BIJL5 Bijlagen bij de regels Bijlage 3 Slootbeheertypen
Tekst van het document
Bijlage 3 Slootbeheertypen In deze bijlage zijn de slootbeheertypen beschreven die in het plangebied worden nagestreefd. De bestaande natuurbeheertypen dekken niet de variatie in waternatuur die binnen een veenweideslotennetwerk mogelijk is. Het streven is een variatie aan waternatuur te krijgen, met nadruk op de voedselarmere type en verlandingstypen. Er zijn daarom een aantal slootbeheertypen benoemd om richting te geven aan deze beoogde variatie.
Uniform begroeide sloot Sloten met vrij veel ondergedoken waterplanten zoals grof hoornblad of smalle waterpest die de hele waterkolom vullen. Door de waterplantenbegroeiing is een geschikt leefmilieu voor kleine waterdieren en kleine of jonge vis. Door de uniforme begroeiing en de sterke schommelingen in zuurstofgehaltes is de soortenrijkdom hiervan wel beperkt. Deze begroeiing is te vinden in matig voedselrijk water met een voedselrijke bodem, meestal de smallere watergangen en regelmatig onderhoud.
2
Gevarieerd begroeide sloot Sloten met een variatie van ondergedoken en drijfbladplanten met daartussen open water. Deze begroeiing is door de variatie aan biotopen en door een stabiele zuurstofhuishouding zeer geschikt voor een grote variatie aan kleine waterdieren en vis. Deze begroeiing is alleen te vinden in voedselarm water (inclusief bodem) met een lage onderhoudsfrequentie en kan zowel worden gevonden in kleine en ondiepe wateren als in brede en diepe vaarten
3
Diepe, weinig begroeide sloot Sloten die niet of nauwelijks begroeid zijn met waterplanten. In deze wateren is vaak vooral grote (oude) vis te vinden. Deze sloten kunnen een belangrijke functie hebben voor de overleving van vis bij warm of koud weer. In voedselrijke wateren is de begroeiing beperkt door een overmaat aan algen, waardoor de zuurstofgehaltes sterk kunnen schommelen. In voedselarme wateren kan zwevend stof, humuszuren of het maaibeheer de reden zijn voor de beperkte begroeiing. Vaak te vinden in watergangen die relatief breed en diep zijn.
4
Krabbenscheersloot Sloten met een krabbenscheervelden die daardoor ook geschikt zijn voor de groene glazenmaker en voor broedende zwarte sterns. Krabbenscheervelden kunnen ontstaan in matig tot voedselrijk water met relatief extensief maaionderhoud, maar waar door regelmatig baggeren wel voldoende waterdiepte aanwezig is. Omdat de plant zich alleen vegetatief voortplant zijn nabijgelegen bronpopulaties nodig voor de ontwikkeling.
5
Verlandingsvegetatie Sloten met een dichte begroeiing van oever- en drijfbladplanten. Dergelijke sloten zijn waardevol voor libellen, amfibieën en voor specifieke vissoorten zoals modderkruipers. Extensief onderhoud (maaien én baggeren) is een voorwaarde. In voedselrijke wateren ontstaat deze vegetaties snel, in voedselarmere wateren duurt het langer.
6