CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL Toelichting bestplan Middelblok 209 Gouderak

Raadsvergadering 16 november 2021, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan Middelblok 209, Gouderak14.684 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.5 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

28

In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt gezien de ligging in de nabijheid van scholen en andere maatschappelijke functies aangemerkt als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. Planspecifiek Met het voorliggende bestemmingsplan wordt een gevoelige bestemming (woningen) mogelijk gemaakt. Derhalve dient er beoordeeld te worden of er ter plaatse van deze milieugevoelige bestemming sprake is van een goed woon- en leefklimaat en milieubelastende activiteiten in de omgeving niet belemmerd worden als gevolg van het plan. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende woningen en (agrarische) bedrijven te vinden, waardoor het aangemerkt kan worden als een 'gemengd gebied'. De richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' kunnen met één afstandstap worden verminderd. Met behulp van het bestemmingsplan 'Middelblok' is bepaald welke milieubelastende activiteiten in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Op het bedrijventerrein ten noorden van het plangebied zijn bedrijven met de milieucategorie 1 t/m 4.1 toegestaan.

In onderstaande tabel staan de bedrijven in de omgeving van het plangebied weergegeven met de bijbehorende richtafstanden in een gemengd gebied. Adres

Soort bedrijf

SBI-2008

Milieucategorie

Middelblok 202 Middelblok 214 Middelblok 212 Middelblok 208 A Middelblok 206 Middelblok 194

Oostrom Installatiebedrijf Polka Productions B.V. Bos V8 Supercars BV Langeveld Auto's Chris van Gennep Auto's Kaboom! Vuurwerk

43221 139 451, 452, 454 451, 452, 454 451, 452, 454 46499

2 3.1 2 2 2 3.1

Richtafstand (gemengd gebied) 10 m 30 m 10 m 10 m 10 m 50 m (gevaar)

Afstand tot het plangebied *) 50 m 35 m 20 m 50 m 65 m 170 m

*) gemeten van bedrijfsgebouw tot gevoelig object

Ondanks dat het plangebied gelegen is binnen de geluidszone van het ten noorden gelegen industrieterrein Middelbok, wordt er voldaan aan de gestelde richtafstanden conform de VNGpublicatie. In toelichting paragraaf 4.4 is ingegaan op de ligging binnen de geluidzone van het industrieterrein Middelblok. Op gedeelte van het bedrijventerrein tegenover het plangebied zijn enkel bedrijven t/m milieucategorie 3.1 aanwezig, waarbij relatief weinig overlast te verwachten is. Volgens het geldende bestemmingsplan 'Middelblok' zijn op het bedrijventerrein bedrijven t/m milieucategorie 4.1 toegestaan. Echter bevinden zich al diverse woningen rond het bedrijventerrein die als maatgevend gezien kunnen worden. Met de bestemmingswijziging naar 'Wonen' zullen de mogelijkheden voor de bedrijven op dit bedrijventerrein dan ook niet verminderen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

29

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5-contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.

In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.

Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

30

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld.

Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.

Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: risicokaart.nl)

Risicovolle inrichtingen Ten noorden van het plangebied bevindt zich op een afstand van ca. 185 m aan de Schielands Hoge Zeedijk 35 een risicovolle inrichting van Compaxo Fijne Vleeswaren B.V. Echter beschikt deze inrichting niet over een PR 10-6 contour of groepsrisico contour. Het plangebied bevindt zich dan ook op voldoende afstand tot de inrichting. Buisleidingen Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat op een afstand van ca. 250 m ten zuidoosten van het plangebied een buisleiding loopt. Voor deze buisleiding geldt een risicocontour van 0 m. Gezien de afstand tot de buisleiding veroorzaakt deze geen belemmeringen.

31

Transportroutes voor gevaarlijke stoffen Het plangebied ligt op ca. 50 m afstand van de provinciale weg (N207). Daarmee ligt het plangebied binnen 80 m van de N207 en is dient een verantwoording van het groepsrisico toegelicht te worden. Gezien de zeer lage aantallen van de transporten met gevaarlijke stoffen over deze weg is dit nauwelijks relevant voor wat betreft het plaatsgebonden risico of groepsrisico. Bij een incident met toxische of gevaarlijke stoffen op de N207 kan een (giftige) gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.7.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.

32

ationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.7.2 Beleid Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Waterbeheerplan Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard 'Met mensen en water' Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard is waterbeheerder in het gebied tussen Rotterdam, Zoetermeer, Gouda en Schoonhoven. In het waterbeheerplan worden de ambities en doelen voor de periode 2016-2021 weergeven. Het streven is het watersysteem zo goed mogelijk geschikt te houden voor alle functies. Daarnaast is er aandacht voor de aantrekkelijkheid van het woon- en leefgebied voor alle gebruikers. De hoofddoelen van het beheer zijn:

• •

Waterveiligheid: beschermen van burgers en bedrijven tegen overstromingen middels stevige dijken.

•

Afvalwaterketen en emissies: efficiënt en gebruiken van afvalwaterzuiveringsinstallaties en transportsystemen ten behoeve van maatschappelijke winst in de vorm van energieterugwinning en kostenbesparing. Met optimalisatie en innovatie van de zuiveringsprocessen wordt ingezet op duurzaamheid.

•

Wegen: bijdragen aan een betrouwbaar netwerk binnen de regio Midden-Holland middels veilige, doelmatig onderhouden wegen.

Watersysteem: het duurzaam en slim besturen, beheren en onderhouden van het samenhangende systeem van watergangen en kunstwerken. Een optimaal waterpeil, voldoende water van goede kwaliteit en goed onderhouden sloten, vaarten en plassen zijn hierbij van belang. Geanticipeerd dient te worden op klimaatverandering en bodemdaling en ruimtelijke ontwikkelingen. Op gebiedsniveau wordt samengewerkt met andere partijen aan integrale oplossingen voor de verschillende wateropgaven.

Keur en Beleidsregels van Schieland en de Krimpenerwaard Op grond van de Waterwet is van Schieland en de Krimpenerwaard als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

• • • •

waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden;

Maar ook aan:

• •

Onttrekken en lozen van grondwater; Het aanbrengen van verhard oppervlak.

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bv. op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt.

33

4.7.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Watercompensatie In de huidige situatie is een groot gedeelte van het plangebied verhard. De verharding bestaat uit de bebouwing, asfalt en betonplaten. Met de herontwikkeling van het erf wordt een deel van deze verharding verwijderd. De oppervlakte aan verharding zal dan ook afnemen, waardoor watercompensatie niet noodzakelijk is. Riolering en afkoppeling De nieuwe woningen, recreatiewoning en bed & breakfast worden aangesloten op het bestaande gemeentelijke rioolsysteem. Het hemelwater wordt afgekoppeld en geïnfiltreerd in de bodem of afgevoerd naar de naastgelegen sloten. Hierbij worden geen uitlogende materialen gebruikt. Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Met het beoogde initiatief wordt er een deel van de bebouwing gesloopt, wat mogelijk een negatief effect heeft op beschermde flora en fauna, beschermde natuurgebieden en/of beschermde houtopstanden. Derhalve is door Blom Ecologie B.V. een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Blom Ecologie B.V., 8 juli 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de huismus en (gebouwbewonende) vleermuizen. Ten aanzien van kerk- en steenuil dient buiten de broedperiode gewerkt te worden en de aanwezige nestkasten dienen te worden herplaatst. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.

34

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Aanvullend onderzoek huismus en vleermuis De conclusie in de quickscan geeft aan dat er soort specifiek onderzoek noodzakelijk is voor de soorten huismus en (gebouwbewonende) vleermuizen. Om die reden is een aanvullend onderzoek naar deze soorten uitgevoerd (Bui-tegewoon, september 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Voor de projectlocatie kunnen met betrekking tot vleermuizen de volgende conclusies getrokken worden:

• • •

Op de projectlocatie en in de betrokken opstallen zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig;

•

Er wordt geen ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk geacht op basis van de bevindingen, mits bovengenoemde maatregelen m.b.t. bouwplaats verlichting worden gevolgd.

Er werd geen actief foerageergedrag binnen de effectzone vastgesteld; Binnen de effectzone van het projectgebied zijn in geringe mate vliegroutes van de gewone dwergvleermuis en mogelijk de laatvlieger aanwezig;

Voor wat betreft de huismus kunnen de volgende conclusies getrokken worden:

• • •

De inventarisatie heeft geleid tot de conclusie dat actueel geen broedende huismussen aanwezig zijn; Op basis van bovenstaande beoordelen wij de locatie als veilig te ontwikkelen vanuit de Wet Natuurbescherming en is geen ontheffingsaanvraag noodzakelijk; Als gevolg van het voorkomen van huismussen in het (recente) verleden, de gunstige karakteristiek van het erf voor de soort en de aanwezigheid van territoriale huismussen in de directe omgeving wordt geadviseerd bij het ontwikkelen van de projectlocatie enkele kunstnesten voor huismussen aan te brengen.

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht. Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.

35

Planspecifiek Voor het gehele plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden. Bij grondbewerkingen met een diepte van meer dan 30 cm is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Uit het raadplegen van de archeologische beleidskaart van de gemeente Krimpenerwaard blijkt dat het plangebied over de volgende archeologische waarde beschikt.

• • •

Waarde Archeologie 3 Waarde Archeologie 4 Waarde Archeologie 6

Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Krimpenerwaard

Met voorliggend initiatief worden enkel bestaande gebouwen gerenoveerd of omgebouwd, waarbij de bestaande fundering en/of constructie gebruikt wordt. De ontwikkeling veroorzaakt dan ook geen nieuwe bodemverstoring. Derhalve is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek in onderhavig geval niet noodzakelijk. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' worden conform de archeologische beleidskaart opgenomen in dit bestemmingsplan. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

36

4.10 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek De boerderij op het perceel Middelblok 209 te Gouderak, ook wel bekend als boerderij Rust-Hove, heeft een rijksmonumentale status. Voor het hele erf is een cultuur- en bouwhistorische verkenning met waardestelling uitgevoerd (Bureau Helsdingen, maart 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Het plangebied is gelegen aan Hollandse IJssel en aan de rand van de polder Middelblok. Deze polder maakt onderdeel uit van de Krimpenerwaard. De polder Middelblok kent lange en smalle kavels die haaks op de ontginningsbasis zijn gesitueerd. De boerderijen werden langs de binnenzijde van de dijken gebouwd en aan de achterzijde begrensd door een sloot. Deze sloot is achter het perceel van Middelblok 209 in 1983 gedempt.

In de jaren 70 en 80 zijn aan de overzijde van de dijk de uiterwaarden drooggelegd en is hier een bedrijventerrein gerealiseerd. Het herenhuis aan de dijk dateert uit 1753 en werd bewoond door een landheer. Waarschijnlijk staat er al sinds dit bouwjaar een achterhuis tegen het herenhuis aan. Het achterhuis was de boerderij die werd beheerd door een pachtboer. In 1924 is het voormalige achterhuis vervangen door het huidige en werd het voorhuis bij de boerderij betrokken. De bijgebouwen waren, net als in de huidige situatie, langs de oprit gesitueerd. Op basis van ontstaansgeschiedenis van de boerderij Rust-Hove is een cultuur- en bouwhistorische waardestelling geformuleerd. De waarden zijn als volgt benoemd en inzichtelijk gemaakt op de navolgende kaart:

• • •

Categorie 1: Hoge monumentwaarde (blauw), deze elementen zijn van cruciaal belang voor de structuur en/ of betekenis van het object. Categorie 2: Positieve monumentwaarde (groen), deze elementen zijn van belang voor de structuur en/ of betekenis van het object. Categorie 3: Indifferente monumentwaarde (geel), deze elementen zijn van relatief weinig belang voor de structuur en/ of betekenis van het object.

37

Cultuur- en bouwhistorische waardering van het erf (bron: Bureau Helsdingen)

Hoge monumentwaarde Binnen het erf hebben de boerderij (herenhuis, achterhuis), de daarachter gelegen drieroedige hooiberg, de siertuin, de oprit als lineaire en verbindende as en de oude stenen schuur een hoge monumentwaarde. Deze elementen zijn van cruciaal belang voor de herkenbaarheid van de oorspronkelijke betekenis van het erf. Positieve monumentwaarde De varkensstal, hooiberg, gras aan de randen, krachtvoersilo, mestplaat, gierkelders. Deze elementen zijn in mindere mate van belang voor de herkenbaarheid van de oorspronkelijke betekenis van het erf. Indifferente monumentwaarde De koeien/ schapenstal, wagenloods, twee bomen ter plaatse van de gesloopte schuur, verharding (klinker, asfalt, betonplaten) en de twee weides hebben een indifferente monumentwaarde. Deze elementen zijn van relatief weinig belang voor de herkenbaarheid van de oorspronkelijke betekenis van het erf. Conclusie Voor de hele cultuur- en bouwhistorische verkenning wordt verwezen naar de bijlagen bij toelichting bijlage 4. Geconcludeerd kan worden dat een deel van het erf een hoge monumentwaarde heeft en een deel een mindere monumentwaarde. Met de ontwikkeling wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met het behoud en het versterken van de monumentwaarde op het erf, zodat er een positieve bijdrage geleverd wordt aan de cultuurhistorie van het erf.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

38

4.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Het voorliggende plan maakt twee vrijstaande woningen, één recreatiewoning en vier kamers voor een bed & breakfast mogelijk. Het plangebied bevindt zich in een 'niet stedelijk' woonmilieu, in het 'buitengebied'.

Aan de hand van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' is de verkeersgeneratie berekend. In navolgende tabel staat de verkeersgeneratie vanwege de ontwikkeling weergegeven. Soort woning/functie

CROW - categorie

Aantal

CROW -verkeersgeneratie

Vrijstaande woning Recreatiewoning

Koop, huis, vrijstaand Bungalowpark (huisjescomplex) 1* Hotel (avond)onderwijs

2 1

8,2 2,7

4 1

12,4 (per 10 kamers) 11,5 (per 10 studenten)

Kamers (bed & breakfast) Trainingsruimte Totaal

Totale verkeersgeneratie 16,4 2,7 5 13,6 37,7

In totaal veroorzaakt de ontwikkeling ca. 37,7 verkeersbewegingen per etmaal. Deze toename van de verkeersgeneratie kan opgevangen worden met de huidige ontsluiting. Het erf blijft dan ook volgens de huidige situatie ontsloten vanaf de dijk. Het aspect verkeer vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.11.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.

39

Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is vastgelegd in het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard' (vastgesteld op 29 januari 2019). Hierin wordt verwezen naar de gemiddelde parkeernormen van het CROW en dient op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid voorzien te worden. Planspecifiek Met de herontwikkeling van het erf moet er voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd worden. Aan de hand van de parkeernormen uit de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' is het benodigde aantal parkeerplaatsen bepaald. Er wordt uitgegaan van een 'niet stedelijk' woonmilieu in het 'buitengebied'. Soort woning/functie

CROW - categorie

Aantal

Vrijstaande woning Recreatiewoning

Koop, huis, vrijstaand Bungalowpark (huisjescomplex) 1* Hotel

2 1

CROW parkeernorm 2,4 2,1

4

4,5 (per 10 kamers)

1,8

(avond)onderwijs

1

10,5 (per studenten)

10,5

Kamers (bed breakfast) Trainingsruimte

&

Totaal

-

10

Totaal aantal parkeerplaatsen 4,8 2,1

19,2

Ten behoeve van de ontwikkeling zijn er theoretisch 20 parkeerplaatsen nodig. Echter is er sprake van dubbelgebruik voor wat betreft de trainingsruimte en het recreatieve gebruik. In totaal worden er 17 parkeerplaatsen gerealiseerd. Er is voldoende ruimte op het erf om op het eigen terrein te voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen. Van de parkeerplaatsen worden er 6 achter het monumentale pand met de bed & breakfast kamers en de trainingsruimte gerealiseerd. Voor de woning aan de voorzijde van het plangebied worden 2 parkeerplaatsen gerealiseerd en er wordt 1 parkeerplaats naast de recreatiewoning gerealiseerd. De overige 8 parkeerplaatsen worden achter op het terrein mogelijk gemaakt. De navolgende afbeelding toont de beoogde parkeerplaatsen.

40

Situatietekening met parkeerplaatsen beoogde situatie (bron: 10010ntwerpen)

In het voorliggende bestemmingsplan is een regeling opgenomen die borgt dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij, gelijk aan het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard', wordt verwezen naar CROW-publicatie 381 of diens rechtsopvolger, dan wel later door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels over parkeren. Geconcludeerd kan worden dat het aspect parkeren geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde herontwikkeling van het erf.

41

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

42

5.4 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Wonen Het hele plangebied beschikt over de bestemming 'Wonen'. De gronden zijn bestemd voor wonen, erven, tuinen, water, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en het hobbymatig houden van dieren. Tevens zijn beroepsmatige activiteiten aan huis toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'kantoor' is een kantoor aan huis met trainingsruimte toegestaan en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - bed & breakfast' is een bed & breakfast met maximaal 4 kamers toegestaan. Voor de woningen is een bouwvlak opgenomen, waarbij het aantal woningen per bouwvlak niet meer mag bedragen dan aangeduid op de verbeelding. Tevens is er op de verbeelding een goot- en bouwhoogte opgenomen. Aan-, uit- en bijgebouwen mogen uitsluiten ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' worden gebouwd. Binnen dit plangebied is maximaal één paardenbak toegestaan voor het hobbymatig houden van paarden, met een maximale omvang van 20 m bij 40 m. Waarde - Archeologie 3 De bestemming 'Waarde - Archeologie 3' is opgenomen voor de bescherming van de te verwachten archeologische waarde van gronden met een (zeer) hoge archeologische verwachting in verband met ontginningsassen en dijk- en polderlinten (inclusief dijk/kade).

Bij grondwerkzaamheden met een diepte van meer dan 30 cm of 100 m² moet met een archeologisch onderzoek aangetoond worden dat er ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn en/of niet worden verstoord. Waarde - Archeologie 4 De bestemming 'Waarde - Archeologie 4' is opgenomen voor de bescherming van de te verwachten archeologische waarde van gronden met een middelhoge archeologische verwachting in verband met oever- en crevasseafzettingen Hollandse IJssel en Lek, Vlist, Lopikerwetering en afgedekte ondiepe rivierduinen. Bij grondwerkzaamheden met een diepte van meer dan 30 cm of 1000 m² moet met een archeologisch onderzoek aangetoond worden dat er ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn en/of niet worden verstoord. Waarde - Archeologie 6 De bestemming 'Waarde - Archeologie 6' is opgenomen voor de bescherming van de te verwachten archeologische waarde van gronden met een middelhoge archeologische verwachting in verband met holoceen afgedekte rivierenlandschap, stoomgordels Benschop riviersysteem, en zeer diep gelegen afgedekte rivierduinen. Bij grondwerkzaamheden met een diepte van meer dan 3 m of 2.500 m² moet met een archeologisch onderzoek aangetoond worden dat er ter plaatse geen behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn en/of niet worden verstoord.

43

6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2º en 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

• • •

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie De directe buren zijn in hoofdlijnen op de hoogte van de plannen om het perceel te herontwikkelen.

44

6.2.1 Verslag vooroverleg In het kader van het vooroverleg zijn 7 reacties ontvangen. Deze reacties zijn samengevat en voorzien van een inhoudelijk beantwoording in de Nota van beantwoording overleg reacties. Dit stuk is als bijlage toegevoegd aan het bestemmingsplan. 6.2.2 Verslag zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan Middelblok 209 heeft vanaf 22 juli 2021 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.

45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=16d9c679-f513-4ffa-8c1d-1a5a92bb11fc