CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL5 Bijlagen bij de regels Bijlage 6 Memo uitgangspunten NNN-compensatiegebied

Raadsvergadering 9 januari 2024, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: ​​(B) Bestemmingsplan NNN-compensatie Kattendijk Gouderak​1.732 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aan: Van: Datum: Kopie: Ons kenmerk: Classificatie: Gecontroleerd door

HaskoningDHV Nederland B.V. Water & Maritime Gemeente Krimpenerwaard, HHSK en Provincie Zuid-Holland Nynke C.G. Tack 14 augustus 2023 Boskalis BG1519-WM-ME-230803-1407 Projectgerelateerd Click or tap here to enter text.

Onderwerp:

Memo uitgangspunten NNN-compensatiegebied - Dijkversterking KIJK

Notitie / Memo

1

Aanleiding

De oppervlaktes aan natuur die verloren gaan ten behoeve van het dijkversterkingsproject Krachtige IJsseldijken Krimpenerwaard (KIJK) dienen gecompenseerd te worden. Deze compensatie zal plaatsvinden op twee percelen van de provincie Zuid-Holland (PZH) ten zuidoosten van Kattendijk 110 in Gouderak. Voor het aanvragen van een ontwerpbestemmingswijziging voor dit perceel heeft gemeente Krimpenerwaard een inrichtings- en beheerplan nodig. Echter, dit plan is niet op tijd gereed om mee te worden genomen in de ter inzagelegging van de ontwerpbestemmingswijziging. Daarom is de vraag gekomen om een korte memo op te stellen waarin de uitgangspunten staan beschreven voor de herinrichting en het toekomstig beheer van het compensatiegebied. Onderliggende memo voldoet aan deze vraag door op hoofdlijnen en puntsgewijs de uitgangspunten voor het NNN gebied te beschrijven. Een volledige uitwerking van de verschillende punten zal worden opgenomen in het definitieve inrichtings- en beheerplan.

2

Inrichting compensatiegebied

De inrichting van het compensatiegebied is te zien in Figuur 2.1. De inrichting focust zich op drie verschillende natuurbeheertypen: ◼

N12.02 : Kruiden- en faunarijkgrasland De compensatieopgave voor het natuurbeheertype kruiden- en faunarijkgrasland bedraagt circa 1,8 ha1. In het huidige ontwerp wordt 2,2 ha gerealiseerd verdeeld over de twee percelen.

◼

N12.06 : Ruigteveld De compensatieopgave voor het natuurbeheertype ruigteveld bedraagt circa 0,1 ha. In het huidige ontwerp wordt 0,14 ha gerealiseerd1. Het ruigteveld is gepositioneerd in de noordwest hoeken van de percelen om zo geen dekking voor predatoren te vormen. Dit voorkomt dat er een hogere predatiedruk op de weidevogels, die aanwezig zijn in de percelen ten zuidoosten van het compensatiegebied (het Kattendijkse blok), wordt gerealiseerd.

1 Bron: Grote Beverborg, D. (februari 2023). NNN-compensatieplan dijkversterking KIJK.

14 augustus 2023

BG1519-WM-ME-230803-1407

1/6

◼

N05.03 Veenmoeras In het gebied wordt 0,23 ha aan veenmoeras gerealiseerd door de aanleg van een natte natuurvriendelijke oever (NVO). Deze NVO wordt gerealiseerd aan de oostelijke zijde parallel aan de centrale watergang. De oever heeft een breedte van 5 m.

◼

Droge NVO In het gebied wordt 0,27 ha aan droge NVO gerealiseerd. De droge NVOs worden aangelegd aan de oostelijke en westelijke oevers en zijn circa 3 m breed.

De verschillende natuurbeheertypen zijn waar mogelijk van elkaar gescheiden door middel van rasters (zie voor meer detail Hoofdstuk 3).

Figuur 2.1: Schematische inrichting van het compensatiegebied met verschillende natuurbeheertypen. Groen – N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland; Donkergroen – Droge NVO (3 m breed); Donker blauw – N05.03 Veenmoeras / Natte NVO (5 m breed); Licht blauw – Verbreedde en verdiepte watergang; Oranje – N12.06 Ruigteveld. Rode stippellijn omlijnt het gebied waarbinnen bemest mag worden. Oppervlaktes zijn indicatief.

14 augustus 2023

BG1519-WM-ME-230803-1407

2/6

3

Inrichtingsmaatregelen

Om de gewenste natuurbeheertypen te bereiken zoals aangegeven in Hoofdstuk 2 worden in hoofdlijnen de volgende inrichtingsmaatregelen2 getroffen: ◼

De oostelijke NVO parallel aan de centrale watergang wordt aangelegd overeenkomend met het principe profiel van een natte NVO zoals weergegeven in Figuur 3.1. De bijbehorende watergang wordt uitgediept tot minimaal 1,5 m diep bij gemiddeld peil (-2,65 m NAP3). Deze diepte dient over een breedte van 1 m te worden gerealiseerd. Op de waterlijn bij gemiddeld peil is de watergang 6 m breed. De NVO start 0,2 m onder het gemiddeld peil (-2,45 m NAP). Deze bodemhoogte wordt aangehouden voor 2,5 m waarna de oever met een 2,5 m breed 1:3 talud aansluit op het aangrenzende weiland.

Figuur 3.1: Schematische tekening van een principe profiel voor de inrichting van een natte natuurvriendelijke oever (NVO) zoals voorzien ten oosten van de centrale watergang1.

◼

De NVOs aan de oost en west grens van het perceel worden aangelegd overeenkomend met het principe profiel voor een droge NVO zoals weergegeven in Figuur 3.2. De watergang zelf wordt niet aangepast. De oever wordt verflauwd vanaf het hoogste waterpeil (-2,62 m NAP3). Uitgaande van een maaiveldhoogte van -2,0 m NAP4 betekent dit dat de oever verlaagd wordt naar circa -2,62 m NAP over een lengte van 1 m waarna een 1:3 helling volgt met een breedte van circa 2 m waarmee de oever aansluit op het maaiveld.

◼

De NVOs worden gescheiden van het kruiden- en faunarijk grasland en het ruigteveld door middel van een raster. Het raster moet zodanig worden geplaatst dat deze deels geopend of verwijderd kan worden om beheervoertuigen toegang te verlenen tot de sloot en de oever.

◼

Het fauna- en kruidenrijk grasland en ruigteveld zijn indien mogelijk gescheiden door een raster.

2 De inrichtingsmaatregelen conflicteren niet met het inrichtingsplan uit het Veenweidenplan. Dit plan is

opgesteld in samenspraak met de omgeving. De afgelopen jaren zijn hier verdiepingsslagen in gemaakt. In deze memo worden de uitgangspunten van dit plan toegespits op de compensatiepercelen en aangevuld met uitgangspunten en eisen uit de provincie. 3 Bron: Peilbesluiten NNN-gebieden Krimpenerwaard (schielandendekrimpenerwaard.nl) 4 Bron: AHN Viewer | AHN

14 augustus 2023

BG1519-WM-ME-230803-1407

3/6

Figuur 3.2: Schematische tekening van een principe profiel voor de inrichting van een droge natuurvriendelijke oever (NVO) zoals voorzien parallel aan de oostelijke en westelijke watergangen langs het compensatiegebied. ◼

De percelen fauna- en kruidenrijk grasland worden niet afgeplagd en blijven op de huidige hoogte liggen.

◼

Het peilbeheer wordt niet aangepast ten behoeve van de natuurontwikkeling op deze percelen.

4

Beheer

Per natuurbeheertype dient een ander beheer te worden gevoerd om de gewenste kwaliteit te realiseren. Uitgangspunt hierbij is dat de percelen om dit moment voedselrijk zijn en een opbrengst hebben van meer dan 10 ton droge stof per ha. Daarbij wordt gericht op een beheervorm die valt onder het type “Natuur met extensieve agrarisch medegebruik”. N12.02 Fauna- en kruidenrijk grasland: ◼

Op het oostelijke perceel wordt vanaf de start geen mest meer uitgereden ten behoeve van de natuurontwikkeling en de natte NVO.

◼

Ontwikkelingsbeheer: 

Op het westelijke perceel wordt de mestgift in fases afgebouwd. Mest dient te worden uitgereden tussen half februari en half maart. De voorkeur gaat uit naar het gebruik van ruige stalmest. Echter, in de eerste 6 jaar van de ontwikkelperiode wordt drijfmest nog getolereerd om de agrariërs de kans te geven zich aan te passen. In de laatste 6 jaar is ruige stalmest vereist. Het bemestingsregime is weergegeven in tabel I. Er dient geen mest uitgereden te worden in de eerste 3 m van de oevers en NVO’s.

2 à 3 keer 2/3 cyclisch maaien en afvoeren in de periode half mei t/m augustus. Eerste snede vindt plaats voor 5 juni waarbij gecontroleerd wordt op broedende weidevogels. Indien nodig wordt er legselbescherming toegepast. De tweede snede volgt maximaal 6 weken na de eerste snede en uiterlijk half juli. Een derde snede kan volgen in augustus. Na elke maaibeurt blijft het maaisel maximaal 1 week liggen voordat deze wordt afgevoerd.

Na de laatste maaibeurt dient nabeweiding te worden toegepast met een intensiteit van 1,5 GVE/ha. Nabeweiding dient plaats te vinden tot eind oktober. Het doel is dat 70-80% van het oppervlakte fauna- en kruidenrijk grasland kort de winter in gaat.

14 augustus 2023

BG1519-WM-ME-230803-1407

4/6

Tabel I: Overzicht toegestane hoeveelheid en type bemesting per fase op het westelijke perceel 5.

◼

Fase

Productie grasland [ton droge stof / jaar / ha]

Bemesting

Jaar 1-3

> 10

10 ton ruige stalmest ha / jr OF 15 ton dunne mest ha / jr

Jaar 4-6

8 – 10

7,8 – 10 ton ruige stalmest ha / jr OF 12,5 – 15 ton dunne mest ha / jr

Jaar 7-9

6–8

3,9 – 7,8 ton ruige stalmest ha / jr

Jaar 10-12

5-7

3,9 ton ruige stalmest ha / jr

Jaar 12+

<5

3,9 ton ruige stalmest ha / jr

Eindbeheer: 

Bemesting op het westelijke perceel vindt plaats tussen half februari en half maart met ruige stalmest zoals beschreven in de laatste rij van tabel I.

Van half juni tot eind oktober kan extensieve beweiding met 1,5 GVE/ha plaatsvinden.

In de periode half juni – half juli dient één maaibeurt te worden uitgevoerd waarbij 2/3 van het perceel cyclisch wordt gemaaid. Na maximaal een week dient het maaisel afgevoerd te worden.

N12.06 Ruigteveld: ◼

Het beheer van het ruigteveld wordt uitgevoerd overeenkomend met de voorschriften beschreven in Hoofdstuk 3.6.1 van het Beheerplan NNN Krimpenerwaard (2020).

◼

Zowel cyclisch maaibeheer als begrazing is mogelijk volgens deze voorschriften. Een keuze kan worden gemaakt op basis van afstemming met de pachter.

N05.03 Veenmoeras: ◼

In de periode van half september tot eind oktober dient het veenmoeras gecontroleerd te worden op bosopslag en aanwezig bomen dienen (handmatig) getrokken te worden.

◼

In het beginstadia van de veenmoeras ontwikkeling is geen actief beheer nodig. Pas als de verlanding verder gevorderd is, dient periodiek en gefaseerd gemaaid te worden. Afhankelijk van het type vegetatie wordt er gemaaid in de nazomer, herfst of winter. Het maaisel wordt afgevoerd.

◼

Bemesting, beweiding en het toepassen van bestreidingsmiddelen is niet toegestaan.

◼

Klepelen is niet toegestaan.

Droge NVO: ◼

De droge NVO’s aan weerszijde van het perceel worden maximaal twee keer per jaar en minimaal eens per twee jaar cyclisch gemaaid waarbij maaisel wordt afgevoerd. Per snede blijft circa 20% van de vegetatie staan voor insecten en kleine fauna. Maaiwerkzaamheden worden uitgevoerd tussen de period 15 juli en eind oktober.

◼

In de periode van half september tot eind oktober dient de NVO gecontroleerd te worden op bosopslag en aanwezig bomen dienen (handmatig) getrokken te worden.

5 Bron: Arcadis (2020). Beheerplan NNN Krimpenerwaard.

14 augustus 2023

BG1519-WM-ME-230803-1407

5/6

◼

Bemesting, beweiding en het toepassen van bestreidingsmiddelen is niet toegestaan.

◼

Klepelen is niet toegestaan.

Watergang: ◼

Het doel van het baggeren is het profiel, zoals weergegeven in de Figuren 3.1 en 3.2 te behouden. Het baggeren dient natuurvriendelijk te worden uitgevoerd waarbij niet het hele profiel wordt gebaggerd. Baggerslib dient afgevoerd te worden. Als richtlijn voor de baggerwerkzaamheden kunnen de indicaties voor een groene watergang op basis van de ecokleurenkoers van HHSK worden aangehouden6.

6 Bron: Beleidsnota Ecologisch maaien en schouwen : de ecokleurenkoers | Lokale wet- en regelgeving

(overheid.nl)

14 augustus 2023

BG1519-WM-ME-230803-1407

6/6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=e626d1c2-db8e-4996-8bd5-ad6ff55f22f8