CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL. 6 bijlage bij toelichting 2 - aanmeldnotitie

Raadsvergadering 19 september 2023, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan De Nieuwe Wetering IV, Bergambacht3.701 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Buro SRO B.V. ’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht Telefoon: 030-2679198 BTW nummer: NL8187.16.071.B01 KvK nummer: 30232281 iBAN:NL44RABO0142154024

Aanmeldnotitie bestemmingsplan ‘De Nieuwe Wetering IV, Bergambacht’ opdrachtgever:

Immoned Vastgoed Ontwikkeling B.V.

datum:

26 januari 2023

betreft:

De Nieuwe Wetering IV, Bergambacht

Aanleiding In juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r) in werking getreden. In het gewijzigde Besluit m.e.r. staat de procedure voor de vormvrije m.e.r.beoordeling. Voor een aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, zal door de initiatiefnemer een aanmeldnotitie opgesteld moeten worden. Na het indienen van de aanmeldnotitie dient het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. Vervolgens moet de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is vereist als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en de besluiten (kolom 4) die daaraan zijn gekoppeld, in gevallen waarin de omvang van activiteiten onder de drempelwaarden (kolom 2 van de Dlijst) liggen. De initiatiefnemer is voornemens om op de gronden, aansluitend aan oostzijde van het bestaande bedrijventerrein De Nieuwe Wetering in Bergambacht bedrijfskavels te ontwikkelen. De uitbreiding van het bedrijventerrein bedraagt ca. 5 ha bruto (uitgeefbare kavels en openbare ruimte) en ca. 4,2 ha netto (uitgeefbare kavels inclusief water en groen).

Het project betreft een activiteit als bedoeld in onderdeel D11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De drempelwaarde van kolom 2, die gelijk is aan een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aangesloten gebied van 2.000 of meer woningen en een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer, wordt niet overschreden. Dit betreft daarnaast ook een activiteit als bedoeld in onderdeel D11.3 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein. De drempelwaarde van kolom 2, die gelijk is aan een oppervlakte van 75 hectare of meer, wordt eveneens niet overschreden.

In de voorliggende aanmeldnotitie komen de volgende aspecten, zoals opgenomen in bijlage III bij de mer-richtlijn (richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PbEU 2012, L 26)) terug, welke afzonderlijk van elkaar worden behandeld. 1. kenmerken van de projecten; 2. plaats van de projecten; 3. kenmerken van de potentiële effecten.

pagina 2 van 12

1K E N M E R K E N VA N H E T P R O J E C T 1.1 OMVANG VAN HET PROJECT Het project betreft de uitbreiding van het bedrijventerrein De Nieuwe Wetering. Het bedrijventerrein is gelegen aan de zuidoostzijde van Bergambacht. Met het voorgenomen plan wordt de huidige ruimtelijke structuur van De Nieuwe Wetering doorgezet. De uitbreiding van het bedrijventerrein bedraagt ca. 5 ha bruto (uitgeefbare kavels en openbare ruimte) en ca. 4,2 ha netto (uitgeefbare kavels inclusief water en groen). De locatie is kadastraal bekend onder de gemeente Bergambacht, sectie B, percelen 5618, 5621, 5623, 5625, 5634, 5880, 5884, 5885, 5888, 5898, 5901, 5902 en 5903 en 6111 met een oppervlakte van ca. 5 ha. Met het beoogde bedrijventerrein ontstaat een nieuwe bedrijvenrand aan de oostzijde van Bergambacht met een tweetal ‘kopkavels’ en een interne en externe bedrijvenrand. Daarmee ontstaat een uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein met een aantrekkelijke diversiteit. De noordelijke ‘kopkavel’ vormt als het ware de entree van het bedrijventerrein in nauwe samenhang met de reeds bestaande rand, maar vormt ook de entree van Bergambacht aan de oostzijde. De zuidelijk gelegen ‘kopkavel’ vormt de overgang van de nieuwe bedrijvenrand langs de Handelsweg naar het bestaande bedrijventerrein. De overige kavels zijn verdeeld over een bedrijvenrand direct gelegen aan de Handelsweg en daarop georiënteerd.

Na vaststelling van het bestemmingsplan en verlening van de omgevingsvergunning zal worden gestart met het bouwrijp maken en de realisatie van de nieuwbouw.

1.2 CUMULATIE MET ANDERE PROJECTEN Het project is een opzichzelfstaande ontwikkeling. Er is geen relatie met andere ontwikkelingen. In de omgeving zijn, voor zover bekend, geen andere ontwikkelingen. Derhalve hoeft geen cumulatie met andere projecten toegepast te worden.

1.3 GEBRUIK VAN NATUURLIJKE HULPBRONNEN Bij het bouwrijp maken van het terrein en de realisatie van bedrijfsgebouwen zal gebruik worden gemaakt van niet-vernieuwbare hulpbronnen. Hierbij gaat om het nietvernieuwbare hulpbronnen die gebruikt worden, zoals fossiele brandstoffen, grondstoffen en gecertificeerde materialen. In de gebruiksfase van het project wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van vernieuwbare hulpbronnen, zoals zonne-energie. De hoeveelheid restproducten en gasverbruik wordt daarmee beperkt. Resumerend kan gesteld worden dat het gebruik van natuurlijke hulpbronnen zich met name concentreert in de aanlegfase. De milieugevolgen hiervan zijn van een omvang die geen aanleiding geeft tot het laten opstellen van een m.e.r.

pagina 3 van 12

1.4 PRODUCTIE VAN AFVALSTOFFEN Als gevolg van het project zal er een toename van de productie van afvalstoffen ontstaan. Deze afvalstoffen komen voort uit afval uit de bouwfase en regulier afval van de bedrijven. In lijn met de landelijke tendens ten aanzien van het scheiden van afval zal ook het afval van de bedrijven in toenemende mate gescheiden worden afgevoerd. Dit resulteert in een kleinere hoeveelheid stoffen die feitelijk als afvalstoffen gezien moeten worden. Verder komt de productie van afvalstoffen als gevolg van agrarische bedrijfsactiviteiten te vervallen. De toename van de productie van afvalstoffen leidt tot een toename van de afvoerfrequentie of een andere wijze van afvoeren. De milieugevolgen hiervan zijn van een omvang die geen aanleiding geeft tot het laten opstellen van een m.e.r.

1.5 VERONTREINIGING EN HINDER Met het voorgenomen plan worden geen gevoelige objecten gerealiseerd. In de omgeving van het projectgebied zijn met name andere bedrijven gevestigd, waardoor de toekomstige bedrijven omliggende functies niet zullen hinderen. Dit wordt in hoofdstuk 3 nader toegelicht. Daaruit blijkt dat het project geen risico op verontreiniging en hinder met zich mee brengt.

1.6 HET RISICO VAN ONGEVALLEN, MET NAME GELET OP DE GEBRUIKTE STOFFEN OF TECHNOLOGIEËN

De stoffen of technologieën die toegepast worden bij de bouwwerkzaamheden brengen geen verhoogd risico op ongevallen, anders dan de gebruikelijke risico’s bij bouwwerkzaamheden, met zich mee. Het project heeft geen betrekking op het mogelijk maken van een Bevi-inrichting binnen het projectgebied. De projectlocatie is gelegen in de nabijheid van transportroutes voor gevaarlijke stoffen. De N210 ligt op minder dan 200 m afstand van de projectlocatie, waarmee de projectlocatie binnen het invloedsgebied van de N210 is gelegen.

pagina 4 van 12

2P L A AT S VA N H E T P R O J E C T Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden of dat het initiatief een negatieve invloed heeft op het omliggende milieu in de omgeving.

2.1 BESTAAND GRONDGEBRUIK Het bestaande gebruik van de locatie bestaat uit voornamelijk agrarisch gebruik. De locatie is grotendeels ingericht als grasland. Het gebied wordt gekenmerkt door langgerekte noordzuid georiënteerde kavels. De kavels worden gescheiden door smalle watergangen die langs de volledige lengte van de kavels lopen. Langs de oost- en zuidzijde van het projectgebied ligt de Handelsweg, die als ontsluiting dient voor het bedrijventerrein De Nieuwe Wetering. Langs de weg ligt een fietspad en zijn groenstroken en sloten aanwezig.

2.2 RELATIEVE RIJKDOM AAN EN KWALITEIT EN REGENERATIEVERMOGEN VAN DE NATUURLIJKE HULPBRONNEN VAN HET GEBIED

In het projectgebied zijn gezien het bestaande grondgebruik geen natuurlijke bronnen aanwezig die als gevolg van het project verloren gaan. In de omgeving van het projectgebied zijn de volgende beschermde en/of kwetsbare gebieden aanwezig: • • •

Natura 2000-gebieden (stikstofgevoelig): o Uiterwaarden Lek 7,6 km ten zuidwesten van het projectgebied; Natuurnetwerk Nederland: o het gebied ten zuiden van het projectgebied (ca. 800 m); Milieubeschermingsgebied voor grondwater.

Uit raadpleging van de Omgevingsverordening Zuid-Holland blijkt dat het projectgebied in een milieubeschermingsbied voor grondwater ligt. Op kaart 5 bij de Omgevingsverordening zijn de milieubeschermingsgebieden voor grondwater aangeduid. Op deze kaart wordt onderscheid gemaakt in waterwingebieden, grondwaterbeschermingszones en boringsvrije zones. Het projectgebied ligt deels in een boringsvrije zone (zuidzijde) en deels in een grondwaterbeschermingszone (noordzijde). In de planregels van het toekomstige planologisch regime zal worden voorzien in een regeling die toeziet op de kwaliteit van het grondwater en die beperkingen oplegt aan bodemingrepen dieper dan 2,5 m onder het maaiveld. Er bevinden zich geen (archeologische) rijksmonumenten of archeologische objecten binnen de reikwijdte van het projectgebied. Met uitzondering van de bovenstaande gebieden zijn er in de omgeving geen gebieden gelegen die gevoelig zijn voor nieuwe activiteiten.

pagina 5 van 12

2.3 OPNAMEVERMOGEN VAN HET NATUURLIJKE MILIEU Ten aanzien van het opnamevermogen van het natuurlijke milieu zijn Natura 2000gebieden in de omgeving van belang. Het transport en de bouwwerkzaamheden gedurende de ontwikkeling kunnen leiden tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie (projecteffect). De potentiële effecten op overige kwetsbare gebieden worden in hoofdstuk 3 nader toegelicht.

pagina 6 van 12

3K E N M E R K E N VA N D E P OT E N T I Ë L E E F F E C T E N Bij aanzienlijke potentiële effecten van het project moeten in het bijzonder de samenhang tussen de criteria genoemd in de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen. Bij de besluitvorming is het daarmee mogelijk het milieueffect mee te wegen als een van de belangen.

3.1 BEREIK VAN HET EFFECT De locatie is gelegen tussen het bestaande bedrijventerrein De Nieuwe Wetering en de Provincialeweg (N210). Het project heeft een dusdanige omvang dat het bereik van de effecten tot buiten het projectgebied reikt. Zoals uit het hoofdstuk 2 en het vervolg van dit hoofdstuk blijkt raken deze effecten geen beschermde of kwetsbare gebieden die in paragraaf 2.2 uiteen zijn gezet. Het Natuurnetwerk Nederland, dat ten zuiden van het projectgebied is gelegen, is niet beschermd tegen eventuele effecten vanuit het gebied buiten het Natuurnetwerk Nederland (geen externe werking). De effecten zullen wel reiken tot het bestaande bedrijventerrein en de belastende wegen in de omgeving. De huidige effecten van deze functies zijn naar aard en omvang echter dusdanig fors dat de toename van effecten als gevolg van het betreffende project hieraan ondergeschikt is.

3.2 GRENSOVERSCHRIJDEND KARAKTER Het project heeft geen grensoverschrijdend karakter en is op dusdanig grote afstand van de landsgrens gelegen dat significante grensoverschrijdende effecten zijn uitgesloten.

3.3 ORDE VAN GROOTTE EN COMPLEXITEIT VAN HET EFFECT Middels gespecialiseerde onderzoeken zijn de belangrijkste effecten ten aanzien van aspecten als verkeersintensiteit, geluid, luchtkwaliteit en stikstofdepositie in het kader van het bestemmingsplan in kaart gebracht. Op deze manier kan het effect van het project ingeschat worden en een gewogen besluit genomen worden. Navolgend worden de belangrijkste resultaten van de relevante milieuaspecten uiteengezet. Water In de huidige situatie bestaat het uit grasland met watergangen tussen de percelen, waarvan een deel gedempt wordt. Door de uitbreiding van het bedrijventerrein zal er een verhardingstoename optreden. Voor het betreffende plan wordt in overleg met het hoogheemraadschap een compensatienorm van 10% gehanteerd, wat betekent dat 10% van de verhardingstoename in de vorm van de aanleg van open water (10% van 41.906 = 4.191 m²) gecompenseerd moet worden. Binnen het plangebied is 4.896 m² aan wateroppervlakte voorzien. Deze oppervlakte bestaat uit 1.512 m² te handhaven water en pagina 7 van 12

3.384 m² nieuw water ten opzichte van de uitgangssituatie. De resterende 4.023 m² aan extra oppervlaktewater wordt elders binnen hetzelfde peilgebied gecompenseerd. De toekomstige eigenaren van de bedrijfspercelen zijn zelf verantwoordelijk voor de verwerking van hemelwater. Hemelwater, afkomstig van de bedrijfskavels, wordt zo lang mogelijk op eigen terrein vastgehouden, waarna het (vertraagd) afgevoerd wordt via het aanwezige oppervlaktewater. Hemelwater dat infiltreert in de bodem en dat wordt geloosd op het oppervlaktewater moet, al dan niet na zuivering, voldoende schoon zijn. Er zal geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen. Hemelwater van het openbaar gebied wordt ingezameld met een regenwaterstelsel en wordt afgevoerd naar oppervlaktewater. Daarbij kan waterpasserende verharding worden toegepast. De nieuwe bedrijfsgebouwen worden uitsluitend voor de lozing van (huishoudelijk) afvalwater aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. Bedrijfsmatig afvalwater mag niet op gemeentelijk rioleringssysteem worden geloosd. Het plangebied zal hoog genoeg aangelegd moeten worden om hemelwater- en grondwateroverlast te voorkomen. Hierbij zal rekening gehouden worden met de peilniveaus van het watersysteem in de omgeving. Gelet op het voorgaande wordt voldoende rekening gehouden met het aspect water.

De ontwikkeling veroorzaakt geen nadelige milieugevolgen voor het watersysteem in de omgeving. Bodem Om aan te tonen dat de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt te maken is voor het beoogde gebruik zijn er diverse bodemonderzoeken en een indicatief asbestonderzoek uitgevoerd. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat er volgens de Wet bodembescherming geen aanleiding voor de uitvoering van saneringsmaatregelen. De hoeveelheid (matig tot) sterk met lood, zink en PAK verontreinigde is vastgesteld op ca. 20 m³. Het verontreinigingsoppervlak bedraagt ongeveer 35 m², bij een verontreinigde laagdikte van 0,55 m (verontreinigd traject 0,0-0,55 m -mv). Gezien de beperkte omvang (<25 m³) is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, waardoor geen saneringsplicht geldt. Uit het indicatief asbestonderzoek in bodem is naar voren gekomen dat de tussenwaarde voor asbest in de grond, ter plaatse van de vindplaats van stukken asbesthoudend plaatmateriaal op het maaiveld, niet wordt overschreden. Hierdoor wordt een aanvullend asbestonderzoek middels proefsleuven niet noodzakelijk geacht. Verondersteld mag worden dat in de grond geen sprake zal zijn van een overschrijding van de interventiewaarde voor asbest. Hierdoor geldt met betrekking tot asbest geen saneringsplicht.

De milieugevolgen vanuit het aspect bodem zijn van een omvang dat belangrijke milieugevolgen uitgesloten zijn.

pagina 8 van 12

Geluid Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen geluidgevoelige objecten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder mogelijk. Er wordt tevens geen nieuw geluidgezoneerd industrieterrein, een nieuwe weg of een nieuwe spoorweg mogelijk gemaakt. Daarmee is de Wet geluidhinder niet van toepassing. Gelet op het voorgaande zijn er geen belangrijke nadelige milieugevolgen vanuit het aspect geluid. Luchtkwaliteit Er is een onderzoek luchtkwaliteit uitgevoerd. Met de realisatie van het plan is meer inzicht in de luchtkwaliteitseffecten noodzakelijk. De uitbreiding van het bedrijventerrein is niet opgenomen in het NSL. Het effect van het plan op de luchtkwaliteit dient derhalve te worden beoordeeld. Op basis van de resultaten wordt geconcludeerd dat de milieugevolgen vanuit het aspect luchtkwaliteit uitgesloten kunnen worden. Ecologie Om aan te tonen wat de effecten van het plan op beschermde soorten en gebieden van de Wet natuurbescherming zijn, is een oriënterend onderzoek uitgevoerd. Door de geplande ingrepen treden mogelijk effecten voor de rugstreeppad, heikikker, grote modderkruiper en groot spiegelklokje op. Derhalve is er nader onderzoek uitgevoerd naar beschermde soorten.

Uit het nader onderzoek naar beschermde volgt dat, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, de beoogde ontwikkeling niet leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van soortenbescherming. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten is een AERIUSberekening uitgevoerd. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling, zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase, na intern salderen met de vermeden emissie (de bemesting van de agrarische percelen (grasland) geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Gelet op het voorgaande zijn er geen belangrijke nadelige milieugevolgen vanuit het aspect ecologie. Milieuzonering Het voorliggende bestemmingplan maakt milieubelastende activiteiten mogelijk, te weten bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 3.1, 3.2 of 4.1. Derhalve dient beoordeeld te worden of het voorgenomen plan geen belemmering vormt voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige bestemmingen in de omgeving.

Om te bepalen op welke plek binnen het plangebied milieubelastende met een bepaalde milieucategorie plaats mogen vinden dient er voldaan te worden aan de richtafstanden volgens de VNGpublicatie 'Bedrijven en milieuzonering', waarbij de woningen in de kern Bergambacht ten (noord)westen van het plangebied als maatgevend worden gezien. Dit betreft de woning aan de Provincialeweg 9b en de woningen aan de Godevaertshoef. pagina 9 van 12

Voor het deelgebied 'entree' in het noordwesten van het plangebied geldt dat er een gemengde bestemming opgenomen wordt, waar kantoren en bedrijvigheid tot en met milieucategorie 3.1 toegestaan zijn. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 m tot woningen. Op een afstand van 100 tot 200 m zijn bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan. Op een afstand van meer dan 200 m tot de woningen wordt met het voorliggende bestemmingsplan bedrijvigheid tot en met milieucategorie 4.1 mogelijk gemaakt. Daarmee wordt er voldaan aan de relevante richtafstanden en vormt het voorgenomen plan geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige bestemmingen in de omgeving. In het voorgenomen plan zijn geen gevoelige bestemmingen opgenomen. Derhalve hoeft niet beoordeeld te worden of er sprake is van hinder en gevaar door de aanwezigheid van milieubelastende activiteiten in de omgeving. Gelet op het voorgaande zijn er geen belangrijke nadelige milieugevolgen vanuit het aspect milieuzonering. Externe veiligheid In of in de directe nabijheid van het projectgebied komen enkele risicovolle inrichtingen en transportroutes voor gevaarlijke stoffen voor. Aan de Provincialeweg 9, op het ten westen van het plangebied gelegen bedrijventerrein De Nieuwe Wetering, is een risicovolle inrichting gevestigd.

Het betreft Bosch Car Service De Gruyter en De Jong met als hoofdactiviteit handel in en reparatie van auto's. Er is een propaantank aanwezig met een PR 10-6-contour van 10 m. Deze propaantank valt onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De afstand tussen het plangebied en deze risicovolle inrichting bedraagt ca. 280 m. Hiermee vormt de risicovolle inrichting aan de Provincialeweg 9 geen belemmering. Het plangebied ligt aan de zuidzijde van de Provincialeweg (N210), waarover (in beperkte mate) vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Echter geldt er geen PR 10 -6-contour voor deze weg. De planlocatie ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour. Het plangebied is wel binnen het invloedsgebied van het groepsrisico gelegen. In het kader van het wettelijk vooroverleg is de Veiligheidsregio Hollands Midden in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen (artikel 9 Bevt). In het uitgebrachte advies concludeert de veiligheidsregio dat er ten aanzien van de fysieke veiligheid geen aandachtspunten zijn. De beoogde ontwikkeling bevat geen risicobronnen die relevant zijn vanuit het aspect externe veiligheid. Belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen uitgesloten worden. Archeologie Uit het raadplegen van de Archeologische beleidskaart Krimpenerwaard blijkt dat het plangebied ligt in een gebied met een lage verwachtingswaarde (categorie 7).

Hierbij geldt dat er bij bodemingrepen dieper dan 3 m onder het maaiveld en groter dan 10.000 m² een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Naar verwachting worden deze normen niet overschreden. Desondanks is er een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd om de archeologische verwachting te specificeren. Op basis van het bureauonderzoek geldt in het zuiden van het plangebied een middelhoge archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum - Neolithicum. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied op (de flank van) een rivierduin pagina 10 van 12

volgens de geologische kaart. Op deze rivierduin, die mogelijk ook tot in het plangebied reikt, zijn archeologische waarden bekend uit de periode Mesolithicum en Neolithicum. Deze kunnen zich tot een diepte van 8,0 m -Mv bevinden. Het is onbekend op welke diepte de rivierduinafzettingen in het plangebied te verwachten zijn, aangezien deze lokaal sterk kunnen verschillen. Na het Neolithicum is het gebied gelegen in een kom- en veengebied, wat ongunstig is geweest voor bewoning. Het bevindt zich daarnaast buiten de bekende bewoningskernen en is op basis van historisch kaartmateriaal in gebruik geweest als weiland. De archeologische verwachting voor de periode Bronstijd - Nieuwe tijd is hierom laag. Aan de hand van het bureauonderzoek wordt er geconcludeerd dat er in het plangebied deels een middelhoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische waarden bestaat. Er wordt geadviseerd om deze zone op te nemen in het bestemmingsplan met een middelhoge archeologische verwachting. Indien er in dit gebied werkzaamheden plaatsvinden die de vrijstellingsgrenzen overschrijden, wordt geadviseerd om een verkennend archeologisch booronderzoek uit te voeren. Dit onderzoek heeft als doel de aan- of afwezigheid van rivierduinafzettingen vast te stellen. Voor het overige gedeelte van het plangebied geldt een lage archeologische verwachting.

Dit gebied kan vrij gegeven worden voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel geldt dat wanneer tijdens de grondwerkzaamheden in het plangebied onverhoopt toch archeologisch relevante zaken tevoorschijn komen, deze conform de Erfgoedwet moeten worden gemeld bij het bevoegd gezag (in deze de gemeente Krimpenerwaard). Gelet op het voorgaande zijn er geen belangrijke nadelige milieugevolgen vanuit het aspect archeologie.

3.4 WAARSCHIJNLIJKHEID EFFECT De waarschijnlijkheid van de te verwachten effecten is relatief hoog, omdat deze in beeld zijn gebracht met gespecialiseerde onderzoeken. Wanneer de werkelijke toekomstige effecten kleiner of groter zijn, dan zal dit waarschijnlijk verband houden met onvoorziene zaken en gewijzigde inzichten.

3.5 DUUR, FREQUENTIE EN OMKEERBAARHEID EFFECT De duur van de potentiële effecten is bij het betreffende project relatief lang, gelijk aan de tijd dat het bedrijventerrein aanwezig is en gebruikt wordt. Na de bouwfase zijn deze effecten relatief constant en hebben deze een hoge mate van voorspelbaarheid. Bij effecten ten aanzien van luchtkwaliteit, stikstofdepositie, verkeer en geluid is sprake van een bepaalde mate van omkeerbaarheid, omdat deze effecten niet of nauwelijks optreden wanneer het bedrijventerrein niet meer in gebruik is.

pagina 11 van 12

4C O N C L U S I E Op basis van deze aanmeldnotitie zijn de volgende conclusies naar voren gekomen: • •

•

het plan voldoet aan de op dit moment geldende wet- en regelgeving ten aanzien van alle relevante milieukundige aspecten en de ruimtelijke ordening; de voorgenomen ontwikkeling levert geen significante negatieve gevolgen op voor de in de nabijheid van de inrichting gelegen beschermde of kwetsbare gebieden; er zijn in de invloedssfeer van het project geen bijzondere omstandigheden.

Toetsing van het plan aan de criteria voor de (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsnotitie leidt tot de conclusie dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Het opstellen van een m.e.r. zal hier geen verandering in brengen en is niet benodigd.

pagina 12 van 12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=f23ab5cd-3939-4276-9ec3-3a80373e3d04