Bijlage 3 ruimtelijke onderbouwing.pdf
Tekst van het document
Krimpenerwaard
Veldschuur Middelblok 141 Gouderak RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
© Rho Adviseurs bv Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Veldschuur Middelblok 141 Gouderak Krimpenerwaard
ruimtelijke onderbouwing
identificatie
planstatus
projectnummer
datum:
status:
44001706.20200714
28-07-2020 09-12-2021
concept definitief
projectleider r:
drs. W. Kraaijeveld
Weena 505
aangesloten bij:
RBOI - Rotterdam postbusbv150 Delftseplein 27b 3000 AD Rotterdam Postbus 150 T: 010-20 18 555 3000 AD Rotterdam telefoon (010) E-mail: 201 85info@rho.nl 55 E-mail: info@rboi.nl
Inhoudsopgave
Ruimtelijke onderbouwing
4
Hoofdstuk 1
Inleiding
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Ligging projectgebied
5
1.3
Geldend bestemmingsplan
6
1.4
Leeswijzer
6
Planbeschrijving
7
2.1
Huidige situatie projectgebied
7
2.2
Beoogde ontwikkeling
8
Ruimtelijk beleidskader
13
3.1
Inleiding
13
3.2
Rijksbeleid
13
3.3
Provinciaal beleid
16
3.4
Gemeentelijk beleid
24
Toetsing aan de omgevingsaspecten
26
4.1
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
26
4.2
Bodem
26
4.3
Water
27
4.4
Luchtkwaliteit
30
4.5
Verkeer en parkeren
32
4.6
Geluid
32
4.7
Externe veiligheid
32
4.8
Bedrijven en milieuhinder
33
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
34
4.10
Ecologie
35
4.11
Kabels en leidingen
38
4.12
Niet gesprongen explosieven
38
Uitvoerbaarheid
39
5.1
Economische uitvoerbaarheid
39
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
39
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Bijlagen
2/47
41
Bijlage 1
Memo stikstof
43
Bijlage 2
Quickscan Wnb
45
Bijlage 3
Nader onderzoek huiszwaluw
47
3/47
Ruimtelijke onderbouwing
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Aan het Middelblok 141 te Gouderak bevindt zich het bedrijf T. van der Vlist B.V. Dit bedrijf heeft als activiteiten de verkoop, verhuur, reparatie en transport van kraan- en werktuigen. Momenteel staan veel van de kraan-werktuigen buiten op het terrein opgesteld. Niet alle machines beschikken over een dichte cabine, waardoor er de noodzaak is om de betreffende machines binnen te stallen. Omdat er in de omgeving geen alternatieve locaties zijn met de gewenste footprint, beoogt T. van der Vlist B.V. om een nieuwe veldschuur aangrenzend aan het bedrijf te realiseren. De beoogde ontwikkeling van de agrarische veldschuur past niet binnen de regels van het geldende bestemmingsplan. Om de veldschuur te realiseren is een afwijking van het bestemmingsplan nodig. Dit is mogelijk op grond van artikel 2.1, lid 1 van de Wabo. De beoogde ontwikkeling mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Dit moet worden aangetoond door middel van een ruimtelijke onderbouwing. Deze onderbouwing voorziet hierin.
1.2
Ligging projectgebied
Het projectgebied ligt in de gemeente Krimpenerwaard ten noorden van het dorp Gouderak, aan het Middelblok 141. Het Middelblok vormt de verbinding tussen Gouderak en Gouda en ligt langs de Hollandsche IJssel. Het projectgebied grenst aan de zuidoostzijde van het bedrijventerrein wat zich uitstrekt langs de Hollandsche IJssel. De achterzijde van het projectgebied grenst aan het open veenweidegebied van de Krimpenerwaard.
Figuur 1.1: Ligging projectgebied (bron: Kadaster, 2019)
5/47
1.3
Geldend bestemmingsplan
Ter plaatse van het projectgebied geldt het bestemmingsplan 'Natuurgebieden Veenweiden Krimpenerwaard'. Het projectgebied ligt binnen de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden' zonder bouwvlak en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6'. Daarnaast ligt de gebiedsaanduiding 'Geluidszone - Industrie' binnen het projectgebied. Naast bovengenoemd bestemmingsplan is het paraplubestemmingsplan Parkeren Krimpenerwaard van toepassing.
Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan ter plaatse van het projectgebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl) De beoogde ontwikkeling is strijdig met het vigerende bestemmingsplan, zowel de functie als bouwmogelijkheden. Binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden' zijn geen bedrijven mogelijk, met uitzondering van agrarische bedrijven. Daarnaast zijn gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan.
1.4
Leeswijzer
Inhoud
Waar in dit document?
Beschrijving van de huidige en beoogde situatie van het projectgebied.
Hoofdstuk 2
Toetsing aan de beleidskaders en omgevingsaspecten.
Hoofdstuk 3 en 4
Beschrijving van de economische- en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project.
Hoofdstuk 5
6/47
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie projectgebied
De kern Gouderak en het zuiden van Gouda zijn verbonden door middel van het Middelblok (straat). Aan het Middelblok ligt voor het grootste deel aan weerszijden lintbebouwing. De lintbebouwing wordt functioneel gekarakteriseerd als een gemengd gebied met bedrijven en woningen. De woonfunctie is aanwezig over bijna de gehele lengte van het lint. Achter het lint ligt aan de westzijde de Hollandsche IJssel en aan de oostzijde ligt het veenweidegebied van de Krimpenerwaard. Krimpenerwaard Het veenweidelandschap van de Krimpenerwaard heeft belangrijke cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Deze waarden bestaan onder andere uit het unieke verkavelings- en slotenpatroon en de openheid van het landschap. Door het in 2019 vastgestelde bestemmingsplan 'Natuurgebieden Veenweiden Krimpenerwaard' beoogt de gemeente om natuurontwikkeling plaats te laten vinden. Ter hoogte van het Middelblok moet de inrichting ten behoeve van natuurontwikkeling nog plaatsvinden. Ter plaatse van het projectgebied zijn de gronden bestemd als 'Agrarisch met waarden'. Op circa 15 meter afstand ligt het natuurgebied de Krimpenerwaard als onderdeel van Natuurnetwerk Nederland. Bedrijventerrein Middelblok Groot Het projectgebied grenst direct aan bedrijventerrein Middelblok Groot in Gouderak. Dit bedrijventerrein kent haar oorsprong in 1953.
De bedrijven binnen het bedrijventerrein Middelblok Groot bevinden zich voornamelijk in de sectoren: zakelijke diensten, gezondheid, industrie en bouw.
Figuur 2.1: Ligging bedrijventerrein Middelblok Groot (bron: IBIS Bedrijventerreinen)
7/47
Projectgebied Het beoogde project betreft de bouw van een nieuwe veldschuur bij het bedrijf T. van der Vlist. Het projectgebied grenst direct aan het bedrijf. T. van der Vlist is een bedrijf met als activiteiten de verkoop, verhuur, reparatie en transport van kraan- en werktuigen. Zoals op de onderstaande figuur te zien is, beschikt het bedrijf over drie schuren en een bedrijfswoning. Verder beschikt het bedrijf over een grote oppervlakte aan verharding waar kraan- en werktuigen in de open lucht worden gestald.
Figuur 2.2: Luchtfoto projectgebied (bron: tvdvlist.nl)
Figuur 2.3: Huidige situatie projectgebied (bron: IDDS)
2.2
Beoogde ontwikkeling
Het bedrijf T. van der Vlist wil voor de stalling van machines een veldschuur bouwen aan de zuidwestzijde van het perceel. De machines van T. van der Vlist worden momenteel voor het grootste gedeelte buiten op het terrein gestald, maar voor machines zonder een gesloten cabine is het gewenst om deze overdekt te kunnen stallen. Voor een betere bedrijfsvoering is er daarom een nieuwe veldschuur beoogd. Door het stallen van de machines in de schuur, staat er maar een klein deel van de machines buiten en ziet het buitenterrein er verzorgd uit.
8/47
De beoogde schuur beschikt over een bouwhoogte van circa 10 meter, is 22 meter breed en circa 72,5 meter lang. De achterbouwgrens van de nieuwe schuur ligt op gelijke hoogte met de bestaande veldschuur. Naast de locatie van de nieuw te bouwen schuur ligt momenteel een bedrijfswoning (figuur 2.3). Deze bedrijfswoning zal gesloopt worden om ruimte te bieden voor het in het uit rijden van machines in de nieuwe veldschuur. Het slopen van de bedrijfswoning zorgt er tevens voor dat het buiterrein er overzichtelijk en opgruimd oogt.
Figuur 2.3: Te slopen bedrijfswoning. Rechts daarvan is de nieuwe veldschuur beoogd. (bron: IDDS)
Figuur 2.4: Zijaanzicht-links veldschuur (bron: houtman aannemingsbedrijf)
9/47
Figuur 2.5: Plattegrond beoogde ontwikkeling inclusief aanleg watergangen (bron: houtman aannemingsbedrijf) Landschappelijke inpassing Bij het ontwerp van de schuur is rekening gehouden met het omliggende landschap van de Krimpenerwaard. Zoals te zien is in figuur 2.6 loopt de schuur vanuit het hoogste punt (circa 10 meter) af naar een hoogte van 4,5 meter aan de zuidzijde waar de schuur naast een watergang ligt. De schuur bestaat aan de onderkant van de gevel voor een klein deel uit metselwerk, waarna het overgaat in horizontale potdeksel beplanting. Deze materiaalkeuze zorgt voor een landelijke uitstraling. Om het beeld vanaf de Krimpenerwaard op de schuur te minimaliseren en om daarmee te zorgen voor een goede landschappelijke inpassing wordt het perceel afgescheiden door een bomenrij in de vorm van een beukenhaag. Deze beukenhaag schikt zich in lijn met de karakteristieke structuur van het veenweidelandschap. Het zicht op de schuur valt aan de zijden van de Krimpenerwaard voor een groot deel weg achter de aan te planten bomenrij. Het zicht op de schuur is gevisualiseerd in figuur 2.6 en 2.7. In de bestaande situatie is er een Hedera klimop afscheiding. Een beuk is meer bladhoudend en zorgt daarmee voor een betere afscheidende werking.
10/47
Figuur 2.6: Visualisatie landschappelijke inpassing veldschuur (bron: houtman aannemingsbedrijf)
Figuur 2.7: Visualisatie landschappelijke inpassing veldschuur (bron: houtman aannemingsbedrijf) Conclusie Er wordt geconcludeerd dat de uitbreiding van het bedrijf T. van der Vlist middels de bouw van een nieuwe veldschuur een wenselijke ontwikkeling. De uitbreiding van het bedrijf is noodzakelijk voor een betere bedrijfsvoering zodat machines binnen gestald kunnen worden. In hoofdstuk 3 is aangetoond dat de beoogde ontwikkeling niet in strijd is met rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. De vergroting van een perceel zorgt niet voor een wezenlijke verandering in het gebied. Er is sprake van ruimtelijke kwaliteit door een goede landschappelijke inpassing. Op de andere bestaande bedrijventerreinen is geen ruimte voor een bedrijf van deze omvang. In de huidige situatie is er direct zicht op de machines. De ontwikkeling zorgt ervoor dat een groot deel van de machines binnen gestald kunnen worden en dat dit landschappelijk ingepast wordt middels het aanleggen van een bomenstructuur die het zicht op het bedrijf zo veel mogelijk ontneemt.
11/47
12/47
Hoofdstuk 3 3.1
Ruimtelijk beleidskader
Inleiding
In dit hoofdstuk is de ontwikkeling getoetst aan het relevante beleidskader van rijk, provincie en gemeente.
3.2
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Barro Het rijksbeleid voor de ruimtelijke ordening is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). In de SVIR, in werking getreden op 13 maart 2012, schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het Rijk laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies en kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk voor de resultaten. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt niet alleen regels met betrekking op de 13 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, maar stelt ook regels die in bestemmingsplannen moeten worden opgenomen. Bij dit project zijn geen nationale belangen in het geding. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro) Ieder bestemmingsplan dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, moet een verantwoording bevatten van de ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6. lid 2 Bro). De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik.
Hieronder is de behoefte en de locatiekeuze van de beoogde ontwikkeling beschreven. Wel of geen stedelijke ontwikkeling De ladder is van toepassing als een plan wordt aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Of er sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit jurisprudentie blijkt dat het toevoegen van meer dan 500 m² bedrijventerrein kan worden gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bestaand stedelijk gebied In de algemene bepalingen van het Besluit ruimtelijke ordening (1.1.1 lid 1 onder h) is de volgende definitie opgenomen voor bestaand stedelijk gebied: “bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur”. De locatie heeft nu een agrarische bestemming en is geen onderdeel van het bestaand stedelijk gebied. Daarom is hierna de behoefte beschreven en gemotiveerd waarom niet binnenstedelijk in die behoefte kan worden voorzien.
13/47
Beschrijving behoefte Het betreft in dit geval de concrete uitbreidingsbehoefte van een bestaand bedrijf. Voor een betere bedrijfsvoering is binnenstalling van materieel noodzakelijk. Dit is niet mogelijk op het huidige bedrijfsperceel. Daarom is een uitbreiding aan de zuidwestzijde beoogd. Het huidige perceel dat in gebruik is door het bedrijf, heeft een oppervlakte van circa 18.000 m2. De uitbreidingsbehoefte betreft circa 2.000 m2. Motivering locatiekeuze Een groot deel van het bedrijf is aangemerkt als bedrijventerrein. In dit geval wordt aansluitend aan bestaand bedrijventerrein uitgebreid. Voor de bedrijfsvoering is een tweede kavel op afstand van het huidige bedrijf niet realistisch. Verplaatsing van het gehele bedrijf is financieel niet haalbaar. Toch is onderzocht of er in theorie geschikte bedrijfsruimte beschikbaar is op een bedrijventerrein in de regio. De ruimtebehoefte van het bedrijf inclusief de noodzakelijke uitbreidingsruimte is circa 20.000 m2. Om te bepalen of er geschikte ruimte binnen bestaand bedrijventerrein is, is de behoefte aan bedrijventerrein onderzocht en is onderzocht of er geschikte kavels beschikbaar zijn. De behoefte aan bedrijventerrein in Zuid-Holland is onderzocht en de resultaten zijn opgenomen in het Programma Ruimte (zie paragraaf 3.3).
Hieruit blijkt dat er op de bedrijventerreinen in Zuid-Holland onvoldoende ruimte is om te kunnen voorzien in de totale behoefte binnen Krimpenerwaard. Beschikbare kavels Het beschikbare aanbod aan bedrijventerrein wordt bijgehouden in de provinciale Monitor bedrijventerreinen. https://atlas.zuid-holland.nl/GeoWeb54/index.html?viewer=Monitor_Bedrijventerreinen
14/47
Uitgeefbaar bedrijventerrein in de regio Hieruit blijkt dat er geen aanbod is op bedrijventerrein Middelblok Groot. Dit terrein is geheel uitgegeven. In de hele regio is vrijwel geen aanbod aan bedrijventerrein. Het enige beschikbare aanbod in de omgeving ligt in de gemeente Zuidplas (Gouwepark) en in Waddinxveen (Distripark A12). Op Gouwepark is volgens de monitor nog 12 hectare uitgeefbaar. Volgens de website zijn op dit moment echter nog slechts drie kavels beschikbaar met een oppervlaktes van circa 4.000, 7.000 en 7.300 m2. Deze kavels zijn te klein voor verplaatsing van het gehele bedrijf. Op Distripark A12 is volgens de monitor 5 hectare uitgeefbaar. Op Funda In Business worden nog twee kavels aangeboden (ca 10.200 m2 en 13.700m2). Ook deze kavels zijn te klein. Uit de inventarisatie blijkt dat er voor het geheel verplaatsen van dit bedrijf geen mogelijkheden beschikbaar zijn. Met uitbreiding aangrenzend aan bestaand bedrijventerrein is dan sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Conclusie rijksbeleid Het plan is niet in strijd met het rijksbeleid.
15/47
3.3
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerd 2019) Toekomstbestendige bedrijventerreinen die de vitaliteit van het bedrijfsleven versterken De provincie streeft naar een kwantitatief en kwalitatief evenwicht in vraag en aanbod van bedrijventerreinen op regionaal en bovenregionaal schaalniveau. Daarbij wordt ingezet op beter benutten en duurzaam functioneren van bestaande bedrijventerreinen en op het behoud van voldoende ruimte voor bedrijven in hogere milieucategorieën en watergebonden bedrijven. Met het bedrijventerreinenbeleid wordt een bijdrage geleverd aan twee ambities van de provincie: Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Bedrijventerreinen vormen een belangrijke voorwaarde voor de Zuid-Hollandse economie. De schaarse ruimte moet zo efficiënt mogelijk worden benut met aandacht voor kwaliteit. Kwalitatief goede bedrijventerreinen zijn nodig voor een optimaal vestigingsklimaat voor het gehele Zuid-Hollandse bedrijfsleven. Daarvoor zijn drie beleidslijnen aangehouden: Het op lange termijn in evenwicht brengen van de vraag naar en het aanbod van bedrijventerreinen Het beter benutten van bestaande, kwalitatief goede bedrijventerreinen en het ontwikkelen van nieuwe locaties die kwalitatief toegevoegde waarde hebben ten opzichte van de bestaande voorraad.
Het verduurzamen van bedrijventerreinen waarbij ze zich tevens voorbereiden op toekomstige ontwikkelingen. Op bedrijventerreinen bevindt zich grofweg een derde van de werkgelegenheid. Het is van belang om een goede kwalitatieve en kwantitatieve balans te vinden tussen vraag en aanbod zodat ondernemers kunnen worden geaccommodeerd. Daarnaast hebben bedrijventerreinen een grote, ruimtelijke impact. Door het beter benutten van bedrijventerreinen kan onnodige uitleg voorkomen en blijft het gebied vrij. Tot slot kunnen bedrijventerreinen een bijdrage leveren aan energie- en klimaatopgaven. Toetsing De beoogde uitbreiding draagt bij aan een betere balans tussen vraag en aanbod. Op de bestaande bedrijventerreinen is onvoldoende ruimte om te kunnen voorzien in de uitbreidingsruimte van dit bedrijf. Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, zoals benoemd op de kwaliteitskaart en uitgewerkt in richtpunten.
Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). Toetsing Het projectgebied is op de verschillende lagen als volgt aangemerkt:
16/47
Laag van de ondergrond Richtpunt voor het rivierdeltacomplex – rivierklei en veen is: Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar. In dit geval is sprake van een diep perceel vanaf de oeverwal in het veenweidegebied. Deze diepte wordt met de uitbreiding niet groter. Het bedrijfsperceel wordt met de uitbreiding overal even diep. Veel linten op de oeverwallen kenmerken zich door een afwisseling van diepe en minder diepe percelen die de komgronden insteken.
Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Richtpunten voor het veenweidelandschap zijn: Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden. Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders. Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.
17/47
De ontwikkeling volgt het verkavelingspatroon van het veenweidegebied met lange smalle percelen, haaks op het lint. De weidsheid wordt niet verder aangetast, het bedrijfsperceel wordt niet dieper. Wel wordt een deel van de lengtesloot gedempt. De demping van de sloot wordt middels de aanleg van nieuwe sloten gecompenseerd. Daarnaast vanwege het aanzicht op grotere afstand op een opstel met een agrarische uitstraling wordt het perceel landschappelijk ingepast.
Laag van de stedelijke occupatie Een deel van het bedrijfsperceel is aangemerkt als 'watergebonden bedrijventerrein'. Watergebonden werkgebieden zijn een zeer karakteristiek Zuid-Hollands fenomeen. De kleinere natte bedrijventerreinen zijn gekoppeld aan binnenvaartwater. (rijks- en provinciale vaarwegen) Hier is het industriële en logistieke karakter en de relatie landwater bepalend voor de karakteristiek. De relatie tussen functie en vorm is duidelijk zichtbaar. Bij ontwikkelingen wordt gezorgd voor een versterking van de relatie tussen vaarwegen en watergebonden werkgebieden. Het betreffende bedrijfsperceel grenst echter niet aan de Hollandsche IJssel (buitendijks) maar ligt geheel aan de binnenzijde van de dijk. Er wordt gewerkt aan een gepaste overgang tussen terrein en omgeving en het benutten van de milieuruimte zonder hinder voor de omgeving. Relevante richtpunten: Ontwikkelingen op en rond natte bedrijventerreinen sluiten aan bij het industriële en logistieke landwaterkarakter en dragen bij aan een gepaste overgang tussen terrein en omgeving. Omgeving en het benutten van de milieuruimte zonder hinder voor de omgeving. In dit geval wordt aangesloten bij de richtpunten van het veenweidegebied, omdat de uitbreiding direct grenst aan het binnendijks gelegen deel van het bedrijventerrein Middelblok-Groot.
18/47
Laag van de beleving Richtpunten voor het natuurgebied ten zuiden van het projectgebied zijn: Ontwikkelingen behouden of herstellen de wezenlijke natuurkenmerken en waarden van een gebied. Toegankelijkheid en gebruik zijn in evenwicht met de ecologische draagkracht ter plaatse. Toetsing Het projectgebied grenst direct aan een natuurgebied maar maakt hier geen onderdeel van uit. Bij de landschappelijke inpassing wordt rekening gehouden met de natuurwaarden van het weidevogelgebied. Omgevingsverordening Zuid-Holland (2019) In samenhang met de omgevingsvisie en het Programma Ruimte is de Omgevingsverordening opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Voor de ontwikkeling van het plangebied is onderstaande van toepassing. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b.
als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.
19/47
2. Uitzonderingen vanwege beschermingscategorieën zijn a. een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder b en c gestelde voorwaarden; b. een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonderde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder c gestelde voorwaarden. 3. Aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn a. de aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van): 1. duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen en/of boom- en sierteelt; 2. wegnemen van verharding; 3. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; 4. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert. b.
de onder a genoemde maatregelen worden in beginsel getroffen binnen hetzelfde plangebied als de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat niet mogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen elders in de motivering inzake ruimtelijke kwaliteit worden betrokken; c. in afwijking van onder b kan het bevoegd gezag in plaats van het treffen van ruimtelijke maatregelen een (gedeeltelijke) financiële compensatie verlangen door middel van een storting in een kwaliteitsfonds, dat is ingesteld op basis van de door provinciale staten vastgestelde regeling voor kwaliteitsfondsen, mits de daadwerkelijke uitvoering van de compenserende ruimtelijke kwaliteitsmaatregelen afdoende is verzekerd. 4. Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in het eerste lid bevat een beeldkwaliteitsparagraaf, waarin het effect van deze ontwikkeling op de bestaande kenmerken en waarden wordt beschreven en waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft, voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling: a. waarbij de richtpunten van de kwaliteitskaart in het geding zijn; of b. die is gelegen op gronden binnen een beschermingscategorie als bedoeld in het tweede lid, onder a en b.
5 tm 7 NVT Toetsing Omdat de beoogde uitbreiding niet is aangemerkt als bedrijventerrein, is in dit geval sprake van transformatie. Echter beschikt het terrein niet over bijzondere beschermingscategorie en is er sprake van een uitbreiding van het bestaande bedrijfsperceel waarbij dit landschappelijk wordt ingepast.
20/47
Uitsnede kaart beschermingscategorieën In het gebied gelden geen bijzondere beschermingscategorieën. Aanvullende maatregelen zijn een goede landschappelijke inpassing en een gebouwvorm die past in de landelijke omgeving. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op beeldkwaliteit en inpassing. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 2. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 3. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 4.
Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Toetsing De behoefte is beschreven in paragraaf 3.2. De uitbreiding beslaat 0,4 hectare waardor het totale bedrijfscomplex een totale oppervlakte van 2 hectare heeft. De uitbreiding is daarmee ruim kleiner dan 3 hectare. Artikel 6.12 Bedrijven 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein laat bedrijven toe uit de hoogst mogelijke
21/47
2. 3.
4.
5.
milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een onherroepelijk bestemmingsplan of het Programma Ruimte. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een watergebonden bedrijventerrein laat in hoofdzaak watergebonden bedrijven toe. Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan in beperkte mate voorzien in nieuwe woningen, bedrijfswoningen en andere functies op delen van een bedrijventerrein, voor zover dit niet in strijd is met het eerste lid. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bestaand bedrijventerrein als bedoeld in het eerste lid of het tweede lid en dat gehele of gedeeltelijke transformatie naar een andere bestemming dan bedrijven mogelijk maakt, verantwoordt in de toelichting op welke wijze binnen de regio compensatie van bedrijventerrein zal plaatsvinden. Compensatie als bedoeld in het vierde lid, kan achterwege blijven, indien: a. het een bestaand niet-watergebonden bedrijventerrein met ten hoogste milieucategorie 3 en een oppervlakte van minder dan 1 ha betreft; of b. regionale afstemming heeft plaatsgevonden en hieruit is gebleken dat na transformatie voldoende bedrijventerrein in de regio beschikbaar zal blijven afgezet tegen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte.
Toetsing De uitbreiding grenst aan een bestaand bedrijventerrein. Programma Ruimte en Mobiliteit (geconsolideerde versie 2019) Een deel van het bedrijfsperceel is aangemerkt als bedrijventerrein.
Uitsnede kaart strategie voor bedrijventerreinen
22/47
In totaal kent Zuid-Holland bijna 600 bedrijventerreinen met ruim 11.000 ha bruto verspreid over de regio's, dit is exclusief zeehaventerreinen. Onderzoeken tonen aan dat ruim 1/3 van de werkgelegenheid is gevestigd op deze bedrijventerreinen. Ook dragen de bedrijventerreinen voor ruim 30% bij aan het Bruto Regionaal Product. Daarmee vormen de bedrijventerreinen een belangrijke voorwaarde voor de Zuid-Hollandse economie. De schaarse ruimte moet zo efficiënt mogelijk worden benut met aandacht voor kwaliteit. Kwalitatief goede bedrijventerreinen zijn nodig voor een optimaal vestigingsklimaat voor het gehele Zuid-Hollandse bedrijfsleven. Het op lange termijn in evenwicht brengen van de vraag naar en het aanbod van bedrijventerreinen is een belangrijk uitgangspunt voor het bedrijventerreinenbeleid. Het gaat om een combinatie van het beter benutten van bestaande, kwalitatief goede bedrijventerreinen en het ontwikkelen van nieuwe locaties die kwalitatief toegevoegde waarde hebben ten opzichte van de bestaande voorraad. Behoefte bedrijventerrein De uitbreidingsvraag is primair alleen berekend op het niveau van de bestuurlijke regio's Holland Rijnland, MiddenHolland, MRDH en Zuid-Holland Zuid. In de raming die specifiek voor de regio's is opgesteld, is ook een onderverdeling naar sub-regio te vinden, waarmee de regio zelf de verdieping kan opstellen.
De uitbreidingsvraag is beleidsarm en de resultaten zijn als volgt:
Uitbreidingsvraag (2016-2030) naar oriëntatietype, netto ha (Stec groep, 2016) In Midden-Holland is de grootste behoefte aan regulier gemengd bedrijventerrein.
Vraag-aanbodconfrontatie per regio (Stec groep, 2017) De uitbreidingsvraag in Midden-Holland is minimaal 142 ha. Het harde planaanbod is met circa 105 ha onvoldoende om invulling te geven aan deze behoefte. Daarom moet bestaand bedrijventerrein optimaal worden benut en is er behoefte aan het toevoegen van bedrijfsruimte in aansluiting hierop. In de Behoefteraming bedrijventerreinen Midden-Holland (2017 is aangegeven dat veel planaanbod kleinere kavels betreft op reguliere bedrijventerreinen verspreid door de hele regio. Voor de uitbreidingsvraag uit het reguliere
23/47
gemengde segment is dit aanbod veelal kwalitatief prima geschikt. Ook kwantitatief lijkt er ruim voldoende beschikbaar voor dit segment. Wel constateren we dat op lokaal of subregionaal niveau sprake zijn van een mismatch. Zo zijn er gemeenten binnen Midden-Holland waar geen aanbod beschikbaar is, of enkel geconcentreerd op regionale terreinen met veelal een meer grootschaliger/logistiek profiel. In deze gemeenten kunnen mogelijk wel sterk lokaal gewortelde bedrijven zitten die doorgroeien en daarbij niet kunnen of willen verplaatsen. Toetsing De wijziging naar een bedrijfsbestemming is in overeenstemming met het (provinciale) Programma Ruimte, waarin het huidige bedrijfsperceel deels is aangewezen als bedrijventerrein. In de behoefteraming wordt geconstateerd dat de aanwezige ruimte is verspreid over kleine kavels. Er zijn geen kavels van 2 hectare beschikbaar. Conclusie provinciaal beleid De uitbreiding van het bedrijf is niet in strijd met provinciaal beleid. De vergroting van een perceel zorgt niet voor een wezenlijke verandering in het gebied. Er is sprake van ruimtelijke kwaliteit door een goede landschappelijke inpassing. Op de andere bestaande bedrijventerreinen is geen ruimte voor een bedrijf van deze omvang.
3.4
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Krimpenerwaard Op 14 juli 2021 is de Omgevingsvisie vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Krimpenerwaard. In de Omgevingsvisie heeft de gemeente vastgelegd welke toekomstige ontwikkelingen ze zien voor de leefomgeving. Deze visie geeft richting aan ruimtelijk-maatschappelijke ambities en opgaven. De Omgevingsvisie gaat in op de verschillende gebieden binnen de gemeente. Het projectgebied aan het bedrijventerrein in Gouderak ligt binnen het gebied 'IJsselstreek': Traditioneel, agrarisch en saamhorig De IJsselstreek is het gebied rond de Hollandsche IJssel, die ten oosten van Haastrecht de Krimpenerwaard binnen stroomt. Langs de Hollandsche IJssel liggen de kernen Haastrecht, Gouderak, Ouderkerk aan den Ijssel, de buurtschappen Boven-Haastrecht, Beneden-Haastrecht, Stolwijkersluis, Lageweg en een aantal bedrijventerreinen. Ook de polders langs de Hollandsche IJssel horen bij dit deelgebied. Het deel tussen Krimpen aan den IJssel en Gouda heeft een ander karakter dan het deel tussen Gouda en Oudewater. Kansen IJsselstreek Maak bij ontwikkelingen gebruik van het lokale erfgoed en de lokale geschiedenis; Benut gebieden zoals Veerstalblok, met een goede ontsluiting nabij provinciale wegen, voor ontwikkeling van werkgebieden.
Dit geeft ruimte om bestaande bedrijvigheid op slecht ontsloten locaties te verplaatsen; Sluit aan op het landelijke en kleinschalige karakter van het bebouwingslint; Uitzicht op het landschap vanaf de wegen op de dijken en vanuit de kernen zoveel mogelijk behouden; Het karakter van de Hollandsche IJssel als dynamische getijdenrivier beleefbaar maken en versterken;
24/47
Herkenbaar houden van het verschil tussen het binnendijkse en het buitendijkse landschap; Combineer mogelijkheden voor recreatie met het karakteristieke landschap; Het bebouwingslint benutten als bijzonder woonmilieu.
Toetsing en conclusie Intensivering op bedrijventerrein Middelblok heeft geen extra ruimte opgeleverd voor uitbreiding van bedrijven. Daarom wordt aansluitend aan het bestaande bedrijf uitgebreid. De ontwikkeling is van een dermate geringe impact dat het zowel geen invulling geeft aan de kansen binnen de IJsselstreek als afbreuk doet aan de bestaande kwaliteiten.
25/47
Hoofdstuk 4 4.1
Toetsing aan de omgevingsaspecten
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of merbeoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: 1. de kenmerken van de projecten; 2. de plaats van de projecten; 3. de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie Er is in het Besluit m.e.r. geen categorie opgenomen voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van bedrijfsgebouwen. Ook in de Europese richtlijn wordt deze activiteit niet aangewezen als activiteit waarvoor beoordeeld moet worden of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. De ontwikkeling wordt niet beoordeeld als een stedelijke ontwikkeling en komt derhalve niet voor in het Besluit m.e.r., een m.e.r beoordeling of m.e.r plicht is niet aan de orde.
4.2
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig gesaneerd dient te worden dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet in een functiewijziging. De gronden hebben momenteel een agrarische bestemming. De ontwikkeling betreft de realisatie van een bedrijfsgebouw waarin een groot aantal voertuigen geparkeerd worden die nu buiten op het terrein staan. Hier zullen mensen niet langer dan 2 uur per dag verblijven. Derhalve is de bodemkwaliteit geschikt voor het bedrijfsgebouw.
26/47
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Wel is voor de aanvraag omgevingsvergunning voor het aspect bouwen een recent bodemonderzoek noodzakelijk. Bij de uitvoering dient rekening te worden gehouden met mogelijk te treffen saneringsmaatregelen ter plaatse van de geplande nieuwbouw.
4.3
Water
Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het projectgebied ligt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit plan is overleg gevoerd met de waterbeheerder, de opmerkingen zijn vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap nader wordt behandeld.
Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal Provinciaal Waterplan Omgevingsvisie Zuid-Holland Omgevingsverordening Zuid-Holland Hoogheemraadschapsbeleid Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan 2016-2021 'Met mensen en water', de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers. Het waterbeheerplan bevat de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard. Met het nieuwe Waterbeheerplan staat het HHSK voor een doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. Per 1 januari 2016 is de geactualiseerde Keur in werking getreden. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben.
27/47
Huidige situatie Het projectgebied ligt niet binnen een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit eerdgronden (lichte klei). Er is sprake van grondwatertrap II. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) dieper dan 40cm onder het maaiveld ligt. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt tussen de 50cm en 80cm onder het maaiveld. Waterkwantiteit Uit de Watertoets blijkt dat er ter plaatse van de ontwikkeling een watergang loopt (zie figuur 4.1). Volgens aanvullende informatie uit de Legger van het Hoogheemraadschap blijkt dat het gaat om een 'overige watergang' zonder beschermde status.
Figuur 4.1 uitsnede legger hoogheemraadschap, ligging projectlocatie (paars kader) Veiligheid en waterkeringen Volgens de Legger is de Middelblok aangewezen als primaire waterkering. Het projectgebied ligt niet binnen de kernof beschermingszone van de waterkering. Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het projectgebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Verder bevinden zich tevens geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Afvalwaterketen en riolering Het projectgebied is in de huidige situatie aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel, bestaande uit een gemengd stelsel. In het projectgebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap. Toekomstige situatie Waterkwantiteit De realisatie van de veldschuur leidt tot een toename van het verhard oppervlak van circa 1.700 m2. Uit de Watertoets blijkt dat voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen met een verhardingstoename (< 500 m2) geen
28/47
compensatie nodig is, volgens HHSK hebben kleine plannen een gering effect op de waterhuishouding. Gelet op het bovenstaande dient er compensatie plaats te vinden voor de toename van het verhard oppervlak in de vorm van nieuw te realiseren wateroppervlak. De initiatiefnemer is in overleg met het Hoogheemraadschap overeengekomen dat 2 nieuwe sloten worden aangelegd en dat er gebruikt wordt gemaakt van beton i.p.v. prefabbeton platen. Eén nieuwe sloot wordt aangelegd in het verlengde van een bestaande dwarssloot aan de achterzijde van het perceel. De tweede sloot wordt haaks op de sloot ten zuiden van de beoogde veldschuur aangelegd. Zie de rode contouren op figuur 4.2. De twee aan te leggen sloten beschikken samen over een oppervlakte van (88 + 337,5) 425,5 m2.
Figuur 4.2 Watercompensatie door middel van aanleg 2 nieuwe sloten Veiligheid en waterkeringen Het projectgebied ligt niet binnen de kern- of beschermingszone van de waterkering. De ontwikkeling heeft derhalve geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend Hoogheemraadschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet wordt afgevoerd naar een rioolzuiveringsinstallatie. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: 4. hemelwater vasthouden voor benutting, 5. (in-) filtratie van afstromend hemelwater, 6. afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, 7. afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.
29/47
De bestaande sloot in de midden van het terrein, waarop het hemelwater wordt geloosd, wordt deels gedempt. Het hemelwater wordt in de nieuwe situatie aan de achtzijde van de veldschuur op de sloot geloosd. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het Hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het Hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Wel is er een vergunning nodig voor het aanleggen van 2 nieuwe dwarssloten.
Als wordt voldaan aan de eisen van het waterschap zijn er geen nadelige gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
4.4
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordenings- praktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven. Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
Uurgemiddelde concentratie
Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:
30/47
1. een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht; 2. een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een veldschuur met een oppervlak van circa 1.600 m 2. Dit aantal valt ruim onder de drempelwaarde van 100.000 m2 bvo die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt voldaan aan de wettelijke eisen voor luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. De dichtstbijzijnde maatgevende weg is de Middelblok. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden liggen. Aangezien direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van de projectlocatie het geval zijn.
Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de maatgevende weg ligt.
Figuur 4.3 Uitsnede NSL-monitoring Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
31/47
4.5
Verkeer en parkeren
Verkeersgeneratie De realisatie van de veldschuur leidt niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. De loods wordt namelijk gerealiseerd om de kraan-werktuigen zonder dichte cabine, die nu buiten op het terrein staan, in de toekomst binnen te kunnen parkeren. Ontsluiting Het projectgebied wordt ontsloten door het Middelblok. Dit is een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom, waar langs woningen, bedrijven en agrarische percelen liggen. Er geldt hier een maximum snelheid van 60 km/h. Middels een T-splitsing wordt het terrein van Van der Vlist B.V. aangesloten op het Middelblok. Conform Duurzaam Veilig deelt het fietsverkeer op het de rijbaan met het gemotoriseerde verkeer. Langs deze weg zijn geen voetpaden aanwezig. Parkeren De realisatie van de veldschuur leidt niet tot een toename aan parkeerbehoefte. De loods wordt namelijk gerealiseerd om de kraan-werktuigen zonder dichte cabine, die nu buiten op het terrein staan, in de toekomst binnen te kunnen parkeren. Conclusie De ontsluiting van het projectgebied is goed. Er is geen verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling is en er zijn geen gevolgen voor het omliggende wegennet. Op eigen terrein is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de bestaande parkeerbehoefte. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.
4.6
Geluid
Op basis van de Wet geluidhinder zijn zones aangewezen langs autowegen en spoorwegen en rondom industrieterreinen. Binnen deze zones gelden beperkingen ter bescherming van (nieuwe) geluidsgevoelige functies. De veldschuur is echter geen geluidgevoelige functie waardoor toetsing aan de Wet geluidhinder niet nodig is. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.
4.7
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.
32/47
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Onderzoek Uit informatie van de professionele risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het projectgebied alleen sprake is van vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen (zie figuur 4.4). Deze buisleiding van de Defensie Pijpleiding Organisatie ligt op circa 230 meter ten zuidoosten van het projectgebied. De leiding heeft geen PR 10-6 contour en het invloedsgebied reikt tot 30 meter. Het projectgebied ligt buiten het invloedsgebied van de leiding, waardoor een berekening van het groepsrisico of de verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk is.
Figuur 4.4 uitsnede professionele risicokaart Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.8
Bedrijven en milieuhinder
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: 1. ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; 2. rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven.
33/47
Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.
Onderzoek en conclusie De ontwikkeling betreft de realisatie van een veldschuur voor het bestaande bedrijf en is en daarmee een milieu hinderende functie. Volgens het vigerende bestemmingsplan zijn ter plaatse bedrijven tot maximaal categorie 2 toelaatbaar. Ter plaatse van het bedrijfsperceel van Van der Vlist geldt tevens de functieaanduiding 'Agrarisch Loonbedrijf', waarmee een milieucategorie 3.1 bedrijf is toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter in een gemengd gebied. De dichtstbijzijnde woningen zijn gelegen langs het Middelblok op een afstand van ruim 100 meter van de beoogde ontwikkelingslocatie. Er wordt ruimschoots aan de richtafstand voldaan. Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van omliggende woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
Toetsingskader De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten.
Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2021 naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is: 1. Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet;
34/47
2. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet. Onderzoek Cultuurhistorie Conform het vigerende bestemmingsplan 'Middelblok' blijkt dat er binnen het projectgebied en in de nabije omgeving geen monumenten aanwezig zijn. Ook maakt het projectgebied geen deel uit van cultuurhistorisch waardevol gebied. Er wordt rekening gehouden met de landschappelijke waarden van de lintbebouwing en het cultuurhistorisch veenweidenlandschap door in het ontwerp aan te sluiten op het bestaande groen, water en de bebouwingsstructuren. Archeologie Conform het vigerende bestemmingsplan kent de locatie van het projectgebied een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 6'. Dit betekent dat bodemingrepen in beginsel verboden zijn zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders. Vanwege het uitvoeren van grondbewerkingen, het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en het graven van een watergang is onderzoek noodzakelijk om aan te tonen dat er geen archeologische waarden worden geschaad. Conclusie In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning wordt archeologisch onderzoek uitgevoerd, indien nodig worden bodemschatten veiliggesteld. Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Ecologie Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
35/47
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: 1. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; 2. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; 3. overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.