CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL5 Bijlagen bij de regels Bijlage 1 Natuurbeheertypen

Raadsvergadering 9 januari 2024, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: ​​(B) Bestemmingsplan NNN-compensatie Kattendijk Gouderak​1.107 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Bijlage 1 Natuurbeheertypen In deze bijlage zijn de natuurbeheertypen beschreven die in het plangebied worden nagestreefd. Hiervoor is het Handboek Natuurdoeltypen (Bal et al., 2001) en de Index Natuur en Landschap benut. Het gaat om een beschrijving die is toegespitst op het veenweidegebied en daardoor (deels) kan afwijken van de (landelijke) beschrijving van de natuurbeheertypen uit de Index Natuur en Landschap. De Index Natuur en Landschap beschrijft welke typen natuur, agrarische natuur en landschap we kennen in Nederland en is de basis voor de natuurbeheerplannen van de provincies. De Index vervangt eerdere beschrijvingen en typeringen, ten behoeve van een goede afstemming tussen beheerders en overheden en om interpretatieverschillen tussen natuur- en landschapsdoelen te voorkomen.

Zoete plas (N04.02) Zoete plas betreft grote en kleine wateren. Het beheertype Zoete plas omvat waterlichamen, breder dan 4 m. en dieper dan 20 cm. (gemiddelde waterdiepte), van stilstaande, of zeer langzaam stromende wateren (Bron: Index Natuur en Landschap, BIJ12). In de Krimpenerwaard betreft het petgaten en plassen die min of meer geïsoleerd zijn van eutrofe wateren. De petgaten zijn ontstaan door afgraving van veen. Het water is neutraal en mesotroof tot zwak eutroof. Petgaten zijn matig groot, min of meer langwerpig gevormd, vrij ondiep, stilstaand, zoet water met waterplanten en verlandingsgemeenschappen. (Bron: Handboek Natuurdoeltypen, Bal et al.).

2

Moeras (N05.01) Moeras ontstaat in stilstaand voedselrijk, zoet water. De bodems zijn zeer nat, voedselrijk en matig zuur tot neutraal. Typische moerasplanten zijn hoge grassen als riet en rietgras, grote zeggen, biezen en galigaan. Moeras omvat open begroeiingen van riet, lisdodde en biezen in water; rietlanden en rietruigten. De gemiddelde grondwaterstand in het najaar zakt maximaal tot 40 cm. onder het maaiveld, behoudens eventuele periodieke droogteperioden. In de nattere delen varieert de grondwaterstand tussen 0 en – 20 cm. In veengebieden mag de laagste grondwaterstand niet wegzakken tot meer dan een halve meter onder maaiveld. Door veenafbraak, vochttekorten en vorming van regenwaterlenzen ontstaan anders soortenarme vegetaties en een versnelde ontwikkeling naar bos in gang gezet wordt. De zuurgraad bevindt zich tussen zwak zuur tot zwak basisch. De typische begroeiingen, vegetaties met biezen, riet of grote zeggenvegetaties, komen onder voedselrijke omstandigheden voor. In mesotrofe tot matig eutrofe omstandigheden kunnen overgangen naar trilvenen en veenmosrietlanden voorkomen. Door de grote stapeling van organisch materiaal in oude rietlanden en ruigten kunnen deze vegetaties (tijdelijk) overgaan in een grasrijke vegetatie. Een deel van de rietlanden wordt gemaaid, maar niet jaarlijks (overjarig riet).

Moeras kan een voorstadium vormen voor Veenmosrietland en moerasheide.

Ranges waarbij voor moeras kenmerkende vegetaties kunnen voorkomen: gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG)

Moeras in Bergambacht -West

3

Nat Schraalland (N10.01) Blauwgraslanden en kleine zeggenvegetaties worden tot nat schraalland gerekend. De vegetatie is kruiden- en zeggenrijk. De graslanden komen voor op voedselarme, matig zure tot basische bodems die gedurende de winter het waterpeil tenminste op of rond het maaiveld hebben (0-20 cm. beneden maaiveld) en ’s zomers slechts oppervlakkig uitdrogen (Bron: Index Natuur en Landschap, BIJ12). Op plekken met een lage zuurgraad komt het kleine zeggenschraalland voor vanwege de grote invloed van regenwater. Blauwgraslanden zijn soortenrijke, vochtige hooilanden van voedselarme, zwak zure tot neutrale bodems. De vegetatie wordt gestuurd door de beperkte beschikbaarheid van alle nutriënten (Bron: Handboek Natuurdoeltypen, Bal et al.). Uit historische gegevens blijkt dat de flora van de schraallanden rijk is aan soorten. In de kruidlaag van het blauwgrasland waren grassen als tandjesgras, kruipend struisgras en reukgras, zeggesoorten als blauwe zegge en blonde zegge van betekenis. Het schraalland was ook rijk aan mossoorten. Soorten als spaanse ruiter, blonde zegge, blauwe zegge, rondbladige zonnedauw en klokjesgentiaan werden in het verleden waargenomen (Bron: Onbemeste hooilanden in de Krimpenerwaard; een historisch overzicht, Drs B Husson). Door jaarlijks te hooien blijft het voedselarme karakter behouden.

In laagveengebieden komen nat schraallanden voor op locaties met hoge grondwaterstanden, tijdelijke inundaties met gebufferd schoon oppervlaktewater of wat beter gebufferde bodems. Vaak zijn de bodems matig zuur. De aanwezigheid van bufferstoffen is van essentieel belang. De graslanden worden doorgaans niet bemest (Bron: Index Natuur en Landschap, BIJ12).

Ranges waarbij voor nat schraalgrasland kenmerkende vegetaties kunnen voorkomen voor gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) zuurgraad (pH) en voedselrijkdom.

4

Nat schraalland in de Berkenwoudse driehoek

5

Vochtig Hooiland (N10.02) Vochtig hooiland is ontstaan door de ontginning van moerassen of natte bossen en door langdurig gebruik als hooiland. Vochtig hooiland komt voor op natte veen- en kleibodems. Het gaat om bloemrijke graslanden. Vochtig hooiland is minder zeggenrijk dan nat schraalland. Microgradiënten in het vochtgehalte zijn belangrijk. In vochtig hooiland komen overgangen naar grote zeggenvegetaties en ruigten met moerasspirea voor. Het vochtig hooiland bestaat voor minimaal 60% uit een korte gesloten graslandvegetatie. De vochtig hooilanden worden allen gekenmerkt door vochtige, matig voedselrijke en gebufferde condities. Vochtige hooilanden zijn weinig gevoelig voor overstroming met nutriëntenrijk en slibrijk oppervlaktewater, mits slibafzetting beperkt blijft (maximaal enkele millimeters per winter). Veel dotterbloemhooilanden hebben overgangen naar kleine zeggenvegetaties in veenweidegebieden, als gevolg van stagnatie van regenwater (Bron: Index Natuur en Landschap, BIJ12). Het meest komt grasland met waterkruiskruid en dotterbloem voor, dat ’s winters onder water staat en ’s zomers maximaal 30 centimeter ontwaterd zijn (Handboek Natuurdoeltypen, Bal et al.). In de schraallanden van de Krimpenerwaard kwamen heischrale soorten als klokjesgentiaan (vaak massaal), harlekijn, tormentil, struik- en dopheide e.d.

regelmatig voor (Bron: Onbemeste hooilanden in de Krimpenerwaard, een historisch overzicht. Drs. B. Husson). Vochtige hooilanden worden jaarlijks gehooid, soms tweemaal al dan niet met nabeweiding. De graslanden worden doorgaans niet bemest. Om verzuring tegen te gaan kan, bij uitzondering, ruige stalmest of bekalking toegepast worden (Bron: Index Natuur en Landschap, BIJ12).

Ranges waarbij voor vochtig hooiland kenmerkende vegetaties kunnen voorkomen voor gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) zuurgraad (pH) en voedselrijkdom.

6

Vochtig hooiland bij het Paddenpad in de Krimpenerwaard

7

Kruiden- en Faunarijk grasland (N12.02) Kruiden- en faunarijk grasland omvat graslanden die kruidenrijk zijn. De vegetatie kan behoren tot allerlei verbonden van graslandvegetaties; onder meer kamgrasvegetaties of de meer algemene witbolgraslanden. Het grasland wordt meestal extensief beweid of gehooid en niet of slechts licht bemest. Het beheertype Kruiden- en faunarijk grasland kan voorkomen op diverse bodems van vochtig tot droog en heeft doorgaans een (matig) voedselrijk karakter. Gradiënten binnen (grond)waterpeil en voedselrijkdom zorgen voor diverse vegetatietypen. Kenmerkende of bijzondere soorten van schrale beheertypen ontbreken grotendeels binnen Kruiden- en faunarijk grasland. De planten die in dit beheertype voorkomen zijn merendeels algemenere soorten die weinig specifieke eisen aan de abiotische omgeving stellen (Bron: Index Natuur en Landschap, Bij12).

8

Ruigteveld (N12.06) Tot dit beheertype behoren over grote oppervlakte voorkomende ruigtevelden met dominantie of in mozaïek voorkomende ruigtevegetaties, die meestal ontstaan zijn na grootschalige ingrepen. Plaatselijk kunnen verspreide struiken opslaan of kan struweel voorkomen. In droge ruigte kan riet domineren (Bron: Index).

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=4089e541-7ad0-447d-a798-f4bef4c9c0f8