemaakt door J.B. Prevost (1727). Bron: www.gescheidenisvanzuidholland.nl

1 De artikelen 38 tot en met 43 zijn te raadplegen via: http://wetten.overheid.nl/BWBR0004471/geldigheidsdatum_29-09-2011#HoofdstukV657208

8

Hazenberg AMZ Publicaties 2011 Versie: definitief oktober 2011

Nota archeologiebeleid gemeente Schoonhoven

4. Archeologie en ruimtelijke ordening Met het bodemarchief kan in iedere fase van planvorming rekening worden gehouden. Op structuurniveau is dat in de rol van mede-ordenend principe, op bestemmingsniveau als medeafwegingskader en op vergunningsniveau als toetsingskader. Hoe concreter een plan, hoe gedetailleerder de kennis over het archeologische bodemarchief moet zijn. In de volgende subparagrafen wordt aangegeven welke werkwijzen gemeenten hanteren in de verschillende fasen van planvorming. 4.1. Structuurniveau Wanneer een gemeente haar toekomstige ruimtelijk ontwikkeling gaat vast leggen, houdt zij daarbij rekening met het bodemarchief. Dit in eerste instantie als inspiratiebron. De archeologische waarden op een bepaalde plek hebben namelijk een bijzonder (lokaal) verhaal te vertellen, wat een onderdeel is van haar lokale identiteit (genius loci). Voor velen wordt de kwaliteit van de leefomgeving deels bepaald door de herkenbaarheid van deze lokale identiteit. Aansluitend op het verdrag van Malta, het rijksbeleid (Belvédère) en het provinciaal beleid wordt daarom in deze nota gesteld dat de archeologie (als onderdeel van de genius loci) een ruimtelijke kwaliteit is en daarmee mede-ordenend is. Behoud van archeologische waarden in de bodem is daarbij het uitgangspunt.

Daarnaast is het van belang om in dit vroege stadium van planvorming zicht te hebben op de financiële consequenties van bepaalde ontwikkelingen. Indien bij de planontwikkeling archeologische waarden en/of verwachtingen worden bedreigd, is inzicht in mogelijke kosten en de tijdsduur van eventueel archeologische (voor)onderzoek van belang. De archeologische waarden- en verwachtingenkaart en de beleidskaart zullen dienst doen als basisdocument in deze fase van planvorming. Archeologisch (voor-)onderzoek is in deze fase niet noodzakelijk en wenselijk. 4.2. Bestemmingsniveau Het centrale juridische beleidsinstrument is het bestemmingsplan. De gemeenteraad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan, een beheersverordening, een projectbesluit of een ontheffing rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten. De wijze van omgang met archeologie is afhankelijk van het type plan. Op hoofdlijnen bestaan er twee soorten plannen: • •

plannen met een concreet geplande bodemingreep (1) plannen zonder concreet geplande bodemingrepen. (2)

Ad. 1. Plannen met een concreet gepland bodemingreep Wanneer in een gebied ontwikkelingen zijn gepland die niet voldoen aan het huidige bestemmingsplan, dient de bestemming van de gronden gewijzigd te worden (middels een projectbesluit, een ontheffing of een nieuw bestemmingsplan). Het gaat dan om: • • • •

ontwikkelingsgerichte bestemmingsplannen; het partieel herzien van bestemmingsplannen; projectbesluiten en ontheffingen.

Archeologie is een facet dat mede-afgewogen wordt in de besluitvorming omtrent de ontwikkeling. We bevinden ons nu nog in de vroege fase van (concrete) planvorming en op dit moment is het mogelijk om het belangrijkste uitgangspunt van het verdrag van Malta en de Monumentenwet 1988 te verwezenlijken, namelijk streven naar het behoud van archeologische resten in de bodem en het zoveel mogelijk beperken van archeologische opgravingen.

Hazenberg AMZ Publicaties 2011 Versie: definitief oktober 2011

9

Nota archeologiebeleid gemeente Schoonhoven

Het hanteren van de archeologische waarden- en verwachtingenkaart is in deze fase van planvorming van belang. Het geeft zicht op de aanwezige en te verwachten archeologische sporen in het bodemarchief van Schoonhoven en het raadplegen van de kaart geeft een duidelijke indicatie of er archeologische vondsten, en derhalve dus ook kosten, te verwachten zijn. Afhankelijk van de planontwikkeling en het grondgebruik of de gronduitgifte heeft een gemeente twee keuzes: -

of men start/initieert archeologisch vooronderzoek om de waarden beter in kaart te brengen of men besluit in het plan archeologische voorschriften op te nemen die verbonden worden aan een bouw- of aanlegvergunning.

In het eerste geval neemt een gemeente de archeologische (voor)onderzoekskosten op in de grondexploitatie, in het andere geval belast men de kosten van onderzoek door aan de latere vergunning-aanvrager(s). Het eerste geval zal echter niet veel voorkomen in de gemeente Schoonhoven; er is immers vrij weinig open, te bebouwen grond, met een archeologische hoge waarde en/of verwachting. Het belangrijkste instrument in de gemeente Schoonhoven om rekening te houden met het bodemarchief is daarom dan ook het verbinden van archeologische voorschriften aan de omgevingsvergunning. Indien uit het uitgevoerde archeologische vooronderzoek blijkt dat de resten behoudenswaardig zijn en bedreigd worden door de geplande ontwikkeling, worden ze meegewogen in de besluitvorming rondom de bestemmingwijziging. Uitkomst daarvan zal zijn behoud van de archeologische resten op de locatie (planaanpassing) of behoud van de archeologische resten ex situ (archeologische opgraving). Bij de eerste uitkomst dient er wel een beschermingsregime in het bestemmingsplan opgenomen te worden. Dit betekent concreet dat de vindplaats aangeduid moet worden op de plankaart (dubbelbestemming). Aan deze dubbelbestemming dienen vervolgens planregels gekoppeld te worden waarin het één en ander ten aanzien van bouwvergunningen en aanlegvergunningen geregeld dient te worden.

Planregels zoals die kunnen worden opgenomen zijn verwoord in de bijlage. Ad. 2. Plannen zonder concreet geplande bodemingrepen Hier gaat het om het vaststellen van nieuwe bestemmingsplannen waarbij enkel de reeds bestaande situatie (zoveel) mogelijk wordt gehandhaafd. Het betreft dan een: • •

actualisatie van een vigerend bestemmingsplan of het vaststellen van een beheersverordening.

Ook bij deze plannen dient rekening gehouden te worden met de eventueel aanwezige archeologische resten. Archeologisch vooronderzoek is voorafgaand aan de vaststelling niet noodzakelijk, aangezien er geen concrete bodemingrepen gepland zijn. In deze fase volstaat het opnemen van een beschermingsregime in het bestemmingsplan. Dit betekent concreet dat de gebieden waar archeologische resten verwacht worden of zijn vastgesteld een plek krijgen op de plankaart (dubbelbestemming). Aan deze dubbelbestemming worden vervolgen planregels gekoppeld waarin het één en ander ten aanzien van bouwvergunningen en aanlegvergunningen geregeld wordt. De beleidskaart, met daarop aangegeven oppervlaktematen (in m2) en dieptematen (in cm), gedifferentieerd voor bepaalde gebieden in de gemeente Schoonhoven, vormt de basis voor deze planregels. 4.3. Vergunningsniveau Indien werkzaamheden gepland worden binnen een gebied met de dubbelbestemming archeologie , dient bepaald te worden of deze een bedreiging vormen voor eventuele archeologische resten. Op basis van de diepte van de bodemingreep en de oppervlakte van de ingreep kan het vervolgtraject bepaald te worden. Zijn de verstoringen groter dan de door de gemeente vastgestelde onderzoeksgrenzen, dan zal onderzoek noodzakelijk zijn.

Archeologisch vooronderzoek moet uitwijzen of er zich archeologische resten in het gebied bevinden, waar deze zich bevinden en of deze resten behoudenswaardig zijn. Het door het bevoegd gezag goedgekeurde rapport dient bij de vergunningsaanvraag te worden ingediend.

10 Hazenberg AMZ Publicaties 2011 Versie: definitief oktober 2011

Nota archeologiebeleid gemeente Schoonhoven

Indien de resten behoudenswaardig blijken te zijn, wordt aan de vergunning één van de volgende voorschriften verbonden: • • •

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; of de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties

Deze voorschriften zijn uiteraard ook opgenomen in de planregels (zie bijlage). In onderstaand schema zijn alle stappen van de zogeheten AMZ-cylus schematisch in beeld gebracht met daarbij de gevolgen voor de vergunningverlening. De gemeente geeft er de voorkeur aan het archeologisch onderzoek afgerond te hebben voorafgaand aan de vergunningaanvraag.

Hazenberg AMZ Publicaties 2011 Versie: definitief oktober 2011

11

Nota archeologiebeleid gemeente Schoonhoven

5. Gemeente Schoonhoven als bevoegd gezag Met enige regelmatig zal het nodig zijn dat in het kader van ruimtelijke plannen archeologisch vooronderzoek moet worden verricht. Deze onderzoeken dienen uitgevoerd te worden door bureaus die werken conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) of in het bezit zijn van een door het Ministerie van OCW verstrekte opgravingsvergunning. De gemeente heeft echter de regie en is bevoegd gezag. Dit betekent dat de gemeente bepaalt in welke gevallen onderzoek nodig is (vrijstellingsgrenzen), zelf een beslissing neemt over de resultaten van de onderzoeken met betrekking tot vervolgonderzoek en aanvullende eisen kan stellen aan de uit te voeren onderzoeken. In deze paragraaf komen nut en noodzaak van archeologisch onderzoek, de vrijstellingsgrenzen (voor onderzoek) en de besluitvorming aan bod. 5.1. Nut en noodzaak archeologisch onderzoek Bepalen welke ingrepen wel en welke ingrepen niet onderzoeksplichtig zijn, is een belangrijk punt van discussie binnen de archeologische wereld. Uitgangspunt is dat alleen archeologisch onderzoek hoeft te worden uitgevoerd in de gebieden waar verstoring van mogelijke archeologische resten plaatsvindt (bijvoorbeeld door saneringen, ontgravingen, waterpeilverlagingen etc.).

Om te bepalen of een ingreep daadwerkelijk een bedreiging vormt, is het van belang dat de gemeente (bij voorkeur zo nauwkeurig mogelijk) weet wat de diepteligging is van de archeologische vondstlagen. Als een archeologische vondstlaag op 2 m -Mv verwacht wordt, zullen ingrepen tot 1,5 m -Mv in veel gevallen geen bedreiging vormen. Ook inzicht in de intactheid van het bodemprofiel is van belang om de bedreiging van een geplande ingreep te kunnen inschatten. Archeologische waarden die aan of dicht onder het maaiveld verwacht worden, vormen weliswaar een groot struikelblok voor geplande ingrepen, maar door hun ondiepe ligging zijn deze waarden ook zeer kwetsbaar voor natuurlijke en antropogene verstoringsprocessen (verspoeling, regulier grondgebruik etc.) en is er dus een kans dat de archeologische waarden al sterk zijn aangetast door vroegere verstoringen, waardoor ze niet langer behoudenswaardig zijn. Om te kunnen bepalen of een bodemingreep schadelijk is, dient men dus altijd nauwkeurige informatie te hebben over de aard en diepte van de ingreep, de aard en diepte van de archeologische lagen/vindplaatsen en de mate van verstoring van de bodem. In de Monumentenwet 1988 (artikel 41a) is gesteld dat projecten kleiner dan 100 m² in principe niet belast kunnen worden met onderzoek, maar ook dat de gemeenteraad hiervan een afwijkend oppervlak kan vaststellen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=f9f82f0d-0b05-4753-9232-a44ad365509d