CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BOPA-beleid gemeente Krimpenerwaard 2024 wijzigingen H2 en H4

Beeldvorming R&F (RZ) 7 januari 2025, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: documenten7.707 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Lokale wet- en regelgeving

Geel gemarkeerd = toegevoegde tekst Doorgehaald en rood = verwijderde tekst Voorgestelde wijzigingen BOPA-beleid gemeente Krimpenerwaard 2024, Hoofdstuk 2 en 4 Geldend van 04-01-2024 t/m heden

Intitulé BOPA-beleid gemeente Krimpenerwaard 2024

Hoofdstuk 2 Buitenplanse afwijkingsbevoegdheid Krimpenerwaard 2021 1. Inleiding De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) biedt het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in bepaalde gevallen af te wijken van het door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan. Het gaat daarbij om relatief kleine ruimtelijke ingrepen, vaak aangeduid als ‘kruimelgevallen’. Het gemeentelijke ruimtelijkeordeningsbeleid is vastgelegd in door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplannen. Aan het toekennen van bijvoorbeeld maximale bebouwingshoogtes, inhoudsmaten en oppervlaktes ligt weloverwogen ruimtelijk beleid ten grondslag. Als het college van burgemeester en wethouders gebruik wil maken van de door de wetgever aan haar toegekende beleidsvrijheid om van het door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplan af te wijken, dan moet dat uiteraard zeer zorgvuldig gebeuren. Uitgangspunt is om zo dicht mogelijk bij het raadsbeleid te blijven. Met ingang van 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ( Wabo ) in werking getreden. In artikel 2.12 van de Wabo is geregeld dat, als het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 Wabo, een omgevingsvergunning slechts kan worden verleend, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (...): a.

met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking (binnenplanse afwijkingsbevoegdheid);

b.

in de gevallen bedoeld in bijlage II, artikel 4 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) (buitenplanse afwijkingsbevoegdheid);

c.

indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en het besluit is voorzien van een ruimtelijke motivering (omgevingsvergunning/ projectafwijkingsbesluit);

De beleidsregels in deze nota hebben betrekking op de buitenplanse afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de Wabo. In bijlage II, artikel 4 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) wordt aangegeven welke gevallen in aanmerking komen voor het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan (buitenplanse afwijkingsbevoegdheid).

1.1 Doelstelling Het doel is het verschaffen van een helder en consistent beleid voor omgevingsvergunningen voor de activiteit ‘handelen in strijd met de ruimtelijke ordening’ op basis van artikel 2.12 Wabo en artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Zo verschaft de regeling inzicht in de relevante afwegingscriteria en het plaatselijke toepassingsbereik en wordt daarnaast de basis geboden voor een zorgvuldige motivering en een efficiënte afdoening van aanvragen.

1.2 Beleidsnotitie 2021 Deze beleidsnotitie vervangt de Beleidsregels buitenplanse afwijkingsbevoegdheid 2015, gemeente Krimpenerwaard. De afgelopen periode is in de praktijk gebleken dat in voorkomende gevallen het beleid uit 2015 te kort schiet en dat te vaak een beroep op de hardheidsclausule gedaan moest worden. In samenhang met de uitgangspunten van de Omgevingswet die naar alle waarschijnlijkheid in 2024 inwerking treedt en diverse jurisprudentie is er behoefte ontstaan aan een nieuwe beleidsnotitie. In deze beleidsnotitie wordt meer ruimte geboden voor maatwerk en het meedenken met initiatiefnemers. Het initiatief wordt centraal gesteld en op zichzelf beoordeeld op wenselijkheid. Hiertoe zijn algemene afwegingscriteria geformuleerd. Daarnaast zijn specifieke nadere voorwaarden geformuleerd, die deels aansluiten bij de oude beleidsregels en waar mogelijk verruiming bieden. Deze verruiming is vormgegeven door het hanteren van richtlijnen. Deze richtlijnen geven aan wat in globale zin als maximale invulling gezien dient te worden. Het is een richtlijn waar dus onder voorwaarden, goed gemotiveerd en in samenspraak met de gemeente, vanaf geweken kan worden. Hierdoor is maatwerk mogelijk.

1.3 Begripsomschrijvingen Voor de begripsomschrijvingen wordt verwezen naar Bijlage II, Hoofdstuk I, artikel 1 Besluit omgevingsrecht (Bor). In aanvulling op de begripsomschrijvingen van Bijlage II Bor: Achtererfgebied: het feitelijk achtererfgebied inclusief het deel van het perceel dat grenst aan openbaar gebied. Bebouwde kom: Voor het bepalen van de bebouwde kom is de feitelijke situatie en de aard van de omgeving van belang. Criteria die hierbij gehanteerd worden: -

waar houdt de bebouwing feitelijk (nagenoeg) op;

-

de verkeerstechnische regeling uit de wegenverkeerswet heeft geen doorslaggevende betekenis;

-

er is sprake van geconcentreerde bebouwing met een samenhangende structuur welke overwegend een woon- en verblijffunctie heeft;

-

Intensief bebouwde dijk- en polderlinten kunnen beschouwd worden als bebouwde kom mits sprake is van dichte bebouwingsstructuur met overwegend een woon- en verblijfsfunctie;

Kernwinkelgebied(en): Aaneengesloten gebieden in de kernen met een hoge concentratie aan detailhandel, horecaondernemingen en commerciële dienstverlening. Binnen de kernwinkelgebieden wordt gestreefd naar de optimale uitbouw van deze activiteiten. In de bestemmingsplannen hebben de kernwinkelgebieden veelal de bestemming ‘gemengde doeleinden’, ‘centrumgebied’ of ‘centrumdoeleinden’. Privacy: Een besluit mag niet in strijd zijn met artikel 50 Burgerlijk wetboek boek 5. Ruimtelijke motivering: Er moet aan een besluit een deugdelijke motivering ten grondslag liggen. Dat houdt in dat gemotiveerd moet worden waarom de ontwikkeling in planologisch opzicht aanvaardbaar is en er moet blijken dat een afweging is gemaakt van de met de ontwikkeling gemoeide belangen. De ruimtelijke motivering moet aansluiten bij de algemene afwegingscriteria.

1.4 Wijze van meten Voor de wijze van meten wordt verwezen naar Bijlage II, Hoofdstuk I, artikel 2 Besluit omgevingsrecht (Bor).

2. Beleidsregels Vooropgesteld wordt dat het verlenen van medewerking aan een afwijking van een bestemmingsplan een bevoegdheid is en geen plicht. Bij een aanvraag tot afwijking van een bestemmingsplan dient daarom zorgvuldig te worden gemotiveerd waarom wel of geen medewerking wordt verleend. Onderstaand zijn de afwegingscriteria op basis waarvan deze afweging moet plaatsvinden. In alle gevallen dient allereerst een beoordeling plaats te vinden aan de hand van de algemene afwegingscriteria. Op basis hiervan wordt beoordeeld of een initiatief in grote lijnen wenselijk dan wel acceptabel is. Indien hierop bevestigend kan worden geantwoord vindt de verdere beoordeling plaats aan de hand van de van toepassing zijnde beleidsregel of richtlijn. Hieronder zijn per onderdeel van de kruimelgevallenregeling – mits van toepassing – beleidsregels en richtlijnen opgenomen. Er wordt alleen medewerking verleend indien voldaan wordt aan zowel de algemene afwegingscriteria als hetgeen is

opgenomen bij de betreffende categorie uit de kruimelgevallenregeling (zie tabel hieronder). Het is aan de initiatiefnemer om dit bij de aanvraag tot afwijking van het bestemmingsplan aan te tonen.

2.1 Algemene afwegingscriteria 1.

Er dient voldaan te worden aan de geldende milieuwetgeving, waaronder de: 

2.

Wet milieubeheer, in zoverre dat de activiteit na een beoogde functiewijziging (als bedoelt in artikel 4 lid 9 en 11 in bijlage II van het Bor) niet voorkomen in onderdeel C of D van de bijlage bij het besluit m.e.r.; Er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van:

Het woon- en leefklimaat, waaronder mede verstaan: o

Hinder;

o

Bezonning;

o

Privacy;

o

Gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden

Het straat en bebouwingsbeeld ofwel de specifieke stedenbouwkundige context – in het verlengde daarvan dient voldaan te worden aan redelijke eisen van welstand (w.o. ook materialisatie); In algemene zin geldt terughoudendheid wat betreft bouwen voor de voorgevel en boven de bestaande bouwhoogtes in de directe nabije omgeving; Er dient aansluiting gezocht te worden bij omliggende bebouwing bij gelijke bouwblokken.

Monumentale en/of cultuurhistorische waarden; Het advies van de daartoe aangewezen adviseurs is hierin leidend;

3.

Landschappelijke en/of natuurlijke waarden;

De beleving van groen- en waterstructuren;

De (verkeers)veiligheid;

Er wordt – voor zover van toepassing – tegemoetgekomen aan gemeentelijke ambities en beleidsuitgangspunten op het gebied van: o

Duurzaamheid;

o

Gezondheid;

o

Klimaatadaptatie;

4.

Er dient voldaan te worden aan de behoefte aan parkeergelegenheid conform het op dat moment geldende parkeerbeleid.1 Indien van toepassing dient daarnaast voldaan te worden aan voldoende gelegenheid voor laden en lossen;

5.

Er dient voldaan te worden aan overige, voor een concrete situatie van toepassing zijnde, beleidsuitgangspunten, die in vooroverleg met de gemeente kenbaar worden gemaakt. Hierbij kan gedacht worden aan een visie, masterplan of programma voor het betreffende gebied/ initiatief;

6.

Er dient aangetoond te worden dat er afdoende overleg met de omgeving heeft plaatsgevonden conform het participatiebeleid Krimpenerwaard 2021 of diens rechtsopvolger.

2.2 Beleidsregels en Richtlijnen Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht komen in aanmerking:

2.2.1 Bijbehorende bouwwerken (Bijlage II Bor, artikel 4, eerste lid)

Lid

Bepaling Bor

1.

Een bijbehorend bouwwerk of een

Aanvullende voorwaarden Bor

Gemeentelijke richtlijnen en voorwaarden Richtlijn is dat er geen grotere oppervlakten in het

uitbreiding daarvan, gelegen binnen de bebouwde kom.

achtererfgebied worden gebouwd, dan wat er vergunningsvrij mogelijk is. Voor een losstaand bijbehorend bouwwerk geldt als richtlijn dat deze aansluit bij de goot- en nokhoogte genoemd in het bestemmingsplan. Afwijken van deze hoogte kan overwogen worden indien: -

Ruimtelijk gezien passend Aansluiting bij dakhelling van het hoofdgebouw Akkoord welstand en/of stedenbouwkundig Voor een aangebouwd bijbehorend bouwwerk zijn de volgende richtlijnen van toepassing: 1. Maximaal 50 procent van de oppervlakte van het achtererfgebied; 2. Maximale diepte is 4 meter ten opzichte van het oorspronkelijke hoofdgebouw; 3. De goothoogte is gelijk of lager dan de bestaande goothoogte van het hoofdgebouw; 4. De bouwhoogte sluit aan bij de hoogte van het bestaande hoofdgebouw; 5. Bij verlenging van het hoofdgebouw moet de dakhelling gelijk zijn aan het bestaande hoofdgebouw. Wanneer het bestemmingsplan onbedoeld vergunningvrij bouwen in het achtererfgebied uitsluit, bijvoorbeeld als de bestemming niet overeenkomt met het al sinds jaar en dag aanwezige legale gebruik, dan kan gebruik worden gemaakt van de

buitenplanse afwijkingsbevoegdheid. In dat geval mogen de maximale maten die van toepassing zijn op vergunningvrij bouwen niet worden overschreden. In het voorerfgebied , voor zover geen andere legale bebouwing aanwezig, is de richtlijn dat bijbehorende bouwwerken niet toegestaan zijn. Toepassing van een buitenplanse afwijkingsbevoegdheid is toegestaan voor erkers tot een diepte van maximaal 1,50 meter, een breedte van maximaal 2/3 van de breedte van de oorspronkelijke voorgevel (tot een maximum breedte van 3,50 meter) en een hoogte van maximaal 0,30 meter boven de eerste verdiepingsvloer. De afstand van de erker tot het openbaar gebied moet minimaal 2,00 meter bedragen. In het voorerfgebied, indien reeds legale bebouwing aanwezig is op het betreffende perceel of in de directe nabijheid, waarbij sprake is van een vergelijkbare situatie volgt een beoordeling op basis van de algemene afwegingscriteria.

Zijerfgebied Voor een aangebouwd bijbehorend bouwwerk bij woningen en woongebouwen is toepassing van een buitenplanse afwijkingsbevoegdheid toegestaan als deze ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. De volgende richtlijnen zijn hierbij van toepassing:

a) De zijgevel van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk ligt minimaal 1 meter uit de zijdelingse perceelsgrens

wanneer deze grenst aan openbaar toegankelijk gebied. In het geval dat het perceel grenst aan een waterpartij of gang ligt de zijgevel 1,5 meter uit de rand van het water. b) De voorgevel van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk ligt minimaal 1 meter achter de voorgevelrooilijn van het oorspronkelijke hoofdgebouw. c) De voorgevelbreedte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is maximaal 60% van de breedte van de oorspronkelijke voorgevel van het hoofdgebouw en is in ieder geval niet breder dan 4 meter. d) De bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk met alleen een platte afdekking bedraagt maximaal 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw en is in ieder geval niet hoger dan de goothoogte van het hoofdgebouw. e) De goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk met een kap bedraagt maximaal 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw en is in ieder geval niet hoger dan de goothoogte van het hoofdgebouw.

) De bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk met een kap is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. a)De dakvorm en dakhelling van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk moeten gelijk zijn aan die van het hoofdgebouw. De richtlijn is dat een dakkapel is niet toegestaan. Bij toepassing van deze bevoegdheid wordt alleen gekeken naar de afwijking. De voorwaarden die op grond van het bestemmingsplan al geregeld worden en niet strijdig zijn, worden buiten beschouwing gelaten (bestemmingsplan is leidend).

2.

Een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, gelegen buiten de bebouwde kom, mits

a.Niet hoger dan 5 meter, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf; b.De oppervlakte niet meer dan 150 m2 per achtererfgebied.

2.2.2 Gebouw ten behoeve van infrastructurele voorziening (Bijlage II Bor, artikel 4, tweede lid)

2.

Een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2 lid 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat lid genoemde eisen,

a.Niet hoger dan 5 meter; b.Maximale oppervlakte van 50m2

Geen nadere voorwaarden.

mits voldaan wordt aan:

2.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, of een gedeelte daarvan (Bijlage II Bor, artikel 4, derde lid)

3.

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a.Niet hoger dan 10 meter;

Erf- of perceelafscheidingen

b.

Richtlijn hekwerken: medewerking wordt verleend aan een grotere hoogte dan 2 meter als dit uit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk is, en de welstandscommissie een positief advies uitbrengt.

Maximale oppervlakte van 50m2.

Richtlijn erfafscheidingen: grenzend aan het openbaar gebied, voor zover gelegen 1 meter achter de voorgevellijn, zijn toegestaan tot een hoogte van maximaal 2 meter als deze van het openbaar gebied wordt afgescheiden met een groenstrook met een breedte van ten minste 1,00 meter. Wanneer de erfafscheiding direct aan het openbaar gebied grenst, dan is een erfafscheiding tot 2 meter toegestaan als deze vanaf 1 meter hoogte een transparante uitstraling heeft (een transparant hekwerk met begroeiing). De welstandscommissie moet een positief welstandsadvies uitbrengen. Vlaggenmasten Richtlijn

a. Maximale hoogte 8 meter; b. 4 per woning/ bedrijfslocatie. Constructies/aluminium frames met reclameuitingen

Toegestaan op bedrijfsen kantoorbestemmingen, alsmede op gronden met maatschappelijke doeleinden (culturele, educatieve, sociale, medische, levensbeschouwelijke en/of maatschappelijke doeleinden) met als richtlijn:

a. Maximaal hoogte 4 meter; b. Maximale lengte 6 meter

2.2.4 Dakkapellen, dakopbouwen of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw (Bijlage II Bor, artikel 4, vierde lid)

4.

Dakkapellen, dakopbouwen of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw

Dakkapellen Als richtlijn dient gehanteerd te worden: Aan de plaatsing van een dakkapel wordt medewerking verleend mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. Bij meerdere dakkapellen op een dakvlak of op meerdere aaneengesloten dakvlakken zijn de dakkapellen regelmatig gerangschikt op horizontale lijn, dus niet boven elkaar; b. Bij een individueel hoofdgebouw is een dakkapel gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan geleding gevel; c. De onderzijde van een dakkapel is meer dan 0,5 meter en minder dan 1,0 meter boven de dakvoet;

d. De bovenzijde van een dakkapel is meer dan 0,8 meter onder de daknok, zowel aan de voor- als achterzijde; e. Op een mansardedak is een dakkapel alleen toegestaan in het onderste deel van het dakvlak, met de bovenkant gelijnd aan de knik in het dakvlak. Op het voordakvlak geldt in afwijking van het vorenstaande: a. Niet meer dan een dakkapel per hoofdgebouw; b. De zijkanten van een dakkapel zijn meer dan 1,00 meter uit het hart van de woningscheidende bouwmuur of vanaf de buitenzijde van de zijgevel. Bij twee-onder-eenkapwoningen is ook een gecentreerde dakkapel op het gezamenlijke dakvlak mogelijk; c. De hoogte van een dakkapel is maximaal 1,50 meter gemeten vanaf de voet van de dakkapel tot de bovenzijde van het boeiboord of de daktrim; de breedte van de dakkapellen samen is maximaal 2/3 van de breedte van het dakvlak gemeten tussen het hart van de woningscheidende bouwmuren of buitenzijde van de gevels met een maximum van 3,50 meter.

Op het zijdakvlak geldt in afwijking van het vorenstaande: a. De zijkanten van een dakkapel zijn meer dan 0,80 meter uit het hart van de scheidende bouwmuur of vanaf de buitenzijde van de gevel; b. De hoogte van een dakkapel is maximaal 1,75 meter gemeten vanaf de voet van de dakkapel tot de bovenzijde van het boeiboord of de daktrim; c. De breedte van de dakkapellen samen is maximaal 2/3 van de breedte van het dakvlak gemeten tussen het hart van de woningscheidende bouwmuren of de buitenzijde van de gevels. Op het achterdakvlak geldt in afwijking van het vorenstaande: a. De zijkanten van een dakkapel zijn meer dan 0,80 meter uit het hart van de scheidende bouwmuur of vanaf de buitenzijde van de gevel; b. De hoogte van een dakkapel is maximaal 1,75 meter gemeten vanaf de voet van de dakkapel tot de bovenzijde van het boeiboord of de daktrim; c. Bij een tussengebouw over de volledige breedte van het dakvlak mogelijk, mits de plaatsing en maatvoering

aansluiten op de al aanwezige dakkappelen. Dakopbouwen Aan een dakopbouw aan het hoofdgebouw kan medewerking worden verleend. Hierbij zijn de volgende richtlijnen van toepassing: 1. De hoofdvorm van de woning herkenbaar blijft; 2. Indien gelegen in het zij-erf, dient deze ondergeschikt te zijn en dezelfde dakhelling van de hoofdwoning te hebben; . 3. In het achtererf kan een dakopbouw alleen gerealiseerd worden op de vergunningsvrije aanbouw. dakopbouw Voor een hoofdgebouw geldt deop richtlijn dat medewerking verleend kan worden mits deze voldoet aan de welstandsnota.

2.2.5 Antenne-installaties (Bijlage II Bor, artikel 4, vijfde lid)

5.

Een antenneinstallatie, mits

Maximale hoogte 40 meter;

Wanneer er argumenten zijn om wél medewerking te verlenen, bijvoorbeeld om het optimale dekkingsniveau van de kernen te kunnen garanderen of om ‘blind-spots’ (alsnog) te voorzien van optimale mobiele dekking, dat wordt op basis van

maatwerk beoordeeld. Bij de belangenafweging worden bij de Beoordeling van de geschiktheid van de locatie alle relevante omgevingsfactoren betrokken. (Zie algemene afwegingscriteria) Richtlijn is dat solitaire masten met een antenneinstallatie niet worden toegestaan.

2.2.6 Installaties bij glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling (Bijlage II Bor, artikel 4, zesde lid)

6.

Een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998

Geen nadere voorwaarden.

2.2.7 Installaties bij agrarische bedrijven voor duurzame energie (Bijlage II Bor, artikel 4, zevende lid)

7.

Installaties bij agrarische bedrijven Waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven

In het kader van de Gebiedsovereenkomst Veenweiden worden innovaties bij agrarische bedrijven gestimuleerd Nadere voorwaarden: a) Positief advies van de agrarische beoordelingscommissie; b) Positief advies van de Omgevingsdienst Midden-Holland; Richtlijn:

bewerkingsprocedé Maximale bouwhoogte 15 dat ziet op het meter. vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen.

2.2.8 Gebruik van gronden voor niet-ingrijpende herinrichting openbaar gebied (Bijlage II Bor, artikel 4, achtste lid)

8.

Het gebruiken van gronden voor een niet ingrijpende herinrichting van het openbaar gebied.

Geen nadere voorwaarden.

2.2.9 Gebruik van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten (Bijlage II Bor, artikel 4, negende lid)

9.

Het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen.

-

Niet worden toegestaan: -

-

-

Wijziging van het gebruik ten behoeve van een prostitutiebedrijf, seksinrichting, escortbedrijf en/of sekswinkel; Vestiging van nieuwe horecagelegenheden buiten de kernwinkelgebieden; Vestiging van nieuwe detailhandelsvestigingen buiten de kernwinkelgebieden.

Aanvullende aandachtspunten op de algemene afwegingscriteria: Mer-beoordelingsplicht; kolom 1 Besluit mer; Wet geluidhinder, artikel 76a en 110c (o.a. Besluit hogere waarden); Ladder voor duurzame verstedelijking;

Provinciaal beleid;

2.2.10 Gebruik recreatiewoning voor bewoning (Bijlage II Bor, artikel 4, tiende lid)

10.

Het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning,

a. De recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen; b. De bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet Milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden; c. De bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en d. De bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was;

Richtlijn is dat aan het permanent bewonen van recreatiewoningen geen medewerking wordt verleend.

2.2.11 Tijdelijk ander gebruik van gronden of bouwwerken (Bijlage II Bor, artikel 4, elfde lid)

11.

3. Kostenverhaal

Ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10 van Bijlage II, artikel 4 Bor, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

Met de initiatiefnemer dient een overeenkomst gesloten te worden waarin duidelijke afspraken worden gemaakt over het tijdstip van beëindiging van de tijdelijke afwijking.

3.1 Planschade Indien voor de uitvoering van een (bouw)plan een afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk is, kan de gemeente een planschadeovereenkomst eisen. Per geval zal worden bekeken of een planschadeovereenkomst gesloten dient te worden tussen initiatiefnemer en de gemeente. Dit naar oordeel van de vergunningverlener. Alleen indien evident is dat geen sprake is van planschade kan worden afgezien van de planschadeovereenkomst. De eventuele planschadekosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. Indien de initiatiefnemer niet tijdig besluit tot aangaan van de planschadeovereenkomst is het plan economisch niet uitvoerbaar. Dit is een reden om de aanvraag voor een omgevingsvergunning te weigeren.

3.2 Anterieure overeenkomst Indien voor de uitvoering van een (bouw)plan een afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk is, dient op basis van de Wet ruimtelijke ordening in voorkomende gevallen een anterieure overeenkomst gesloten te worden, Indien de financiële uitvoerbaarheid niet zeker gesteld kan worden, is de haalbaarheid van het plan onzeker. Dit is een reden om een aanvraag voor een omgevingsvergunning te weigeren.

Hoofdstuk 4 Kleine windmolens Leeswijzer voor aanvragers: Als u direct de planologische uitgangspunten en voorwaarden wilt raadplegen, kunt u door naar onderdeel 5. Vergeet niet dat de overige hoofdstukken maar met name hoofdstuk 6 ook zeer interessant voor u kunnen zijn en dat deze informatie kan bijdrage aan een volledige omgevingsvergunningaanvraag die vlot kan worden afgehandeld.

1. Aanleiding en achtergrond De afgelopen periode ziet de gemeente het aantal vragen over de plaatsing van kleine windmolens zowel bij agrariërs, bedrijven als particulieren toenemen. De gemeente Krimpenerwaard staat in principe positief tegenover de realisatie van kleinschalige duurzame energieopwekking. Ter voorkoming van ad-hoc beslissingen op dit vraagstuk is het wenselijk te beschikken over een integraal afwegingskader voordat een besluit kan worden genomen. Hiermee voorkomen we wildgroei en bieden we een mogelijkheid om de inpassing van windmolens in ons landschap te borgen. Om de druk op het landschap en de leefomgeving te beperken zet de gemeente eerst in op zonnepanelen op het dak. Dit sluit aan bij de in juli 2021 door de gemeenteraad vastgestelde Omgevingsvisie en de interne richtlijnen zoals het college heeft vastgesteld in april 2022. Er zijn echter tal van redenen op te noemen die ertoe leiden dat zonnepanelen op het dak niet toereikend zijn of überhaupt tot de mogelijkheden behoren. Dit beleid ziet op die gevallen waarin de energiebehoefte niet of niet alleen ingevuld kan worden door ‘zon op dak’ en geeft de beleidsuitgangspunten weer waarbinnen de gemeente ruimtelijk gezien medewerking wil en kan verlenen aan de realisatie van een kleine windmolen. In 2015 is het Klimaatakkoord van Parijs ondertekend door een groot aantal landen, waaronder Nederland.

In Nederland is het Klimaatakkoord van Parijs uitgewerkt in het landelijke Klimaatakkoord en in de Klimaatwet. Het belangrijkste doel van het landelijke Klimaatakkoord is de CO2-uitstoot in 2030 met 49% verminderen vergeleken met 1990. In 2050 moet de uitstoot van broeikasgassen met 95% afgenomen zijn. Dit is nodig om de opwarming van de aarde niet verder te laten oplopen dan 1,5 ℃. Ook de gemeente Krimpenerwaard levert hier een bijdrage aan. Om onze klimaatdoelstellingen te behalen hebben we een goede mix van energiebronnen nodig. Ook de meer kleinschalige energieproductie draagt bij aan onze duurzaamheidsdoelstellingen en een bewuster energiegebruik bij initiatiefnemers. De omgevingsvisie Zuid-Holland biedt ruimte om voor zover het past bij de lokale situatie – ter beoordeling van de gemeente - turbines met een ashoogte tot 45 meter binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied mogelijk te maken. De provincie kan wel een zienswijze indienen indien te weinig rekening is gehouden met het omringende landschap en de cultuurhistorische, ecologische en recreatieve kwaliteiten. Vanuit de Regionale Energiestrategie (RES) is eerder een voortraject gestart, waarin is gekeken naar de mogelijkheden voor zon op grote daken en zonnevelden binnen de Krimpenerwaard. De realisatie van kleine windmolens is een separate opgave.

In de Omgevingsvisie Krimpenerwaard is het volgende speerpunt opgenomen voor het duurzaam energie opwekken: We streven naar het duurzaam opwekken van de eigen energiebehoefte binnen de gemeentegrenzen. Een goede ruimtelijke inpassing en het mee-profiteren van de lokale samenleving zijn daarbij uitgangspunten. Dit wordt nader geconcretiseerd met: ‘ Lokaal energie opwekken waarbij we streven naar zoveel mogelijk maatschappelijk draagvlak en voordelen voor de samenleving van de Krimpenerwaard. Bijvoorbeeld door lokale energiecoöperaties; Ontwikkelingen en initiatieven die bijdragen aan lokale energieopwekking en/of aan energiebesparing faciliteren. Zowel bij particulieren, bedrijven als maatschappelijke organisaties: 

zoveel mogelijk dakoppervlak benutten voor zonnepanelen;

kleinschalig energie opwekken op eigen erf. Denk hierbij aan kleine windmolens en een zonneveldje op het erf;’

Dit beleid betreft, zoals eerder genoemd, hiervan een verdere uitwerking.

2. Doel Met dit beleid heeft de gemeente een samenhangend afwegingskader voorhanden wat toegepast wordt bij indienen van een aanvraag voor plaatsing van een kleine windmolen. Het biedt initiatiefnemers en omwonenden duidelijkheid over de voorwaarden waarbinnen de gemeente kleine windmolens aanvaardbaar en wenselijk vindt. De procedure voor een omgevingsvergunning kan met behulp van dit beleid makkelijker doorlopen worden. Zeker wanneer een initiatiefnemer vooroverleg voert met de gemeente. Enkele oudere Wro bestemmingsplannen in de voormalige gemeente Nederlek en Ouderkerk staan kleine windmolens toe. Alle overige bestemmingsplannen regelen niets over windmolens. Alle bestemmingsplannen van voor 1 januari 2024 zijn onderdeel van het tijdelijk Omgevingsplan geworden. Initiatieven worden hier nog steeds aan getoetst, totdat er een regeling in het definitieve Omgevingsplan wordt opgenomen. In dit BOPAbeleid legt het college vast in welke gevallen zij wil afwijken van het (tijdelijke) Omgevingsplan. De basis van dit beleid ligt in het besluit van de gemeenteraad van 31 januari 2023 waarin de raad een beleidsnotitie kleine windmolens heeft vastgesteld. Voor verwerking in dit BOPA-beleid is alleen – voor zover op het moment van schrijven duidelijk is - de juridische grondslag gewijzigd.

Doel is om in ieder geval zo dicht mogelijk te blijven bij de op 31 januari 2023 vastgestelde beleidsnotitie kleine windmolens. Het beleidskader geeft duidelijkheid over: -

waar plaatsing van kleine windmolens is toegestaan;

-

welke eisen gesteld worden aan de windmolen(s) en de locatie(s);

-

wat een initiatiefnemer moet (laten) onderzoeken voordat hij zijn aanvraag kan doen.

3. Definities en afbakening Kleine windmolen Dit beleid gaat over de zogenoemde kleine windmolens, soms ook wel kleine windturbines genaamd. Deze worden gebruikt voor kleinschalige opwekking van elektriciteit achter de meter. Achter de meter betekent dat de opgewekte elektriciteit ter plekke wordt verbruikt, het eventuele (minimale) overschot wordt geleverd aan het openbare net. Er worden verschillende termen gebruikt om windmolens en onderdelen van windmolens mee aan te duiden. Hieronder worden deze termen uiteengezet en wordt ingegaan op de twee hoofdtypen windmolens; molens met een horizontale as (HAT) en verticale as (VAT), soms ook windwokkels genaamd. Dit betreft zowel de grondgebonden als de dakgebonden varianten. Windmolens zijn globaal opgebouwd uit vier onderdelen: fundering, mast, gondel en wieken. De as-hoogte is de hoogte van de mast tot het middelpunt van de bladen. Dit wordt ook wel as-hoogte genoemd. De wiek wordt vaak als apart onderdeel van de molen aangeduid. De rotordiameter is de doorsnede van de volledige cirkel die de ronddraaiende wieken maken. In dit beleid gaan wij uit van de as-hoogte met een maximale hoogte van 15 meter. Dit omdat het provinciale beleid ook dit uitgangspunt hanteert. Horizontale as (HAT-types)

Verticale as (VAT-types) Verticale as molens Bij verticale as molens (VAT types) staat de as loodrecht op de richting van de wind en de wieken of schoepen evenwijdig aan de as. VAT typen draaien niet met de windrichting mee en vangen de wind die loodrecht op de wieken komt. Deze worden ook wel windwokkels genoemd. We kennen de volgende types:

Dakgebonden Voor een kleine dakgebonden windmolen is de hoogte maximaal 3m vanaf bovenkant bouwwerk gemeten. Dit betreft bij alle types en in alle gevallen de afmeting gemeten vanaf de montagebasis (dakoppervlak) tot de bovenkant van de gondel (soms ook rotor genoemd). Buiten bestaand stads- en dorpsgebied Het beleid van de provincie Zuid-Holland bepaalt dat ‘een omgevingsplan voor een gebied buiten het bestaand stads- en dorpsgebied kleinschalige windturbines met een as-hoogte tot 15 meter kan toelaten. We staan daarom alleen windmolens (zowel grondgebonden als dakgebonden) toe bij (agrarische) bedrijven en woningen buiten het bestaand stads- en dorpsgebied zoals bedoelt door de provincie. Uitgezonderd plaatsing van windmolen(s) bij een bedrijventerrein, maatschappelijke of sportbestemming binnen en buiten de bebouwde. Deze initiatieven zijn onder voorwaarden bespreekbaar. De begrenzing van het ‘bestaand stads- en dorpsgebied' is opgenomen op een kaart: (https://staatvan.zuid-holland.nl/portfolio_page/bestaand-stads-en-dorpsgebied

).

-

Mocht deze begrenzing leiden tot onduidelijkheid dat kunnen als leidraad de volgende oude WRO bestemmingsplan meegenomen worden in de beoordeling: 

Buitengebied 2011 Bergambacht + Buitengebied deelgebied Achterbroek: Ammerstol, Bergambacht en Berkenwoude

Landelijk gebied (voormalige gemeente Vlist): Haastrecht, Stolwijk en Vlist

Buitengebied: Schoonhoven

Buitengebied Ouderkerk aan den IJssel 2013 + IJsseldijk-Noord 2005: Ouderkerk aan den Ijssel

Bestemmingsplan IJsseldijk-West

Kattendijk + Middelblok: Gouderak

Landelijk Gebied (voormalige gemeente Nederlek): Lekkerkerk en Krimpen aan de Lek

Natuurgebieden Veenweiden Krimpenerwaard (en de diverse deelgebieden) En alle postzegelplannen in het buiten gebied.

4. Bestaande wet- en regelgeving Dit beleid bevat geen allesomvattende beschrijving van alle bestaande wet- en regelgeving en andere randvoorwaarden. Bovendien worden normen en richtlijnen regelmatig vernieuwd. Toch worden hier wel enige kaders benoemd, omdat deze impact hebben op de omgeving en inwoners. Het is de volledige verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om te zorgen voor een haalbaar en uitvoerbaar plan met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving en de hieronder genoemde richtlijnen en normen en passend binnen de in dit beleid genoemde voorwaarden. Enkele aandachtspunten uit wet- en regelgeving zijn: -

Externe veiligheid (voldoende afstand tot objecten en infrastructuur, denk aan hoogspanningsleidingen en gasleidingen);

-

NEN-EN-IEC 61400-2 (richtlijn technisch ontwerp voor windturbines met een rotordiameter van maximaal 16 meter);

-

Besluit bouwwerken leefomgeving (landelijke regels voor bouwwerken);

-

Normen voor geluid en slagschaduw(Besluit kwaliteit leefomgeving en Bruidsschat Omgevingswet);

-

Natuurbescherming (Flora en Fauna);

-

Besluit activiteit leefomgeving;

Milieubelastende activiteit In paragraaf 4.30 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een windturbine aangewezen als een milieubelastende activiteit. Voor een klein windturbine geldt dat deze ten minste vier weken voor ingebruikname gemeld moet worden. In artikel 4.427 van het Bal staat welke gegevens met deze melding aangeleverd moeten worden. Externe Veiligheid Windturbines zijn risicovolle objecten en kunnen effect hebben op de veiligheid van (zeer) kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties in de omgeving (dus gebouwen van derden). Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beschermt deze gebouwen en locaties via instructieregels: 

Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties, zoals woningen, geldt een grenswaarde voor plaatsgebonden risico van 10-6.

Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt een standaardwaarde voor plaatsgebonden risico van 10-5.

Er gelden geen vaste afstanden (risicocontour) tot (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties bij windturbines. De afstand moet berekend worden, dit blijkt uit bijlage VII van het Bkl.

Er gelden bij windturbines geen aandachtsgebieden.

(Zeer) kwetsbare gebouwen en locaties mogen niet binnen de risicocontouren van het plaatsgebonden risico liggen. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt in principe hetzelfde, maar bevoegd gezag kan hier gemotiveerd van afwijken. Daarnaast gelden er beleidsregels om afstand te houden tot wegen, spoorwegen, vaarwegen en waterstaatswerken. In artikel 4.430 van het Bal staat dat het ontwerp van een kleine windturbine moet voldoen aan de NEN-EN-IEC 61400-2.

5. Uitwerking beleid 5.1 Algemene voorwaarden: a.

Het verdient de voorkeur om in de eigen energiebehoefte te voorzien door middel van zonnepanelen op het dak. De mogelijkheden hiertoe moeten zijn verkend. Indien het voorzien in de eigen energiebehoefte door middel van zonnepanelen, niet mogelijk dan wel niet toereikend is, is het in beginsel toegestaan een windmolen te plaatsen;

b.

De windmolen is primair bedoeld om te voorzien in de eigen energiebehoefte;

c.

Een combinatie van zonnepanelen op dak en windmolen(s) om de optimale opwek te genereren is in beginsel toegestaan;

d.

De windmolens mogen een maximale as-hoogte van 15 meter hebben, dan wel maximaal 3 meter hoog bij een dakgebonden windmolen; 2

e.

Windmolen(s) voldoen aan het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij een rotordiameter van meer dan 2 meter is een melding Besluit kwaliteit leefomgeving verplicht en moet een akoestisch onderzoek en slagschaduwonderzoek aangeleverd worden;

f.

De windmolen(s) moeten zorgvuldig worden ingepast binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten van het gebied. Indien het initiatief bestaat uit meer dan één windmolen dan dient een landschappelijk inpassingsplan te worden aangeleverd dat vooraf met de gemeente besproken wordt. Uitgangspunt is dat bij plaatsing van meerdere windmolens deze achter elkaar worden geplaatst in lijn met de hoofdrichting van de huidige bebouwing en het landschap of naast elkaar in lijn met de weg;

g.

De kleurstelling van de windmolen is ingetogen en afgestemd op het landschap. In zijn algemeenheid stellen we dat de windmolen geen onnatuurlijke kleur, maar een in de omgeving passende kleur moet hebben. Een (sobere) kleurstelling die erop gericht is om botsingen met vogels te vermijden geniet onze voorkeur. Er wordt geen gebruik gemaakt van reflecterende materialen. Bij plaatsing van een extra windmolen op een later tijdstip moet de inpasbaarheid in de omgeving opnieuw beoordeeld worden.

h.

De afstand van een windmolen tot: 1. 2.

gasinfrastructuur bedraagt niet minder dan 25 meter; hoogspanningsinfrastructuur bedraagt niet minder dan de maximale werpafstand bij twee keer het nominaal toerental van de windmolen;

i.

3

3.

de gevel van de woningen van derden of een andere bestemming waar mensen permanent verblijven, niet zijnde een bedrijfswoning bedraagt niet minder dan vier maal de ashoogte van de windmolen;

4.

openbaar gebied is zodanig dat de wieken of de constructie van de windmolen niet overhangt boven openbaar gebied.

Er is sprake geweest van participatie: door initiatiefnemer is met direct belanghebbenden overleg gevoerd over de plannen. Een verslag van de participatie moet bij de aanvraag gevoegd worden en de resultaten daarvan aan de gemeente ter beschikking gesteld worden;

j.

Er wordt met initiatiefnemer een planschade/nadeelcompensatieverhaalsovereenkomst afgesloten;

k.

Windmolens bij andere bestemmingen of locaties, behoudens die opgenomen onder 5.2, 5.3 en 5.4 zijn uitgesloten, met dien verstande dat plaatsing van windmolen(s) bij een maatschappelijke of sportbestemming binnen en buiten de bebouwde kom bespreekbaar is onder dezelfde voorwaarden als 4

genoemd onder de in dit artikel genoemde voorwaarden en artikel 5.3; l.

De plaatsing van een windmolen (zowel grondgebonden als dakgebonden) blijft altijd maatwerk. De gemeente Krimpenerwaard kan daarom in voorkomende situaties nadere eisen stellen aan de plaats, omvang, het gebruik en de landschappelijke inpassing van windmolens of besluiten de aanvraag te weigeren, ten behoeve van: o

de bezonningssituatie;

o

lichttoetreding in nabijgelegen bebouwing;

o

zichtlijnen of visuele hinder;

o

het voorkomen van slagschaduw;

o

risico's voor gevoelige of kwetsbare objecten en gebieden zoals weidevogelgebieden, kroonjuweel, beschermde bomen, beschermde stads- en dorpsgezichten, molenbiotoop etc;

o

de mogelijkheid tot voortzetting dan wel uitbreiding van een bestaand bedrijf;

o

een zorgvuldige landschappelijke inpassing.

5.2 Plaatsing bij (agrarische) bedrijven buiten bestaand stads- en dorpsgebied Voor het plaatsen van een windmolen bij (agrarische) bedrijven gelden ten opzichte van 5.1 de volgende aanvullende voorwaarden: a.

Plaatsing is alleen mogelijk bij (agrarische) bedrijven buiten bestaand stads- en dorpsgebied;

b.

In beginsel maximaal 1 windmolen per (agrarisch) bedrijf. Onder voorwaarden kan het plaatsen van maximaal 2 windmolens bespreekbaar zijn;

c.

Indien in een lintbebouwing al windmolen(s) zijn geplaatst, geldt dat de hiervoor gekozen locatie in een erfensemble mogelijk trendsettend is voor volgende aanvragen in het lint;

d.

Uitgangspunt is plaatsing van de windmolen binnen het bouwvlak. Pas indien aantoonbaar is dat dit niet tot de mogelijkheid behoort (ook bij het ontbreken van een bouwvlak) en er geen zwaarwegende bezwaren zijn, kan overwogen worden de windmolen buiten het bouwvlak te plaatsen mits direct grenzend aan het bouwvlak en dit niet leidt tot aantasting van de landschappelijke waarden. Indien niet binnen het bouwvlak geplaatst, moet de windmolen binnen het bestemmingsvlak geplaatst worden met een afstand tot het ruimtelijk ensemble van maximaal de tiphoogte.

5.3 Plaatsing bij bedrijventerreinen Voor het plaatsen van een windmolen bij of op een bedrijventerrein gelden ten opzichte van 5.1 de volgende aanvullende voorwaarden: a.

Plaatsing is alleen mogelijk op/bij het bedrijventerrein;

b.

In beginsel geldt een maximum van 1 windmolen per bedrijf. Onder voorwaarden kan het plaatsen van maximaal 2 windmolens bespreekbaar zijn. Hier zitten strengere voorwaarden aan voor wat betreft de landschappelijke inpassing;

c.

Op een bedrijventerrein geniet het de voorkeur dat meerdere bedrijven samen het initiatief nemen. In dat geval wordt het maximum aantal windmolens in overleg met de gemeente bepaald aan de hand van alle geldende voorwaarden en de inpasbaarheid. Een inpassingsplan is in dat geval een vereiste (zie ook de toelichting);

d.

Uitgangspunt is plaatsing van de windmolen op of direct grenzend aan het eigen bouwvlak. Een locatie aan de rand van het bestemmingsvlak bedrijventerrein is bespreekbaar.

5.4 Plaatsing bij woningen buiten bestaand stads- en dorpsgebied

Voor het plaatsen van een windmolen bij een woning (niet zijnde een agrarische of bedrijfswoning) gelden ten opzichte van 5.1 de volgende aanvullende voorwaarden: a.

Plaatsing is alleen mogelijk bij woningen buiten bestaand stads- en dorpsgebied

b.

Er geldt een maximum van 1 windmolen per woning;

c.

Een VAT windmolen tot 5 meter hoogte (totale hoogte) valt onder een bouwwerk geen gebouw zijnde;

d.

Uitgangspunt is plaatsing binnen het bouwvlak. Indien dit aantoonbaar niet tot de mogelijkheden behoort (ook bij het ontbreken van een bouwvlak) en er geen zwaarwegende bezwaren zijn, kan plaatsing op eigen terrein binnen het bestemmingsvlak wonen bespreekbaar zijn. Indien niet binnen het bouwvlak geplaatst, moet de windmolen binnen het bestemmingsvlak geplaatst worden met een afstand tot het ruimtelijk ensemble van maximaal de tiphoogte.

e.

Een gezamenlijk initiatief geniet de voorkeur;

f.

Bij een gezamenlijk initiatief dient een landschappelijk inpassingsplan bij de aanvraag gevoegd te zijn.

6. Toelichting Zon en wind De gemeente zet eerst in op zonnepanelen op dak, om de druk op het landschap en de leefomgeving te beperken. Over het algemeen blijkt dat voor bedrijfsmatige percelen zon en wind beide nodig zijn om een gelijkmatige stroomproductie te leveren verdeeld over dag-nacht en zomer-winter, zodat optimaal in eigen stroom kan worden voorzien. Als sprake is van een aanvullende energiebehoefte voor eigen verbruik dient eerst te worden gekeken of hierin kan worden voorzien met zonne‐energie. Alleen Wanneer het plaatsen van gebouwgebonden zonnepanelen niet mogelijk of wenselijk is (bijvoorbeeld doordat er een rieten dak is of aanpassing van de dakconstructie te veel kosten met zich meebrengt), dan wel onvoldoende toereikend is om te kunnen voorzien in de aanvullende energiebehoefte voor eigen gebruik, kan onder voorwaarden medewerking worden verleend aan het plaatsen van één extra een windmolen. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij agrarische bedrijven die ook in de nachtperiode vaak een groot energieverbruik hebben waarin dan niet kan worden voorzien met zonnepanelen alleen. Voor de realisatie van twee windmolens dient een inpassingsplan met de gemeente besproken te worden, alvorens een aanvraag wordt gedaan. De nadruk bij de beoordeling ligt op de noodzaak van een tweede windmolen en de landschappelijke inpassing.

Geluid en slagschaduw windmolens Voor het geluid geldt de normstelling uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Hierin staat opgenomen: een geluidsbelasting op een gevoelig gebouw van hoogstens 47 Lden en 41 dB Lnight. Hierbij hoeft geen rekening te worden gehouden met de woning die op het perceel staat waar de windmolen op staat. Windmolens met een rotordiameter van meer dan 2 meter vallen onder het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit betekent dat een melding Besluit kwaliteit leefomgeving verplicht is en akoestisch en slagschaduwonderzoek moet worden aangeleverd waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de geldende normen. Indien sprake is van een rotorblad van minder dan 2 meter moet ook aan de geluidsnormen van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De wetgever heeft alleen besloten dat de milieu impact van deze kleine windmolens zo gering is dat ze niet hoeven te worden gemeld. En dat het daarmee ook niet nodig is om een geluidsrapport op te laten stellen. De toegelaten geluidsbelastingen zijn in een rustige omgeving in de open lucht duidelijk merkbaar. Wij zijn ons ervan bewust dat de wetgever de mogelijkheid biedt om middels een maatwerkvoorschrift voor geluid een strengere eis te stellen voor de geluidsbelasting. Omdat wij het belang van windmolens inzien zullen wij terughoudend zijn in het stellen van strengere eisen.

We hebben wel een afstandsnorm tot aangrenzende woningen opgenomen, zodat zij enige vorm van bescherming genieten. Landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten De windmolen moet ingepast worden in de bestaande omgeving en passen bij de landschappelijke structuur. De inpassing bestaat uit de keuze voor de meest passende plek en grootte. Er dient rekening gehouden te worden met zichtlijnen in het landschap vanuit huizen, wegen, paden en monumentale gebouwen. De windmolen dient een onderdeel te vormen van het ruimtelijk ensemble van het erf. Bebouwing op het erf en windmolen vormen een ruimtelijke eenheid. Er moet voldoende aandacht besteed worden aan de inrichting en beplanting van het erf. De Erfgoedverordening en Erfgoednota en de Lijst rijks- en gemeentelijke monumenten moeten in acht worden genomen.

Een windmolen dient daarom bij voorkeur geplaatst te worden binnen het (agrarische) bouwvlak. We kijken hierbij naar de plaatsing van de mast. De wieken kunnen dus overhangen bij een bepaalde windrichting. Op deze manier vormt de kleine windmolen een ruimtelijke eenheid met de bebouwing en kan deze niet verstrooid over het hele landschap geplaatst worden. De kleine windmolen dient bij voorkeur aan de achterzijde van het erf (achtererf) te worden geplaatst (ten opzichte van de openbare weg en erf entree) maar altijd achter het hoofdgebouw. Pas indien aantoonbaar is dat realisatie binnen het bouwvlak niet mogelijk is (ook wanneer geen bouwvlak aanwezig is) is een locatie, verder onder dezelfde inpassingsvoorwaarden, bespreekbaar binnen het bestemmingsvlak met een afstand tot het ruimtelijk ensemble van maximaal de tiphoogte. Bij gebieden met een hoge landschappelijke en cultuurhistorische waarde (vanwege de verkavelingsstructuur, monumentale lintbebouwing) kan de aanwezigheid van kleine windmolens mogelijk leiden tot een onevenredige aantasting van de bestaande landschappelijke-, cultuurhistorische- en natuurwaarden. Voor kleine windmolens in dit soort landschappen geldt dat extra aandacht voor de ruimtelijke inpassing nodig is.

Beschermingsgebieden: In de Provinciale Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn speciale beschermingsgebieden binnen Krimpenerwaard aangewezen die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), kroonjuweel cultureel erfgoed en belangrijk weidevogelgebied. Natuurnetwerk Nederland en kroonjuweel cultureel erfgoed vallen op grond van het provinciale omgevingsbeleid binnen beschermingscategorie 1. Belangrijke weidevogelgebied valt onder beschermingsgebied categorie 2. Bij ontwikkelingen zoals het plaatsen van kleine windmolens (zowel grondgebonden als dakgebonden ) dient de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden behouden te blijven. Cultuurhistorisch erfgoed: De gemeente Krimpenerwaard kent verschillende soorten cultuurhistorisch erfgoed die wettelijke bescherming genieten. Kleine windmolens kunnen het zicht op Rijks- of gemeentelijke monumenten verstoren of ontsieren. Voor kleine windmolens (zowel grondgebonden als dakgebonden ) op minder dan 100 meter afstand van een Rijks- of gemeentelijk monument is extra aandacht voor ruimtelijke inpassing een vereiste. In beschermd stads- of dorpsgezicht (in het buitengebied) geldt dat een positief advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit benodigd is.

Inpassingsplan Om de inpasbaarheid te beoordelen en voor een snelle behandeling van de omgevingsvergunningaanvraag raden wij aan in alle gevallen de aanvraag te voorzien van een landschappelijk inpassingsplan waarin overzichtelijk de volgende informatie is opgenomen: welke locatie, bouwvlak en bestemmingsvlak, bestaande bebouwing, verschillende mogelijkheden voor plaatsing, zichtlijnen, aanwezigheid monumenten, zicht vanaf tiendwegen, afstand tot woningen van derden, slootpatronen en groen structuren op het erf en in de directe omgeving, ondersteund met situatiefoto’s. Bij een gezamenlijk initiatief op een bedrijventerrein of meerdere woningen is een inpassingsplan noodzakelijk. Windmolens bij bedrijventerreinen Ook op bedrijventerreinen zijn kleine grondgebonden windmolens kansrijk, omdat ze hier minder storend zijn in het straatbeeld en er doorgaans minder woningen aanwezig zijn die hinder van de molens kunnen ondervinden. Wel is maatwerk geboden voor de plaatsing van een kleine grondgebonden windmolen en een goede ruimtelijke inpassing is belangrijk. Zo is bijvoorbeeld een kleine windmolen op een bedrijventerrein aan de kant van een woonwijk minder wenselijk.

Een gezamenlijk initiatief van bedrijven op een bedrijventerrein voor de plaatsing van een kleinschalige windmolen heeft de voorkeur, waarbij de opstelling van de windmolen(s) de ruimtelijke structuur van het bedrijventerrein versterkt of bijvoorbeeld de begrenzing van het bedrijventerrein markeert. Dit kan bijvoorbeeld georganiseerd worden door samen met andere ondernemers een Bedrijven Investeringszone op te richten. Plaatsing is altijd op of in de directe nabijheid (bijvoorbeeld groenstrook langs het bedrijventerrein). Windmolens bij woningen in het landelijk gebied Wij zien zeker mogelijkheden voor windmolens bij woningen in het landelijk gebied. Gezien de hoge kosten die hiermee gemoeid zijn, zal in veel gevallen sprake moeten zijn van een gezamenlijk initiatief om dit rendabel te

krijgen. Dit geniet dan ook de nadrukkelijke voorkeur. Als gemeente staan wij open het gesprek met initiatiefnemers hierover aan te gaan en samen naar de best passende mogelijkheden te zoeken. Vooroverleg is noodzakelijk om in gezamenlijkheid tot een inpasbaar plan te komen. Draagvlak en participatie Initiatiefnemer heeft een inspanningsverplichting voor het creëren van draagvlak; dit dient aantoonbaar (en verifieerbaar) gemaakt te worden. De initiatiefnemer kan dit aantonen met (aan te leveren) verslagen van bijeenkomsten met direct belanghebbenden, door inzicht te geven in hoe het plan is verrijkt met hun inbreng en wensen en/of door middel van handtekeningen van direct belanghebbenden onder een verklaring van geen bezwaar. Draagvlak moet gezocht worden, maar het betreft nadrukkelijk geen resultaatverplichting. Als er geen of onvoldoende draagvlak is, maar het initiatief voldoet wel aan alle randvoorwaarden, dan kan er alsnog medewerking worden verleend. Overzicht aan te leveren aanvullende stukken bij de aanvraag omgevingsvergunning. Indien de stukken compleet aangeleverd worden kan de aanvraag sneller in behandeling genomen worden: -

Toelichting waaruit blijkt dat de windmolen noodzakelijk is om te voorzien in de eigen energie behoefte. (verbruik voorgaande jaren 5, opbrengst zonnepanelen, verwachte energie opbrengst windmolen);

-

Indien van toepassing: toelichting waarom zonnepanelen niet aangebracht kunnen worden;

-

Indien van toepassing: (landschappelijk) inpassingsplan (wij raden aan dit bij iedere aanvraag te voegen, zie toelichting hierboven);

-

Indien van toepassing: akoestisch onderzoek en slagschaduwonderzoek;

-

Indien van toepassing: natuurtoets;

-

Indien van toepassing: stikstofberekening;

-

Participatieverslag (toelichting of en hoe sprake is geweest van participatie);

-

Nader te bepalen onderzoeken of certificeringen

-

Onderbouwing externe veiligheid

Wij raden initiatiefnemers uitdrukkelijk aan om vooraf met de gemeente in overleg te treden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=7561ad1f-0c39-4bf3-94b6-92e59a3ee518