BIJL Bijlage 4 bij Toelichting onderzoek Wet Natuurbescherming
Tekst van het document
BURO SRO T.a.v. dhr. J. van Nuland ’t Goylaan 11 3625 AA Utrecht
Datum
8 juli 2020
Kenmerk
BE/2020/451/r
Uw kenmerk
Email d.d. 03-06-2020
Auteur(s)
ing. D.F. Knoops
Collegiale toets
ing. G. Fairhurst
Quickscan Wet natuurbescherming Middelblok 209 te Gouderak Aan de Middelblok 209 te Gouderak is een boerenerf met verschillende opstallen gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande opstallen te renoveren en/of te saneren. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland, Belangrijke weidevogelgebieden en/of de Strategische reservering natuur? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Middelblok 209 te Gouderak (figuur 1). De planlocatie bestaat uit meerdere opstallen. Hieronder volgt een opsomming: A. Boerderij/woonhuis. Dit monumentale pand is opgetrokken uit bakstenen en bevat geen luchtspouw omdat het in 1753 gebouwd is. De zuidgevel bestaat uit metalen golfplaten. De boerderij heeft een schuin zadeldak met dakpannen, hiervan zijn enkele losliggende dakpannen aanwezig. Het dak bevat geen daklijsten en kantpannen; B. Hooiberg (vier roeden). Deze hooiberg bestaat uit metalen damwand en metalen golfplaten als dakbedekking. De noordwest-gevel bestaat uit gepotdekselde planken. De binnenkant is geheel afgetimmerd met houten platen; C. Hooiberg (drie roeden). Deze hooiberg is eveneens opgetrokken uit metalen damwand en golfplaten dakbedekking. De oostzijde is geheel open. Er is geen isolatie en/of dakbeschot aanwezig; D. Schapenstal. De stal is opgetrokken uit prefab betonplaten en afgetimmerd met houten planken. De dakbedekking bestaat uit golfplaten met daaronder een isolatielaag van piepschuim; E. Voersilo. Tijdens het veldbezoek was deze silo niet meer aanwezig; F. Moderne schuur. Deze schuur is opgetrokken uit metalen damwand en heeft een dak van golfplaten. Als isolatie is er gebruik gemaakt van dupanel platen. Openingen tussen het dak en het dakbeschot zijn afgedicht met kippengaas.
De voorzijde van de schuur is deels open; G. Mestplaat; H. Varkensschuur. De schuur is opgetrokken uit gemetselde muren en bevat een golfplaten dak. Onder de golfplaten is een houten dakbeschot aanwezig. Er is veel ruimte aanwezig tussen het dakbeschot en de dakbedekking; I. Wagenloods. De loods bestaat geheel uit metalen damwand panelen zonder isolatie. Er is een kerkuil-nestkast aanwezig. Aan de randen van de planlocatie zijn enkele brede sloten gelegen waar enkele knotwilgen naast groeien. Verderop het terrein staan meerdere solitaire bomen. De planlocatie bestaat ongeveer voor de helft uit kort gemaaid gras. De andere helft is verhard met asfalt en betonplaten. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door een bedrijventerrein aan de noordwestzijde en een polderlandschap van het Groene Hart aan de zuidzijde. Op een afstand van circa 60 meter ligt de Hollandsche IJssel en de N207. Op circa 280 m ligt de rand van de stad Gouda.
2
Figuur 1
3
De planlocatie is gelegen aan de Middelblok 209 te Gouderak (bron kaartmateriaal: 1001 Ontwerpen).
Figuur 2
Fotografische indruk van de opstallen op de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de renovatie (A t/m H) en/of sanering (I) van enkele opstallen. De functie van het perceel dient te wijzigen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • •
4
saneren van bebouwing of delen daarvan: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 3
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: 1001 Ontwerpen).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 10 juni 2020 en is uitgevoerd door ing. D.F. Knoops en ing. G. Fairhurst. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 19 Celsius en windkracht 1-2 (Bft).
5
Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de verordening Ruimte van de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming ZuidHolland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Aardmuis
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Gewone bosspitsmuis Ree
Bastaardkikker
Gewone pad
Rosse woelmuis
Bosmuis
Haas
Veldmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Vos Wezel Woelrat
Dwergspitsmuis Egel
Konijn Meerkikker
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht.
6
(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare
per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2010-2020). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: gele lis, gele plomp, gewone es, gewone paardenbloem, madeliefje, ruwe berk, vingerhoedskruid, en waterzuring. De planlocatie is voor het overgrote deel verhard met asfalt en betonplaten. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De groene elementen op de planlocatie (o.a.
knotwilgen) worden niet aangetast met de beoogde ontwikkelingen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten.
7
Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, veldmuis, vos, wezel en woelrat. (NDFF 2010-2020). Voor al deze soorten geldt dat ze niet beschermd zijn of dat er vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten.
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Op de planlocatie zijn geen voor vleermuizen geschikte boomholten aanwezig welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Daarnaast worden er geen bomen gekapt binnen de beoogde ontwikkelingen. De te renoveren en/of saneren bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen.
Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. In enkele opstallen is de aanwezigheid van een verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen uitgesloten. Wegens de gebruikte bouwmaterialen (bijvoorbeeld metalen damwandpanelen) en/of gebruikte bouwstijl (geen nauwe kruipruimte tussen het dak en het dakbeschot en/of geen aanwezigheid van dakbeschot). Het gaat hier om de volgende opstallen: B, C, D, F, G, H en J. Gebouw A (de boerderij/woonhuis) heeft een aantal kieren welke als in- en uitvliegopening voor gebouwbewonende vleermuizen kunnen dienen. Het gaat hier om scheefliggende dakpannen, kieren onder het dakoverstek en ruimte onder loodflappen. Deze openingen leiden mogelijk naar een geschikte rust- en verblijfplaats. Hierdoor is de aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuismuizen als de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis niet uit te sluiten.
Om aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden middels 5 veldbezoeken in de periode aprilseptember (zie Vervolgstappen) Een andere gebouwbewonende soort is de gewone grootoorvleermuis. Deze soort huist normaliter niet in krappe ruimtes zoals onder het dakbeschot of in een luchtspouw maar hangt vrij aan houten balken op open zolders. Enkele op de planlocatie aanwezige opstallen bevatten houten balken waar geen betimmering of isolatie tegenaan is bevestigd. Het gaat om de opstallen C, H en J. Echter is er sprake van tochtwerking rondom deze balken vanwege het
8
open karakter van deze opstallen. Het is daardoor niet aannemelijk dat de gewone grootoorvleermuis gebruikt maakt van deze opstallen als verblijfplaats. Daarnaast zijn er tijdens het veldbezoek geen kenmerkende sporen (uitwerpselen, afgebeten vleugels van nachtvlinders) gevonden. Cumulatief kan het voorkomen van de gewone grootoorvleermuis op de planlocatie uitgesloten worden. Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Op de planlocatie zijn slechts enkele solitaire bomen en een rij knotwilgen aanwezig. Dit zijn onvoldoende groene elementen om als essentieel foerageergebied te dienen. Ten noordoosten van de planlocatie zijn namelijk veel grotere bosschages aanwezig waarbij het zeer aannemelijk is dat deze essentieel zijn. De rij knotwilgen op de planlocatie leidt niet naar potentiele foerageergebieden in de omgeving. Hierdoor is het uitgesloten dat er zich essentiële vliegroutes en foerageergebieden binnen de planlocatie bevinden. Daarnaast worden de groene elementen niet aangetast met de beoogde ontwikkelingen. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden.
Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker (NDFF 2010-2020). Voor al deze soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, maar vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat.
Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie is grotendeels verhard en wordt intensief gebruikt waardoor veel verstoringen optreden. Het is aannemelijk dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen in de sloten aan de rand van de planlocatie. Het is daarnaast niet uit te sluiten dat deze algemene soorten gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de ringslang (NDFF 2010-2020). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Meestal betreffen dit overgangen van droge zandgrond naar natte veen- of kleigronden. Lage, natte gebieden worden gemeden vanwege de slechte overwinteringsmogelijkheden. Hun jachtgebied bestaat uit kleinschalige gebieden met veel variatie en vooral een ruim aanbod van water.
Voldoende eiafzetmogelijkheden en een ruimaanbod van wateren in nabijheid van hoge gronden zijn belangrijke randvoorwaarden. (Creemers & Van Delft, 2009). Er bevinden zicht geen hopen met dood plantaardig materiaal die als broedhoop van de ringslang kunnen dienen binnen de planlocatie. Het is aannemelijk dat de ringslang voor komt rond de sloten aan de rand van de planlocatie. Echter worden deze sloten worden niet aangetast met de beoogde ontwikkelingen. De planlocatie is grotendeels verhard en wordt intensief gebruikt waardoor veel verstoringen optreden. Het is hierdoor uitgesloten dat er functioneel leefgebied van de ringslang binnen de planlocatie bevindt.
9
Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkuiper (NDFF 2010-2020). Doordat er geen ontwikkelingen zijn beoogd aan de aanwezige sloten aan de rand van de planlocatie. De ontwikkelingen betreffende de bebouwing vallen tevens niet binnen de invloedssfeer van de sloten. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de groene glazenmaker en platte schijfhoren (NDFF 2010-2020). De groene glazenmaker komt alleen voor in stilstaande wateren met een dichte begroeiing van krabbenscheer. Wegens de afwezigheid van krabbenscheer in de sloten nabij de planlocatie en het feit dat hier geen ontwikkelingen aan beoogd zijn is het voorkomen en negatieve effecten op de groene glazenmaker uitgesloten. De platte schijfhoren heeft als voorkeurshabitat voedselrijk stilstaand water met begroeiing van waterplanten, voornamelijk gele plomp en waterlelie. Tijdens het veldbezoek is de gele plomp waargenomen. Het is daardoor niet uit te sluiten dat de platte schijfhoren voorkomt in de sloten aan de planlocatie. Echter zijn er geen werkzaamheden voorzien aan de sloten. Het is derhalve uitgesloten dat de beoogde ontwikkelingen een negatief effect hebben op de platte schijfhoren.
Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: boerenzwaluw, blauwe reiger, ekster, huismus, huiszwaluw, kauw, kleine mantelmeeuw, kokmeeuw, meerkoet, spreeuw en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Het grootste deel van de opstallen op de planlocatie biedt geen nestmogelijkheden aan de huismus.
De reden hiervoor zijn de gebruikte bouwmaterialen (metalen damwandpanelen) en/of de bouwstijl (geen dakbeschot, geen invliegopeningen). Het voorkomen van nestlocaties van de huismus is uitgesloten in de opstallen: B, C, F, G en I. In de overige opstallen (A, D en H) zijn potentiele nestlocaties aanwezig. In de boerderij/woonhuis (A) betreft dit het dakbeschot welke door losliggende dakpannen en ruimte onder loodflappen toegankelijk is. De Schapenstal (D) heeft een golfplaten dak met daaronder een isolatielaag van piepschuim. Hiertussen is een ruimte aanwezig waar huismussen kunnen nestelen. Tijdens het veldbezoek is nestmateriaal aangetroffen wat zeer aannemelijk aan huismus toebehoort (figuur 4). In de varkensschuur (H) is tussen het dak en het dakbeschot een grote open ruimte aanwezig. Deze ruimte is toegankelijk voor de huismus waardoor het voorkomen van nestlocaties niet uit te sluiten is. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van groene delen en resulteert daardoor niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake.
10
Figuur 4
Enkele locaties in de schapenstal (D) waar nestmateriaal is aangetroffen wat zeer aannemelijk aan huismus toebehoort.
De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De boerderij/woonhuis (A) bevat enkele losliggende dakpannen welke de gierzwaluw mogelijk toegang kan geven tot de ruimte achter de dakpannen. Echter zijn er slechts twee á drie openingen groot genoeg voor de gierzwaluw. In de directe omgeving zijn geen nestlocaties bekend van deze koloniebroeder (NDFF 2010-2020). De aanwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw op de planlocatie is hierdoor niet aannemelijk. Alle overige opstallen op de planlocatie hebben geen potentie voor een nestlocatie vanwege de bouwstijl en/of gebruikte bouwmaterialen. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. In de wagenloods (I) is een nestkast voor de kerkuil aanwezig. Deze nestkast is in beheer bij de uilenwerkgroep van de natuur- en vogelwerkgroep Krimpenerwaard. Volgens de coördinator van de uilenwerkgroep (Stefan van der Heijden) is de kast sinds plaatsing in 2018 nog niet bezet geweest. De laatste controle is uitgevoerd begin mei 2020. Tijdens het veldbezoek zijn tevens geen sporen (zoals krijtstrepen en braakballen) aangetroffen waaruit blijkt dat de kerkuil na begin mei 2020 de kast heeft bezet.
Alle overige opstallen op de planlocatie zijn ongeschikt om als verblijfplaats te dienen. Het is hierdoor uitgesloten dat er zich een verblijfplaats van de kerkuil in het plangebied bevind. Tegenwoordig broedt de kerkuil in 90% van de gevallen in nestkasten, welke opgehangen zijn in stallen en schuren (BIJ12, 2017). Doordat deze een dusdanige hoge waarde hebben voor de soort, dient deze na de beoogde ontwikkeling herplaatst te worden op een daarvoor geschikte plek. Naast de kerkuil-nestkast is er ook een nestkast voor de steenuil aanwezig aan de rand van het plangebied. Deze hangt aan een boom achter de wagenloods (I). Uit het mailcontact met de uilenwerkgroep bleek ook dat deze kast al jaren niet in gebruik is. Hierdoor is het uitgesloten dat zich er een verblijfplaats van de steenuil binnen de planlocatie bevind. De nestkast blijft behouden binnen de beoogde ontwikkelingen. Mocht de boom waarop de kast hangt toch verwijderd dienen te worden moet de nestkast op een andere geschikte locatie binnen het plangebied te worden terug gehangen. Voor beide soorten uilen (kerk- en steenuil geldt dat de werkzaamheden plaats dienen te vinden buiten het broedseizoen (feb-aug) om verstorende effecten te minimaliseren.
Vanwege de afwezigheid van verblijfplaatsen, het ontbreken van waarnemingen en het feit dat de groene elementen op de planlocatie behouden blijven is er geen sprake van negatieve effecten op eventueel functioneel leefgebied van kerk- en steenuil. In de beoogde ontwikkelingen worden extra groene elementen (bomen) aangeplant waardoor de planlocatie in de toekomst meer potentie krijgt als leefgebied. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van roofvogelsoorten. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake.
11
Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals boerenzwaluw, merel en duiven geschikte nestlocaties. In de drieroedige hooiberg (C) is tijdens het veldbezoek één nest van de boerenzwaluw aangetroffen. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode februari t/m augustus. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland Op een afstand van circa 4 km ligt het Natura 2000gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ (figuur 5).
Op een afstand van circa 20 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 6). Op een afstand van circa 1,4 km ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied (figuur 7). Op een afstand van circa 13 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (figuur 8). Er worden geen karakteristieke landschapselementen op de planlocatie weggenomen ten gevolge van de beoogde ingreep.
Figuur 5
12
De planlocatie ligt op een afstand van circa 4 km tot het Natura 2000-gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ (bron: pzh.maps.arcgis.com).
13
Figuur 6
De planlocatie ligt op een afstand van circa 20 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: pzh.maps.arcgis.com).
Figuur 7
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,4 km tot een Belangrijk weidevogelgebied (bron: pzh.maps.arcgis.com).
Figuur 8
De planlocatie ligt op een afstand van circa 13 km tot het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (bron: pzh.maps.arcgis.com).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de renovatie en/of sanering van enkele opstallen. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.
Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Gezien er sprake is van een grote afstand (4 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er geen sprake is een toename van stikstofemissie wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk.
14
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de huismus en (gebouwbewonende) vleermuizen. Ten aanzien van kerk- en steenuil dient buiten de broedperiode gewerkt te worden en de aanwezige nestkasten dienen te worden herplaatst. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
15
+
-
-
-
-
+/-
+/-
-
+/-
n
n
n
n
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
insecten en ongewervelden
Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)
vaatplanten
Legenda
vleermuizen
Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.
grondgebonden zoogdieren
Tabel 2
+
+
n
j
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat Andere soort
-
+/-
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
Natura 2000
4 km
geen
n.v.t.
Natuurnetwerk Nederland
20 km
geen
n.v.t.
Belangrijk weidevogelgebied
1,4 km
geen
n.v.t.
Strategische reservering natuur
13 km
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
ja
nee
n.v.t.
Bomen
ja
nee
n.v.t.
j
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor huismus en (gebouwbewonende) vleermuizen. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
Conclusie De ontwikkeling aan de Middelblok 209 te Gouderak is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni. Een technische inspectie wordt uitgevoerd middels het lichten van dakpannen en inventariseren van nestlocaties buiten het broedseizoen, tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat oude nesten ook meegenomen worden. • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september. De planlocatie heeft potentie voor zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis.
16
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.
• De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (februari t/m augustus). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. • De kerkuil-nestkast die aanwezig is in de wagenloods (I) dient te worden herplaatst binnen de planlocatie op een daarvoor geschikte plek. De uilenwerkgroep van Natuur- en vogelwerkgroep Krimpenerwaard kan zorgen voor advies en begeleiding. De nestkast van de steenuil achter de wagenloods (I) wordt niet aangetast door de beoogde ontwikkelingen. Dient de boom waarop deze nestkast hangt toch te worden gekapt dient de nestkast terug te worden geplaatst op een daarvoor geschikte locatie.
17
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kerkuil Tyto alba, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Steenuil Athene noctua, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.pzh.maps.arcgis.com www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
18
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ing. D.F. Knoops Auteur
Blom Ecologie B.V., ing. G. Fairhurst Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
19
Bijlage 1 Fotografische impressie
20
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Middelblok 209 te Gouderak en bestaat uit enkele opstallen welke gesaneerd en/of gerenoveerd worden. Bovenstaande afbeelding betreft de hooiberg met drie roeden (C).
Figuur 2
De moderne schuur (F) op de planlocatie.
21
Figuur 3
Een gedeelte van de schapenschuur (D) en wagenloods (I) op de planlocatie.
Figuur 4
Nestkast van de kerkuil in de wagenloods (I) op de planlocatie.
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
22
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
23
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
24