Bijlage 2 - Implementatie wijzigingen exploitatievergunningen en overgangsrecht
Tekst van het document
Aanpassingen exploitatievergunningen Art. 2:28 APV Een exploitatievergunning is vereist indien in een openbare inrichting tegen vergoeding logies worden verstrekt, dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. De vergunning wordt door de burgemeester op grond van artikel 2:28 van de APV verleend. In de exploitatievergunning worden naast de aard van het bedrijf (de exploitatievorm; bijvoorbeeld een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, buurthuis, afhaalpunten, take away en maaltijdbezorging, etc.) ook de voorschriften ten aanzien van het eventueel te exploiteren terras opgenomen. Deze vergunning is ten opzichte van het omgevingssplan een noodzakelijk aanvullend instrument om te komen tot een goed en adequaat horecabeleid in Krimpenerwaard. Momenteel geldt er een vrijstelling (onder voorwaarden) voor het exploiteren van een horeca-inrichting. Dit betekent dat voor het exploiteren van een horeca-inrichting (ook voor de droge horeca) geen exploitatievergunning noodzakelijk is. In het kader van de aanpak van ondermijning is dit niet langer wenselijk. Er wordt dan ook een algehele exploitatievergunningsplicht voor de horeca ingesteld, waaronder dus ook voor afhaalpunten, take-away en maaltijdbezorging.
Het doel hiervan is onder andere om effectiever te kunnen optreden tegen ondermijning en een betere handhaving van de openbare orde en veiligheid in en rondom de inrichtingen.
De Wet BIBOB De exploitatievergunning is persoonsgebonden. De persoon in vorm van de exploitant speelt immers een belangrijke rol in de wijze van exploitatie en dus ook in de wijze waarop deze exploitatie het woon- en leefklimaat en de openbare orde beïnvloedt. Om die reden wordt de aanvrager getoetst op grond van de Wet BIBOB. De Wet BIBOB (Bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur) heeft tot doel te voorkomen dat een verleende vergunning wordt gebruikt (misbruikt) voor bedrijfsactiviteiten die als dekmantel dienen voor strafbare feiten. De Wet richt zich op aanvragers van vergunningen. Het beleid dat de gemeente Krimpenerwaard in het kader van de Wet BIBOB voert is afzonderlijk uitgewerkt in “Beleidsregels Wet Bibob Krimpenerwaard 2022”.
Overgangsrecht Gelet op de jurisprudentie dient echter rekening te worden gehouden met overgangsrecht. Indien bijvoorbeeld een huidige situatie in strijd is met dit aangepaste beleid dan moet er een redelijke periode gegeven worden om de feitelijke situatie aan te passen aan het nieuwe beleid. Als bijvoorbeeld kortgeleden investeringen zijn gedaan, kan dit een reden zijn om een langere overgangsperiode te gunnen. Dergelijke gevallen zullen naar hun aard worden beoordeeld. Wat betreft de vergunning openbare inrichting, welke met de invoering van dit beleidsstuk nieuw wordt ingevoerd, zal gelden dat allereerst de nieuwe aanvragen (waarvoor op grond van artikel 2.27 onder lid 2 in de Apv en artikel 2.28 onder lid 1 Apv een vergunningplicht geldt) in behandeling worden genomen. Het is immers qua capaciteit niet mogelijk alle nieuwe en bestaande bedrijven die hiervoor in aanmerking komen tegelijkertijd aan te schrijven in het kader van de
vergunningplicht en de daaraan gekoppelde bibob-toets. Daarom is ervoor gekozen de betreffende bedrijven in fases te benaderen. Als uitrol zullen derhalve eerst de nieuwe aanvragen aan een vergunningplicht en bibob-toets worden onderworpen. Daarna volgen de reeds bestaande inrichtingen die door de wijzigingen ook vergunningplichtig zijn geworden. Hierbij wordt rekening gehouden met de meldingen rondom bijvoorbeeld overlast die bekend zijn in de systemen van de gemeente. Heeft een locatie meerdere meldingen, dan zal dat inhouden dat een inrichting voorrang krijgt bij het in orde maken van de benodigde vergunningen.
Bestaande inrichtingen De groep bestaande ondernemers met vrijstelling van een exploitatievergunning neemt alleen maar af. Er worden geen nieuwe vrijstellingen meer verleend, omdat dit de uitvoering betreft van de overgangsregeling die hoort bij de invoering van het exploitatievergunningenstelsel. De mogelijkheid om de vergunningen van een bestaande inrichting op orde te krijgen en daar tijdelijke niet handhavend tegen op te treden ligt in het verlengde van het uitvoeren van deze overgangsregeling. Deze lijn dat tijdelijk van handhaving wordt afgezien is verdedigbaar omdat het gaat om bestaande ondernemers. Er is bekendheid met de wijze waarop deze ondernemers exploiteren en als deze voldoen aan bovengenoemde voorwaarden is er sprake van concreet zicht op legalisatie. Hierdoor kan tijdelijk van handhaving worden afgezien. Tijdelijk betekent zolang nog geen beslissing is genomen op de aanvraag exploitatievergunning. Het tijdelijke afzien van handhaving geldt alleen gedurende de aanvraagperiode en de periode dat de (ontvankelijke) aanvraag exploitatievergunning in behandeling is. Een bestaande inrichting heeft, onder normale omstandigheden, een periode van 8 weken de tijd om de aanvraag in orde te maken na dagtekening van de mededeling dat het aanvragen van een exploitatievergunning noodzakelijk is.
Gedurende deze periode zal de gemeente ook ondersteuning verzorgen, waar mogelijk, om de aanvraag zo soepel mogelijk te laten verlopen. Als de aanvraag termijn wordt overschreden zal alsnog een handhavingsprocedure worden opgestart. De beslistermijn vanuit de gemeente bedraagt 8 weken met mogelijkheid om 8 weken te verdagen. Mocht het in die periode nodig zijn om een advies aan te vragen bij het Landelijk Bureau Bibob (LBB) dan kan de beslistermijn met nog eens 8 tot 12 weken worden verlengd.