Bijlage 3 bij de Toelichting - Ecologisch onderzoek
Tekst van het document
QUICKSCAN Wet Natuurbescherming
QUICKSCAN Wet Natuurbescherming Zuidbroek 138 Bergambacht
Dorpstraat 1 Berkenwoude
IN OPDRACHT VAN
QUICKSCAN Wet Natuurbescherming Dorpstraat 1 Berkenwoude
R.J.S. Terlouw
COLOFON:
© Bui-TeGewoon | groenprojecten ◊ publicatie 2020/47 Ouderkerk aan den IJssel, september 2020 Auteur : R.J.S. Terlouw In opdracht van : Verstoep BV-Schoonhoven Disclaimer: De inhoud van dit rapport is met uiterste zorg samengesteld. De informatie in dit document wordt aangeboden zonder enige garantie. BUI-TEGEWOON | groenprojecten sluit alle aansprakelijkheid uit voor enigerlei directe of indirecte schade, van welke aard dan ook, die voortvloeit uit of verband houdt met het gebruik van dit document. Niets uit dit rapport mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt door middel van drukwerk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder schriftelijke toestemming van BUI-TEGEWOON | groenprojecten en de opdrachtgever, noch zonder toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.
INHOUDSOPGAVE
1]
Inleiding en doel
3.
2]
Locatie plangebied
3.
3]
Doel en centrale vraagstelling
4.
4]
Criteria 4.1. Algemene criteria 4.2. Reikwijdte
5. 5. 5.
5]
Werkwijze
6.
6]
Voorgenomen ontwikkeling
7.
7]
Bureaustudie & veldonderzoek 7.1. Beschermde natuurwaarden 7.2. Effect stikstof 7.3. Beknopte levering NDFF 7.4. Raadpleging overige bronnen 7.5. Locatie bezoek
8. 8. 9. 9. 10. 10.
8]
Beoordeling soortgroepen, beschermde soorten en –situaties 8.1. Algemeen 8.2. Habitat 8.3. Soorten en omstandigheden
12 12. 12. 13.
9]
Conclusie
16.
BIJLAGEN. 1. 2.
Verantwoording ecologische deskundigheid – Bui-TeGewoon | groenprojecten Beknopte levering NDFF
1
2
1]. Inleiding en doel Op de locatie Dorpsstraat 1 te Berkenwoude wordt het wijzigen van de bestaande naar een andere bedrijfsfunctie voorbereid. De contouren van de bestemming worden in beperkte mate aangepast (de bestemming bedrijf wordt niet vergroot) de wijziging heeft tot doel dat de bestemming bedrijf op een meer logische plek komt te liggen. Voorafgaand aan een ruimtelijke procedure is ecologische informatie nodig om de voorgenomen ontwikkeling te onderbouwen. Hiervoor is het noodzakelijk om een QuickScan Wet Natuurbescherming op te stellen. De QuickScan moet inzicht geven in het mogelijk voorkomen van beschermde natuurwaarden op de te ontwikkelen locatie, alsmede of het ontwikkelingsplan effecten heeft op beschermde gebieden binnen de invloedsfeer van de voorgenomen maatregel. Wanneer het aannemelijk is dat er beschermde soorten en/of situaties aanwezig zijn kan aanvullend onderzoek noodzakelijk blijken alvorens ontheffing kan worden aangevraagd. Bij ruimtelijke ontwikkeling geldt dit voor soorten die zijn geplaatst in tabel 1 (beschermingsregiem soorten vogelrichtlijn), tabel 2 (beschermingsregiem soorten habitatrichtlijn) of tabel 3 (beschermingsregiem andere soorten) van de Wet Natuurbescherming of soorten en situaties die anderszins een vergelijkbare beschermde status hebben. Voor de verstoring of aantasting van beschermde natuurwaarden kan een ontheffing ex.
artikel 3.3 van de Wet Natuurbescherming nodig zijn. Een QuickScan Wet Natuurbescherming heeft een verkennend karakter, dit houdt in dat bij mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten aanvullend onderzoek noodzakelijk kan zijn in de activiteit periode van de soort. Voor sommige soorten zijn hiertoe meerdere bezoeken noodzakelijk en/of is onderzoek in een vastgestelde periode van het jaar vereist. Verstoep, Bouwadvies-Architectuur-Ontwikkeling B.V. heeft Bui-TeGewoon | groenprojecten verzocht een QuickScan Wet Natuurbescherming uit te voeren voor bovenvermelde locatie om de mogelijke aanwezigheid van soorten te verkennen en de effecten op beschermde gebieden te beoordelen. De onderhavige rapportage geeft de resultaten van deze QuickScan weer. 2]. Locatie plangebied Dorpstraat 1 Berkenwoude. De projectlocatie is kadastraal bekend als Berkenwoude sectie C nummer 1089. De locatie valt in zijn geheel binnen het kilometerhok met nummer 108-439 en is gelegen ten zuiden van de Dorpstraat in Berkenwoude ter hoogte van de driesprong met het Oost- en Westeinde gemeente Krimpenerwaard. De projectlocatie is weergegeven in onderstaand topografisch en kadastraal kaartbeeld.
Figuur 1. Ligging plangebied en kadastrale situatie
3
De projectlocatie aan de Dorpstraat 1 te Berkenwoude betreft het perceeldeel ten zuiden van het huidige bouwblok. En bestaat in zijn geheel uit grasland met een gangbaar agrarische gebruik. In een eerder stadium is het perceel gescheiden van het achterliggende grasland deel door het graven van een brede (ca. 10.00 meter) watergang als nieuwe eigendomsgrens. Een luchtfoto is opgenomen als figuur 2.
Figuur 2. Luchtfoto projectgebied (bron: Google earth)
3] Doel en centrale vraagstelling De QuickScan Wet Natuurbescherming wordt uitgevoerd om te bepalen of de geplande ontwikkeling passend kan worden uitgevoerd, of eventueel aanvullend onderzoek noodzakelijk is en welke mitigerende maatregelen eventueel moeten worden toegepast om tot een passende uitvoering te kunnen komen. De centrale vraagstelling is vierledig en luidt als volgt: · Zijn er voldoende ecologische gegevens beschikbaar omtrent het voorkomen van (zwaarder) beschermde flora en fauna in het projectgebied; Is er in het gebied habitat aanwezig waar (zwaarder) beschermde soorten voor kunnen komen; Heeft de voorgenomen ontwikkeling effect op beschermde gebieden in de invloedsfeer van het projectgebied; Zijn de beoogde werkzaamheden en maatregelen passend binnen de Wet natuurbescherming uitvoerbaar.
4
4] Criteria 4.1. Algemene criteria Op de onderhavige QuickScan zijn de volgende criteria van toepassing: Het onderzoek dient onafhankelijk te worden uitgevoerd. Bui-TeGewoon | groenprojecten verklaart geen belangen te hebben bij de uitkomst van het onderhavige onderzoek; Het onderzoek dient onafhankelijk te worden uitgevoerd. Bui-TeGewoon | groenprojecten verklaart geen belangen te hebben bij de uitkomst van het onderhavige onderzoek; Het onderzoek dient te worden uitgevoerd door een deskundige ecoloog die voldoet aan de hiervoor gestelde criteria. Het onderhavige onderzoek is uitgevoerd door Bui-TeGewoon | groenprojecten, de heer R.J.S. Terlouw. Terlouw heeft ruim 30 jaar ervaring in verschillende functies als ecoloog en als regiohoofd terreinbeheer bij een natuur beherende organisatie (bijlage 1); Gegevens gebruikt ten bate van het onderzoek dienen objectief te zijn verkregen en uit betrouwbare bronnen voort te komen; De kwaliteit van het onderzoek dient aan de hand van de rapportage te kunnen worden beoordeeld door het bevoegd gezag; Omtrent de uitkomsten van het onderzoek dient begrijpbaar voor opdrachtgever en/of gebruiker te worden gerapporteerd; Dit onderzoek is maximaal drie jaar geldig na de opleverdatum. 4.2. Reikwijdte In deze ecologische QuickScan wordt getoetst aan de soortbescherming en gebiedsbescherming van de Wet Natuurbescherming.
Daarnaast wordt getoetst of er negatieve effecten zijn te verwachten op beschermde gebieden. Soortbescherming Onderzocht wordt of mogelijk verbodsbepaling uit de Wet Natuurbescherming worden overtreden bij uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden of gebiedsontwikkeling. De toetsing vindt plaats op vogelrichtlijnsoorten (artikel 3.1), habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5), andere soorten uit de wet Natuurbescherming (artikel 3.10) en het zorgplichtartikel (artikel 1.11). Gebiedsbescherming Er wordt onderzocht of er negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde gebieden. In de Wet Natuurbescherming gaat dat om Natura 2000-gebieden (artikel 2.7) of bijzondere nationale gebieden. Daarnaast wordt rekening gehouden met provinciaal beleid zoals het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de provinciale verordening belangrijke weidevogelgebieden en strategische reservering natuur. Een wat grotere afstand tussen projectgebied en beschermd gebied betekent niet altijd dat negatieve effecten per definitie uitgesloten kunnen worden. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een negatief effect op soorten die buiten een beschermd gebieden verblijven of effecten door depositie van stikstof. Indien negatieve effecten op beschermde gebieden niet uitgesloten kunnen worden, is vervolg onderzoek nodig, zoals een ‘voortoets’ of ‘NNN-toetsing’.
Deze nadere toetsing maakt geen onderdeel uit van deze Quick Scan. Ook het aanvragen van een ontheffing maakt geen onderdeel uit van een ecologische Quick Scan. Beoordeling Indien negatieve effecten op beschermde soorten of gebieden niet uitgesloten kunnen worden, wordt in eerste instantie beoordeeld of deze kunnen worden gemitigeerd of gecompenseerd, Ook wordt beoordeeld of effecten kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden onder een ecologisch protocol uit te voeren. Hiervoor worden adviezen verstrekt die ter beoordeling kunnen worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Indien aanvullend onderzoek noodzakelijk wordt geacht wordt dit vermeldt, de criteria waaraan dit dient te voldoen worden hierbij benoemd. Eventueel nadere onderzoek maakt geen onderdeel uit van de onderhavige Verkenning Wet Natuurbeheer. Ook het aanvragen van een ontheffing maakt hier geen onderdeel van uit.
5
5]. Werkwijze Ten bate van de QuickScan heeft zowel een bureauonderzoek als locatieonderzoek plaatsgevonden. Nadat een opdracht tot QuickScan is verkregen wordt in een oriënterend gesprek met bewoner en/of opdrachtgever de voorgenomen ontwikkeling verkend en worden plandocumenten als aanwezige bouw- en inrichtingstekeningen ingezien. Aansluitend vindt een bureaustudie plaats waarbij het gebied topografisch wordt verkend aan de hand van topografische atlassen, de websites “OpenTopo” en “Google Earth”. Gelet wordt op aanwezige gebieden, elementen en habitats als kleine landschapselementen, watergangen, en structuren als bijvoorbeeld bomenrijen, die aanwijzingen kunnen geven voor mogelijk gebiedsgebruik door fauna. Aan de hand van de bodemkaart en de website van het waterschap worden o.a. drooglegging, vigerend waterpeil en bodemsituaties beoordeeld. Speciale aandacht wordt besteed aan de aanwezigheid van mogelijk ingraafbare bodem als stroomruggen en zandopduikingen, die bijvoorbeeld in verband met het voorkomen van rugstreeppad kunnen worden gebracht en gebieden met een geringe drooglegging of extensief grondgebruik die habitat kunnen bieden aan beschermde flora en fauna.
Om te kunnen bepalen of de voorgenomen werkzaamheden effect kunnen hebben op beschermde natuurgebieden, wordt gekeken of het projectgebied planologisch beschermd is en of er beschermde gebieden rond het projectgebied aanwezig zijn. De ligging wordt bepaald door gebruik te maken van de kaartmachines van het ministerie van Economische Zaken m.b.t. wettelijk beschermde gebieden en het raadplegen van de websites van de provincie Zuid-Holland. Om het mogelijk voorkomen van flora en fauna te beoordelen wordt bij aanvang standaard een zogenaamde “beknopte levering” bij het NDFF geraadpleegd. Naast de beknopte levering wordt via verschillende zoekfuncties gericht gezocht naar mogelijke inventarisaties en rapportages van natuur en landschap uit het recente verleden. De website waarneming.nl wordt gecheckt op vermelde waarnemingen van soorten uit de Habitat- en Vogelrichtlijn alsmede Rode lijst soorten voor een periode tot vijf jaar terug. Verspreidingsatlassen van gegevens verzamelende organisaties worden geraadpleegd waarbij er rekening mee wordt gehouden dat de onderzoeksperiode van deze atlassen, voorafgaand aan publicatie, veelal leidt tot gegevens ouder dan 5 jaar die in sommige situaties als onvoldoende recent moeten worden beoordeeld. In diverse archieven en zoekmachines is gezocht naar relevante informatie met betrekking tot natuur en landschap in de afgelopen vijf jaar.
De resultaten worden benut voor het opstellen van een checklist met mogelijk aanwezige beschermde soorten en/of situaties. De op deze wijze verkregen lijst van mogelijk aanwezige soorten wordt vergeleken met de vermelde aantallen per soortgroep uit de beknopte levering NDFF. Bovenstaande activiteiten leidt tot de definitieve lijst met mogelijk aanwezige soorten en habitats die als checklist wordt gehanteerd bij het locatiebezoek. Op basis van de volgens bovenstaande systematiek opgestelde lijst van (mogelijk) aanwezige soorten wordt een locatiebezoek gepland en uitgevoerd waarbij rekening wordt gehouden met tijdens het bureauonderzoek gevonden specifieke aandachtsvelden. Het terreinbezoek wordt opgesplitst in twee delen. In het eerste deel wordt de feitelijke situatie van het projectgebied en de aanwezige habitat gekarteerd. Hierbij worden (indien aanwezig) aantekeningen gemaakt van breedte en diepte van watergangen, aanwezige vegetatietypen waarbij, indien relevant, ook de kruidenrijkdom van graslanden, de botanische kwaliteit van oevervegetaties en de aanwezigheid van watervegetaties wordt beoordeeld. Aanwezigheid van bomen en houtopstanden en hier binnen eventuele aanwezigheid van holte bomen (als mogelijke verblijfplaats voor fauna) of lijnvormige structuren (migratieroute voor vleermuizen) worden eveneens geregistreerd.
Nadat het projectgebied is verkend op basis van de aanwezige habitat wordt een tweede ronde door het projectgebied gemaakt. Tijdens deze rondgang wordt op voor beschermde soorten geschikt beoordeelde locaties/habitats, gericht naar tabel 1, 2 en 3 soorten volgens de Wet Natuurbescherming, gezocht. Opstallen en kunstwerken als bijvoorbeeld bruggen worden gecheckt op muurplanten, holten en aanwezige nesten (bijv. voor huismussen geschikten daken, boerenzwaluwen onder bruggen, etc.) en bereikbare ruimten (plafonds/spouwmuren) en/of mestsporen van bijvoorbeeld vleermuizen. Houtopstanden worden gecheckt op (jaarrond) beschermde nesten en geschiktheid als broedhabitat. Holte bomen worden met een spiegellamp of boomcamera gecontroleerd.
6
Indien watergangen onderdeel uitmaken van de ontwikkelingslocatie wordt de geschiktheid voor beschermde soorten visueel beoordeeld. Indien watergangen waarin mogelijk beschermde soorten aanwezig kunnen zijn tot het projectgebied behoren, wordt met behulp van een standaard steeknet een eerste proefbemonstering uitgevoerd conform de hiervoor geldende protocollen van RAVON (amfibieën & vissen) en mollusken (Stichting Anemoon). Hierbij worden o.a. specifiek geschikte habitats voor beschermde vissoorten en platte schijfhoren bemonsterd. Van gevonden schijfhorenslakken wordt thuis een monster met behulp van een binoculair (10-30x) gedetermineerd om eventuele aanwezigheid van bijvoorbeeld platte schijfhoorn vast te kunnen stellen. Graslanden en oevervegetaties worden beoordeeld op de geschiktheid voor beschermde plantensoorten en als broedhabitat. Indien soorten als bijvoorbeeld ringslang, rugstreeppad, vleermuizen, groene glazenmaker, waterspitsmuis, etc. mogelijk voorkomen op de ontwikkelingslocatie kan aanvullend onderzoek worden geadviseerd. Wanneer het voorkomen van beschermde soorten of situaties wordt aangetoond of niet valt uit te sluiten, worden afhankelijk van de bevindingen voorstellen opgesteld voor aanvullend onderzoek of de aanvraag van een ontheffing. Ook kan het treffen van mitigerende maatregelen of uitvoering volgens een ecologisch werkprotocol worden geadviseerd.
Dit kan zowel gericht zijn op soorten, situaties als het type van de werkzaamheden. 6]. Voorgenomen ontwikkeling Vanuit de opdrachtgever, Verstoep B.V. en de eigenaar, de heer van der Wal, is de voorgenomen ontwikkeling toegelicht. Onderstaande informatie is hierbij verkregen: “De initiatiefnemer circa twee jaar geleden het bedrijf gevestigd (verplaatst) naar de Dorpstraat 1 te Berkenwoude. De bedrijfsmatige activiteiten vinden hoofdzakelijk plaats op locaties elders. Op de bedrijfslocatie (projectgebied) vindt voornamelijk stalling en onderhoud van het machinepark plaats. Volgens het geldende bestemmingsplan loopt het bedrijfsterrein aan de voorzijde door tot aan de weg. In de huidige situatie heeft het terrein door de aanwezige weiden en bomen vanaf de weg juist een landschappelijke uitstraling. De achterliggende gebouwen zijn vanaf de openbare weg beperkt zichtbaar. De wens is om deze groene kwaliteit te handhaven. De bedrijfsbestemming wordt daarbij in zuidelijke richting opgeschoven. Het achterste terreindeel wordt gereserveerd voor statische opslag van goederen die niet regelmatig verplaatst hoeven te worden. Voorts bestaat de wens om (op termijn) een extra berging te bouwen met een maximale oppervlakte van 500 m². Om dit mogelijk te maken wordt het bouwvlak (binnen het vigerende bestemmingsvlak) vergroot.
Onderdeel van het plan betreft tevens de landschappelijke inpassing. Deze dient nog nader te worden uitgewerkt. Momenteel wordt gedacht aan een knotbomenrij aan de oostzijde en een landschapsbosje met gebiedseigen soorten in de vorm van een geriefbosje op het achtereind van de kavel te realiseren. Ten bate van een kwaliteitsimpuls voor ecologie wordt overwogen een deel van de oevers als natuuroever te profileren”.
De voorgenomen ontwikkeling is weergegeven in figuur 3.
Figuur 3. Voorgenomen ontwikkeling Dorpsstraat 1 Berkenwoude
7
7]
Bureaustudie en veldonderzoek 7.1] Beschermde natuurwaarden
Natuurbeschermingswet De Natuurbeschermingswet regelt de bescherming van natuurgebieden in Nederland. Het gaat daarbij om de bescherming van gebieden van nationaal belang (de Beschermde Natuurmonumenten) en van internationaal belang (Natura 2000). In een groot aantal gevallen overlappen de Beschermde Natuurmonumenten de gebieden die zijn aangewezen als Natura 2000gebied. De waarden die behoren bij het Beschermd Natuurmonument zijn dan meegenomen in het Natura 2000 ontwerp of concept aanwijzingsbesluit. Er zijn geen Beschermde Natuurmonumenten in de zin van de wet in de directe omgeving van de projectlocatie aanwezig. Het meest nabij gelegen Natura 2000 gebied betreft: ‘Donkse Laagte’ op 7060 meter in zuidelijke richting (figuur 4). Op basis van de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling worden geen effecten verwacht op N2000 gebieden. Nationaal Natuur Netwerk (voorheen EHS) De meest nabij gelegen NNN-gebieden betreffen NNN Berkenwoudse driehoek op 750 meter in noordelijke richting en NNN Loetbos op 1400 meter in zuidelijke richting (figuur 4). De beoogd natuurbeheertypen betreffen overwegend weidevogelgrasland (N13.01) en hoog- en laagveenbos (N14.02).
De afstand en tussenliggende bebouwing in combinatie met de aard & omvang van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wordt door ons beoordeeld als geen effect veroorzakend op de doelstellingen van genoemde NNN gebieden. Begrenzing belangrijk weidevogelgebied Graslandgebieden in de polder direct ten noorden en oosten van de projectlocatie zijn door de provincie Zuid-Holland opgenomen in de provinciale verordening “Belangrijke weidevogelgebieden”. Binnen deze gebieden kunnen pakketten voor weidevogels en grasland natuur worden gesloten door het Collectief Agrarisch Beheer. De begrenzingen in de nabijgelegen delen (respectievelijk polder Zuidbroek noord op 650 meter en polder Benedenheul op 1200 meter (figuur 4) hebben beide actueel een lage weidevogeldichtheid. Dit wordt o.a. veroorzaakt door de mate van intensiviteit van de veehouderij (Bron: Karteringen weidevogels Goes en Groot 2018). Er zijn momenteel geen weidevogel beheerpakketten gesloten voor dit deelgebied. Wel is er agrarisch natuurbeheer met betrekking tot oevervegetaties mond.med. via Agrarisch Collectief Beheer Krimpenerwaard, 2020).
De voorgenomen activiteiten veroorzaken geen vergroting van het effectgebied op gebieden met een weidevogel doelstelling als gevolg van ligging i.r.t. gemiddelde verstoringsafstanden voor weidevogelgebieden en tussenliggende bebouwingslinten. Overige natuurdoelen van het leefgebied open grasland betreffen voornamelijk oever- en graslandvegetaties en zijn niet verstoringsgevoelig. Als gevolg van het vrijwel ontbreken van weidevogels, de aard en omvang van de werkzaamheden en de bestaand aanwezige verstoringszone van het aangrenzende gebied voor weidevogels, die niet wordt versterkt of vergroot, wordt geen effect van de voorgenomen ontwikkeling op weidevogels of andere natuurdoelen verwacht.
Figuur 4. Ligging projectgebied ten opzichten van beschermde natuurgebieden
8
7.2] Stikstof gevoelige natuur De meest nabijgelegen stikstof gevoelige natuur betreffen de Lekuiterwaarden VianenSchoonhoven op 12.680 meter en de Biesbosch op 15.500 meter afstand van de projectlocatie. Op basis van afstand en voorgenomen ontwikkeling zal er geen effect optreden op locaties met stikstof gevoelige natuur (figuur 5).
Figuur 5. Ligging projectlocatie t.o.v. stikstof gevoelige natuur
7.3] Beknopte levering NDFF Via het raadplegen van de beknopte levering bij het Natuurloket vanuit de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) is beoordeeld welke informatie over het voorkomen van beschermde soorten aanwezig is en met welke volledigheid soorten in het gebied zijn onderzocht. De geleverde gegevens hebben betrekking op het voorkomen van soorten gedurende de periode 2010–2020. De NDFF rapportage van kilometer hok 108 – 439, waarbinnen de projectlocatie is gelegen, betreft nummer HNL-2020-179 d.d. 20 september 2020 en laat zien dat het gebied voor vaatplanten, broedvogels, wintervogels, amfibieën, vissen, dagvlinders, micro nachtvlinder, macro nachtvlinders en libellen als goed onderzocht wordt beoordeeld. Als redelijk onderzocht wordt de soortgroepen korstmossen, landzoogdieren en reptielen vermeld in de beknopte levering. Alle overige soortgroepen scoren een slechte of onbepaalde onderzoekintensiteit. Op basis hiervan moet de beschikbare ecologische informatie van het atlasblok waar binnen de projectlocatie is gelegen als ecologisch goed onderzocht worden beoordeeld. Uit de groep van de vleermuizen worden twee soorten uit de Habitatrichtlijn voor het atlasblok vermeld. Voor de ‘Wet Natuurbescherming-andere soorten’ wordt landzoogdieren (4), amfibieën (3) en 1 reptiel vermeld.
Voor de vogelrichtlijn zijn 60 soorten broedvogels en 180 soorten wintervogels vastgesteld. Als rode-lijst soorten worden vaatplanten (1), broedvogels (12), reptielen (1) en vissen (1) soorten vermeld. De resultaten van de beknopte levering zijn samengevat in tabel 1. De rapportage is integraal opgenomen als bijlage 2.
9
Soort groepen
Vaatplanten Mossen Korstmossen Paddenstoelen Vleermuizen Land zoogdieren Vogels - broedvogels -
wintervogels
Amfibieën Reptielen Vissen Dagvlinders Macronachtvlinders Micronachtvlinders Libellen Sprinkhanen en krekels Over. ongewervelden
Onderzoek status NDFF
goed slecht redelijk onbepaald slecht redelijk goed goed goed redelijk goed goed goed goed goed onbepaald niet
Wet Natuurbescherming
Rode lijst
Habitat richtlijn
Vogelrichtlijn
1 0 0 0 1 0
0 0 0 0 0 4
0 0 0 0 0 0
0 0 0 0 2 0
12
0
60
0
0
0
180
0
0 1 1 0 0 0 0 0 0
3 1 0 0 0 0 0 0 0
0 0 0 0 0 0 0 0 0
0 0 0 0 0 0 0 0 0
Tabel 1. Voorkomen van beschermde soorten per soortgroep in kilometer hok 108-439 volgens NDFF
7.4.] Raadpleging overige bronnen Naast het beoordelen van de beknopte levering is de website Waarnemingen.nl bezocht en is gericht gezocht op voor het plangebied relevant geachte soorten voor de periode 01 januari 2015 tot heden. Voor de soortgroepen broedvogels, zoogdieren, vleermuizen, vissen en amfibieën zijn de verspreidingskaarten op de websites van RAVON, SOVON, VZZ, Vleermuisnet & EIS-Nederland beoordeeld en zijn de verspreidingsatlassen van deze soorten geraadpleegd. Opgemerkt wordt dat de periode van gegevens verzamelen voor veel publicaties en atlassen langer dan vijf jaar terug is geweest. Via gerichte zoektermen is actief gezocht naar publicaties en rapporten met betrekking tot inventarisaties en soorten uit het gebied. Er werden geen specifiek op de projectlocatie en /of de direct aangrenzende locaties toegespitste rapporten of verslagen aangetroffen. Ten slotte is het natuurarchief van Bui-TeGewoon | groenprojecten geraadpleegd. In dit archief bevinden zich registraties van waarnemingen, inventarisaties & onderzoek en natuurrapportages uit de periode 1969 tot heden in het bijzonder m.b.t. de Krimpenerwaard en Vijfheerenlanden.
Relevante onderwerpen die werden aangetroffen betreft het voorkomen van de rugstreeppad op de algemene begraafplaats van Berkenwoude tot minimaal 2014, ringslang in NNN gebied Berkenwoudse driehoek, een huiszwaluwkolonie aan de Kerkweg in Berkenwoude, een winterslaapplaats van grote zilverreigers in een voormalige veenput in polder Berkenwoude noord en vier soorten vleermuizen tijdens een eenmalige avondronde in de kern van Berkenwoude in 2018 (Natuurregistraties Bui-TeGewoon | groenprojecten, div. jaren). 7.5.] Locatie bezoek Op 28 augustus 2020 heeft een omgevingsbezoek plaatsgevonden in de ruime omgeving van de projectlocatie om te beoordelen of mogelijke effecten van het ontwikkelingsplan op natuurwaarden in de directe omgeving kunnen optreden. Aansluitend is de projectlocatie bezocht, waarbij de betrokken locatie en opstal, zowel in- als uitwendig, is geïnspecteerd en beoordeeld op aanwezige of mogelijk aanwezige soorten en habitats. A – Opstallen Er maken geen opstallen deel uit van de projectlocatie. Mogelijk wordt op termijn een berging van maximaal 500 m2 aangrenzend aan de overig bedrijfsgebouwen geplaatst.
10
B] - Terrein Het betrokken terreindeel betreft een grasland van circa 9000 m2 dat in regulier agrarisch gebruik is volgens een pachtovereenkomst voor de periode van steeds één jaar. Op het perceel wordt niet geweid. Het beheer bestaat uit het aanbrengen van mest op derogatie niveau en het maaien van meerdere sneden gras in het seizoen. De vegetatie bestaat uit productiegrassen met lokaal een beperkte inmenging van algemene kruiden. Het perceel wordt omsloten door relatief brede sloten (8.00 tot >10.00 meter) waarin lokaal een drijfbladplanten vegetatie van gele plomp aanwezig is. In het middendeel van het perceel is een smalle (2.25 meter op de waterlijn), doodlopende sloot aanwezig met een lengte van circa 75 strekkende meter. De sloot heeft een vegetatie die overwegend bestaat uit draadalg met lokaal enige ondergedoken vegetatie van gedoornd hoornblad. De oevervegetatie bestaat overwegend uit grote egelskop en liesgras. Deze sloot zal op termijn worden gedempt. Bij het aanleggen van een nieuwe scheisloot tijdens een kadastrale grens aanpassing is reeds rekening gehouden met de aanleg van vervangend water door de scheidende sloot een grote breedte te geven. Er zijn geen beplantingen, solitaire bomen of ruigte vegetaties binnen het projectgebied aanwezig. Een fotoregistratie van de locatie is opgenomen als figuur 6.
Op termijn wordt als landschappelijke aankleding aan de zuidzijde een struweel met gebiedseigen beplanting overwogen. Daarnaast kan mogelijk een deel van de aan het bosje grenzende oevers als natuuroever worden geprofileerd.
Figuur 6. Impressie huidige situatie projectlocatie
C.] - Omgeving De projectlocatie ligt ten zuiden van de buurtschappen Oost- en Westeinde van Berkenwoude in de polder Berkenwoude noord. Dit polderdeel heeft een vrij besloten landschapsbeeld door diep de polder instekend erfgebruik en de verspreide ligging van geriefbosjes en voormalige veenputten. De polder heeft geen betekenis voor weidevogels.
11
8]
Beoordeling soortgroepen, beschermde soorten en situaties 8.1.] Algemeen In het projectgebied en de directe omgeving (beïnvloeding aspecten) worden op basis van uitgevoerd bronnenonderzoek, archiefmateriaal, de regionale ligging, de aanwezige habitats en het migratiegedrag van diersoorten, een aantal beschermde soorten of situaties mogelijk aanwezig geacht. Deze tijdens de Quick Scan te onderzoeken soortgroepen en soorten zijn met een korte onderbouwing weergegeven in tabel 2 en vormde de basis voor het onderzoeksplan tijdens het locatie bezoek.
Vaatplanten Mossen Korstmossen Paddenstoelen Vleermuizen Landzoogdieren Vogels broedvogels wintervogels Amfibieën Reptielen Vissen Dagvlinders Macronachtvlinders Micronachtvlinders Libellen Sprinkhanen/krekels Over. ongewervelden Algemene Zorgplicht
Onderzoek status NDFF
Check uitvoeren
goed slecht redelijk onbepaald slecht redelijk goed goed goed redelijk goed goed goed goed goed onbepaald niet
ja niet niet niet ja ja ja niet ja ja ja ja niet niet ja niet ja ja
Mogelijk aanwezige beschermde soorten en/of omstandigheden op basis van landschapstypen (laagveen en rivierengebied)
Let ook op muurplanten Geen wet NB soorten te verwachten Geen wet NB soorten te verwachten Geen wet NB soorten te verwachten Check op foerageerhabitat & vliegroutes Check op verblijfplaatsen en foerageerhabitat Check op broedvogels en beschermde nesten Let op overwinteringshabitat Let op overwinteringshabitat ringslang Beoordeel/bemonster te dempen sloot Check op habitat argusvlinder
Beoordeel/bemonster te dempen sloot Geen geschikt habitat aanwezig Beoordeel/bemonster platte schijfhoren Vast onderdeel QuickScan Wet Natuurbescherming
Tabel 2. Onderzoeksplan bij locatie bezoek mogelijk aanwezige beschermde soorten en situaties
Op basis van deze analyse is tijdens het bureauonderzoek gericht gezocht naar aanvullende informatie en waarnemingen uit de periode 01-01-2015 tot heden via de website Waarneming.nl. Uit deze check is geen aanvullende informatie verkregen. Tijdens het locatiebezoek is, naast het totaal beeld, extra gelet op habitat en/of omstandigheden waarbij mogelijk aanwezige soorten uit deze soortgroepen zouden kunnen voorkomen. 8.2.] Habitat Zoals beschreven in paragraaf 7.2 tot 7.5 zijn onderstaande biotopen niet in het projectgebied aanwezig of worden niet door de voorgenomen ontwikkeling beïnvloed: Opstallen; Bomen, struiken en overige beplantingen; Rietlanden en ruigten; Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen effect zal hebben op soorten uit bovengenoemde soortengroepen of die zijn gebonden aan genoemde habitats. De aanwezige habitat waar mogelijk effecten kunnen optreden bij de voorgenomen ontwikkeling op beschermde soorten en situaties vanuit de Wet Natuurbescherming betreffen vaatplanten (vegetaties), winterschuilplaatsen (amfibieën, ringslang, landzoogdieren), broedvogels (grasland en oevers), voortplantingshabitat (amfibieën, libellen), watergangen (te dempen sloot amfibieën en libellen larven, vissen, platte schijfhoren) en vleermuizen (foerageerhabitat en vliegroutes).
12
8.3.] Soorten en omstandigheden In de onderhavige paragraaf worden alleen de resultaten van soorten en omstandigheden nader beschreven die op basis van bovenstaande onderzoeken mogelijk aanwezig kunnen zijn, het betreft: Vaatplanten Op het terrein is een gesloten vegetatie van overwegend productie grassen met verspreid algemene kruiden van voedselrijke en ruderale omstandigheden aanwezig. Hieronder bevonden zich geen beschermde soorten. Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen vanuit het onderdeel vaatplanten zijn voor de voorgenomen ontwikkeling. Landzoogdieren Het terrein is niet geschikt voor zwaarder beschermde soorten landzoogdieren. Algemene soorten zoogdieren als muizen en mol zullen naar verwachting aanwezig zijn binnen de projectlocatie. Voor niet zwaarder beschermde, maar als kwetsbaar beoordeelde, soorten biedt het terrein geen mogelijk habitat. Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er bij uitvoering van het ontwikkelingsplan geen belemmeringen vanuit het onderdeel zoogdieren in de Wet Natuurbescherming optreden. Vleermuizen De projectlocatie bevat geen verblijfslocaties voor vleermuizen.
Vanuit de bekende aanwezigheid van vier soorten vleermuizen in de kern Berkenwoude en de aanwezigheid van brede watergangen grenzend aan het projectgebied die door vleermuizen kunnen worden benut als foerageergebied en vliegroute kan gebruik door vleermuizen niet worden uitgesloten. De voorgenomen maatregelen zullen geen effect veroorzaken op het gebiedsgebruik door vleermuizen, mits terughoudend met verlichting wordt omgegaan. Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat de locatie ongeschikt is als winterkraam- & paarverblijfplaats of anderszins geschikt voor verblijvende vleermuizen. Vliegroutes kunnen boven aangrenzende watergangen aanwezig zijn. Om verstoring te voorkomen dient tijdens de ontwikkeling van het gebied zo veel als mogelijk te worden afgezien van bouwplaats verlichting. Indien dit als nog noodzakelijk wordt bevonden dient met gerichte lichtbronnen en afschermingsmaatregelen voor uitstralend licht naar boven te worden gewerkt. Broedvogels en jaarrond beschermde nesten Het gebied is uitsluitend voor een beperkt aantal broedvogelsoorten van graslandoevers geschikt. Gedacht kan worden aan wilde eend, krakeend, meerkoet, waterhoen en fuut. Het broedseizoen voor mogelijk aan te treffen soorten wordt op basis van de aanwezige habitat bepaald op begin maart tot eind juli bepaald.
Dempen van de watergang en bouwrijp maken van het terrein dient buiten het broedseizoen plaats te vinden. Het is wenselijk vooraf een broedvogelcheck te laten uitvoeren. Indien ten bate van de bouw ontgraven grond of zandige bouwmaterialen in depot worden gezet dient te worden voorkomen dat deze wordt benut door oeverzwaluwen. Geadviseerd wordt om geen grondof zandmateriaal in hopen op te slaan. Indien de opslag van genoemde materialen in hopen noodzakelijk is dient dit tijdens het broedseizoen in een flauw taludhelling (<45 graden) plaats te vinden of in een laag depot te worden afgewerkt. Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er geen ontheffing aanvraag voor het onderdeel broedvogels en jaarrond beschermde nesten noodzakelijk is, mits buiten het broedseizoen wordt gewerkt en of voorafgaand aan werkzaamheden een broedvogelcheck op de te bewerken locaties wordt uitgevoerd. Als preventieve maatregelen dient de aanwezigheid van op hopen geplaatste bouwmaterialen als zand, grind en grond in de periode half maart eind juli te worden voorkomen. Indien materialen in deze periode moeten worden geplaatst dienen ze in flauw talud of als laag depot te worden afgewerkt.
13
Amfibieën Tijdens het veldbezoek is gelet op de aanwezigheid van geschikte habitat voor amfibieën. Er is geen overwinterings- en of landhabitat beschikbaar. De te dempen sloot kan worden benut als voortplantingsbiotoop voor algemene amfibieën als groene kikker, gewone pad en kleine watersalamander. In de directe omgeving is veel geschikt voortplantingshabitat voor amfibieën beschikbaar. Duurzame staat van instandhouding wordt niet aangetast. Dempen van de watergang dient plaats te vinden buiten de voortplantingsperiode van deze soorten. Deze wordt gesteld op de periode februari – mei. Indien tijdens de ontwikkeling van de locatie grond- of zand in depot wordt geplaatst dient te worden voorkomen dat zich hierin amfibieën vestigen ten bate van het overwinteren. Dit kan worden gerealiseerd door grond en zanddepots voor de overwinteringsperiode (oktober-maart) te verwijderen of uit te rasteren met fijnmazig faunaraster Geconcludeerd is dat er geen belemmeringen zijn van uit de soortgroep amfibieën met betrekking tot de voorgenomen werkzaamheden, mits grond of zandige materialen niet in depot wordt gezet tijdens de periode dat amfibieën hun overwinteringslocaties bevolken. Reptielen Het enige reptiel wat in de Krimpenerwaard voorkomt betreft de ringslang. De bronpopulatie van de soort bevindt zicht ten oosten van de kern Gouderak.
In de afgelopen drie jaar zijn er enkele waarnemingen van de ringslang in zowel de Berkenwoudse driehoek als het Loetbos verricht, waardoor de ringslang mogelijk aanwezig zou kunnen zijn op de projectlocatie. De locatie is beoordeeld op geschikte habitat voor de ringslang. Deze is niet aangetroffen. De graslanden worden frequent (5 maaisneden) jaar gemaaid en er zijn geen beschutting biedende randen, singels etc. aanwezig. Ook zijn er geen locaties als overwinteringsplaats kunnen functioneren. Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er bij uitvoering van het ontwikkelingsplan geen belemmeringen vanuit het onderdeel reptielen m.b.t. de Wet Natuurbescherming optreden. Vissen Vanuit de voorgenomen ontwikkeling kunnen effecten optreden voor vissen bij het dempen van de smalle middensloot. De sloot is onderzocht waarbij si vastgesteld dat er een zeer geringe waterdiepte aanwezig is van minder dan 0.20 meter. De watergang is hiermee voor het merendeel van de vissoorten ongeschikt. Mogelijk kan de sloot habitat bieden aan enkele soorten vissen die hoewel niet tot de zwaar beschermde soorten worden gerekend als kwetsbaar kunnen worden aangemerkt. Gedacht kan hierbij worden aan zeelt, kroeskarper en kleine modderkruiper.
Om de aanwezigheid van vissen te beoordelen heeft parallel aan het locatiebezoek een bemonstering plaatsgevonden met een standaard steeknet (type RAVON) op 4 locatie over een lengte van 10 meter. Hiermee is circa 50% van de slootlengte bemonsterd. Tijdens de bemonstering zijn geen vissen aangetroffen. Omdat niet geheel kan worden uitgesloten dat vissen (of andere waterfauna) aanwezig is dient het dempen onder een ecologisch protocol te worden uitgevoerd. De werkmethode dient minimaal te bestaan uit het vooraf verstoren en opdrijvend dempen in de richting van het open slooteinde aan de zuidzijde. Tijdens de bemonstering werden meerder exemplaren van de rode Amerikaanse rivierkreeft gevangen. Deze soort kan een negatief effect veroorzaken op de overlevingsmogelijkheden voor amfibie larven, visbroed en de ongewervelden waterfauna. Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er geen ontheffing aanvraag voor het onderdeel vissen noodzakelijk is, mits volgens een ecologisch werkprotocol met vooraf verstoren en opdrijvend dempen naar ene open slooteinde wordt gewerkt. Dagvlinders In de Krimpenerwaard is de rodelijst soort argusvlinder lokaal nog een vrij algemeen voorkomende soort. Het terrein is beoordeeld op geschiktheid als habitat voor de argusvlinder.
Het vrijwel ontbreken van kruiden en de structuurrijke grassen die als ei afzet locatie gebruikt kunnen worden maakt het grasland ongeschikt voor de soort. Andere beschermde soorten dagvlinders of als kwetsbaar beoordeelde soorten zijn niet aanwezig binnen de Krimpenerwaard.
14
Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er bij uitvoering van het ontwikkelingsplan geen belemmeringen vanuit het onderdeel dagvlinders m.b.t. de Wet Natuurbescherming optreden. Overige ongewervelden Voor beschermde soorten overige ongewervelden biedt het projectgebied uitsluitend een mogelijke habitat voor de platte schijfhoren slak in de te dempen watergang en zijn oevers. De platte schijfhoren kan in de gehele Krimpenerwaard worden aangetroffen. De soort heeft voor zover bekend een verspreidt voorkomen, maar is nergens talrijk. Een integraal beeld van het voorkomen binnen de Krimpenerwaard is echter niet beschikbaar (Natuurregistraties Buisman & Terlouw, div.jaren). Om te bepalen of de platte schijfhoren aanwezig is in de te dempen watergang heeft parallel aan het locatiebezoek een bemonstering plaatsgevonden met een standaard steeknet (type RAVON) op vier locaties over een lengte van 10 meter. Hiermee is circa 50% van de slootlengte bemonsterd. Naast de aanwezige watervegetatie van flap en lokaal gedoornd hoornblad is ook de oevervegetatie onderzocht op aanwezigheid van schijfhoren slakken. Tijdens de bemonstering zijn geen (platte) schijfhoren slakken aangetroffen. Er werden uitsluitend meerdere rode Amerikaanse rivierkreeften, enkel zoetwaterpissebedden een bootsmannetje gevonden.
Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er bij uitvoering van het ontwikkelingsplan geen belemmeringen vanuit het onderdeel overige ongewervelden m.b.t. de Wet Natuurbescherming optreden. Algemene zorgplicht voor wilde flora- en fauna Conform de Wet Natuurbescherming geldt voor alle soorten een zorgplicht (artikel 1.11). Voor de voorgenomen werkzaamheden worden geen andere situaties verwacht dan bij de beoordeling van soortgroepen en situaties is beschreven. Er is dan ook geen aanleiding om extra maatregelen vanuit de algemene zorgplicht te treffen anders dan hierboven vermeld. Wel is het steeds raadzaam om tijdens de bouwactiviteiten alert te zijn op de aanwezigheid van fauna en indien dieren worden gesignaleerd deze zorgvuldig te verplaatsen naar een veilige locatie in de omgeving en advies in te winnen bij een ecoloog. Als algemene beschermende en mitigerende maatregelen voor het onderhavige projectgebied worden de volgende onderdelen geadviseerd: Het steeds voorhanden hebben van enkele emmers of kuipen om eventueel aangetroffen dieren apart te kunnen zetten. Indien dieren tijdelijk worden opgeslagen dienen deze binnen maximaal één uur na de vondst te worden uitgezet op een geschikte locatie voor de soort buiten het projectgebied.
Eventueel opgeslagen dieren in kuipen dienen op een beschutte en schaduwrijk plaats te worden bewaard; Het voorkomen of beperken van bouwplaats verlichting en indien dit noodzakelijk is het toepassen van een gerichte lichtbron met voorkoming van zij- of boven uitstraling; Het beperken van opslag van bouwmaterialen als grond, zand, etc. in hopen tijdens de bouwperiode. Indien tijdelijk in depot plaatsen van zand- en/of grond noodzakelijk is dient vestiging van fauna te worden voorkomen door: afschermen van opgeslagen grond en zand in depot met een amfibieënraster in de periode september - maart; Voorkomen dat oeverzwaluwen de hoop betrekken door af te werken als laag depot of in een taludhelling < 45 graden; Het laten uitvoeren van een broedvogelcheck indien de sloot wordt gedempt in de periode begin maart-eind juli; Het op afroep kunnen beschikken over een ecoloog bij aantreffen van mogelijk beschermde situaties m.b.t. de Wet Natuurbescherming.
15
9] Conclusie De ontwikkelingslocatie gelegen aan de Dorpstraat 1 te Berkenwoude, gelegen op het kadastrale perceel Berkenwoude sectie C nummer 1089. is zowel administratief als door middel van veldonderzoek beoordeeld op de aanwezigheid van beschermde soorten en situaties in het kader van de Wet Natuurbescherming en op de ligging ten opzichte van Beschermde Natuurgebieden. Gebleken is dat er geen effecten zullen optreden die van invloed zijn op beschermde gebieden. Op basis van de beoordeling m.b.t. het effect op stikstof gevoelige natuur is vastgesteld dat er eveneens geen effecten aanwezig zullen zijn. M.b.t. soortbescherming leiden de bevindingen niet tot de noodzaak voor het aanvragen van een ontheffingen en of een specialistisch vervolg onderzoek, mits aan mitigerende en compenserende voorwaarden tijdens de uitvoering van de werkzaamheden wordt voldaan. De conclusies zijn onderstaand tabelmatig samengevat, aanbevelingen ten bate van preventieve of mitigerende maatregelen zijn bij de betreffende soortgroepen puntsgewijs weergegeven. Samenvattende tabel QuickScan Wet natuurbescherming Dorpsstraat 1 Berkenwoude Soortgroep (beschermde soorten) Vaatplanten
- algemeen
- muurvegetaties Mossen & korstmossen
Broedvogels
Vleermuizen
Habitat geschikt
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffing
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee N.v.t.
Nee N.v.t.
Nee Nee
Nee Nee
- algemeen
Nee
Mogelijk
Nee
Nee
- jaarrond beschermd - vliegroute - foerageergebied - kraamverblijven
Nee
Nee Mogelijk Mogelijk Nee
Nee
Nee
Nee Nee Nee
Nee Nee Nee
Nee Nee Nee
- winterverblijven
Opmerkingen
Dempen van de watergang buiten het broedseizoen begin maart – eind juli; Geen opslag van grond en zandhopen in het broedseizoen of afwerken in taludhelling < 45°; Voorafgaand aan uitvoeren van werken in de periode maart-juli een broedvogelcheck uitvoeren; Het voorkomen van uitstralend licht tijdens de bouw activiteiten
Nee
Nee
Nee
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Nee
Nee
Nee
Amfibieën
Nee
Mogelijk
Nee
Nee
Dempen van watergang buiten periode van ei- en larvaal stadium (maart-mei); Dempen van watergang met verstoring vooraf en opdrijvend dempen naar open slooteinde (ecologisch werkprotocol)
Vissen
Nee
Mogelijk
Nee
Nee
Reptielen
Nee
Nee
Nee
Nee
Vlinders & libellen Overige ongewervelden Algemene zorgplicht Wnb
N.v.t. Nee
N.v.t. Nee
Nee Nee
Nee Nee
Algemene zorgplicht flora & fauna
Gebiedsbescherming Natura 2000 Programmatische aanpak Stikstof (PAS) Natuur Netwerk Nederland PV Belangrijk weidevogelgebied prov. ZH
Ja
Algemene zorgplicht voor flora en fauna geldt voor alle in het wild levende planten en dieren in Nederland (art 1.11 Wnb). Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient dan ook steeds rekening te worden gehouden met flora en fauna. Bij aantreffen van dieren dienen deze voorzichtig buiten de projectlocatie op een geschikte plaats te worden gebracht. Bij twijfel dient ecologisch advies te worden ingewonnen. Geadviseerd wordt relevante genoemde maatregelen onder de paragraaf algemene zorgplicht toe te passen.
Afstand tot
Ingreep verstorend
Vergunning plichtig
2820 m n.v.t. 980 m 600 m
Nee n.v.t. Nee Nee
Nee Nee Nee Nee
Opmerkingen
Overige relevante zaken N.v.t.
Tabel 3. Samenvatting bevindingen QuickScan Wet Natuurbescherming Dorpsstraat 1 Berkenwoude
16
BIJLAGEN BIJLAGE 1.
Verantwoording ecologische deskundigheid - Bui-TeGewoon | groenprojecten
Definitie deskundig ecoloog (Bron: Dienst Regelingen, van het Ministerie van Economische zaken). Het ministerie van Economisch zaken, verstaat onder een deskundige een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soort specifieke ecologie. De ervaring en kennis moet zijn opgedaan doordat de deskundige: Op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of Op MBO niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt de Flora- en faunawet, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of Als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau wat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of Zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, de Landschappen, Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of Zich aantoonbaar actief inzet op het gebied voor soortenmonitoring en/of bescherming.
Verantwoording deskundigheid Bui-TeGewoon, groenprojecten. De ecologische begeleiding namens de opdrachtgever is uitbesteed aan bureau Bui-TeGewoon | groenprojecten. Vanuit dit bureau zullen de werkzaamheden worden gecoördineerd en het ecologisch deel worden uitgevoerd door de heer R.J.S. Terlouw. Terlouw heeft specialisatie ontwikkeld in inrichting en beheer van natuur en landschap in het algemeen. Ten opzichte van flora en fauna heeft Terlouw kennis van vrijwel het gehele soortspectrum, waarbij specialisatie is ontwikkeld in vogels, amfibieën, zoogdieren en ongewervelden. Terlouw is aangesloten bij o.a. SOVON, Vogelbescherming Nederland, RAVON, VZZ, KNNV, EIS Nederland en Stichting Partner. Voor deze organisaties is hij actief als vrijwilliger, waarvan voor SOVON gedurende 26 jaar een districtscoördinatorschap is vervuld. Vanuit zijn basisprofessie als medewerker van het toenmalige ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en een dienstverband van 22 jaar als regiohoofd bij de Stichting het Zuid-Hollands Landschap heeft hij vanaf 1988 kennis opgedaan m.b.t. natuurbeheer en inrichting van natuurterreinen. Sedert 2012 voert Terlouw een zelfstandig ecologisch advies- en onderzoeksbureau waarvoor inmiddels voor meer dan zestig opdrachtgevers opdrachten zijn uitgevoerd. Administratieve taken rondom de ecologische begeleiding worden verzorgd door mevrouw A.
Buisman van Bui-TeGewoon | groenprojecten. Buisman heeft ruim 12 jaar ervaring in administratie, verpachting, cartografie en bureaustudies in natuur en landschap gerelateerde projecten, die zijn opgedaan tijdens een dienstverband bij de Stichting Het ZuidHollands Landschap en bij Bui-TeGewoon | groenprojecten. Buisman is aangesloten en actief als vrijwillig inventarisatiemedewerker bij o.a. SOVON, voor welke organisatie zij 11 jaar als assistent districtscoördinator heeft opgetreden. Buisman is als mede-eigenaar verbonden aan Bui-TeGewoon | groenprojecten.
20
BIJLAGE 2. Beknopte levering NDFF
22
IN OPDRACHT VAN: