CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2: Ontwerp onderbouwing Noord 25, Krimpen aan de Lek, versie 25-03-2026

Raadsvergadering 2 juni 2026, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (H) Bindend advies BOPA Noord 25 in Krimpen aan de Lek25.869 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Met inachtneming van het vorenstaande is er geen aanleiding om aan te nemen dat de activiteit Wonen in het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zal opleveren. Een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, zodat er vanuit milieuzonering geen bezwaren bestaan tegen de vervolgfunctie naar woondoeleinden met een bedrijf aan huis. Andersom geredeneerd zijn er voor het nabij gelegen agrarisch bedrijf geen beperkingen voor de bedrijfsvoering als gevolg van de vervolgfunctie naar Wonen. De planontwikkeling geeft vanuit milieuzonering geen beperkingen voor bestaande milieugevoelige- en milieubelastende activiteiten.

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

47

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

6.1.3 Geluid Wettelijk kader algemeen Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de Bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (paragraaf 22.3.4.2 Bruidsschat); Geluid door windturbines en windparken (paragraaf 22.3.4.3 Bruidsschat); Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (paragraaf 22.3.4.4 Bruidsschat).

De instructieregels uit Afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.21 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. 6.1.3.1 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen.

Het Bkl verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen het Bkl regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. In artikel 3.22 van het Bkl is geluidsgevoelige ruimte een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een: a. woonfunctie of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die woonfunctie; b. onderwijsfunctie; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die gezondheidszorgfunctie; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. Onderzoek/ beoordeling Bij verandering van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Bkl. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een weg gelden, staan in tabel 6.6. Tabel 6.6: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen. Geluidbronsoort Standaardwaarde (dB) Grenswaarde (dB) (tabel 5.78t Bkl) (tabel 5.78u Bkl)

48

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

Provinciale wegen en Rijkswegen Gemeentewegen en waterschapswegen

50 Lden

60 Lden

53 Lden

70 Lden

De relevante weg in het geluidaandachtsgebied van het plangebied is de Noord (gemeenteweg). Voor deze weg geldt een maximum snelheid van 60 km/uur. De weg 'Zaag' is vanwege de lage intensiteit niet akoestisch relevant voor het onderzoek. Bij verandering van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan de bruidsschatregels. In deze situatie is sprake van bestaande wegen en vier nieuwe woningen. Het aanvaardbare woon- en leefklimaat moet door middel van akoestisch onderzoek worden aangetoond. Indien de berekende belasting de genoemde waarde overschrijdt, dient in eerste instantie onderzocht te worden of maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting verlagen tot de nieuwe standaardwaarde of minder. In verband hiermede is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Ambro Advies te Gorinchem (rapport van 15 augustus 2025, documentnummer 20252292.v1.1, Bijlage 1). Uit de uitgevoerde berekeningen kan het volgende worden afgeleid (conclusies overgenomen uit rapport). Uit het onderzoek blijkt dat de standaardwaarde van 53 Lden vanwege de gemeentelijke wegen wordt overschreden. De grenswaarde van 70 Lden wordt niet overschreden. De hoogst berekende geluidniveau bedraagt 62 Lden.

Maatregelen bij de ontvanger Aanvullend zullen op grond van het gezamenlijke geluid van wegen en industrie gevelmaatregelen worden getroffen waardoor het binnenniveau in de verblijfsgebieden niet meer zal bedragen dan 33 dB en in de verblijfsruimten niet meer dan 35 dB. Zie hiervoor het afzonderlijke geluidwering gevelonderzoek met kenmerk 2025317 V1.0 van 15 augustus 2025, zoals opgenomen in Bijlage 2. Gecumuleerd en gezamenlijk geluid Voor alle woningen geldt dat zowel het gecumuleerde als het gezamenlijk geluid 62 dB bedraagt op de maatgevende (voor)gevel. De hieruit volgende eis voor de karakteristieke geluidwering van de gevels bedraagt 62-33 = 29 dB voor de verblijfsgebieden en 27 dB voor de verblijfsruimten. Deze geluidwering zal worden bereikt. Het binnenniveau zal niet meer bedragen dan 33 dB/35 dB(A). Alle woningen beschikken over een geluidsluwe gevel zodat voldaan wordt aan 'Beleidsregel Hogere waarden, 2018 regio Midden-Holland'. Met inachtneming van de resultaten van het akoestisch onderzoek is aangetoond dat er geen aanleiding om aan te nemen dat de nieuw te bouwen woningen in het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren. Een goed verblijfs- leefklimaat blijft gegarandeerd. De onderbouwing afgewogen hogere geluidswaarden wordt als bijlage bij de omgevingsvergunning opgenomen.

Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit het Bkl, onderdeel verkeerslawaai, geen beperkingen voor onderhavige planontwikkeling. 6.1.3.2 Spoorweglawaai Wettelijk kader spoorweglawaai Op het bepalen van het geluid zijn op grond van artikel 3.24, lid 5 van het Bkl de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. De zonebreedte van spoorwegen zijn vastgesteld op basis van de GPP's (Geluid Productie Plafonds). Bij verandering van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Bkl. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een spoorweg gelden, staan in tabel 6.7. Tabel 6.7: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen. Geluidbronsoort Standaardwaarde (dB) Grenswaarde (dB) (tabel 5.78t Bkl) (tabel 5.78u Bkl)

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

49

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

Lokale spoorwegen en Hoofdspoorwegen

55 Lden

70 Lden

Onderzoek/ beoordeling Het plangebied ligt niet in een geluidaandachtsgebied van een spoorlijn. Er zijn vanuit dit oogpunt geen beperkingen voor het plangebied. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit het Bkl, onderdeel spoorweglawaai, geen beperkingen voor onderhavige planontwikkeling. 6.1.3.3 Industrielawaai Wettelijk kader industrielawaai Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. In artikel 3.25 van het Bkl zijn regels opgenomen voor het bepalen van geluid door industrieterreinen. Op het bepalen van het geluid zijn op grond van lid 4 de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing. Bij verandering van een omgevingsplan moet er in principe worden getoetst aan het Bkl. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid van alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een industrieterrein gelden, staan in tabel 6.8. Tabel 6.8: Standaardwaarde en grenswaarde geluidgevoelige gebouwen.

Standaardwaarde (dB) Grenswaarde (dB) Geluidbronsoort (tabel 5.78t Bkl) (tabel 5.78u Bkl) Industrieterreinen 50 Lden 55 Lden 40 Lnight 45 Lnight Onderzoek/ beoordeling Voor industrieterreinen geldt dat er binnen het geluidreferentiepunt in beginsel geen woningbouw is toegestaan op grond van het bepaalde in het Bkl. In de nabijheid van het plangebied als bedoeld in artikel 3.33 (geluidreferentiepunten voor industrieterreinen) liggen een gezoneerde industrieterreinen met een geluidproductieplafond. In verband hiermede is een akoestisch onderzoek omgevingslawaai uitgevoerd (zie hiervoor Bijlage 1). In het rapport is aangetoond dat het hoogst berekende geluid vanwege industrie 54 dB bedraagt. De geluidbelasting valt binnen de grenswaarden van 55 dB. In paragraaf 6.1.2 is hierop ingegaan. Verder dient rekening te worden gehouden met de richtafstanden uit de brochure 'Activiteiten en milieuzonering'. Een toetsing heeft plaatsgevonden in paragraaf 6.1.2. Er zijn vanuit dit oogpunt geen beperkingen voor het plangebied. Conclusie Gezien het bovenstaande gelden vanuit het Bkl, onderdeel industrielawaai, geen beperkingen voor onderhavige planontwikkeling. 6.1.4 Bodem Wettelijk kader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl).

Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal):

50

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4); Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijziging van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Onderzoek/ beoordeling De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft het lokaal beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het beleid is vastgelegd in de 'Bodemkwaliteitskaart Midden-Holland 2022' en de 'Nota bodembeheer Midden-Holland 2023'. Bij een omgevingsvergunning dient in beginsel een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. In verband met deze planontwikkeling is een verkennend en nader bodemonderzoek en indicatief asbestonderzoek overeenkomstig NEN 5740 en NEN 5707 uitgevoerd door Silt Milieu B.V. te Oirschot (rapport van 20 september 2025, projectnummer 2500810, Bijlage 3).

Uit de resultaten hiervan kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). Algemeen De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 3,8 m-mv overwegend uit matig fijn, matig siltig zand. Vanaf een diepte van circa 1,7 m-mv bestaat de bodem overwegend uit zwak zandig klei. De grond is plaatselijk humushoudend. In de uitkomende grond zijn lokaal bijmengingen (puin, baksteen en slakken) aangetroffen die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Grond De resultaten op basis van de XRF en de in het laboratorium uitgevoerde analyses komen redelijk met elkaar overeen. Op basis van de onderzoeksresultaten en de bekende historie van de locatie, waarbij onder meer ophogingen met slib hebben plaatsgevonden, wordt verwacht dat de verontreiniging zich over het volledige perceel uitstrekt tot een diepte van circa 1,70 m-mv. Opgemerkt dient te worden dat de verontreiniging naar verwachting perceelsoverschrijdend is. Grondwater In het grondwater uit peilbuis PB01 zijn analytisch licht verhoogde concentraties aan barium en zink aangetoond. Deze concentraties overschrijden de streefwaarden doch niet de interventiewaarden. Alle concentraties voldoen aan de signaleringsparameters volgens het Landelijke BKL en de Beoordeling Zoet en Zout Grondwater Zuid-Holland voor grondwatersanering aan de hand van lokale normen.

De concentraties aan barium en zink overschrijden wel de voorkeurswaarde van de Beoordeling Zoet en Zout Grondwater Zuid-Holland voor grondwatersanering aan de hand van lokale normen. De voorkeurswaarde is te vergelijken met de streefwaarde. Asbest in grond/puin In puinmengmonster ASBMM01 is een verhoogd gehalte aan asbest aangetoond. Dit gehalte overschrijdt de detectiegrens, doch ligt onder de helft van de interventiewaarde/grenswaarde. Op basis hiervan hoeft geen nader onderzoek naar asbest te worden uitgevoerd. In het puinmengmonster ASBMM02 is geen verhoogd gehalte asbest aangetoond. Het gemeten gehalte blijft beneden de detectiegrens. Toetsing hypothese asbest De hypothese 'diffuse bodembelasting met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging op basis van monsterneming' kan op basis van de resultaten worden verworpen. Resumé en aanbevelingen Middels onderhavig verkennend en nader bodemonderzoek en onderzoek naar asbest in puin is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen transactie/ontwikkeling van de locatie.

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

51

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

Vervolgstappen Voor het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit gelden algemene rijksregels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal is weergegeven wat onder de milieubelastende activiteit valt en wat vergunningplichtig is. De milieubelastende activiteit • "graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit" is in het Bal aangewezen. Deze activiteit kan schadelijk zijn voor het milieu. Deze milieubelastende activiteit is een bedrijfstak-overstijgende activiteit. Graven valt alleen onder deze MBA als: de kwaliteit van de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit is. Hiervoor geldt geen minimale omvang zoals dat onder de Wbb het geval was; het totale bodemvolume waarin het graven plaatsvindt meer dan 25 m³ bedraagt. Deze volumegrens staat los van de omvang van een verontreiniging; het graven plaatsvindt in de landbodem of ter plaatse van de zogenaamde droge(re) oevergebieden van de waterbodem. Het is vooral zaak om te kijken wat ter plaatse noodzakelijk is in relatie tot de herontwikkeling. Op plaatsen waar mensen aanwezig zijn dient daarnaast een geschikte leeflaag (grond welke voldoet aan de ter plaatse vastgestelde bodemfunctieklasse in combinatie met de daarbij horende en/of gewenste bodemkwaliteitsklasse) of een duurzame verharding aanwezig te zijn.

Conclusie Middels het vekennend bodem- en indicatief asbestonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. Op basis van de bevindingen uit dit bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen nieuwbouw op de locatie. De resultaten op basis van de XRF en de in het laboratorium uitgevoerde analyses komen redelijk met elkaar overeen. Op basis van de onderzoeksresultaten en de bekende historie van de locatie, waarbij onder meer ophogingen met slib hebben plaatsgevonden, wordt verwacht dat de verontreiniging zich over het volledige perceel uitstrekt tot een diepte van circa 1,70 m-mv. In de grondmengmonsters ASBMM01 en ASBMM02 zijn geen verhoogde gehaltes aan asbest aangetoond ten opzichte van de detectiegrens. Vervolgstappen In het kader van de herontwikkeling dient allereerst te worden vastgesteld of werkzaamheden plaatsvinden ter plaatse van de geconstateerde bodemverontreiniging. Wanneer dit duidelijk is volgt automatisch welke MBA (milieubelastende activiteit) van toepassing is en kan de melding gedaan worden via het Omgevingsloket. Tevens kan dan vastgesteld worden welke overige uitvoeringsvoorwaarden van toepassing zijn. In de voorwaarden van de omgevingsvergunning wordt geborgd dat eerst een bodemsanering dient te worden uitgevoerd, alvorens wordt gestart met de bouwactiviteiten.

In de grondexploitatie wordt hiervoor een budget gereserveerd. Met inachtneming hiervan zijn er geen risico’s voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de functiewijziging in het plangebied. Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Aanvullingsbesluit bodem of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid van het bevoegd gezag. 6.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied.

Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.

52

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Bkl. In Bkl zijn onder andere omgevingswaarden opgenomen voor zwaveldioxide (artikel 2.3), stikstofdioxide en stikstofoxiden (artikel 2.4) en fijn stof (artikel 2.5). De omgevingswaarden gelden voor de buitenlucht. Deze zijn niet van toepassing op een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 89/654/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen (PbEG 1989, L 393) waartoe het publiek gewoonlijk geen toegang heeft.

In tabel 6.9 is een overzicht gegeven van de omgevingswaarden uit het Bkl. Tabel 6.9: Omgevingswaarden maatgevende stoffen Besluit kwaliteit leefomgeving. kalenderuurgemiddelde 24-uursgemiddelde Opmerkingen stof jaargemiddelde NO2 40 µg/m3 200 µg/m3 n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden PM2,5 25 µg/m3 n.v.t. n.v.t. n.v.t. PM10 40 µg/m3 n.v.t. 50 µg/m3 24-uursgemiddelde Mag 35x per jaar worden overschreden Artikel 8.17 van het Bkl stelt dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend als de omgevingswaarden in acht worden genomen. Onderzoek/ beoordeling Het plan omvat het oprichten van vier woningen. Door de omvang van dit project is dit een project niet in betekenende mate. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Om toch een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) in het kader van de Omgevingswet geraadpleegd voor 2023 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs de Noord ter hoogte van het plangebied (x: 100578.033172533 en y: 434904.292843785). Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide ten hoogste 17,67 µg/m³ bedraagt. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 15,25 µg/m³.

De concentraties liggen daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. Voor PM2,5 geldt dat de hoogste concentratie 8,06 µg/m³ bedraagt en ligt daarmee onder de wettelijke waarde van 25 µg/m³. Geconcludeerd wordt dat het Bkl de uitvoering van het project niet in de weg staat. Project is NIBM Het plan omvat het oprichten van vier woningen. Hier is sprake van een project niet in betekenende mate. Er behoeft niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Conclusie Het bouwplan voor het oprichten van vier woningen valt onder de noemer “kleine projecten”, zodat voor deze planontwikkeling een luchtonderzoek achterwege kan blijven. In de huidige situatie voldoet de luchtkwaliteit in het plangebied aan de grenswaarden. Volgens de prognoses wordt de luchtkwaliteit in de komende jaren, door het schoner worden van het verkeer, steeds beter. Artikel 8.17 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit luchtkwaliteit) van het Bkl staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg.

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

53

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

6.1.6 Omgevingsveiligheid Wettelijk kader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7. lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brandof explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief in een voorschriftengebied ligt, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl).

Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: paragraaf 5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: paragraaf 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (paragraaf 5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (paragraaf 5.1.2.6 Bkl).

Onderzoek/ beoordeling Voor Omgevingsveiligheid is een aantal bronnen van belang, namelijk het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor of het water, het transport door ondergrondse leidingen en de opslag van gevaarlijke stoffen.

54

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

Voor het plangebied is het Portaal Atlas Veiligheid (afgekort PAV) geraadpleegd. Deze kaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op het PAV ligt het plangebied niet in een explosie-aandachtgebied van bedrijven en binnen het invloedsgebied van een buisleiding. Het plangebied ligt ook niet in het aandachtsgebied van een hoogspanningsleiding of Rotterdam The Hague Airport. Het plangebied ligt niet binnen de gifwolkaandachtsgebied van de Nieuwe Maas. Deze afstand is 300 meter, terwijl het planngebied op circa 370 meter afstand ligt. Wel ligt het plangebied in het gifwolkaandachtsgebied van twee bedrijven binnen het Rijnmond gebied (figuur 10). De bebouwing ligt buiten de 200 meter zone van de Basisroute water. Over deze rivier vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Er is geen sprake van een PR 10-6 contour buiten de vrijwaringszone (het plangebied ligt hierbuiten). Voorts is er geen sprake van een relevant groepsrisico (in ieder geval kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde) gezien de lage populatie langs de Nieuwe Maas ter plaatse van het plangebied.

Als relevante maatregel dient een mechanische ventilatie te worden aangebracht in de vier woningen zoals dat is opgenomen in het Bbl. Met inachtneming hiervan is het onderdeel omgevingsveiligheid voldoende geborgd.

Figuur 10: Uitsnede kaart PAV. Plangebied zwart omkaderd. Conclusie Bij omgevingsveiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding of wegen met een explosie-aandachtsgebied. Wel ligt het plangebied in het gifwolkaandachtsgebied van twee bedrijven binnen het Rijnmond gebied. Het groepsrisico is evenwel kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde ter plaatse van het plangebied. Het aspect omgevingsveiligheid staat dit bouwplan niet in de weg.

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

55

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

6.1.7 Gezondheid Wettelijk kader In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Eén van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In artikel 3.3 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgsbeginsel en andere milieubeginselen. In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Over gezondheid in de omgevingsvergunning gaan de artikelen 5.32 en 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en de artikelen 8.101 en 8.102 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Onderzoek/ beoordeling In de Omgevingsvisie Krimpenerwaard is in algemene zin aandacht besteed aan gezondheid. Het is één van de speerpunten: gezond en veilig woon- en leefklimaat (paragraaf 3.5.6). Speerpunt: gezond en veilig woon- en leefklimaat Voldoende rust, een gezonde lucht en een veilige omgeving zijn belangrijk voor de gezondheid. Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving neemt de gemeente gezondheidseffecten mee in haar afweging. De Krimpenerwaard is een veilig gebied waar mensen in gezondheid oud kunnen worden.

De Krimpenerwaard moet een aantrekkelijke en veilige plek blijven om te wonen, werken en te leven. Door de leefomgeving gezonder in te richten kan veel gezondheidswinst worden geboekt. Een gezonde inrichting van de leefomgeving bevordert de fysieke en mentale gezondheid en beschermt tegen negatieve omgevingsinvloeden. Een gezonde leefomgeving is een leefomgeving die bewoners als prettig ervaren, waar gezonde keuzes gemakkelijk en logisch zijn en waar negatieve invloed op gezondheid zo klein mogelijk is. Belangrijke elementen voor een gezonde leefomgeving zijn uitnodigingen tot bewegen (wandelen, fietsen, spelen), aandacht voor groen en water, elkaar ontmoeten (sociale cohesie), ontspanning, een goede milieukwaliteit (lucht, geluid en water), balans tussen geluid en stilte, klimaatbestendigheid (zoals meer groen voor tegengaan hitte- en wateroverlast) en een goede toegang tot voorzieningen. Een veilige leefomgeving is een leefomgeving waarin bewoners, ondernemers, politie, gemeente en andere partners samen werken aan veiligheid. De gemeente faciliteert dit door het aanbieden en ondersteunen van onder andere het Keurmerk Veilig Ondernemen, Burgernet, WhatsApp buurtpreventie, Meld misdaad anoniem en andere (burger) participatie initiatieven. De gemeente zet in op onder andere: Gezondheid is integraal onderdeel bij ontwikkelingen in de leefomgeving; Een goede milieukwaliteit: 1.

Aansluiten op Schone Lucht Akkoord; 2. Aandacht voor geluid- en luchtkwaliteit, lichtoverlast. Bijvoorbeeld bij nieuwe ontwikkelingen; 3. Gezonde bodem en schoon water; Veilige leefomgeving: 1. De kwaliteit van de leefomgeving wordt mede bepaald door fysieke veiligheid; 2. Samenwerken aan een veilige en gezonde leefomgeving; 3. De leefomgeving wordt mede vormgegeven volgens de ontwerpprincipes voor veiligheid; 4. Voorkomen of beperken van risico's vergroot de veiligheid; 5. Afstand tot de risico's vergroot de veiligheid; 6. Bouwwerken en omgeving bieden bescherming; 7. Bouwwerken en gebieden zijn snel en veilig te verlaten. Landelijk is er veel aandacht voor een gezonde leefomgeving. Het is belangrijk dat de overheid blijft investeren in het verbeteren van de milieukwaliteit (gezondheidspreventie). Daarnaast moet beleid gericht zijn op een fysieke en sociale omgeving die gezond gedrag bevordert. Conclusie Beschermen van de gezondheid en van het milieu is in algemene zin opgenomen in de Omgevingsvisie. Gezondheid wordt nader vastgelegd in het omgevingsplan in de vorm van omgevingswaarden. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties; er wordt rekening gehouden met

56

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

verderop gelegen milieubelastende activiteiten. In paragraaf 6.1.2 is dit toegelicht. Voor de bewoners kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. De aanvraag omgevingsvergunning is in overeenstemming met de uitgangspunten van het onderdeel gezondheid uit de omgevingsvisie.

6.2

Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stadsen dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland In de Cultuurhistorische Atlas (provincie Zuid-Holland) is er onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans.

Het plangebied ligt in Komafzettingen met Veen in de Formatie van Echteld en Formatie van Nieuwkoop, Hollandveenpakket van 0 tot (ruim dieper) dan 5 m onder maaiveld (basis holoceen) zonder verwachtingswaarden. Een uitsnede van de Cultuur historische atlas is opgenomen in figuur 11. Het plangebied zelf heeft geen trefkans op archeologische waarden.

Figuur 11: Uitsnede Cultuur historische Atlas PZH. Plangebied zwart omkaderd.

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

57

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

Gemeentelijke beleidsnota archeologie De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft op 13 december 2016 de Archeologienota Krimpenerwaard vastgesteld. Deze nota schept duidelijkheid over de archeologische waarden binnen de gemeente en geeft richtlijnen over de omgang hiermee. Op de Archeologische beleidskaart heeft het plangebied geen aanduiding 'Waarde Archeologie'. Een uitsnede van de geactualiseerde archeologische beleidskaart is opgenomen in figuur 12. Op de historisch-geografische en archeologische waardenkaart maakt het plangebied onderdeel uit van de uiterwaarden met een lage archeologische verwachting.

Figuur 12: Uitsnede archeologische beleidskaart. Plangebied geel omkaderd. Onderzoek/ beoordeling In het omgevingsplan van rechtswege heeft het bebouwingslint de dubbelbestemming 'specifieke vorm van waarde – vaw2'. Onderzoek is nodig wanneer grondingrepen plaatsvinden van dieper dan 0,30 meter en een oppervlak groter dan 1.000 m². De nieuwe bebouwing in het plangebied is kleiner, te weten 282 m², zodat een archeologisch onderzoek achterwege kan worden gelaten. Het is niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid. Conclusie Het initiatief tast de archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld voor deze planontwikkeling. 6.2.1 Cultuurhistorie/ monumenten In het plangebied bevinden zich geen Rijks- of gemeentelijke monumenten. Evenmin worden de cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast. De bestaande bebouwing zelf heeft geen cultuurhistorische waarde. Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld voor deze planontwikkeling.

58

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

6.3

Flora en fauna

Wettelijk kader De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Doelen van de Aanvullingswet natuur zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Aanvullingswet natuur zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De provincies kunnen ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied 'Boezems Kinderdijk' ligt circa 2,85 km ten oosten van het plangebied. Het Natura2000-gebied 'Donkse Laagten' ligt circa 10,0 km ten zuidoosten van het plangebied.

Het Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' bevindt zich op een afstand van circa 16,6 km ten noordoosten van het plangebied. Sprake is van het oprichten van vier woningen op een woonkavel waar al één woning bij recht is toegestaan. Deze Natura2000-gebieden worden niet beïnvloed. Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht. Ten zuiden van het plangebied ligt op circa 200 meter afstand NNN (zie figuur 13). Het oprichten van vier woningen heeft geen consequenties hiervoor.

Figuur 13: NNN in de directe omgeving van het plangebied (plangebied met een rode stip aangeduid).

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

59

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

6.3.1 Stikstofdepositie Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.21 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij Koninklijk Besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Het circa 2,85 km oostelijk gelegen Natura2000-gebied 'Boezems Kinderdijk', het op 10,0 km zuidoostelijk gelegen Natura2000-gebied 'Donkse Laagten' en het op 16,6 km noordoostelijk gelegen natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' zijn Vogelrichtlijngebieden, met dien verstande dat 'Polder Stein' mogelijk wel binnenkort wordt aangewezen als stikstofgevoelig gebied. Het Natura2000-gebied 'Biesbosch' is wel een stikstofrelevant habitatrichtlijngebied. Dit gebied ligt evenwel op circa 15,3 km afstand, zodat er geen sprake is van negatieve effecten van stikstofdepositie op kwetsbare natuur. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden onder de Wet natuurbescherming (dat ook geldt onder de Omgevingswet vanaf 1 januari 2024).

De Wsn bevat onder andere de resultaatsverplichting om stapsgewijs de stikstofbelasting op stikstofgevoelige habitattypes in de Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde te krijgen. Hiertoe zijn een drietal omgevingswaarden opgenomen in de wet voor 2025, 2030 en 2035. Op voorhand kan de toename van stikstofdepositie niet worden uitgesloten. In verband hiermede zijn stikstofberekeningen van de aanleg- en gebruiksfase uitgevoerd door Stalbouw.NL (rapport van 29 juli 2025, Bijlage 4). Uit de AERIUS-berekeningen van de aanleg- en gebruiksfase volgt dat er geen natuurgebieden zijn met rekenresultaten hoger dan 0,00 mol per hectare per jaar. Deze bijdragen zijn zo klein dat er geen vergunningplicht is met betrekking tot de Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit. Het aspect stikstofemissie is geen belemmering voor het project. Kort samengevat: Op de planlocatie is géén regelgeving met betrekking tot Natura 2000 van toepassing. Met betrekking tot stikstofdepositie zijn er geen effecten te verwachten. Het plangebied vormt géén onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. 6.3.2 Flora- en faunatoets Bij (ver)nieuwbouwplannen moet bekeken worden wat het effect is op de aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede heeft Watersnip Advies te Reeuwijk een ecologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied (rapport van augustus 2025, kenmerk 25A091, Bijlage 5).

Op basis van inventarisatie, literatuuronderzoek en verkennend onderzoek zijn de volgende conclusies en aanbevelingen overgenomen uit het rapport. Natuurgebieden H.3 Natura2000 §3.2.1 Habitattypen

Soorten NNN-gebieden §3.2.2 Omgevingsvisie/verordening §3.2.3

Soortgroep H.4

60

Gevolgen Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk ligt op 3 km afstand van het plangebied. Uit de stikstofberekening blijkt dat er geen significante effecten op omliggende Natura 2000-gebieden wordt verwacht. Nee Nee Nee, mits de specifieke zorgplicht wordt nageleefd t.a.v. de Rode lijstsoorten (§5.3). Overtreding verbodsbepalingen

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

Algemeen §4.3.3 en 4.3.5

Flora §4.2 Jaarrond beschermde nesten §4.3.1 Vissen §4.3.2 Reptielen §4.3.4 Zoogdieren §4.3.5 Vleermuizen §4.3.6 Overige soorten §4.3.7 Soortgroep H.4 Vogels §4.3.1

Amfibieën §4.3.3

Voor de beschermde soorten, Bastaardkikker, Bruine kikker, Meerkikker, Gewone pad, Kleine watersalamander, Bosmuis, Bunzing, Dwergmuis, Egel, Haas, Huisspitsmuis, Konijn, Ree, Veldmuis, Vos, Wezel en Woelrat geldt een algemene vrijstelling in het kader van de Omgevingswet door de provincie Zuid-Holland. Er hoeft voor deze soorten geen vergunning aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden. Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Overtreding verbodsbepalingen, aanvullende maatregelen vereist Nee. Indien bomen en struiken verwijderd worden, dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Omgevingswet wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Omgevingswet hanteert echter geen standaardperiode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. Voor aanvang van werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient een terzake kundige een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventuele broedende vogels. Nee, mits voorkomen wordt dat er gedurende de voortplantingsperiode van de Rugstreeppad (globaal half april – augustus) water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de Rugstreeppad haar eieren in af kan zetten.

Tevens dient voorkomen te worden dat er lang zand/grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode (globaal van half oktober – 1 april). Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen.

Algemene Zorgplicht Voor planten- en diersoorten geldt in het kader van de Omgevingswet de algemene zorgplicht (artikel 1.6 en 1.7). Deze bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen kan hebben voor flora en/of fauna, deze handelingen achterwege dient te laten of verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. Specifieke zorgplicht In het plangebied kunnen Rode lijstsoorten niet worden uitgesloten. Hierbij gaat het om vogels, amfibieën en zoogdieren. Voor deze soorten dienen specifieke maatregelen genomen te worden. Deze maatregelen zijn: het zoveel mogelijk behouden van al aanwezige vegetatie. Vogels kunnen hier gebruik van blijven maken tijdens en vooral na de werkzaamheden; het gebied in één richting te maaien. Hierdoor blijft een ontsnappingsroute voor zoogdieren en amfibieën aanwezig; tijdens het maaien iemand voor de maaimachine uit laten lopen. Deze persoon werkt als

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

61

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

afschrikkend voor aanwezige diersoorten. Het verjagen van deze dieren voorkomt dat deze te laat kunnen reageren op de maaimachine. Conclusie Met inachtneming van het vorenstaande is het mogelijk de werkzaamheden conform de geldende weten regelgeving uit te voeren. De hiervoor genoemde aanbevelingen uit het ecologisch rapport worden overgenomen bij uitwerking van het bouwplan. Met inachtneming hiervan vormt de Aanvullingswet natuur geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

6.4

Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten

6.4.1 Kabels en leidingen In het plangebied liggen naast de gebruikelijke kabels en leidingen geen ruimtelijk relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.

62

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

Hoofdstuk 7 7.1

Participatie

Advies raad en verplichte participatie

Adviesrecht raad De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft bij besluit van 21 december 2021 een lijst van activiteiten vastgesteld, waarin de invulling van de adviesrol van de raad bij afwijkingen is vastgesteld zoals opgenomen in de notitie ‘Opa-advieslijst Omgevingswet’ (conform artikel 16.15a lid b onder 1 Omgevingswet). In de Notitie 'Opa-advieslijst Omgevingswet' zijn de gevallen opgesomd zonder benodigd advies van de raad en zonder verplichte participatie (voormalige 'kruimelgevallen') waaronder het toevoegen van drie of meer woningen buiten Bestaand Stads- en Dorpsgebied (BSD) op een perceel, of naast elkaar gelegen percelen, als cluster wordt gebouwd. In verband hiermede is voor dit bouwplan een advies nodig van de gemeenteraad. Verplichte participatie De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft op 4 juni 2024 een besluit genomen op grond van artikel 16.55 lid 7 Omgevingswet, waarin is bepaald dat voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verplicht participatie moet worden georganiseerd door aanvrager/ initiatiefnemer. Participatie is onder andere verplicht ten behoeve van de nieuwbouw van drie of meer woningen buiten de BSD. Dit betekent dat participatie verplicht is

7.2

Participatie omgeving

Initiatiefnemer heeft overleg gehad met de bewoners van Noord 23 over het plan om vier woningen mogelijk te maken in het plangebied. Naar aanleiding hiervan zijn afspraken gemaakt over de planontwikkeling.

7.3

Bestuurlijk vooroverleg

In het kader van het bestuurlijk vooroverleg vindt vooroverleg plaats met: 1. Provincie Zuid-Holland; 2. Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard; 3. Veiligheidsregio Hollands Midden.

7.4

Vaststellingsprocedure

De aanvraag omgevingsvergunning heeft betrekking op het oprichten van vier woningen in het plangebied. Dit bouwplan is in strijd met de bouw- en gebruiksregels van het omgevingsplan van rechtswege. Op de onderhavige aanvraag is conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken.

7.5

Bezwaar/ Beroep

Tegen het besluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning kunnen belanghebbenden gedurende zes weken en een bezwaarschrift indienen bij burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpenerwaard. Wanneer een belanghebbende het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan bij de Rechtbank, sector bestuursrecht. In een beroepsprocedure geeft de rechter een oordeel over een besluit van het bevoegd gezag. Daarna kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Belanghebbenden kunnen eventueel ook een voorlopige voorziening vragen tegen de omgevingsvergunning.

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

63

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

64

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

Hoofdstuk 8 8.1

Financiële haalbaarheid

Kostenverhaal

In het plangebied worden vier woningen toegevoegd, waarvan er één bij recht is toegestaan. Er is sprake van een planontwikkeling als bedoeld in artikel 13.11 van de Omgevingswet. De gemeente Krimpenerwaard heeft hiervoor het Programma kostenverhaal vastgesteld. Er wordt voor dit plan een anterieure overeenkomst aangegaan met de initiatiefnemer overeenkomstig het bepaalde in artikel 13.13 (kostenverhaal bij overeenkomst), waarin de ambtelijke kosten voor de gemeente worden doorberekend. In de overeenkomst wordt ook een bepaling opgenomen over nadeelcompensatie overeenkomstig het bepaalde in artikel 13.13 (kostenverhaal bij overeenkomst) van de Omgevingswet om verhaal van planschade de planschaderisico’s voor de gemeente af te dekken. Hiermee is de ontwikkeling economisch uitvoerbaar.

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

65

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

66

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

Hoofdstuk 9 9.1

Belangenafweging en conclusie

Toetsing initiatief aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regel dat een omgevingsvergunning slechts kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. In dit hoofdstuk wordt op basis van de verzamelde informatie uit de voorgaande hoofdstukken ingegaan op de overwegingen om aan het verzoek medewerking te verlenen. De aanvraag omgevingsvergunning voor het oprichten van vier woningen wordt getoetst aan de gemeentelijke beleidsuitgangspunten en de instructieregels van het rijk en de provincie Zuid-Holland. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met conclusies op basis waarvan besluitvorming kan plaatsvinden over het verlenen van de omgevingsvergunning.

9.2

Beoordeling aanvraag omgevingsvergunning

9.2.1 Beoordeling verzoek aan gemeentelijk beleid Het verzoek is niet in overeenstemming met het omgevingsplan van rechtswege 'Landelijk gebied (voormalige gemeente Nederlek)', waarin het perceel is bestemd voor 'Wonen', omdat binnen het bouwvlak één woning is toegestaan. Het oprichten van vier woningen is in strijd met de bouw- en gebruiksregels. Het toevoegen van vier woningen wordt vanuit de fysieke leefomgeving aanvaardbaar geacht, omdat de voorgestelde functie stedenbouwkundig en landschappelijk inpasbaar is. Voorts is het toevoegen van vier woningen voor de doelgroep doorstromers in overeenstemming met de volkshuisvestelijke uitgangspunten. De herontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke uitgangspunten zoals beschreven in hoofdstuk 4.4. Aspecten fysieke leefomgeving en milieu In hoofdstuk 6 zijn de milieuaspecten, water, de aanwezige archeologische waarden en natuurwaarden onderzocht. Hieruit kan worden afgeleid dat er vanuit deze beleidsvelden geen beperkingen zijn voor de planontwikkeling. Er zijn vanuit de fysieke leefomgeving geen bezwaren om medewerking te verlenen aan het verzoek. 9.2.2 Toetsing aan instructieregels rijk en provincie Toetsing aan rijksbeleid In hoofdstuk 4.1 is de aanvraag omgevingsvergunning getoetst aan de Nationale Omgevingsvisie en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Ladder voor duurzame verstedelijking).

Hierin is aangetoond dat de instructieregels van het rijk niet in het geding zijn. De functie wonen met vier grondgebonden woningen op het perceel Noord 25 in Krimpen aan de Lek is in overeenstemming met het rijksbeleid. Toetsing aan provinciaal beleid In hoofdstuk 4.2.2 is de aanvraag omgevingsvergunning getoetst aan de relevant zijnde instructieregels van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Aangetoond is dat de planontwikkeling voldoet aan de instructieregels van de Ladder voor duurzame verstedelijking en ruimtelijke kwaliteit. De functie Wonen in het bebouwingslint tussen de woonkernen van Krimpen aan de Lek en Krimpen aan de IJssel is in overeenstemming met het provinciaal beleid. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

9.3

Conclusie

In deze goede onderbouwing naar de effecten van de fysieke leefomgeving is aangetoond dat de gevraagde functie leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties op het perceel Noord 25 in Krimpen aan de Lek. In hoofdstuk 3 is gemotiveerd dat er nut en noodzaak is om te voorzien het toevoegen van vier woningen voor de doelgroep doorstromers. De functie is, voor zover van toepassing, in overeenstemming met de instructieregels van het rijk (paragraaf 4.1.3) en de provincie (paragraaf 4.2.2). Verder is de

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

67

omgevingsvergunning Noord 25, Krimpen aan de Lek

planontwikkeling in hoofdstuk 6 getoetst aan milieuaspecten, archeologie en ecologie. Aangetoond is dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties om vier woningen toe te staan op een woonperceel waar al één woning bij recht is toegestaan. Alles overwegende is de conclusie dat het oprichten van vier woningen aanvaardbaar is op het perceel Noord 25 in Krimpen aan de Lek.

68

Goede onderbouwing fysieke leefomgeving

IntROview B.V. Sterrenlaan 24 2743 LS Waddinxveen telefoon 0182 630480 info@introview.nl www.introview.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=c5c72c08-2ef4-438c-967d-eee9bc4989ff