BIJL. 6 bijlage bij toelichting 6 - quickscan flora en fauna
Tekst van het document
BURO SRO T.a.v. dhr. R. van der Made ’t Goylaan 11 3525 AA te Utrecht Datum
13 februari 2020
Kenmerk
BE/2020/002/r
Uw kenmerk
Email d.d. 25-11-2019
Auteur(s)
ir. T.W.D. Schrader
Collegiale toets
ir. ing. K.J. Rebergen
Quickscan Wet natuurbescherming aan de Kadijk 4a-6 te Bergambacht Aan de Kadijk 4a-6 te Bergambacht is de bedrijfslocatie van Adriaan van Erk gesitueerd. Het complex bestaat uit diverse bedrijfspanden en een buitenterrein ten behoeve van parkeren en opslag. Het buitenterrein wordt mede door de timmerfabriek gebruikt voor de opslag van prefab elementen. Een groeiend aantal opdrachten leidt tot capaciteitsproblemen qua opslag waardoor Adriaan van Erk Timmerfabriek het opslagterrein wil uitbreiden in zuidelijke richting waar thans enkele weides en sloten zijn gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens om de buitenopslag uit te breiden en aangrenzend groen en water aan te leggen. Het vigerende bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht.
Ook het onbebouwde gedeelte ten zuiden van het plangebied en de woning aan de Molenlaan 3 is onderzocht. Eind 2016 is door Blom Ecologie B.V. reeds een oriënterend onderzoek uitgevoerd naar beschermde flora en fauna, voorliggend document voorziet in een actualisering hiervan. Buro SRO begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland, Belangrijke weidevogelgebieden en/of de Strategische reservering natuur? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen achter de Kadijk 4a-6 te Bergambacht (figuur 1). De planlocatie bestaat uit een aantal weidepercelen. De weidepercelen zijn in gebruik als koeienweide, schapenweide en hooiland. Rondom de weidepercelen liggen kavelsloten. Een groot deel van de onverharde achterzijde van de bedrijfslocatie maakt tevens deel uit van de beoogde ontwikkeling. De strook langs de achterzijde is beplant met bomen en struiken. Aan de zuidzijde is het perceel van Molenlaan 3 gelegen met één woning, hier zijn ook kleine vervallen schuurtjes aanwezig. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De planlocatie is gelegen aan de noordelijke zijde van de bebouwde kom van Bergambacht. Ten oosten, noorden en westen zijn agrarische graspercelen gelegen. De N207 is direct ten westen van de planlocatie gelegen.
Figuur 1
2
Het onderzoeksgebied (rood omkaderd) is gelegen aan de Kadijk 4a-6 te Bergambacht. Aan de zuidzijde is ook de woning aan de Molenlaan 3 onderzocht (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het uitbreiden van de buitenopslag (figuur 3). Mogelijke toekomstige ontwikkelingen ten zuiden van het bedrijfscomplex, inclusief saneren en realiseren van bebouwing, zijn tevens meegenomen in de beoordeling. Het bestemmingsplan dient te worden gewijzigd van agrarisch naar bedrijf. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • •
verwijderen struiken en bomen aan de achterzijde van het terrein: kapwerkzaamheden en afvoer groen; dempen sloten, vergraven weides en verharden terrein; graafwerkzaamheden, grondtransport graven nieuwe sloten: graafwerkzaamheden en afvoer grond; kappen van bomen/dempen van sloten: kapwerkzaamheden/graafen dempwerkzaamheden;
Figuur 3
3
Visuele representatie van de beoogde uitbreiding van de buitenopslag.
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 16 januari 2020 en is uitgevoerd door ir. T.W.D. Schrader en ir. M. Poelman. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 1/8 bewolkt, 5 Celsius en windkracht 2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ree
4
Bastaardkikker
Gewone pad
Rosse woelmuis
Bosmuis
Haas
Veldmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Vos Wezel Woelrat
Dwergspitsmuis Egel
Konijn Meerkikker
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde vaatplanten: groot spiegelklokje (NDFF 2010-2020). Het groot spiegelkokje is in 2019 waargenomen aan de Handelsweg, ten zuidoosten van Bergambacht. De waarneming is ingevoerd als ‘ingezaaid’, wat zeer waarschijnlijk inhoudt dat de soort in een kruidmengsel voor bermbeheer zit en op deze manier in de omgeving van Bergambacht terecht is gekomen. De groeiplaatsen van groot spiegelklokje zijn hoofdzakelijk akkers (graanakkers), bermen en dijken en braakliggende grond. Van deze groeiplaatsen is geen sprake binnen het plangebied.
Het plangebied is in gebruik als bedrijventerrein met verharding en als grasweides, waar sprake is van een voedselrijke bodem. Ter plaatse van de planlocatie is
5
slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: gewone smeerwortel, grote brandnetel, grote weegbree, hondsdraf, Jacobskruiskruid, klimop, lisdodde, madelief, paarse dovenetel, pitrus, raaigras, ridderzuring en smalle weegbree. De ondiepe sloten waren ten tijde van het veldbezoek vrijwel volledig geschoond van watervegetatie. Er zijn enkele bomenlanen en bosschages aanwezig, de opgaande vegetatie hier bestaat onder andere uit berken, coniferen, gewone es, laurier, populieren, wilgen en zwarte els. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bruine rat, bunzing, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, mol, vos en woelrat (Broekhuizen et al., 2016; NDFF 2010-2020).
Voor al deze soorten geldt dat ze niet beschermd zijn of dat er vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Het plangebied valt buiten het verspreidingsgebied van de steenmarter. Het voorkomen van de beschermde steenmarter of kleine marterachtigen (welke vallen onder de vrijstelling) wordt uitgesloten op basis van het huidige gebruik van het plangebied met menselijke en mechanische verstoring, de beperkte grootte van een mogelijk habitat en de afwezigheid van geschikte migratieroutes. Gelet op het gebruik van de locatie (veel menselijke verstoring en verharding) en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Ter plaatse van de uitbreiding van de buitenopslag is uitsluitend dunne opgaande vegetatie aanwezig. De kleine knotwilgen en dunne berken bevatten geen holtes die mogelijk geschikt kunnen zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Het voorkomen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen is hier uitgesloten.
In de beoogde uitbreiding van de buitenopslag wordt geen bebouwing gesaneerd. Deze zal ter plaatse van de zuidelijke en zuidoostelijke gevel van het bedrijfspand worden gerealiseerd. De bebouwing bestaat hier uit gemetselde muren met stootvoegen (tot 1 m hoog) en damwandplaten (figuur 4). De daklijsten sluiten goed aan. De stootvoegen in de gemetselde muren zijn veel te laag om vleermuizen de mogelijkheid te bieden hier verblijfplaats te vinden. Daarnaast wordt er
6
veel materiaal opgeslagen voor deze gevels waardoor vrijwel overal de in- en uitvliegmogelijkheid wordt belemmerd. Het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen in de gevels waar de beoogde ingreep is voorzien wordt uitgesloten.
Figuur 4
Links: situatie ter plaatse van de uitbreiding van de buitenopslag. Rechts: de gemetselde muren zijn circa 1 m hoog.
Aan de zuidelijke zijde van het plangebied is een woning binnen het onderzoeksgebied gesitureerd (figuur 5). Deze woning bestaat uit gemetselde steense muren zonder spouw en heeft een pannen zadeldak met dakgoot. Het dak heeft een dakbeschot. Tussen de gevel en de dakgoot en ter hoogte van de kopgevels zijn geen openingen aangetroffen. Er zijn echter een aantal missende, losliggende en scheefliggende dakpannen waar vleermuizen mogelijk toegang kunnen krijgen tot het dakruimte (figuur 5). Hier kunnen vleermuizen mogelijk geschikte verblijfplaatsen vinden. Ten aanzien van de soortgroep dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om de aan- of afwezigheid vast te stellen voor ingrepen aan de woning aan de Molenlaan 3 uitgevoerd kunnen worden (zie vervolgstappen). De woning aan de Molenlaan 3 heeft potentie als zomer-, kraam- en paarverblijfplaats voor gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Wegens de beperkte thermische buffering van de woning wordt een (massa)winterfunctie op voorhand uitgesloten.
Figuur 5
Links: de woning aan de Molenlaan 3 te Bergambacht. Rechts: openingen in het dak die vleermuizen mogelijk toegang kunnen bieden tot geschikte verblijfplaatsen.
Naast de mogelijkheid dat vleermuizen binnen het onderzoeksgebied een vaste rust- en/of verblijfplaats kunnen hebben, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling worden enkele groenstructuren (laurierhagen en lage knotwilgen) verwijderd. Op de nieuwe grens van de bedrijfsactiviteiten wordt nieuw groen aangeplant (figuur 3). In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. De te verwijderen groenstructuren functioneren niet als mogelijke vliegroute van een verblijfplaats naar een foerageergebied en worden niet essentieel beoordeeld als foerageergebied. In de directe omgeving van het plangebied is ruim voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van groenstructuren, groene tuinen, lineaire waterlichamen en plassen. Mogelijk kan er ten gevolge van de werkzaamheden en/of de verlichting in de nieuwe situatie wel sprake zijn van verstoring van vleermuizen. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het
7
gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën In de omgeving is de aanwezigheid bekend van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander en rugstreeppad (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 20102020). Voor de heikikker en rugstreeppad geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen.
De rugstreeppad wordt sporadisch in het buitengebied van Bergambacht waargenomen. Er zijn drie waarnemingen bekend binnen de afgelopen 3 jaar (NDFF 2010-2020). Binnen het plangebied is sprake van een verhard gedeelte, wat momenteel in gebruik is als bedrijventerrein, en een onverhard gedeelte met schapenweide en sloten. In de beoogde ingreep worden sloten gedempt en nieuw gegraven. De verharding zal ten zuiden uitgebreid worden. Ter plaatse van deze uitbreiding van de buitenopslag is de schapenweide kort grasland en zijn de sloten breed en ondiep, met vrijwel geen submerse vegetatie (figuur 6).
Figuur 6
8
Noordelijke zijde van het onbebouwde terrein met een beschoeide oever, ondiepe sloten en geen submerse vegetatie.
Figuur 7
Zuidelijke zijde van het onbebouwde terrein met een natuurlijke oever, rietvegetatie en meer ruigtevegetatie.
Zuidelijker zijn de sloten en slootkanten ecologisch van hogere kwaliteit met een meer natuurlijke oever en rietvegetatie (figuur 7). Hier zijn ook meer ruigte en struiken aanwezig. De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond. De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden. Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op, en bij voorkeur zonder vegetatie en concurrentie van andere amfibieën (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). In de Krimpenerwaard wordt de soort ook in agrarische kavelsloten waargenomen. Het voorkomen van rugstreeppadden is in de huidige situatie niet uitgesloten. Voor sloten gedempt kunnen worden aan de zuidelijke zijde van het onbebouwde terrein dient aanvullend onderzoek naar rugstreeppadden uitgevoerd te worden. Potentie voor rugstreeppadden als voortplantingswater is aanwezig in de zuidelijke helft van het onbebouwde terrein (figuur 8). De heikikker wordt geregeld waargenomen in de Krimpenerwaard. De soort is hier minder kritisch dan op andere plekken en komt ook voor in agrarische kavelsloten.
De drie habitattypen waar de soort gebruik van maakt (ondiep, relatief zuur, zonbeschenen en voedselarm voortplantingswater; vochtige plekken in schraal, ruig gebied zoals heide, hoogveen, laagveen en natuurlijk grasland voor in de actieve periode en vochtvrije plaatsen voor overwintering) dienen op zeer korte afstand tezamen voor te komen. Hierdoor wordt de heikikker vaak waargenomen in kleinschalige afwisselende landschappen welke worden gekenmerkt door schrale, ruige en vochtige omstandigheden. Watersystemen zijn ondiep, voedselarm en enigszins zuur, vaak betreffen dit vennen of moerasgebieden. Het landhabitat waar de heikikker gedurende de actieve periode aanwezig is dient ruig en te allen tijde vochtige te zijn. Veelal betreffen dit vochtige heidelandschappen of vochtig half-natuurlijke graslanden. Overwintering vindt veelal plaats in afgetrapte slootkanten of bosjes. Binnen het plangebied kan de aanwezigheid van de heikikker niet uitgesloten worden in het zuidelijke gedeelte van het plangebied (figuur 7). Voor sloten gedempt kunnen worden aan de zuidelijke zijde van het onbebouwde terrein dient aanvullend onderzoek naar heikikkers uitgevoerd te worden. Potentie voor heikikkers als voortplantingswater is aanwezig in de zuidelijke helft van het onbebouwde terrein (figuur 8).
9
Figuur 8
Gedeelte van het plangebied (rood gearceerd) waar aanvullend onderzoek naar rugstreeppad, heikikker en grote modderkruiper wordt geadviseerd indien er sprake is van ruimtelijke ontwikkelingen.
Gedurende de werkzaamheden kan de rugstreeppad opduiken wanneer zandige terreinen ontstaan tijdens graaf- en bouwwerkzaamheden (bijlage 2). We adviseren om het plangebied gedurende de werkzaamheden ongeschikt te houden voor rugstreeppadden. Dit kan middels het voorkomen van zandige terreinen met ondiepe poeltjes. Indien dit niet mogelijk is dient het plangebied ontoegankelijk gehouden te worden middels paddenschermen. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn, mits maatregelen getroffen worden ten aanzien van rugstreeppadden, derhalve uitgesloten. Reptielen In de omgeving is de aanwezigheid van reptielen niet bekend (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2010-2020). Reptielen worden niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden zijn aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen In de omgeving is de aanwezigheid van beschermde vissen niet bekend (NDFF 2010-2020). In de beoogde ingreep worden enkele ondiepe sloten gedempt en ten zuiden worden nieuwe watergangen gegraven.
Het voorkomen van de grote modderkruiper is niet bekend in de directe omgeving van het plangebied, maar wel in de ruime omgeving, bijvoorbeeld in de Krimpenerwaard. De sloten op de planlocatie aan de noordelijke zijde zijn zeer ondiep en vrijwel geheel geschoond van submerse vegetatie. De sloten zijn aangesloten op grotere watersystemen. Wegens de gehele afwezigheid van submerse vegetatie en de aannemelijke aanwezigheid van concurrerende vissoorten wordt het voorkomen van de grote modderkruiper aan de noordelijke zijde het plangebied uitgesloten. In de zuidelijke zijde van het plangebied (figuur 7) is wel leefgebied aanwezig, hier kan de grote modderkruiper dekking vinden in de rietoevers. Voor sloten gedempt kunnen worden aan de zuidelijke zijde van het onbebouwde terrein dient aanvullend
10
onderzoek naar grote modderkruiper uitgevoerd te worden. Potentie voor grote modderkruiper als voortplantingswater is aanwezig in de zuidelijke helft van het onbebouwde terrein (figuur 8). In het kader van de Algemene zorgplicht dient er bij het dempen van de sloten maatregelen getroffen te worden om het onnodig sterven van vissen te voorkomen. Hierbij dient één werkrichting gehanteerd te worden richting watergangen die gehandhaafd zullen blijven. Daarnaast dient het dempen te gebeuren op een moment dat het niet vriest. Op deze manier worden vissen de mogelijkheid geboden om de te dempen sloten op eigen initiatief te verlaten. Mits deze maatregelen getroffen worden is er geen sprake van negatieve effecten op (beschermde) vissen. Insecten en andere ongewervelden In de omgeving is de aanwezigheid bekend van groene glazenmaker (NDFF 2010-2020). Het plangebied ligt buiten het verspreidingsgebied van de platte schijfhoren. De groene glazenmaker komt vrijwel uitsluitend voor in de verlandingszone van vegetaties met een dominantie van krabbenscheer (Vlinderstichting groene glazenmaker, 2020). De soort wordt hoofdzakelijk waargenomen ten oosten en ten noorden van het plangebied in het buitengebied van Bergambacht. Binnen het plangebied is geen sprake van verlandingszones en zijn de sloten vrijwel geheel geschoond van submerse vegetatie.
Het voorkomen van de groene glazenmaker binnen het plangebied is uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde insecten en andere ongewervelden zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: blauwe reiger, ekster, fuut, grote zilverreiger, houtduif, huismus (ten noorden van het plangebied), koolmees, knobbelzwaan, meerkoet, pimpelmees, smient, wilde eend, zilvermeeuw en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Er zijn geen horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. De bedrijfshallen zijn geheel ongeschikt en ontoegankelijk voor uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde uilen in de omgeving van het plangebied (kerkuil, ransuil en/of steenuil). Gezien de aard van de bebouwing in de omgeving (dichte bedrijfshallen en reguliere woningen) wordt het voorkomen van nestlocaties in de omgeving van kerkuil en/of steenuil niet verwacht.
Samengenomen met het gebrek aan waarnemingen is er geen sprake van functioneel leefgebied van beschermde uilen welke weggenomen wordt in de beoogde ingreep. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort is binnen de planlocatie geen geschikte nestlocatie aanwezig door de vlakke vegetatie. De huismus is waargenomen aan de noordzijde van het plangebied, ter hoogte van de woningen aan de Kadijk 4. Daarnaast zijn waarnemingen bekend van huismussen aan de Kadijkselaan. Het bedrijvencomplex zelf bevat geen mogelijke nestlocaties voor huismussen aangezien er geen openingen in de gevels van damwandplaten aanwezig zijn. De beoogde uitbreiding van de buitenopslag wordt uitgevoerd op ruime afstand (> 100 m) van mogelijke nestlocaties van huismussen. Het verwijderen en herplanten van groenstructuren heeft derhalve niet tot gevolg dat huismussen negatieve effecten zullen ondervinden. De soort is, vooral in de broedperiode, sterk gebonden aan de nestlocatie en zal de foerageeractiviteiten op zeer beperkte afstand van het nest uitvoeren. De te verwijderen groenstructuren ter hoogte van de beoogde uitbreiding van de buitenopslag behoren derhalve niet tot het functioneel leefgebied van de soort.
Van aantasting van functioneel leefgebied en/of nestlocaties van de huismus is derhalve aan de noordelijke kant van het plangebied geen sprake. Aan de Molenlaan 3 zijn echter openingen in het dak aanwezig die huismussen toegang kunnen bieden tot nestlocaties (figuur 9). De aanwezigheid van nestlocaties kan hier niet uitgesloten worden. Derhalve dient er voor de huismus aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om de aan- of afwezigheid vast te stellen (zie vervolgstappen). Ten zuiden van het plangebied zijn de
11
groenstructuren dichterbij mogelijke nestlocaties (figuur 10) en dient voor het wegnemen van deze groenstructuren middels aanvullend onderzoek beoordeeld te worden of deze essentieel zijn voor het leefgebied van huismussen (zie vervolgstappen). De gierzwaluw broedt net als de huismus in menselijke bebouwing. Binnen het onderzoeksgebied zijn geen openingen in de gevels aanwezig die gierzwaluwen toegang kunnen bieden tot mogelijke nestlocaties. Negatieve effecten op de soort zijn uitgesloten.
Figuur 9
Openingen in het dak die huismus toegang kunnen bieden tot de dakruimte en waar derhalve nestlocaties niet uitgesloten kunnen worden.
Figuur 10 Gebied (rood gearceerd) waar groenstructuren mogelijk essentieel kunnen zijn voor huismussen en derhalve aanvullend onderzoek uitgevoerd dient te worden voor deze weggenomen worden.
12
Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Daarnaast zijn de slootkanten geschikt voor broedgevallen van bijvoorbeeld meerkoet en wilde eend. Daarnaast is een eksternest aangetroffen in één van de hogere bomen nabij het plangebied. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 5,1 km ligt het Natura 2000gebied ‘Donkse Laagten’ (figuur 11). Op een afstand van circa 300 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 12). Op een afstand van circa 200 m ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied (figuur 13). Op een afstand van circa 7,1 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (figuur 14). Er zijn landschapselementen aanwezig op de planlocatie in de vorm van knotbomen op veengronden. Deze knotbomen staan echter direct tegen een laurierhaag aan, waardoor van het verliezen van een karakteristiek landschapselement ten gevolge van de kap van de knotbomen geen sprake is.
Figuur 11 De planlocatie ligt op een afstand van 5,1 km tot het Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’ (bron: pzh.maps.arcgis.com).
13
Figuur 12 De planlocatie ligt op een afstand van circa 300 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: pzh.maps.arcgis.com).
Figuur 13 De planlocatie ligt op een afstand van circa 200 m tot een Belangrijk weidevogelgebied (bron: pzh.maps.arcgis.com).
14
Figuur 14 De planlocatie ligt op een afstand van circa 7,1 km tot het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (bron: pzh.maps.arcgis.com). Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Vóór de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) werd beargumenteerd dat de afstand tot het Natura 2000-gebied dusdanig groot is, dat er t.a.v. de stikstofdepositie onder een drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar zou blijven. De Raad van State heeft echter beoordeeld dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Op basis van het PAS wordt vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden, alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Zo’n toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunning plichtig.
In september 2019 is de nieuwe Aerius calculator gepubliceerd. Ook werken het Rijk en provincies samen aan een beoordelingskader en handreiking voor intern salderen. De herbeoordeling d.m.v. de herziene Aerius calculator moet daarom plaatsvinden voor alle nog niet onherroepelijke plannen of projecten waarvan uit een Aerius-berekening is gebleken dat de toename van de depositie: • Onder de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar blijft. De in het PAS gehanteerde drempelwaarden zijn volgens de Afdeling niet goed onderbouwd en mogen daarom niet langer worden gebruikt (zolang de onderbouwing niet is verbeterd), óf: • Binnen het PAS gemeld moest worden. Dit was het geval voor alle projecten met een depositie groter dan 0,05 en kleiner dan of gelijk aan 1 mol/ha/jaar, zolang er althans nog voldoende depositieruimte beschikbaar was, óf: • Groter is dan 1 mol/ha/jaar (en dus binnen het PAS-vergunningplicht) maar waarvan de vergunning nog niet onherroepelijk is. Dat is het geval wanneer tegen het besluit bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld. Ondanks de uitspraak is het (beperkt) mogelijk om plannen/projecten op korte termijn door te laten gaan. Dit wordt onderschreven in de ‘Factsheet Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden’ (Ministerie van Binnenlandse Zaken, juli 2019). Uit goede motivering of herberekening van de stikstofdepositie moet dan blijken:
15
Dat er geen enkele toename van stikstofdepositie wordt verwacht, bijvoorbeeld vanwege de grote afstand tot Natura 2000-gebieden óf: • Dat door toename van depositie de kritische depositiewaarden niet worden overschreden; dit is met name het geval wanneer de Natura 2000-gebieden weinig gevoelig zijn of wanneer de stikstofuitstoot uit andere bronnen relatief klein is, óf: • Dat door (aanpassing van) plannen of projecten de emissies van stikstofoxiden en/of ammoniak juist afnemen waardoor effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van de uitstoot van stikstofoxiden of ammoniak opnieuw te beoordelen met de herziene versie van de Aerius calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. De beoogde ontwikkeling betreft het uitbreiden van de buitenopslag, wat ten opzichte van de huidige situatie niet leidt tot een significante toename in het aantal verkeersbewegingen. Er is geen sprake van nieuwbouw en hierdoor geen sprake van een stikstofuitstoot in de gebruiksfase. Gedurende de werkzaamheden kan er een beperkte en tijdelijke toename in stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen (het ‘projecteffect’).
Gezien het beperkte projecteffect en de grote afstand tot Natura 2000-gebieden (5,1 km) worden geen enkele negatieve gevolgen voor relevante Natura 2000-gebieden verwacht. Derhalve kan een passende beoordeling van de stikstofdepositie achterwege blijven.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn enkele kapwerkzaamheden voorzien van hagen en bomen. Deze kapwerkzaamheden vallen onder type a (houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom). Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet meldingsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten hebben vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
16
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen voor de volgende ingrepen: bij ingrepen aan de woning Molenlaan 3 aanvullend onderzoek naar huismus en vleermuizen, bij ingrepen aan de sloten, slootkanten en grasweide in de zuidelijke helft van het onderzoeksgebied aanvullend onderzoek naar heikikker, rugstreeppad en grote modderkruiper. Mogelijk kan kolonisatie door rugstreeppadden optreden gedurende de sloopen bouwwerkzaamheden. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, vissen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
-
+/-
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
5,1 km
geen
n.v.t.
300 m
geen
n.v.t.
200 m
geen
n.v.t.
Strategische reservering natuur
7,1 km
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
ja
ja
n.v.t.
ja
ja
n.v.t.
Bomen
-
-
+/-
-
+
n
j
n
j
j
Geschikt habitat Andere soort
Struiken
-
n
-
Belangrijk weidevogelgebied
+
+/-
-
Natuurnetwerk Nederland
+/-
+
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
Natura 2000
+/-
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
Insecten en andere ongewervelden
Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)
vaatplanten
Legenda
vleermuizen
Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.
grondgebonden zoogdieren
Tabel 2
j
Uitvoerbaarheid De beoogde uitbreiding van de buitenopslag leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Mogelijke ontwikkelingen in de zuidelijke helft van het onderzoeksgebied leiden mogelijk tot aantasting van verblijfplaatsen of leefgebied van huismus, vleermuizen, heikikker, rugstreeppad en grote modderkruiper. Voorafgaand aan gespecificeerde werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de onderdelen van het onderzoeksgebied een relevante functie heeft voor deze soorten. Mogelijk
17
dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) kolonisatie door rugstreeppadden en aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkeling (vrijstellingsbesluit). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie De beoogde uitbreiding van de buitenopslag leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van rugstreeppadden, de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Kadijk 4a-6 te Bergambacht uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Voor mogelijke ontwikkelingen in de zuidelijke helft van het onderzoeksgebied dient aanvullend onderzoek uit te wijzen of er sprake is van een overtreding van een verbodsbepaling in de Wet natuurbescherming.
Het aanvullende onderzoek en een mogelijk ontheffingstraject zal uitwijzen of de ontwikkelingen op deze locatie uitvoerbaar zijn.
Vervolgstappen • Bij mogelijke ingrepen aan de woning aan de Molenlaan 3 te Bergambacht dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni. Een technische inspectie wordt uitgevoerd middels het lichten van dakpannen en inventariseren van nestlocaties buiten het broedseizoen, tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat oude nesten ook meegenomen worden. Daarnaast dienen de groenstructuren aan de zuidelijke zijde van het plangebied onderzocht te worden op een eventuele essentiële functie als leefgebied voor huismussen. • Bij mogelijke ingrepen aan de woning aan de Molenlaan 3 te Bergambacht dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september. De planlocatie heeft potentie voor zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis.
• Bij mogelijke ingrepen aan de sloten, slootkanten en grasweides in de zuidelijke helft van het onderzoeksgebied dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid van heikikker, rugstreeppad en grote modderkruiper. Voor deze soorten wordt geadviseerd het Soortinventarisatieprotocol van de NGB aan te houden of om een inventarisatie middels eDNA uit te voeren (bijlage 4). Het Soortinventarisatieprotocol schrijft de volgende veldbezoeken voor: heikikker vier veldbezoeken tussen eind februari en september, rugstreeppad vier veldbezoeken tussen half april en augustus en grote modderkruiper één vangstmoment tussen maart en oktober.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • In het kader van de Algemene zorgplicht dient er bij het dempen van de sloten maatregelen getroffen te worden om het onnodig sterven van vissen te voorkomen. Hierbij dient één werkrichting gehanteerd te worden richting watergangen die gehandhaafd zullen blijven. De te dempen kavelsloten zijn aangesloten op een groter watersysteem. Daarnaast dient het dempen te gebeuren op een moment dat het niet vriest. Op deze manier worden vissen de mogelijkheid geboden om de te dempen sloten op eigen initiatief te verlaten.
18
• Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
• De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
19
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. T.W.D. Schrader Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Bijlage 3 Ecologie rugstreeppad Bijlage 4 Environmental DNA (eDNA)
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
20
Bijlage 1 Fotografische impressie
21
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Kadijk 4a-6 te Bergambacht en bestaat uit het bedrijventerrein van Adriaan van Erk. Het bedrijf is voornemens om de buitenopslag uit te breiden waarbij groenstructuren worden verwijderd en aangeplant en watergangen worden gedempt en gegraven.
Figuur 2
De watergangen waar de beoogde uitbreiding van de buitenopslag is voorzien zijn brede en ondiepe watergangen waar vrijwel geen sprake is van submerse vegetatie.
22
Figuur 3
In de noordelijke helft van het onderzoeksgebied zijn de sloten en slootkanten kaal en kan de aanwezigheid van heikikker, rugstreeppad en grote modderkruiper uitgesloten worden.
Figuur 4
Aan de Molenlaan 3 te Bergambacht is een woning met steense muren en pannen zadeldak gesitueerd. In het dak van deze woning is potentie voor verblijfplaatsen van vleermuizen en nestlocaties van huismussen.
23
Figuur 5
In de zuidelijke helft van het onderzoeksgebied zijn de sloten en slootkanten natuurvriendelijker ingericht en kan de aanwezigheid van heikikker, rugstreeppad en grote modderkruiper niet uitgesloten worden.
Figuur 6
In de zuidelijke helft van het onderzoeksgebied zijn de groenstructuren dichterbij mogelijke nestlocaties van huismussen en dient voor het mogelijk verwijderen hiervan aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de functionaliteit hiervan.
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
24
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
25
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
26
Bijlage 3 Ecologie rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van ongeveer 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).
Gedrag De rugstreeppad is een typische pionierssoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een trigger voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.
Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locaties specifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017).
27
Bijlage 4 Environmental DNA (eDNA) Alle dieren laten middels urine, uitwerpselen, huidcellen, haar of geslachtscellen hun DNA achter in de omgeving waarin ze leven. Dit DNA kan worden geëxtraheerd uit milieumonsters zoals bodem, water, uitwerpselen, etc. Op basis van deze DNA sporen kunnen soorten worden gedetecteerd. De environmental DNA methode (afkorting: eDNA methode) is een relatief nieuwe benadering om de verspreiding van soorten te inventariseren, ongeacht levensstadium of geslacht. Wanneer eDNA zich in het milieu bevindt kan het worden getransformeerd of afgebroken door verschillende biotische en abiotische factoren. De relatief korte persistentie van eDNA in aquatische milieus kan worden gebruikt als momentopname van de aanwezige soorten. In deze context kan eDNA daarom worden gebruikt als krachtig middel om vast te stellen welke soorten in het water aanwezig zijn, en of deze aanwezigheid recent (tot enkele weken terug) was. De trefkans kan omschreven worden als de kans dat eDNA van de doelsoort gedetecteerd wordt met de eDNA methode, aangenomen dat de doelsoort aanwezig is op een locatie. Deze trefkans is afhankelijk van de bemonstering, dichtheid en ecologie of gedrag van de doelsoort. In veel onderzoeken bleek eDNA een hogere trefkans te hebben dan traditionele methoden.
Dit geldt met name voor zeldzame soorten (die in lage dichtheden voorkomen) en soorten die moeilijk waarneembaar zijn met traditionele methoden. Met de eDNA methode is het mogelijk soorten te detecteren zonder deze daadwerkelijk waar te nemen of te vangen. Methode eDNA kan worden aangetoond in bodem-, feces- of watermonsters. Afhankelijk van de grootte van het plangebied en de grootte van het aanwezige functioneel leefgebied. De monsters dienen altijd ten minste in duplo genomen te worden. Bij het nemen van de monsters is het belangrijk dat er steriel wordt gewerkt, om besmetting van de monsters te voorkomen. De monsters worden vervolgens verstuurd naar een deskundig laboratorium, waar het DNA van de doelsoort wordt geïsoleerd en vermenigvuldigd. Middels deze methode (qPCR, oftewel kwantitatieve PCR) kan de aanwezig- dan wel afwezigheid binnen het plangebied worden aangetoond. Tijdsduur De tijd die nodig is van bemonstering tot resultaat omvat de bemonstering zelf, het transport naar het lab en de tijd die nodig is voor de extractie en analyse van de monsters. In het algemeen werken labs gelijktijdig aan vele projecten om zo de kosten voor de analyses te beperken. De tijd van bemonstering tot resultaat ligt daarom in het algemeen tussen de 4 en 6 weken.
Resultaten De resultaten komen per monster, waardoor per locatie een afweging gemaakt kan worden omtrent de effecten van de beoogde ingreep op de aanwezige soort. Beschikbare te onderzoeken soorten Momenteel kan de aanwezigheid van de volgende soorten worden vastgesteld middels eDNA: Tabel 1
Soorten die kunnen worden vastgesteld middels eDNA. Schuingedrukte soorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming Amfibieën Heikikker Kamsalamander Knoflookpad Rugstreeppad
28
Zoogdieren Beverrat Muskusrat Noordse woelmuis Otter Waterspitsmuis
Vissen Beek- of rivierprik Bittervoorn Graskarper Grote modderkruiper Karper Kleine modderkruiper Kroeskarper Zonnebaars Zwartbekgrondel