Bijlage 2 Reglement van orde voor de raad van de gemeente Krimpenerwaard 2024 (incl aanpassingen zichtbaar)
Tekst van het document
pag. 17 van 28
TER VERGADERING Artikel 13. Presentielijst De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit art. 20 van de wet. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen dat het vergaderquorum bereikt is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt art. 29 van de wet. De griffier zorgt voor het bijhouden van de presentielijst. Artikel 14. Opening; quorum De voorzitter opent de vergadering indien meer dan de helft van de raadsleden blijkens de presentielijst aanwezig is.
Artikel 15. Verloop van het debat Er is per fractie een totale spreektijd van vijftien minuten. Indien de raad van mening is dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven kan door de voorzitter niet worden gehonoreerd. Als vanuit de raad vragen worden gesteld moet het college ook in de gelegenheid zijn om deze, kort en krachtig, te beantwoorden zonder spreektijdbeperking. De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp (artikel 34). Voor burgers staat het recht van petitie ter beschikking. . Het debat in de besluitvormende raad wordt beperkt tot de in de oordeelsvormende commissie geadviseerde bespreekpunten. Deze staan opgenomen in de besluiten- en toezeggingenlijst van de commissievergadering. Op die manier wordt (veel) herhaling voorkomen. Daardoor is er meer ruimte voor een debat dat gericht is op het formuleren van in ieder geval een meerderheidsstandpunt op basis van argumentatie of overtuiging.
Tevens geeft het formuleren van bespreekpunten de voorzitter van de raad een sturingsmiddel in het debat. De voorzitter kent de bespreekpunten, benoemt deze in zijn inleiding van het agendapunt en geeft (een van de) aanvragers van het bespreekstuk als eerste het woord. Mocht het debat te veel afdwalen van de genoemde bespreekpunten, dan kan de voorzitter bijsturen. Artikel 15a. Verlengde vergaderingen Indien er te veel agendapunten op de raadsvergadering staan wordt vooraf besloten gebruik te maken van de uitloopavond (eventueel op advies van de agendacommissie) op de woensdag. Op die manier kan op tijd afgesloten worden (23.00 uur) en vooraf helderheid over de spreektijden geboden worden. Als uitloop nodig is vanwege een 'major issue' kan de tweede avond opnieuw vijftien minuten spreektijd afgesproken worden. Als de agenda 'slechts' afgemaakt moet worden, dan kan er vijf minuten opgeplust worden. Beide opties zijn mogelijk (ter bepaling aan de voorzitter), zolang vooraf duidelijk is waar de fracties in het kader van hun spreektijdverdeling rekening mee moeten/kunnen houden.
Artikel 15b. Persoonlijk feit In de politiek kunnen harde woorden vallen. Deze woorden kunnen niet alleen kwetsend zijn, maar personen ook ten onrechte in een kwaad daglicht stellen. Via dit artikel krijgt iemand de gelegenheid om aan te geven dat en op welke wijze de woorden van een andere deelnemer aan het debat als kwetsend of schadelijk zijn ervaren.
pag. 18 van 28
Met dit instrument kan voorkomen worden dat kwetsende en schadelijke opmerkingen personen beschadigen en het debat overstemmen. Artikel 16. Spreekrecht burgers Indien de inspreker onverwachts niet zelf aanwezig kan zijn, wordt de aangeleverde tekst opgenomen in IBabs. Indien er ingesproken wordt door een ander dan de aanmelder, dan dient deze aan te geven wie hem/haar vervangt en wat zijn/haar relatie tot de inspreker is. De woordvoerder van een belangengroep kan namens deze groep inspreken. Lid 8 De voorzitter beoordeelt in overleg met de griffie op basis van alle beschikbare informatie en de onderliggende regelgeving of de inspreker toegelaten wordt. Lid 10 Een inspreker kan beeld- en geluidsmaterialen die hij wil gebruiken ter ondersteuning van zijn verhaal vooraf aan de raadsleden via de griffie sturen. Deze worden in IBabs geplaatst. Dat kan overigens ook achteraf.
Artikel 17. Handhaving orde; schorsing Artikel 17 geeft aan dat de raadsvoorzitter bij vergadering bevoegd is om de orde te handhaven. Op basis van het tweede lid kunnen alle sprekers in bepaalde gevallen door de voorzitter tot de orde worden geroepen en kan hen zo nodig over het aanhangige onderwerp het woord ontzegd worden. Ook kan de voorzitter de vergadering schorsen en bij herhaling van de verstoring van de orde de vergadering sluiten. In het uiterste geval kan hij een lid het verdere verblijf ontzeggen en hem uit de vergadering doen verwijderen. Indien een lid blijft volharden in zijn gedrag kan hem de toegang tot de vergadering voor ten hoogste drie maanden worden ontzegd. Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenen van goed- of afkeuring; deze uitingen worden beschouwd als verstoringen van de orde. Voor wat betreft de handhaving van de orde op de publieke tribune wordt verwezen naar artikel 30 van dit regelement.
Om te bevorderen dat leden van de gemeenteraad zich niet belemmerd voelen om hun mening te uiten bepaalt artikel 22 van de wet dat de leden van het gemeentebestuur en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging niet in rechte kunnen worden vervolgd of aangesproken voor dan wel worden verplicht getuigenis af te leggen als bedoeld in artikel 165, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over hetgeen zij in de vergadering van de raad hebben gezegd of aan de raad schriftelijk hebben overgelegd.
Artikel 18. Deelname aan de beraadslaging Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het verschoningsrecht (art. 22 van de wet). Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen. De raad kan op grond van artikel 4 bepalen dat de griffier deelneemt aan de beraadslagingen. De burgemeester en de wethouder(s) hebben het recht (het woord te voeren en) deel te nemen aan de beraadslagingen op grond van art. 21, eerste en tweede, lid van de wet.
Artikel 19. Voorstellen van orde De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen, (artikel 32, vierde lid van de wet is niet van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 35).
pag. 19 van 28
STEMMINGEN Artikel 20. Stemverklaring Stemverklaringen zijn kort (en bestaan uit één zin: "mijn fractie is voor/ tegen omdat …) en mogen niet het karakter krijgen van een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker. Het betreft een opsomming van de pro en contra's en van de gemaakte afweging. Nadat de raad gestemd heeft, Voorafgaand aan de stemming, kunnen raadsleden hun stemgedrag kort toelichten
Artikel 21. Beslissing De voorzitter kan de beraadslaging sluiten als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. De voorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing. Indien geen stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid Gemeentewet.
Artikel 22. Stemming; procedure hoofdelijke stemming Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van art. 32 van de wet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Wellicht ten overvloede wordt hierbij nog verwezen naar artikel 209, tweede lid van de wet, welke een hoofdelijke stemming verplicht. De regeling in het eerste deel van het derde lid kan toepassing krijgen, indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele leden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van stemming op grond van artikel 28 Gemeentewet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden. Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de wet van toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.
In onze gemeente kan een elektronisch stemsysteem gebruikt worden waarbij de openbaarheid gewaarborgd wordt doordat de naam van het raadslid gekoppeld wordt aan het voor of tegen. Dit is te lezen op een scherm, de afdruk ervan wordt meegenomen in de verslaglegging. Deze manier van stemmen is mogelijk op grond van de Gemeentewet. Lid 3 In het derde lid wordt gesproken over art. 28 van de wet: 1. Een lid van de raad neemt niet deel aan de stemming over een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken of de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort. 2. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de stemming verstaan het inleveren van een stembriefje. 3. Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt. 4. Het eerste lid is niet van toepassing bij het besluit betreffende de toelating van de na periodieke verkiezing benoemde leden. Lid 5 In het vijfde lid wordt ingegaan op de procedure van hoofdelijke stemming. Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde van stemmen te bepalen aan het begin van de vergadering; deze volgorde geldt dan voor de gehele vergadering.
pag. 20 van 28
Artikel 23. Volgorde stemming over amendementen en moties Een amendement wijzigt het voorliggende besluit en komt daarom in stemming voorafgaand aan de stemming over het voorliggende raadsvoorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit en daarom wordt er na de stemming over het raadsvoorstel over de moties(s) gestemd. Maar omdat het al dan niet aannemen van een motie van belang kan zijn voor een fractie/raadslid bij de afweging over het voorliggende voorstel, kan de voorzitter bepalen dat ook de motie in stemming wordt gebracht vóór de stemming over het voorstel.
Artikel 24. Stemming over personen Artikel 31, eerste lid van de wet geeft aan dat de stemming over personen geheim dient te zijn. Het is mogelijk om met het elektronische stemsysteem te werken maar het reglement van orde gaat vooralsnog uit van een stemming door middel van behoorlijk ingevulde stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje. In geval van een schriftelijke stemming wordt geen rekening gehouden met blanco stembriefjes. Dit telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld. Indien raadsleden genomineerd worden voor de functie van wethouder is er sprake van een vrije stemming. Er is geen sprake van een voordracht. De beoogd wethouder mag dus meestemmen over zijn eigen benoeming. Een voorstel tot benoeming gaat hem/haar persoonlijk aan "wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt" (artikel 28, lid 1 a en lid 3 van de wet). Dat is echter in casu niet aan de orde, omdat er ook op een ander persoon kan worden gestemd. De aard van de stemming is derhalve van belang.
Dit heeft tot gevolg dat raadsleden de mogelijkheid hebben op het stembriefje de naam van de kandidaat die hun voorkeur heeft in te vullen (die van de voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander). Er is in dit geval geen sprake van een voordracht of een anderszins beperkte keuze en aan de stemming mag derhalve ook worden deelgenomen door raadsleden die ter benoeming zijn voorgesteld: zij kunnen immers op het stembriefje een andere naam dan hun eigen naam invullen. Het is denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt aanbevolen, uit moreel-politieke overwegingen en om iedere schijn van belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen afweging te maken. VERSLAGLEGGING; INGEKOMEN STUKKEN Artikel 25. Verslag en besluitenlijst Dit artikel regelt de verslagleggende taak van de griffier en de wijze waarop het verslag wordt vastgesteld. Het maken van een verslag is niet verplicht. In de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid van de wet). De griffier verleent de ambtelijke ondersteuning van de raad.
Daarom is de griffier aangewezen om het verslag, tezamen met de voorzitter, te ondertekenen. Er worden videotulen gemaakt (ondertiteling) en de besluiten- en toezeggingenlijst wordt toegevoegd. De besluitenlijst dient op zo kort mogelijke termijn te worden gepubliceerd. Dit kan voordat het verslag is vastgesteld aangezien de besluitenlijst 'slechts' een overzicht geeft van (alle) door de raad genomen beslissingen (dus niet alleen besluiten in de zin van de Awb maar ook bijvoorbeeld een afspraak om een werkbezoek af te leggen). Het ligt voor de hand dat het verslag en de besluitenlijst ook op de gemeentelijke website toegankelijk worden gemaakt. Dit wordt weergeven in het zevende lid.
pag. 21 van 28
Artikel 26. Ingekomen stukken Over aan de raad gerichte inkomende stukken worden alleen voorstellen gedaan en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld ter kennisneming, steunen, afwijzen, in behandeling nemen, doorsturen naar een raadscommissie, doorsturen naar het college, etc. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de voorzitter buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden voorbereid en stelt de indiener een agenderingsvoorstel op voor de agendacommissie. De schriftelijke mededelingen van het college aan de raad komen in principe ook bij de raad binnen. De mededelingen zijn dan ook een ingekomen stuk. De raad stelt op voorstel van de voorzitter de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. Leiden ingekomen stukken tot vragen of is er behoefte aan bespreking, dan zijn er meerdere mogelijkheden: a. Schriftelijke vragen art. 38 b. Vragenhalfuur (oordeelsvormende) commissie c. Collegespreekuur – maandelijks voorafgaand aan de oordeelsvormende commissievergaderingen d. Verzoek tot agenderen als agendapunt in de commissie (verzoeken verlopen via de agendacommissie) Dit kan alleen door middel van een daartoe bestemd formulier en mits de agendacommissie dit onderwerp agendeert. De griffie ziet erop toe dat gemaakte afspraken nageleefd worden.
De raad wordt tweemaal per jaar geïnformeerd over de status van de afdoening van stukken die ter afhandeling in handen van college worden gesteld. BESLOTEN RAADSVERGADERINGEN Artikel 27. Toepassing reglement op besloten vergaderingen Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht van motie, het maken van het verslag. De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voor zover het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in de art. 25, 55 en 86 87 van de wet wordt opgelegd dan wel opgeheven. In art. 23 Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor 'het sluiten van de deuren', de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering wordt. Artikel 28. Verslag besloten vergadering In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, vierde lid van de wet.
In overeenstemming met de bepaling over het verslag van de raadsvergadering is de griffier ook verantwoordelijk voor het verslag van een besloten vergadering. In onze gemeente is ervoor gekozen om de verslagen digitaal – via een besloten systeem – ter beschikking te stellen in plaats van deze te laten berusten bij de griffier (zoals voorgesteld wordt in tekst model reglement VNG). Artikel 29. Opheffing geheimhouding Op grond van artikel 87, van de wet, kan geheimhouding op informatie worden opgelegd door de raad, het college, de burgemeester en een commissie. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad verstrekte informatie vervalt, indien de raad de verplichting tot geheimhouding opheft (artikel 89, vierde lid, van de wet). Wel bestaat er een overlegverplichting, waarmee recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor. Als de raad een opgelegde geheimhouding opheft, wil dat niet zeggen dat de desbetreffende informatie dan actief openbaar gemaakt moet worden. De Wet open overheid (Woo) openbaarheid van bestuur (Wob) is nog steeds op deze informatie van toepassing. Wanneer om openbaarmaking wordt verzocht moet dat verzoek dus pag. 22 van 28
aan de uitzonderingsgronden in de Wob Woo worden getoetst om tot een besluit te komen over het al dan niet openbaar maken van de betreffende informatie. Dan kan uiteraard blijken dat er inmiddels geen grond meer is om openbaarmaking te weigeren. Nadere regels geheimhouding: Delen van geheime schriftelijke informatie: o Raad, college, burgemeester en commissies kunnen op schriftelijke informatie geheimhouding opleggen; hiervoor moet altijd een besluit genomen worden door het betreffende gremium; o Deze informatie kan met elkaar gedeeld worden. o Geheime schriftelijke informatie mag verder alleen gedeeld worden door het gremium dat de geheimhouding heeft opgelegd. Echter, nadat geheime informatie met de raad is gedeeld, is alleen de raad nog bevoegd de kring van geheimhouders uit te breiden. o Deelt het college geheime schriftelijke informatie met individuele raadsleden, dan moet het college deze informatie ook delen met de overige raadsleden. Ontvangt een commissie waarin raadsleden zitten geheime schriftelijke informatie, dan krijgen alle raads- en commissieleden ook deze informatie. ▪ Deze regel geldt niet voor besloten commissies zoals presidium, vertrouwenscommissie, werkgeverscommissie en klankbordgesprekken burgemeester.
o Geheime schriftelijke informatie mag niet gedeeld en besproken worden met steunfractieleden: informatie waarop geheimhouding is gelegd (bij besluit of van rechtswege) kan niet worden gedeeld of besproken buiten de groepen (raad, commissie) waar de informatie mee is gedeeld. Delen van geheime mondelinge informatie o Mondelinge informatie die in een besloten vergadering van raad of commissie ter kennis van o de aanwezigen komt, is geheim, tenzij de raad of commissie anders beslist. o De geheimhoudingsplicht van deze mondelinge informatie geldt van rechtswege. o Wordt ‘mondeling’ geheime informatie gedeeld tijdens een besloten commissievergadering, dan is de verplichting voor het college deze informatie met alle raads- en commissieleden te delen niet van toepassing. De geheime informatie is immers niet aan de commissie verstrekt maar enkel mondeling medegedeeld. ▪ Deze informatie mag wel door de raads- en commissieleden onderling gedeeld en besproken worden, tenzij anders aangegeven. ▪ Deze informatie wordt niet gedeeld en besproken met steunfractieleden: informatie waarop geheimhouding is gelegd (bij besluit of van rechtswege) kan niet worden gedeeld of besproken buiten de groepen (raad, commissie) waar de informatie mee is gedeeld.
o
Uitbreiden kring van geheimhouders o Nadat geheime informatie met raad is gedeeld, is in principe alleen de raad nog bevoegd de kring van geheimhouders uit te breiden. Het college kan de geheime informatie niet meer aan anderen verstrekken. De informatie kan wel nog besproken en behandeld worden met wie de informatie al gedeeld was voordat deze aan de raad verstrekt werd. Omdat dit niet altijd wenselijk is, heeft de raad heeft hierover de volgende regel opgenomen in het RvO en VRC: o De raad geeft het college de mogelijkheid om na het verstrekken van geheime informatie aan de raad alsnog zelf de kring van geheimhouders uit te breiden als dit voor het dagelijks bestuur van de gemeente noodzakelijk is. Bijvoorbeeld met een andere gemeente of met een provincie als dit nodig is in geval van een gezamenlijke verantwoordelijkheid. o Op het moment van uitbreiding van de kring van geheimhouders, stelt het college de raad hiervan z.s.m. via een mededeling aan de griffie op de hoogte.
pag. 23 van 28
Opheffen geheimhouding o Opheffing van geheimhouding op schriftelijke informatie kan alleen door het orgaan dat de geheimhouding heeft opgelegd, tenzij: • de informatie onder geheimhouding met de raad gedeeld: nu is de raad altijd als enige bevoegd om de geheimhouding op te heffen; • een commissie de geheimhouding heeft opgelegd: de commissie kan dan de geheimhouding opheffen + het orgaan dat die commissie heeft ingesteld. In geval de informatie met de raad is gedeeld, blijft de raad als enige bevoegd om de geheimhouding op te heffen. o Een verzoek tot openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo) moet worden doorgeleid naar de raad als het gaat om aan de raad verstrekte informatie waar geheimhouding op ligt. De raad beslist of de geheimhouding kan worden opgeheven alvorens door het college op het Woo-verzoek wordt beslist. Vervallen geheimhouding o Is geheimhouding voor een bepaalde periode opgelegd, dan vermeldt het college de datum einde geheimhouding op het document in de mededeling over de opgelegde geheimhouding. Na deze datum vervalt de geheimhouding zonder verder besluit daarover. BOB-instrumenten o Alle informatie tijdens beeldvormende, oordeelsvormende en besluitvormende vergaderingen is openbaar, tenzij anders aangegeven. o Ook de informatie tijdens een Buiten BOB – Informatieavond is openbaar, tenzij anders aangegeven.
o Het Buiten BOB – Dossieroverleg is niet openbaar, maar een besloten bijeenkomst. De schriftelijke en mondelinge informatie is geheim en wordt niet actief naar buiten gebracht, op welke manier dan ook. o Voor alle BOB instrumenten geldt dat geheime of vertrouwelijke informatie alleen gedeeld en besproken kan worden binnen de groepen waar deze mee is gedeeld is (raad, commissie). Niet met steunfractieleden. Ordemaatregel bij schending geheimhoudingsplicht Omdat voor het opleggen van geheimhouding op bepaalde informatie in het algemeen een goede reden bestaat, is het van belang dat iedereen zich aan de opgelegde geheimhoudingsplicht houdt. Toch zou het kunnen gebeuren dat een individueel lid van een orgaan waaraan geheime informatie is verstrekt, deze informatie met anderen deelt of openbaar maakt. Voor deze situatie biedt de wet de mogelijkheid om een sanctie op te leggen wegens schending van de geheimhoudingsplicht. Dit is geregeld in artikel 89, vijfde lid, van de Gemeentewet. Artikel 89 Gemeentewet Een lid van de raad of van een door de raad ingestelde commissie als bedoeld in hoofdstuk V kan in geval van schending van de geheimhoudingsplicht bij besluit van de raad ten hoogste drie maanden worden uitgesloten van toegang tot informatie waarop geheimhouding rust. Dit staat los van eventuele strafbaarheid op grond van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht.
De opgelegde geheimhoudingsplicht in een besloten vergadering geldt ook voor niet-raadsleden zoals griffiemedewerker, ambtenaren en bodes. In artikel 23, lid 4, Gemeentewet staat: 'Indien met gesloten deuren wordt vergaderd, geldt een verplichting tot geheimhouding omtrent informatie die in die vergadering ter kennis van de aanwezigen komt. De verplichting duurt voort, totdat de raad haar opheft.’ Als die andere aanwezigen de geheimhouding opzettelijk schenden dan zijn ze net als de raadsleden vervolgbaar en strafbaar op grond van artikel 272 Wetboek van Strafrecht.
pag. 24 van 28
TOEHOORDERS EN PERS Artikel 30. Toehoorders en pers De hier aangegeven bepalingen worden wat betreft het handhaven van de orde aangevuld door artikel 26 Gemeentewet. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders die de orde verstoren, te doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen.
Artikel 31. Geluid- en beeldregistraties Aangezien de vergaderingen van de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering betreft. Wel dient rekening gehouden te worden met de privacy van insprekers of publiek. Raadsleden daarentegen hebben een publieke functie. Het is mogelijk om een aanwijzing te geven dat publiek slechts van af een bepaalde afstand in beeld mag worden gebracht. Ook kan een aanwijzing zijn dat burgers die inspreken niet gefilmd mogen worden, uiteraard in overleg met de insprekers. Mogelijk hebben zij geen probleem met beeldregistraties. HOOFDSTUK 3. BEVOEGDHEDEN, INSTRUMENTEN RAADSLEDEN Artikel 33. Amendementen en subamendementen Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de wet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Op basis van dit artikel is de raad verplicht een amendement te behandelen. Leden van de raad kunnen wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatiefvoorstellen indienen, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is.
De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Indien (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn. Het is praktisch dat een raadslid aanwezig is voor de behandeling van zijn (sub)amendement. Dit omdat doorgaans een (sub)amendement toegelicht wordt door de indiener. Daarom is bepaald dat er alleen wordt beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben.
Artikel 34. Moties In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie gegeven. Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke, procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken. Gelet op de digitale beschikbaarheid van de tekst van de motie wordt alleen het dictum voorgelezen. Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp waarop de motie betrekking heeft. Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering plaats.
Dergelijke moties benaderen de in artikel 35 geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder
pag. 25 van 28
belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. De aanwezigheid van de indienende fractie in de vergadering tijdens de behandeling is een vereiste. In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt. Dit betreft de motie van wantrouwen waarbij de raad aangeeft het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het is een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen.
Artikel 35. Initiatiefvoorstel Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen. Maar raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of beslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend. In artikel 147a, eerste lid van de wet is dit uitgewerkt. Het tweede en derde lid van dit artikel bepalen dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt ingediend en behandeld. Daar wordt in deze bepaling uitvoering aan gegeven. Algemeen uitgangspunt is dat ook individuele raadsleden en kleine fracties beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Het ontbreken van drempelsteun bij het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie. De Gemeentewet maakt onderscheid tussen initiatiefvoorstellen voor verordeningen en overige initiatiefvoorstellen. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel voor een verordening indienen.
Een dergelijk voorstel moet aanhangig worden gemaakt door het schriftelijk en ondertekend aan de voorzitter te zenden (art. 147a, eerste lid van de wet). De verdere wijze van behandeling moet de raad zelf regelen. De raad moet ook regelen op welke wijze en onder welke voorwaarden overige initiatiefvoorstellen (voorstellen die betrekking hebben op iets anders dan een verordening) in behandeling worden genomen. Ook dit initiatiefrecht komt toe aan individuele raadsleden, hetgeen inhoudt dat geen drempels mogen worden opgeworpen. Wel kan de raad voorzien in een zekere inhoudelijke toets. Daarbij kan worden gedacht aan het beantwoorden van de vraag of het voorstel wel de uitoefening van een raadsbevoegdheid betreft (en niet een collegebevoegdheid). Het tweede lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk op de agenda plaatst, maar niet meer nadat de oproep verzonden is. Dit laat de mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 10, derde lid, het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen. Het is aan de raad om vervolgens te bepalen hoe het initiatiefvoorstel verder wordt behandeld nu het op de agenda staat.
Artikel 36. Voorstel college aan raad Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel dat het college heeft voorbereid kan agenderen. Als het college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat zij het door hen voorbereide voorstel kunnen intrekken als ze van oordeel zijn dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat zij een voorstel willen wijzigen). De raad moet hier toestemming voor geven. Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden ter nadere onderbouwing. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar kan dit ook aan de agendacommissie overlaten. Het college wordt tijdens de behandeling van een collegevoorstel in de gelegenheid gesteld om uitstel of terugneming te bepleiten, een en ander onder handhaving van het wettelijke uitgangspunt dat de raad hier uiteindelijk over beslist. pag. 26 van 28
Artikel 37. Interpellatie Dit artikel stelt nadere regels bij artikel 155 Gemeentewet. Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet-geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft.
Artikel 38. Schriftelijke vragen en art. 39 Technische vragen Schriftelijke vragen Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. Commissieleden kunnen eventueel als 2e ondertekenaar (raadslid altijd als 1e ondertekenaar) op het formulier toegevoegd worden. De verantwoordelijke portefeuillehouder dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen, indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het verantwoordelijk collegelid of de burgemeester geeft daarom het antwoord. Technische vragen Het karakter van deze vragen is primair informatief en niet politiek van aard. Het betreft vragen naar feiten. Technische vragen dienen in de beeldvormende fase gesteld te worden. Het stellen van technische vragen in de eerste of tweede termijn van de Oordeelsvormende en Besluitvormende vergaderingen is niet toegestaan. Dit vraagt om een voorzitter die hier scherp op toeziet, een wethouder die deze vragen teruggeeft aan de voorzitter en om commissie/raadsleden die elkaar op dit punt durven aan te spreken. In oordeelsvormende vergaderingen worden politieke vragen gesteld.
In de besluitvormende vergaderingen worden verantwoordingsvragen gesteld. Voorafgaand aan de oordeelsvormende commissie SBBV en R&F vindt een collegespreekuur plaats. Op dit spreekuur kunnen vragen gesteld worden en reacties of ideeën worden meegegeven. In de besluitvormende raadsvergadering worden geen vragen meer aan het college gesteld. Het college kan wel reactie geven op moties/amendementen/actualiteiten-debat.
Artikel 40. Inlichtingen In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de raad. Naast een ingewikkelde inrichting van de bestuursbevoegdheden bevat de wet ook behoorlijk aangescherpte regels over de inlichtingenplicht van het college ten opzichte van de raad. Deze regels beogen de politieke verantwoordelijkheid van het college te activeren en de eindverantwoordelijkheid van de raad te bevestigen. Daar is in de eerste plaats de passieve inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 169, derde lid van de wet. Dat is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen verzet. Dit recht om inlichtingen te vragen komt eveneens toe aan individuele raadsleden. Daarmee is een waarborg in het leven geroepen dat voorkomt dat een raadsmeerderheid om (partij)politieke redenen belemmeringen opwerpt tegen het vragen van inlichtingen door een raadslid of raadsminderheid. Wel kan de raad via het Reglement van orde op grond van doelmatigheidsoverwegingen een zekere ordening aanbrengen in de wijze waarop het inlichtingenrecht wordt uitgeoefend. De raad gaat immers over de agenda en de vergaderorde.
De weigeringsgrond ‘tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang’ is wettelijk objectief en algemeen omschreven. De wetgever beoogde daarmee dat een beroep daarop in de praktijk als een hoge uitzondering op de algemene regel zou moeten worden gebruikt.
pag. 27 van 28
In de praktijk bestaan verschillende wettelijke en politieke figuren om als raad en college met elkaar te communiceren buiten de openbaarheid. De openbaarheid van stukken en vergaderingen bijvoorbeeld kan al dan niet tijdelijk worden opgeheven. Er bestaat een algemene actieve inlichtingenplicht ex art. 169, tweede lid van de wet. Deze verplicht het college uit eigen beweging de raad alle inlichtingen te verstrekken die hij nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Blijkbaar moet het college permanent nagaan welke informatie de raad behoeft voor een goede taakvervulling. Hier liggen grote politieke risico’s als de raad het college in het ongewisse laat over de aard en omvang van de gewenste informatie. In het geval dat raad en college daarover geen afspraken maken is de kans groot dat het college de raad veiligheidshalve overstelpt met papier. Van controleren komt dan weinig terecht en bovendien zijn we dan weer terug in de cultuur van meeregeren uit het monistische tijdperk. Dezelfde risico’s doen zich voor met betrekking tot in een tweede actieve, meer specifieke inlichtingenplicht.
Artikel 169, vierde lid van de wet verplicht het college de raad vooraf te informeren over de voorgenomen uitoefening van een gemeentewettelijke bestuursbevoegdheid als bedoeld in art.160, eerste lid, onder e, f, g en h, indien de toepassing daarvan ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente of indien raad daarom verzoekt. Het college mag dan niet eerder een besluit nemen dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Overigens kent ook deze actieve informatieplicht de nodige vaagheid. Wat is ingrijpend? Het antwoord op deze vraag moet volgens de wetgever worden gevonden in de plaatselijke omstandigheden. Waarschijnlijk heeft de wetgever het oog gehad op substantiële financiële gevolgen van privaatrechtelijke overeenkomsten. Blijkbaar moeten raad en college hier zelf een modus voor vinden. Een andere vraag is nog of ook deze inlichtingenplicht wordt beperkt door de weigeringsgrond van het openbaar belang als bedoeld in het derde lid van de art. 169 en 180 van de wet. Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord op basis van ongeschreven gemeenterecht. Het verstrekken van inlichtingen kan overigens niet via de rechter worden afgedwongen.
Artikel 41. Actualiteitendebat De media-aandacht voor de lokale politiek kan hiermee worden vergroot. In dit actualiteitendebat heeft de raad de mogelijkheid over vooraf ingebrachte onderwerpen met de andere leden van de gemeenteraad het debat te voeren. De onderwerpen dienen actueel en van politiek en/of maatschappelijk belang te zijn. De voorzitter toetst dit, hierin geadviseerd door de griffier. Het actualiteitendebat dient door minimaal drie partijen te worden aangevraagd. Hierdoor wordt een breder draagvlak gecreëerd.
pag. 28 van 28