Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 3 Quickscan flora en fauna.pdf
Tekst van het document
QUICKSCAN Wet Natuurbescherming Schoonouwenseweg 26 Stolwijk
R.J.S. Terlouw
IN OPDRACHT VAN
QUICKSCAN Wet Natuurbescherming Schoonouwenseweg 26 Stolwijk
R.J.S. Terlouw
COLOFON:
© Bui-TeGewoon, groenprojecten ◊ publicatie 2018/22 versie 2 met update april 2020 Ouderkerk aan den IJssel, april 2018 / 09 april 2020 Status : Definitief Auteur : R.J.S. Terlouw In opdracht van : Verstoep BV-Schoonhoven Disclaimer: De inhoud van dit rapport is met uiterste zorg samengesteld. De informatie in dit document wordt aangeboden zonder enige garantie. BUI-TEGEWOON, groenprojecten sluit alle aansprakelijkheid uit voor enigerlei directe of indirecte schade, van welke aard dan ook, die voortvloeit uit of verband houdt met het gebruik van dit document. Niets uit dit rapport mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt door middel van drukwerk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder schriftelijke toestemming van BUI-TEGEWOON, groenprojecten en de opdrachtgever, noch zonder toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.
INHOUDSOPGAVE
1]
Inleiding en doel
3.
2]
Locatie plangebied
4.
3]
Doel en centrale vraagstelling
4.
4]
Criteria 4.1. Algemene criteria 4.2. Reikwijdte
5. 5. 5.
5]
Werkwijze
6.
6]
Voorgenomen ontwikkeling
7.
7]
Bureaustudie & veldonderzoek 7.1. Beschermde natuurwaarden 7.2. Beknopte levering NDFF 7.3. Raadpleging overige bronnen 7.4. Locatie bezoek
8. 8. 9. 10. 10.
8]
Beoordeling soortgroepen, beschermde soorten en –situaties 8.1. Algemeen 8.2. Habitat 8.3. Soorten en omstandigheden
13 13. 14. 14.
9]
Conclusies
16.
BIJLAGEN. 1. 2.
Verantwoording ecologische deskundigheid – Bui-TeGewoon | groenprojecten Beknopte levering NDFF
1
2
1]. Inleiding en doel De locatie Schoonouwenseweg 26 te Stolwijk betreft een voormalig agrarisch bedrijf wat al een groot aantal jaren niet meer actief in gebruik is. De voormalige boerderij is omgebouwd naar twee woningen. Het circa 1,2 hectare grote erf heeft een inrichting met beplanting en aan de oostzijde enige graslanden. Het oorspronkelijke erf is geheel verhard met een klinkerbestrating. Er bevindt zich een wagenschuur, een voormalige kippenschuur en kleine zeskantige berging op het erf. De initiatiefnemer is voornemens deze opstallen te slopen en een nieuwbouw woning te plaatsen. De beide woningen in de voormalige boerderij worden gerenoveerd en opnieuw in gebruik genomen. Op de plaats van de kippenschuur zal een nieuwe woning worden geplaatst. De initiatiefnemer heeft in het voorjaar van 2018 een eerste ontwikkelplan voor de projectlocatie aan de Schoonouwenseweg 26 te Stolwijk op laten stellen. Op basis van dit plan is een QuickScan Wet Natuurbescherming opgesteld (Terlouw R.J.S., 2018 / BTG.RAPP 2018/22). Lopende het traject van de ruimtelijke procedure is, mede in overleg met de gemeente Krimpenerwaard, een aantal plan aanpassingen doorgevoerd. In de onderhavige rapportage zijn deze aanpassingen verwerkt en is tevens een update van het plan als geheel doorgevoerd zodat het wederom voor de periode van drie jaar na oplevering kan worden benut.
Voorafgaand aan een ruimtelijke procedure is ecologische informatie nodig om de voorgenomen ontwikkeling te onderbouwen. Hiervoor is het noodzakelijk om (onder andere) een QuickScan Wet Natuurbescherming op te stellen. De QuickScan moet inzicht geven in het mogelijk voorkomen van beschermde natuurwaarden op de te ontwikkelen locatie, alsmede of het ontwikkelingsplan effecten heeft op beschermde gebieden binnen de invloedsfeer van de voorgenomen maatregel. Wanneer het aannemelijk is dat er beschermde soorten en/of situaties aanwezig zijn kan aanvullend onderzoek noodzakelijk blijken alvorens ontheffing kan worden aangevraagd. Bij ruimtelijke ontwikkeling geldt dit voor soorten die zijn geplaatst in tabel 1 (beschermingsregiem soorten vogelrichtlijn), tabel 2 (beschermingsregiem soorten habitatrichtlijn) of tabel 3 (beschermingsregiem andere soorten) van de Wet Natuurbescherming of soorten en situaties die anderszins een vergelijkbare beschermde status hebben. Voor de verstoring of aantasting van beschermde natuurwaarden kan een ontheffing ex. artikel 3.3 van de Wet Natuurbescherming nodig zijn. Een QuickScan Wet Natuurbescherming heeft een verkennend karakter, dit houdt in dat bij mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten aanvullend onderzoek noodzakelijk kan zijn in de activiteit periode van de soort.
Voor sommige soorten zijn hiertoe meerdere bezoeken noodzakelijk en/of is onderzoek in een vastgestelde periode van het jaar vereist. Verstoep, Bouwadvies-Architectuur-Ontwikkeling B.V. heeft Bui-TeGewoon | groenprojecten verzocht een QuickScan Wet Natuurbescherming uit te voeren voor bovenvermelde locatie om de mogelijke aanwezigheid van soorten te verkennen en de effecten op beschermde gebieden te beoordelen. De onderhavige rapportage geeft de resultaten van deze QuickScan weer en is van een update voorzien in april 2020.
3
2]. Locatie plangebied Schoonouwenseweg 26 Stolwijk. De projectlocatie is kadastraal bekend Stolwijk sectie C nummers 3026 en 3128. De totale oppervlakte bedraagt circa 1.25 ha. De locatie valt binnen kilometerhok nummer 114-441. De ontwikkelingslocatie is weergegeven in onderstaand topografisch en kadastraal kaartbeeld.
Figuur 1. Ligging plangebied en kadastrale situatie
De directe omgeving is te omschrijven als een vrij open lintbebouwing in een agrarische omgeving. De woningen en schuren in het bebouwingslint hebben erfpercelen die overwegend een groene inrichting hebben. Aan de zuidzijde grenst het perceel aan het open grasland van polder Schoonouwen. De agrarische percelen in de nabijheid van de projectlocatie zijn allen in gebruik als agrarisch grasland. 3] Doel en centrale vraagstelling De QuickScan Wet Natuurbescherming wordt uitgevoerd om te bepalen of de geplande ontwikkeling passend kan worden uitgevoerd, of eventueel aanvullend onderzoek noodzakelijk is en welke mitigerende maatregelen eventueel moeten worden toegepast om tot een passende uitvoering te kunnen komen. De centrale vraagstelling is vierledig en luidt als volgt: Zijn er voldoende ecologische gegevens beschikbaar omtrent het voorkomen van (zwaarder) beschermde flora en fauna in het projectgebied; Is er in het gebied habitat aanwezig waar (zwaarder) beschermde soorten voor kunnen komen; Heeft de voorgenomen ontwikkeling effect op beschermde gebieden in de invloedsfeer van het projectgebied; Zijn de beoogde werkzaamheden en maatregelen passend binnen de Wet Natuurbescherming uitvoerbaar.
4
4] Criteria 4.1. Algemene criteria Op de onderhavige QuickScan zijn de volgende criteria van toepassing: Het onderzoek dient onafhankelijk te worden uitgevoerd. Bui-TeGewoon | groenprojecten verklaart geen belangen te hebben bij de uitkomst van het onderhavige onderzoek; Het onderzoek dient te worden uitgevoerd door een deskundige ecoloog die voldoet aan de hiervoor gestelde criteria. Het onderhavige onderzoek is uitgevoerd door BuiTeGewoon | groenprojecten, de heer R.J.S. Terlouw. Terlouw heeft ruim 30 jaar ervaring in verschillende functies als ecoloog en als regiohoofd terreinbeheer bij een natuur beherende organisatie (bijlage 1); Gegevens gebruikt ten bate van het onderzoek dienen objectief te zijn verkregen en uit betrouwbare bronnen voort te komen; De kwaliteit van het onderzoek dient aan de hand van de rapportage te kunnen worden beoordeeld door het bevoegd gezag; Omtrent de uitkomsten van het onderzoek dient begrijpbaar voor opdrachtgever en/of gebruiker te worden gerapporteerd; Dit onderzoek is maximaal drie jaar geldig na de opleverdatum. 4.2. Reikwijdte In deze ecologische Quick Scan wordt getoetst aan de soortbescherming en gebiedsbescherming van de Wet Natuurbescherming. Daarnaast wordt getoetst of er negatieve effecten zijn te verwachten op beschermde gebieden.
Soortbescherming Onderzocht wordt of (mogelijk) verbodsbepaling uit de Wet Natuurbescherming worden overtreden bij uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden of gebiedsontwikkeling. De toetsing vindt plaats op vogelrichtlijnsoorten (artikel 3.1), habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5), andere soorten uit de wet Natuurbescherming (artikel 3.10) en het zorgplichtartikel (artikel 1.11). Gebiedsbescherming Er wordt onderzocht of er negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde gebieden. In de Wet Natuurbescherming gaat dat om Natura 2000-gebieden (artikel 2.7) en/of bijzondere nationale gebieden. Daarnaast wordt rekening gehouden met provinciaal beleid zoals het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de provinciale verordening belangrijke weidevogelgebieden en de strategische reservering natuur. Een wat grotere afstand tussen het projectgebied en een beschermd gebied betekent niet altijd dat negatieve effecten per definitie uitgesloten kunnen worden. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een negatief effect op soorten die buiten een beschermd gebieden verblijven of effecten door depositie van stikstof. Indien negatieve effecten op beschermde gebieden niet uitgesloten kunnen worden, is vervolg onderzoek nodig, zoals een ‘voortoets’ of ‘NNN-toetsing’, dan wel een nadere verkenning. Deze nadere toetsing maakt geen onder- deel uit van deze Quick Scan.
Ook het aanvragen van een ontheffing maakt geen onderdeel uit van een ecologische Quick Scan. Beoordeling Indien negatieve effecten op beschermde soorten of gebieden niet uitgesloten kunnen worden, wordt in eerste instantie beoordeeld of deze kunnen worden gemitigeerd of gecompenseerd. Ook wordt beoordeeld of effecten kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden onder een ecologisch protocol uit te voeren. Hiervoor worden adviezen verstrekt die ter beoordeling kunnen worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Indien aanvullend onderzoek noodzakelijk wordt geacht wordt dit vermeldt, de criteria waaraan dit dient te voldoen worden hierbij benoemd. Eventueel nadere onderzoek maakt geen onderdeel uit van de onderhavige Verkenning Wet Natuurbeheer.
5
5]. Werkwijze Ten bate van de QuickScan heeft zowel een bureauonderzoek als veldonderzoek plaatsgevonden. Nadat een opdracht tot QuickScan is verkregen wordt in een oriënterend gesprek met bewoner en/of opdrachtgever de voorgenomen ontwikkeling verkend en worden plandocumenten als aanwezige bouw- en inrichtingstekeningen ingezien. Aansluitend vindt een bureaustudie plaats waarbij het gebied topografisch wordt verkend aan de hand van topografische atlassen, de websites “OpenTopo” en “Google Earth”. Gelet wordt op aanwezige gebieden, elementen en habitats als kleine landschapselementen, watergangen, en structuren als bijvoorbeeld bomenrijen, die aanwijzingen kunnen geven voor mogelijk gebiedsgebruik door fauna. Aan de hand van de bodemkaart en de website van het waterschap worden o.a. drooglegging, vigerend waterpeil en bodemsituaties beoordeeld. Speciale aandacht wordt besteed aan de aanwezigheid van mogelijk ingraafbare bodem als stroomruggen en zandopduikingen, die in verband met het voorkomen van rugstreeppad kunnen worden gebracht en gebieden met een geringe drooglegging of extensief grondgebruik die habitat kunnen bieden aan beschermde flora en fauna.
Om te kunnen bepalen of de voorgenomen werkzaamheden effect kunnen hebben op beschermde natuurgebieden, wordt gekeken of het projectgebied planologisch beschermd is en of er beschermde gebieden rond het projectgebied aanwezig zijn. De ligging wordt bepaald door gebruik te maken van de kaartmachines van het ministerie van Economische Zaken m.b.t. wettelijk beschermde gebieden en het raadplegen van de website van de provincie Zuid-Holland (www.provinciezuidholland.nl/kaarten/ecologischehoofdstructuur). Om het mogelijk voorkomen van flora en fauna te beoordelen wordt bij aanvang standaard een zogenaamde “beknopte levering” bij het NDFF aangevraagd. Naast de beknopte levering wordt via verschillende zoekfuncties gericht gezocht naar mogelijke inventarisaties en rapportages van natuur en landschap uit het recente verleden. De website Waarnemingen.nl wordt gecheckt op vermelde waarnemingen van soorten uit de Habitat- en Vogelrichtlijn alsmede Rode lijst soorten voor een periode tot vijf jaar terug. Verspreidingsatlassen van gegevens verzamelende organisaties worden geraadpleegd waarbij er rekening mee wordt gehouden dat de onderzoeksperiode van deze atlassen, voorafgaand aan publicatie, veelal leidt tot gegevens ouder dan 5 jaar die in sommige situaties als onvoldoende recent moeten worden beoordeeld.
In diverse archieven en zoekmachines is gezocht naar relevante informatie met betrekking tot natuur en landschap in de afgelopen vijf jaar. Hiertoe zijn o.a. het archief van Bui-TeGewoon, groenprojecten en data van de Natuur- en Vogelwerkgroep Krimpenerwaard geraadpleegd. De resultaten worden benut voor het opstellen van een checklist met mogelijk aanwezige beschermde soorten en/of situaties. De op deze wijze verkregen lijst van mogelijk aanwezige soorten wordt vergeleken met de vermelde aantallen per soortgroep uit de beknopte levering NDFF. Bovenstaande activiteiten leidt tot de definitieve lijst met mogelijk aanwezige soorten en habitats die als checklist wordt gehanteerd bij het locatiebezoek. Op basis van de volgens bovenstaande systematiek opgestelde lijst van (mogelijk) aanwezige soorten wordt een locatiebezoek gepland en uitgevoerd waarbij rekening wordt gehouden met tijdens het bureauonderzoek gevonden specifieke aandachtsvelden. Het veldbezoek wordt opgesplitst in twee delen. In het eerste deel wordt de feitelijke situatie van het projectgebied en de aanwezige habitat gekarteerd. Hierbij worden (indien aanwezig) aantekeningen gemaakt van breedte en diepte van watergangen, aanwezige vegetatietypen waarbij, indien relevant, ook de kruidenrijkdom van graslanden, de botanische kwaliteit van oevervegetaties en de aanwezigheid van watervegetaties wordt beoordeeld.
Aanwezigheid van bomen en houtopstanden en hier binnen eventuele aanwezigheid van holte bomen (als mogelijke verblijfplaats voor fauna) of lijnvormige structuren (migratieroute voor vleermuizen) worden eveneens geregistreerd. Nadat het projectgebied is verkend op basis van de aanwezige habitat wordt een tweede ronde door het gebied gemaakt. Tijdens deze rondgang wordt op voor beschermde soorten geschikt beoordeelde locaties/habitats, gericht naar tabel 1, 2 en 3 soorten volgens de Wet Natuurbescherming, gezocht.
6
Opstallen en kunstwerken als bijvoorbeeld bruggen worden gecheckt op muurplanten, holten en aanwezige nesten (bijv. voor huismussen geschikten daken, boerenzwaluwen onder bruggen, etc.) en bereikbare ruimten en/of mestsporen van bijvoorbeeld vleermuizen. Houtopstanden worden gecheckt op (jaarrond) beschermde nesten en geschiktheid als broedhabitat. Holte bomen worden met een spiegellamp of boomcamera gecontroleerd. Indien watergangen onderdeel uitmaken van de ontwikkelingslocatie wordt de geschiktheid voor beschermde soorten visueel beoordeeld. Indien watergangen waarin mogelijk beschermde soorten aanwezig kunnen zijn tot het projectgebied behoren wordt met behulp van een standaard steeknet een proefbemonstering uitgevoerd conform de hiervoor geldende protocollen van RAVON (amfibieën & vissen) en mollusken (Stichting Anemoon). Hierbij worden o.a. specifiek geschikte habitats voor beschermde vissoorten en platte schijfhoren bemonsterd. Van gevonden schijfhorenslakken wordt thuis een monster met behulp van een binoculair (10-30x) gedetermineerd om eventuele aanwezigheid van bijvoorbeeld platte schijfhoorn vast te kunnen stellen. Graslanden en oevervegetaties worden beoordeeld op de geschiktheid voor beschermde plantensoorten en als broedhabitat. Indien soorten als bijvoorbeeld ringslang, rugstreeppad, vleermuizen, groene glazenmaker, waterspitsmuis, etc.
mogelijk voorkomen op de ontwikkelingslocatie kan aanvullend onderzoek worden geadviseerd. Wanneer het voorkomen van beschermde soorten of situaties wordt aangetoond of niet valt uit te sluiten, worden afhankelijk van de bevindingen voorstellen opgesteld voor aanvullend onderzoek of de aanvraag van een ontheffing. Ook kan het treffen van mitigerende maatregelen of uitvoering volgens een ecologisch werkprotocol worden geadviseerd. Dit kan zowel gericht zijn op soorten, situaties als het type van de werkzaamheden. 6] Voorgenomen ontwikkeling Vanuit de opdrachtgever, Verstoep B.V., is de voorgenomen ontwikkeling toegelicht. Onderstaande informatie is hierbij verkregen: “het voornemen bestaat uit het slopen van de voormalige kippenschuur en het bouwen van een nieuwe woning op de plaats van de kippenschuur.. Van de bestaande boerderij blijft het karakteristiek voorhuis nummer 26 gehandhaafd en wordt gerenoveerd, het achterste deel nummer 26a wordt waarschijnlijk herbouwd. De kapschuur blijft in aangepaste vorm.” Het voorlopig schetsontwerp is weergegeven in figuur 2.
Figuur 2. Voorgenomen ontwikkeling
7
7].
Bureaustudie en veldonderzoek
7.1]
Beschermde natuurwaarden
Natuurbeschermingswet De Natuurbeschermingswet regelt de bescherming van natuurgebieden in Nederland. Het gaat daarbij om de bescherming van gebieden van nationaal belang (de Beschermde Natuurmonumenten) en van internationaal belang (Natura 2000). In een groot aantal gevallen overlappen de Beschermde Natuurmonumenten de gebieden die zijn aangewezen als Natura 2000gebied. De waarden die behoren bij het Beschermd Natuurmonument zijn dan meegenomen in het Natura 2000 ontwerp of concept aanwijzingsbesluit. Beschermde natuurmonumenten in de zin van de wet zijn niet aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. Enigszins nabijgelegen gebieden die zijn opgenomen als Natura 2000-gebied betreffen Reeuwijkse plassen gelegen op 6130 meter in noordelijke richting, de Donkse Laagte op 7890 meter in zuidelijke richting, de lekoevers Schoonhoven-Vianen op 7940 meter in oostelijke richting en de Boezems van Kinderdijk gelegen op 12500 meter in zuidwestelijke richting. Gezien de aard en omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling en de Natura 2000 doelstellingen van de betreffende gebieden, in relatie tot de afstand en tussenliggende wegen en bebouwingen worden geen effecten van de voorgenomen ontwikkeling verwacht op de doelstellingen voor genoemde Natura 2000-gebieden.
Nationaal Natuur Netwerk (voorheen EHS) Het meest nabijgelegen NNN-gebied betreft ‘De Bergvliet’ die op circa 1200 meter ten oosten van de projectlocatie is gelegen. NNN-Bergvliet heeft een functie als ecologisch verbinding tussen NNNgebied Bilwijk onder Haastrecht aan de noordzijde en de Lek-uiterwaarden in het zuiden. De aard en omvang van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wordt door ons beoordeeld als geen effecten veroorzakend op de doelstellingen van de NNN verbindingszone ‘Bergvliet’. Begrenzing leefgebied open grasland Graslandgebieden de directe omgeving van het projectgebied zijn door de provincie Zuid-Holland begrenst als leefgebied open grasland. Binnen deze gebieden kunnen pakketten voor weidevogels en grasland natuur worden gesloten door het Collectief Agrarisch Beheer. De begrensde gebieden liggen ten zuiden van projectlocatie op circa 140 meter afstand van de achterste erfgrens (figuur 3). Polder Schoonouwen betreft een graslandpolder met een intensief agrarisch gebruik en een relatief lage weidevogeldichtheid (Bron: natuurdagboeken Terlouw & Buisman, diverse jaren). Ten bate van het agrarisch natuurbeheer zijn in het betreffende polderdeel geen weidevogel pakketten gesloten in de afgelopen drie jaar. Het agrarisch beheer betreft hier uitsluitend pakketten voor oevervegetaties (Bron: Coöperatief Collectief beheer Krimpenerwaard U.A, 2020).
Als gevolg van de aard en omvang van de werkzaamheden en geringe betekenis van het aangrenzende gebied voor weidevogels wordt geen effect van de voorgenomen ontwikkeling op weidevogels verwacht. De ligging van genoemde beschermde gebieden en situaties ten opzichte van de ontwikkelingslocatie zijn weergegeven in figuur 3.
8
Figuur 3. Ligging projectgebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden
7.2]
Beknopte levering NDFF
Via de aanvraag beknopte levering bij het Natuurloket vanuit de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) is beoordeeld welke informatie over het voorkomen van beschermde soorten aanwezig is en met welke volledigheid soorten in het gebied zijn onderzocht. De geleverde gegevens hebben betrekking op het voorkomen van soorten gedurende de periode 2008–2018. De ontvangen rapportage (HNL-2018-91 d.d. 13 april 2018) laat zien dat het gebied voor broedvogels, wintervogels, dagvlinders en libellen als goed onderzocht wordt beoordeeld. Als redelijk onderzocht worden vleermuizen, landzoogdieren en reptielen beoordeeld. Verificatie in april 2020 heeft aangetoond dat er geen inhoudelijke wijzigingen aan het aantal aangetroffen zwaarder beschermde soorten in het atlasblok zijn opgetreden. De overige soortgroepen scoren een slechte of onbepaalde onderzoekintensiteit. Op basis hiervan moet de beschikbare ecologische informatie van het gebied worden beoordeeld als matig tot slecht onderzocht. Uit de groep van de vleermuizen worden drie soorten, de landzoogdieren één soort en uit de libellen eveneens één soort uit de Habitatrichtlijn voor het atlasblok vermeld. Voor de Wet Natuurbescherming wordt één reptielen soort uit het kilometerhok gemeld. Voor de vogelrichtlijn zijn 44 soorten broedvogels vastgesteld.
Als rode-lijst soorten worden vleermuis (1), landzoogdieren (3), reptielen (1) en libellen (1) vermeld. De resultaten van de beknopte levering is samengevat in tabel 1. De rapportage is integraal opgenomen als bijlage 2.
9
soortgroepen
Onderzoek status NDFF
Vaatplanten Mossen Korstmossen Paddenstoelen Land zoogdieren Vleermuizen Vogels - broedvogels wintervogels Amfibieën Reptielen Vissen Dagvlinders Macronachtvlinders Micronachtvlinders Libellen Sprinkhanen/krekels Over. ongewervelden
slecht niet niet niet redelijk redelijk goed goed niet redelijk slecht goed niet niet goed onbepaald niet
Rode lijst
8 0 0 0 3 1 11 0 0 1 0 0 0 0 1 0 0
Wet Natuurbescherming
Vogelrichtlijn
0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
0 0 0 0 0 0 44 157 0 0 0 0 0 0 0 0 0
Habitat richtlijn
0 0 0 0 1 3 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 0
Tabel 1. Voorkomen van beschermde soorten per soortgroep in kilometer hok 109-435 volgens NDFF
7.3.] Raadpleging overige bronnen Naast het beoordelen van de beknopte levering is de websites Waarnemingen.nl bezocht en is gericht gezocht op voor het plangebied relevant geachte soorten voor de periode 01 januari 2013 tot heden. Voor de soortgroepen broedvogels, zoogdieren, vleermuizen, vissen en amfibieën zijn de verspreidingskaarten op de websites van RAVON, SOVON, VZZ &, EIS-Nederland beoordeeld en zijn de verspreidingsatlassen van deze soorten geraadpleegd. Opgemerkt wordt dat de periode van gegevens verzamelen voor veel publicaties en atlassen langer dan vijf jaar terug is geweest. In het archief van Bui-TeGewoon groenprojecten is gezocht naar recente rapporten en ecologische gegevens. Dit archief bevat een groot aantal publicaties en data uit de periode 1969-heden van in het bijzonder de Krimpenerwaard en Vijfheerenlanden. Naast de in 2018 gevonden resultaten werd een recente integrale weidevogelkartering voor de Krimpenerwaard (Groen F.M., 2018) als nieuwe informatie voor gebied betrokken. Vanuit informatie omtrent het agrarisch collectief weidevogelbeheer Krimpenerwaard zijn gegevens over de kwaliteit van de aangrenzende polder verkregen. 7.4.] Locatie bezoek Op 19 april 2018 en 06 april 2020 heeft een terreinbezoek op de voorgenomen ontwikkelingslocatie plaats gevonden.
Parallel aan dit bezoek is de directe omgeving verkend om te beoordelen of mogelijke effecten van het ontwikkelingsplan op natuurwaarden in de directe omgeving kunnen optreden. A - Opstallen Op de projectlocatie zijn twee opstallen aanwezig waarvan voorzien is deze te amoveren. Het betreft een voormalige kippenschuur op het zuidelijke deel van de projectlocatie (figuur 4) en een kleine opslag silo (figuur 6). De aanwezige wagen schuur (figuur 5) zal worden aangepast en verlaagd. De kippenschuur heeft een dak van asbest golfplaten. Er is geen plafond met afgeschermde ruimte tussen de golfplaten aanwezig. De muren zijn opgebouwd van gasbetonblokken. De onderste 0.50 meter is opgemetseld uit baksteen. Er bevinden zich geen ventilatie openingen, spouwmuren of anderszins inkruip of invliegbare ruimte in de wanden. Alleen de ventilatie ramen zijn vrij toegankelijk, waardoor het voor vogels mogelijk is de voormalige varkensstal binnen te komen. Inpandig zijn er geen geschikte bevestigingen voor (boeren)zwaluwen. Mogelijk kunnen er nesten worden gebouwd op locaties waar balkenlagen elkaar kruisen. Er zijn geen sporen aangetroffen van in gebruik zijnde nesten of oudere nestenrestanten. Voor vleermuizen wordt de kippenschuur als ongeschikt beoordeeld, door het ontbreken van geschikte mogelijkheden om zich te vestigen.
10
Figuur 4. Te amoveren voormalige kippenschuur
De overige te slopen of aan te passen opstallen betreft de wagenschuur (figuur 5) en de silo (figuur 6) die is omgebouwd tot bergruimte. De wagenschuur wordt verlaagd en aangepast, het silo gesloopt en verwijderd. In of aan beide opstallen zijn geen nesten, nestrestanten of mogelijkheden voor d evestiging van fauna aangetroffen. Biede opstallen zijn opgebouwd uit golfplaten en geheel gesloten. De dakconstructie van de wagen cshuur is niet inkruipbaar of invliegbaar door dieren.
Figuur 5. Wagenschuur
Figuur 6. Voormalige silo nu kleine berging
De oorspronkelijke boerderij is in de huidige situatie reeds geschikt voor dubbele bewoning. De gevel en voorzijde zal worden gerenoveerd aan de buitenkant vanwege de aanduiding ‘karakteristiek’, de achterzijde welke hedendaagse bouw is voorzien van een recent mansardedak, zal (gedeeltelijk) worden gesloopt en herbouwd. Beide wooneenheden worden van binnen gemoderniseerd. Het dak is aan de wegzijde voor circa 25% met pannen gedekt. De overige 75% heeft een vrij recente vervanging van het dak ondergaan, waarbij kunststof dakplaten in een pannenmotief zijn toegepast. Goten, golfplaten op de zuidelijk kopgevel en dakkapellen zijn allen zodanig aangebracht dat er geen open ruimte aanwezig zijn of anderszins door dieren achter of onder de pannen kan worden gekomen. Het dak wordt als niet toegankelijk voor vogels als huismussen, spreeuwen of vleermuizen beoordeeld. Er zijn geen open spouwvoegen aangetroffen. De aanwezige ventilatieopeningen aan de voorzijde van de boerderij zijn met roosters afgesloten. Kozijnen sluiten goed aan op het metselwerk en vertonen geen kieren of naden die toegankelijk zijn voor vleermuizen. Aan de voorzijde van de voormalige boerderij bevinden zich luiken voor de ramen. De luiken zijn gecontroleerd op mogelijke geschiktheid voor vleermuizen om zich hier achter op te houden.
De luiken behouden na het tegen de muur bevestigen een te grote vrije ruimte om voor vleermuizen aantrekkelijk te zijn. Door deze ruimte ontvangen de achterliggende delen veel licht en heeft tocht vrij spel.
11
De gevels van de woning worden aan alle zijden omsloten door een bestrating van betonklinkers. Er is nergens een inkruipbare of ondergraafbare situatie aanwezig waar dieren zich kunnen vestigen of een winterverblijf kunnen vinden. Een fotorapportage van de oorspronkelijke boerderij is opgenomen als figuur 7.
Zuid (achter) zijde
Westzijde
Afdichtingslat golfplaat/metselwerk en boeiboord
Kopgevel (weg) noordzijde
Afdichting goten
Afwerking dakkapellen geheel gesloten
Oostzijde
Kunststof dakplaten
Daklijst voorgevel gesloten en geen nestrestanten
Figuur 7. Fotorapportage boerderij Ventilatie gaten afgedicht met roosters
Ruimte achter luiken ongeschikt voor vleermuizen
B] - Terrein en erf Het erf/terrein is voor een groot deel voorzien van verhardingsmaterialen het betreft voornamelijk betonklinkers. Aan de voorzijde van de boerderij is een deel met grind verharding aanwezig. Aan de achterzijde betreft het deels betonverharding. Alleen aan de oostzijde van de oorspronkelijke boerderij grenst lokaal gras en siertuin beplanting direct tot aan de opstal. De verhardingen zijn ongeschikt als habitat voor flora en fauna, de directe aansluiting op de opstallen, maakt dat funderingen niet indringbaar zijn voor fauna als kleine zoogdieren of amfibien om te overwinteren.
12
De erfdelen op enige afstand van de bebouwing bestaan uit een groot aantal bomen en struiken. De perceeltoegang is groen aangelegd en bevat meerdere stambomen. Op verschillende plaatsen zijn grasachtige delen en waterpartijen aanwezig. In het projectplan zijn geen wijzigingen aan beplantingen of waterpartijen voorzien. De terreintoegang is geheel over bestaande verharding te realiseren. Er is geen transport of opslag van bouwmateriaal over onverharde delen noodzakelijk. Mogelijk moet lokaal enig snoeiwerk worden uitgevoerd ten bate van de voorgenomen ontwikkeling. Daar op het erf verschillende vogelsoorten tijdens het bezoek territoriaal zijn waargenomen, dient snoeiwerk steeds buiten het broedseizoen plaats te vinden. Naast broedvogels is het erf geschikt als foergeerhabitat voor vleermuizen, als verblijf-, foerageer en voortplantingsgebied voor kleine zoogdieren en zijn er delen geschikt als winterhabitat voor amfibieën. Indien steeds wordt gewerkt vanaf verharde erfdelen en binnen de contouren van de bestaande opstallen zal geen aantasting van beschermde natuurwaarden optreden. Indien buiten verharde terreindelen moet worden gewerkt dienen deze locaties door middel van platen te worden beschermd. Daarnaast dient steeds rekening te worden gehouden met het algemene zorgplichtartikel uit de Wet Natuurbescherming.
Van belang zijnde aspecten betreffen hierbij het voorkomen van uitstralende bouwplaats verlichting en het beperken van de opslag van grond- en zandhopen in de vestigingsperiode van oeverzwaluwen en bij de start van de winterrust van amfibieën. Een fotoregistratie van erfdelen is opgenomen in figuur 8. .
Figuur 8a. perceel toegang
8b. nabij wagenloods en varkensstal
8c. betonklinkers rond boerderij
C Omgeving De buurtschap Schoonouwen betreft een open lintbebouwing. Er bevinden zich een aantal (voormalige) agrarische bedrijven met grote erven met ruime erfbeplanting en groen ingerichte tuinen in het gebied. De vogelbevolking bestaat uit algemene soorten van de erfvogelgemeenschap, maar lokaal zijn er mogelijkheden voor minder algemene soorten als bijvoorbeeld steenuil, torenvalk, grauwe vliegenvanger en spotvogel. De erven bieden tevens veel gelegenheid voor de kleine zoogdier- en amfibieënfauna als schuil- en overwinteringshabitat. De buurtschap vormt een geschikte migratie-, foerageer- en verplaatsingsroute voor vleermuizen. Verschillende opstallen in het lint bieden daarnaast mogelijkheden voor kraam-, paar- of overwinteringsverblijven van deze soortgroep. Het aangrenzende agrarisch cultuurlandschap wordt intensief gebruikt en bestaat voornamelijk uit raaigrasweiden en grassenmix vegetaties. Kruiden zijn schaars en het gebied is arm aan graslandbroedvogels. De sloten in het gebied zijn voedselrijk en hebben weinig watervegetatie. Op enkele plaatsen komt een krabbenscheer of een drijfbladplanten vegetatie voor. De voornaamste aanwezige waterplanten betreffen echter kroossoorten en draadalgen.
8].
Beoordeling soortgroepen, beschermde soorten en situaties
8.1.] Algemeen In het projectgebied en de directe omgeving (beïnvloeding aspecten) worden op basis van uitgevoerd bronnenonderzoek, archiefmateriaal, de regionale ligging, de aanwezige habitats en het migratiegedrag van diersoorten, een aantal beschermde soorten of situaties mogelijk aanwezig geacht. Deze tijdens de QuickScan te onderzoeken soortgroepen en soorten zijn met een korte onderbouwing weergegeven in tabel 2 en vormde de basis voor het onderzoeksplan tijdens het locatie bezoek.
13
soortgroepen
Vaatplanten Mossen Korstmossen Paddenstoelen Zoogdieren land vleermuizen Vogels
broedvogels
Onderzoek status NDFF
Check uitvoeren
Mogelijk aanwezige beschermde soorten en/of omstandigheden op basis van landschapstypen (laagveen en rivierengebied)
slecht niet niet niet redelijk redelijk goed
ja beperkt niet niet ja ja
Klein deel grasland wordt omgezet in bouwblok Mee beoordelen bij grasland beoordeling Geen wet NB soorten verwacht Geen wet NB soorten verwacht Check op verblijfsplaatsen Check op verblijfs- voortplantings-, foerageer- en migratiehabitat Check begroeiingen, opstallen en eventuele holte bomen op broedvogels en beschermde nesten Geen overwinteringsgebied dat bescherming vraagt Check op aanwezig landhabitat en te beïnvloeden voortplantingswater Check op overwintering mogelijkheden en ei afzet ringslang Geen water in projectgebied betrokken Geen geschikt habitat beschermde soorten aanwezig
ja
wintervogels goed niet Amfibieën ja niet Reptielen ja redelijk Vissen niet slecht Dagvlinders niet goed Macronachtvlinders niet niet Micronachtvlinders niet niet Libellen niet Betreft groene glazenmaker. Geen waterhabitat in project betrokken goed Sprinkhanen/krekels niet Geen geschikt habitat aanwezig onbepaald Over. ongewervelden niet Geen geschikt habitat aanwezig niet Algemene Zorgplicht ja Vast onderdeel QuickScan wet Natuurbescherming n.v.t. Tabel 2. Onderzoeksplan bij locatie bezoek mogelijk aanwezige beschermde soorten en situaties
Op basis van deze analyse is tijdens het bureauonderzoek gericht gezocht naar aanvullende informatie en waarnemingen uit de periode 01-01-2013 tot heden via de website Waarnemingen.nl. Tijdens het veldbezoek is, naast het totaal beeld, extra gelet op habitat en/of omstandigheden waarbij mogelijk aanwezige soorten uit deze soortgroepen zouden kunnen voorkomen. 8.2.] Habitat Zoals beschreven in paragraaf 7.2 tot 7.5 zijn onderstaande biotopen niet in het projectgebied aanwezig of worden niet door de voorgenomen ontwikkeling beïnvloed. Riet- en ruigtevegetaties i.c.m. permanent natte of vochtige terreinomstandigheden (planten, broed- en rustplaatsen vogels, Noordse woelmuis, waterspitsmuis); Waterhabitat ( amfibieën voortplanting, vissen, platte schijfhoren); Dagvlinders, libellen en sprinkhanen; Tijdens de veldopname zijn geen aanvullende aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van geschikt habitat voor bovengenoemde situaties en/of soorten anders dan aspecten die worden beoordeeld vanuit de algemene zorgplicht zoals verwoord in de wet Natuurbescherming artikel 1.11. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen effect zal hebben op soorten uit bovengenoemde soortengroepen of die zijn gebonden aan genoemde habitats.
De aanwezige habitat waar mogelijk effecten kunnen optreden bij de voorgenomen ontwikkeling op beschermde soorten en situaties vanuit de Wet Natuurbescherming betreffen vaatplanten (te bebouwen grasland), ingraafbare bodems (amfibieën), winterschuilplaatsen (amfibieën, kleine zoogdieren, egel, vleermuizen), bomen-struiken en struwelen (broedvogels, vleermuizen) en omgevingsfactoren (broedvogels, foeragerende en migrerende vleermuizen, ringslang ei afzet en overwintering). 8.3.] Soorten en omstandigheden In de onderhavige paragraaf worden alleen die soorten en omstandigheden nader beschreven die op basis van bovenstaande onderzoeken mogelijk aanwezig kunnen zijn, het betreft: Vaatplanten Op het terrein zijn slechts enkele kleine delen met vegetatie aanwezig. Het betreft wat ruig grasland stroken en oevers langs watergangen. Het merendeel van deze delen wordt niet door de voorgenomen ontwikkeling geraakt. De grasachtige delen zijn tijdens het terreinbezoek beoordeeld op de aanwezigheid van beschermde en kwetsbare soorten. Deze zijn niet aangetroffen.
14
De delen hadden een overwegend grasachtige vegetatie met verspreid meer algemene kruiden als kruipende boterbloem, rode klaver en smalle weegbree. Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen vanuit het onderdeel vaatplanten zijn voor de voorgenomen ontwikkeling. Vleermuizen De te slopen kippenschuur is als ongeschikt beoordeeld voor vleermuizen. De oude boerderij is niet toegankelijk. De voorraad silo zal worden gesloopt, de wagenschuur wordt aangepast. Met betrekking tot verblijfplaatsen voor vleermuizen wordt geen effect van de voorgenomen ontwikkeling verwacht. Wel is het gebied een geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen. Tijdens de ontwikkeling van de locatie dient hierdoor voorzichtig met bouwplaats verlichting te worden om gegaan. Bij voorkeur wordt de noodzaak van bouwplaats verlichting voorkomen. Indien als nog bouwplaats verlichting noodzakelijk is dient deze zodanig te worden geplaatst dat uitstraling naar de omgeving wordt voorkomen. Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen vanuit het onderdeel vleermuizen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling, mits terughoudend met bouwplaats verlichting wordt om gegaan. Broedvogels en jaarrond beschermde nesten Aan of in de opstallen zijn geen broedvogels of nestrestanten die wijzen op voormalige broedgevallen vastgesteld. Jaarrond beschermde nesten zijn niet aangetroffen.
Voor broedvogels te benutten beplantingen zijn allen buiten de werklocaties gelegen. Er is geen effect te verwachten van de voorgenomen werkzaamheden op broedvogels. Niet uit te sluiten is dat ten bate van aan- en afvoer van materiaal enig snoeiwerk noodzakelijk is. Indien dit aan de orde is dient dit buiten het broedseizoen plaats te vinden. Voor de onderhavige projectlocatie wordt het broedseizoen bepaald op 15 maart – 15 juli. Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er geen ontheffing aanvraag voor het onderdeel broedvogels en jaarrond beschermde nesten noodzakelijk is, mits eventuele snoeiwerkzaamheden t.b.v. transport en toegankelijkheid buiten het broedseizoen plaatsvinden. Amfibieën Tijdens het veldbezoek is specifiek gelet op de aanwezigheid van geschikt winterhabitat voor amfibieën. Er worden geen watergangen beïnvloed bij de voorgenomen ontwikkeling, waardoor er geen voortplantingshabitat wordt beïnvloed. Op het terrein zijn geen locaties aangetroffen die kunnen worden benut als overwinteringsplaats. Indien tijdens de voorgenomen werkzaamheden grond of zand in depot wordt geplaatst dient te worden voorkomen dat zich hierin amfibieën vestigen. Geconcludeerd is dat er geen belemmeringen van uit de Wet Natuurbescherming aanwezig zijn m.b.t. het onderdeel amfibieën.
Indien bij de bouw van compensatie woning ontgraven grond in depot wordt gezet dient te worden voorkomen dat zich rugstreeppadden vestigen om hier in te overwinteren. Dit kan door de grondhopen voor eind september te verwijderen of door een amfibieën raster rond de in depot geplaatste grond aan te brengen. Reptielen Het enige reptiel dat in de Krimpenerwaard wordt aangetroffen betreft de ringslang. Het kerngebied van de populatie bevindt zich rond Gouderak. Incidenteel worden waarnemingen van de ringslang in het gebied van de Vlist en Bergvliet vermeld (Bron: www.RAVON.nl). Op de projectlocatie zijn geen compost of mesthopen die als broeihoop kunnen functioneren aanwezig. De funderingen van de gebouwen zijn geheel gesloten en niet bereikbaar voor overwintering. Het gebied wordt als ongeschikt habitat voor de ringslang beoordeeld. Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen vanuit het onderdeel reptielen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling.
15
Land zoogdieren Het terrein is niet geschikt voor zwaarder beschermde soorten landzoogdieren. Wel is de directe omgeving van de projectlocatie geschikt voor algemene soorten. In het bijzonder muizen, egel, en kleine marterachtigen als bunzing en wezel zouden in het projectgebied aanwezig kunnen zijn. Deze soorten vormen geen belemmeringen vanuit de Wet Natuurbescherming anders dan wat opgenomen in het zorgplicht artikel (artikel 11.1). Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er bij uitvoering van het ontwikkelingsplan geen belemmeringen vanuit het onderdeel zoogdieren optreden. Algemene zorgplicht voor wilde flora- en fauna Conform de Wet Natuurbescherming geldt voor alle soorten een zorgplicht (artikel 1.11). Voor de voorgenomen werkzaamheden worden geen andere situaties verwacht dan bij de beoordeling van soortgroepen en situaties is beschreven. Er is dan ook geen aanleiding om extra maatregelen vanuit de algemene zorgplicht te treffen anders dan hierboven reeds vermeld. Wel is het steeds raadzaam om tijdens de bouwactiviteiten alert te zijn op de aanwezigheid van fauna en indien dieren worden gesignaleerd deze zorgvuldig te verplaatsen naar een veilige locatie in de omgeving en advies in te winnen bij een ecoloog.
Als algemene beschermende en mitigerende maatregelen voor het onderhavige projectgebied worden de volgende onderdelen geadviseerd: Het transport van aan- en afvoeren van materialen uitsluitend uitvoeren over de bestaande verharde terreindelen. Het steeds voorhanden hebben van enkele emmers of kuipen om eventueel aangetroffen dieren apart te kunnen zetten. Indien dieren tijdelijk worden opgeslagen dienen deze binnen maximaal één uur na de vondst te worden uitgezet op een geschikte locatie voor de soort buiten het projectgebied. De opgeslagen dieren in kuipen dienen op een beschutte en schaduwrijk plaats te worden bewaard. Het voorkomen of beperken van bouwplaats verlichting en indien dit als nog noodzakelijk is het toepassen van een gerichte lichtbron met voorkoming van zij of boven uitstraling. Het voorkomen dat bij de bouwactiviteiten ontstane grond- en zandhopen worden gebruikt door amfibieën om te overwinteren door ze tijdig (voor eind september) te verwijderen of rondom een amfibieënraster te plaatsen. Het voorkomen dat oeverzwaluwen zich in opgeworpen grondhopen vestigen door de grondhopen in een flauw talud af te werken of uitsluitend buiten de vestigingsperiode van de oeverzwaluw (april – juli) grond op te slaan. Het op afroep kunnen beschikken over een ecoloog bij aantreffen van mogelijk beschermde situaties. 9].
Conclusie De ontwikkelingslocatie gelegen aan de Schoonouwenseweg 26 te Stolwijk, op kadastrale percelen Stolwijk sectie C nummers 3026 en 3128 is zowel administratief als door middel van veldonderzoek beoordeeld op de aanwezigheid van beschermde soorten en situaties in het kader van de wet Natuurbescherming en op de ligging ten opzichte van Beschermde Natuurgebieden. Gebleken is dat er geen effecten zullen optreden die van invloed zijn op beschermde gebieden in de omgeving van het projectgebied. Aard en omvang van de bevindingen leiden naar onze zienswijze niet tot de noodzaak tot het aanvragen van ontheffingen en of een specialistisch vervolg onderzoek, mits aan een aantal mitigerende voorwaarden tijdens de uitvoering van de werkzaamheden wordt voldaan. De conclusies zijn onderstaand tabelmatig samengevat, aanbevelingen ten bate van preventieve of mitigerende maatregelen zijn bij de betreffende soortgroepen puntsgewijs weergegeven.
16
Samenvattende tabel QuickScan Wet Natuurbescherming Project : Schoonouwenseweg 26 Stolwijk Soortgroep (beschermde soorten) - algemeen - muurvegetaties Mossen & korstmossen Vaatplanten
- algemeen
Habitat geschikt
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffing
Nee Nee N.v.t.
Nee Nee N.v.t.
Nee Nee Nee
Nee Nee Nee
Mogelijk
Mogelijk
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Ja Ja Nee Nee Nee N.v.t. N.v.t. Nee
Ja Ja Nee Nee Nee N.v.t. N.v.t Mogelijk
Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee
N.v.t. N.v.t
N.v.t. N.v.t.
Nee Nee
Nee Nee
Broedvogels
- jaarrond beschermd - vliegroute - foerageergebied Vleermuizen - kraamverblijven - winterverblijven Grondgebonden zoogdieren Reptielen Vissen Amfibieën
Vlinders & libellen Overige ongewervelden
Opmerkingen
- Voer voorafgaand aan start van het werk een broedvogelcheck uit; - Voorkom dat opgeworpen grond en zandhopen tijdens de bouw broedhabitat voor oeverzwaluwen vormen;
*] Voorkom uitstralen van bouwplaats verlichting
Zand- & Grondhopen beschermen tegen intreden van amfibieën;
Algemene zorgplicht Wnb
Algemene zorgplicht flora & fauna
Ja
Algemene zorgplicht voor flora en fauna geldt voor alle in het wild levende planten en dieren in Nederland (art 1.11 Wnb). Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient dan ook steeds rekening te worden gehouden met flora en fauna. Bij aantreffen van dieren dienen deze voorzichtig buiten de projectlocatie op een geschikte plaats te worden gebracht. Bij twijfel dient ecologisch advies te worden ingewonnen. Geadviseerd wordt relevante genoemde maatregelen onder de paragraaf algemene zorgplicht toe te passen.
Gebiedsbescherming
Afstand tot
Ingreep verstorend
Vergunning plichtig
Natura 2000 Programmatische aanpak Stikstof (PAS) Natuur Netwerk Nederland Leefgebied open grasland
6.130 m N.v.t. 1.200 m 140 m
Nee n.v.t. Nee Nee
Nee Nee Nee Nee
Opmerkingen
Geen feitelijke wijziging van situatie
Overige relevante zaken N.v.t.
17
18
BIJLAGEN
BIJLAGE 1. Verantwoording ecologische deskundigheid - Bui-TeGewoon, groenprojecten Definitie deskundig ecoloog (Bron: Dienst Regelingen, van het Ministerie van Economische zaken). Het ministerie van Economisch zaken, verstaat onder een deskundige een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soort specifieke ecologie. De ervaring en kennis moet zijn opgedaan doordat de deskundige: Op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of Op MBO niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt de Flora- en faunawet, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of Als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau wat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of Zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, de Landschappen, Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of Zich
aantoonbaar actief inzet voor op het gebied voor soortenmonitoring en/of bescherming.
Verantwoording deskundigheid Bui-TeGewoon, groenprojecten. De ecologische begeleiding namens de opdrachtgever is uitbesteed aan bureau Bui-TeGewoon, groenprojecten. Vanuit dit bureau zullen de werkzaamheden worden gecoördineerd en het ecologisch deel worden uitgevoerd door de heer R.J.S. Terlouw. Terlouw heeft specialisatie ontwikkeld in inrichting en beheer van natuur en landschap in het algemeen. Ten opzichte van flora en fauna heeft Terlouw kennis van vrijwel het gehele soortspectrum, waarbij specialisatie is ontwikkeld in vogels, amfibieën, zoogdieren en ongewervelden. Terlouw is aangesloten bij o.a. SOVON, Vogelbescherming Nederland, RAVON, VZZ, KNNV, EIS Nederland en Stichting Partner. Voor deze organisaties is hij actief als vrijwilliger, waarvan voor SOVON gedurende 26 jaar een districtscoördinatorschap is vervuld. Vanuit zijn basisprofessie als medewerker van het toenmalige ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en een dienstverband van 22 jaar als regiohoofd bij de Stichting het Zuid-Hollands Landschap heeft hij vanaf 1988 kennis opgedaan m.b.t. natuurbeheer en inrichting van natuurterreinen. Sedert 2012 voert Terlouw een zelfstandig ecologisch advies- en onderzoeksbureau waarvoor inmiddels voor meer dan vijftig opdrachtgevers opdrachten zijn uitgevoerd. Administratieve taken rondom de ecologische begeleiding worden verzorgd door mevrouw A.
Buisman van Bui-TeGewoon, groenprojecten. Buisman heeft ruim 10 jaar ervaring in administratie, verpachting, kartografie en bureaustudies in natuur en landschap gerelateerde projecten, die zijn opgedaan tijdens een dienstverband bij de Stichting Het ZuidHollands Landschap. Buisman is aangesloten en actief als vrijwillig inventarisatiemedewerker bij o.a. SOVON, voor welke organisatie zij 11 jaar als assistent districtscoördinator heeft opgetreden. Buisman is als mede-eigenaar verbonden aan Bui-TeGewoon, groenprojecten.
19
20
BIJLAGE 2. Beknopte levering NDFF
21
IN OPDRACHT VAN:
22