CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 6 Bijlage bij toelichting 11. Quickscan Wet natuurbescherming

Raadsvergadering 19 september 2023, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan Gemeentehuis Provincialeweg 5a, Bergambacht8.831 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Wet natuurbescherming Veerweg ong. te Bergambacht Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2022-0289

Datum:

25 maart 2022

Revisie:

24 mei 2022 – 29 maart 2023

Samensteller:

ing. J. Dekkers

Collegiale toets:

ing. D.F. Knoops

Opdrachtgever:

Gemeente Krimpenerwaard

Contactpersoon:

R. Bilardie

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Planlocatie

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

6

2 Methode

8

2.1

Uitvoering onderzoek

8

2.2

Soortenbescherming

8

2.3

Gebiedsbescherming

9

2.4

Houtopstanden

11

2.5

Houdbaarheid en toepassing

11

3 Beoordeling

12

3.1

Soortenbescherming

12

3.2

Gebiedsbescherming

18

3.3

Houtopstanden

20

4 Samenvatting

21

4.1

Soortenbescherming

21

4.2

Gebiedsbescherming

21

4.3

Houtopstanden

21

5 Conclusie

22

5.1

Conclusie

22

5.2

Uitvoerbaarheid

22

5.3

Vervolgstappen

23

5.4

Te treffen maatregelen

24

1 Inleiding Aan de Veerweg ong. te Bergambacht is een grasland gelegen waarop groenstructuren groeien en een wandelpad is gelegen. Aan de oostzijde van deze weide is een milieustraat en brandweerkazerne gelegen, dit terrein is grotendeels verhard. De initiatiefnemer is voornemens om een nieuw gemeentehuis te realiseren op de noordzijde van het perceel. Op de milieustraat is een noodunit aanwezig welke is opgebouwd uit trespa platen en geen luchtspouw of dakbeschot bevat. De milieustraat, en daarmee de noodunit, zullen verplaatst worden. Alle overige, huidige bebouwing en opstallen blijven behouden, enkele van de opstallen krijgen een andere functie. Op het terrein van de huidige milieustraat worden parkeerplaatsen gerealiseerd. Om plaats te maken voor het toekomstige gemeentehuis en voor parkeerplekken worden er groenstructuren verwijderd. Tevens worden er enkele watergangen gedempt. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden.

Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. De Gemeente Krimpenerwaard begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

4

Figuur 1.1

1.1

De planlocatie is gelegen aan de Veerweg ong. te Bergambacht.

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Veerweg ong. te Bergambacht (figuur 1.2). De noord- en westzijde van de planlocatie bestaat uit grasland met groenstructuren. Aan deze zijde van de planlocatie is tevens een wandelpad gelegen. De oostzijde van de planlocatie bestaat voor een groot deel uit verharding en bebouwing, hier zijn onder andere een milieustraat en brandweerkazerne gesitueerd. Tussen verschillende delen van de planlocatie zijn watergangen gelegen. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Veerweg ong. te Bergambacht.

5

De directe omgeving van de planlocatie wordt aan de westzijde gekenmerkt door agrarisch gebied in de vorm van graslanden en watergangen. Aan de oostzijde van de planlocatie is de bebouwde kom van Bergambacht gelegen. Op een afstand van circa 5 m ten noorden van de planlocatie ligt de N210 en op circa 5 m ten oosten van de planlocatie ligt de N478. Op een afstand van circa 155 m ten zuiden van de planlocatie stroomt de ‘Nieuwe Wetering’. Op een afstand van circa 910 m ten zuiden van de planlocatie stroomt de ‘Lek’.

Figuur 1.3 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de ontwikkeling van een nieuw gemeentehuis, hiervoor worden tevens nieuwe parkeerplekken gerealiseerd. In de beoogde ruimtelijke ingreep dienen groenstructuren te worden verwijderd en worden er watergangen gedempt. Alle huidige bebouwing en opstallen blijven behouden. De functie van het perceel dient te wijzigen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • verwijderen van groenstructuren: kapwerkzaamheden en afvoer hout; • dempen van watergangen: graaf- en dempwerkzaamheden; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

6

Figuur 1.4 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Gemeente Krimpenerwaard).

7

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 15 maart 2022 en is uitgevoerd door ing. J. Dekkers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 4/8 bewolkt, 10 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

8

5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of

bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden.

Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ree

Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker

Hermelijn

Vos

Bunzing

Huisspitsmuis

Wezel

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Woelrat

Dwergspitsmuis

Konijn

Egel

Meerkikker

2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn.

9

Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuur en ecologische verbindingen, geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Mocht een ontwikkeling wel negatieve gevolgen hebben op de bovengenoemde aspecten, is deze ontwikkeling alleen mogelijk als er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Voor dergelijke ontwikkelingen dient tevens een ontheffing voorhanden te zijn. In de Provincie Zuid-Holland valt het Natuurnetwerk Nederland onder beschermingscategorie 1. Bescherming van de ruimtelijke kwaliteit De Provincie Zuid-Holland heeft gebieden aangewezen met speciale bescherming van de ruimtelijke kwaliteit. Deze bescherming is opgedeeld in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2.

Beschermingscategorie 1 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot een wijziging van de bestaande gebiedsidentiteit op structuurniveau, of welke leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 1 betreffen Natuurnetwerk Nederland en Beschermd grasland in de Bollenstreek. Beschermingscategorie 2 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 2 betreffen Belangrijk weidevogelgebied en de Groene buffer.

10

2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.

4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

11

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van het groot spiegelklokje (NDFF 2012-2022). Het groot spiegelklokje groeit op open, zonnige, vochtige, matig voedselrijke bodems, kalkrijke grond zoals op akkers, bermen en dijken, braakliggende percelen en langs spoorwegen (Verspreidingsatlas, 2022). De bodem op de planlocatie bestaat niet uit kalkrijke grond, maar uit kalkloze drechtvaaggronden en waardveengronden (Arcgis, 2022). De dichtstbijzijnde waarneming van het groot spiegelklokje is bekend op een afstand van circa 1,2 km ten oosten van de planlocatie, aan de andere zijde van Bergambacht (NDFF 2012-2022). De planlocatie is derhalve geen geschikte groeiplaats voor het groot spiegelklokje. Van negatieve effecten wegens de beoogde ruimtelijke ingreep op het groot spiegelklokje is geen sprake.

Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: berk, fluitenkruid, grote brandnetel, grote weegbree, laurierkers, meidoorn, paardenbloem, paarse dovennetel, riet, schietwilg, smalle weegbree, zurig en zwarte els. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bruine rat, bunzing, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, mol, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat (NDFF 2012-2022). Voor de bever geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De bever leeft in het overgangsgebied tussen land en water zoals in moerassen, meren en langs beken en rivieren. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever zijn een vereiste (BIJ12 kennisdocument Bever, 2017).

De dichtstbijzijnde waarneming van de bever is bekend op een afstand van circa 785 m ten zuiden van de planlocatie. Op de planlocatie zijn geen (vraat)sporen van de bever aangetroffen. In de beoogde ruimtelijke ingreep worden watergangen gedempt. In de omgeving zijn voldoende watergangen aanwezig welke als leefgebied voor de bever kunnen functioneren. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt derhalve niet tot een aantasting van een essentieel onderdeel van het leefgebied van de bever. Van negatieve effecten op de bever wegens de beoogde ruimtelijke ingreep is derhalve geen sprake. Naar aanleiding van vragen vanuit de omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH) is een beoordeling ten aanzien van de waterspitsmuis opgenomen. Op een afstand van circa 5,2 km ten westen van de planlocatie zijn waarnemingen van de waterspitsmuis bekend (NDFF 20120-2022).

12

De waterspitsmuis is een schuw dier welke leeft langs en in schone, niet te voedselrijke, stilstaande tot vrij snel stromende wateren met een goed ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. De soort komt enkel in gebieden waar bodembedekkende vegetatie aanwezig is en er voldoende schuilmogelijkheden zijn op de oevers (Zoogdiervereniging waterspitsmuis, 2022). De watergangen op de planlocatie bestaan uit stilstaande tot langzaam stromende watergangen met een wisselende waterkwaliteit. De watergang ten noorden van de planlocatie bestaat uit troebel water waaruit blijkt dat deze watergang eutroof is. Deze watergang staat in verbinding met watergangen welke gedempt zullen worden. De eutrofe watergangen bestaan, gezien de slechte waterkwaliteit, niet uit geschikt leefgebied van de waterspitsmuis. De directe omgeving van de te dempen watergangen bestaat voornamelijk uit hooiland. Van ruig begroeide oevers en bodembedekkende vegetatie is geen sprake. Derhalve zijn er onvoldoende schuilmogelijkheden voor de waterspitsmuis aanwezig waardoor er geen sprake is van geschikt leefgebied. Enkel naast de zuidelijk gelegen te dempen watergang is een groenstrook aanwezig. In deze groenstrook is hoge vegetatie als struiken en bomen aanwezig en slechts beperkt bodembedekkende vegetatie welke als dekking voor de waterspitsmuis kunnen functioneren.

De groenstrook bestaat derhalve niet uit geschikt leefgebied van de waterspitsmuis. De te dempen watergangen zijn naast een milieustraat of weg gelegen waardoor er een hoge mate van menselijke verstoring is. Mede hierdoor is er geen geschikt leefgebied aanwezig op de planlocatie. Wegens vorengenoemde argumenten bestaan de te dempen watergangen op de planlocatie niet uit geschikt leefgebied voor de waterspitsmuis. Het ontstaan van negatieve effecten op de waterspitsmuis is uitgesloten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, haas, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (NDFF 2012-2022).

Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie zijn alle groenstructuren geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. De meeste groenstructuren bestaan uit jonge bomen, welke nog niet van voldoende omvang zijn om de mogelijkheid tot holtevorming te bieden. In de bomen van voldoende omvang op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere ruimtes aangetroffen welke als verblijfplaats voor vleermuizen kunnen dienen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. In de beoogde ruimtelijke ingreep wordt enkel een noodunit verplaatst.

Deze is opgebouwd uit trespa platen zonder dakbeschot en zonder luchtspouw en biedt derhalve geen verblijfplaatsen voor vleermuizen. De overige bebouwing blijft behouden. Het nieuwe gemeentehuis wordt niet tegen bestaande bebouwing aan gebouwd. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt derhalve niet tot aantasting van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen.

13

Het verwijderen van de groenstructuren en de kap van de bomen leidt tot een onderbreking in lijnvormige structuren. Deze bomen vormen een verbinding tussen Bergambacht en de ‘Nieuwe Wetering’. Om de aan- of afwezigheid van een essentiële vliegroute vast te stellen dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie H5.3). In de beoogde ruimtelijke ingreep worden groenstructuren verwijderd. In de omgeving van de planlocatie zijn tevens groenstructuren aanwezig welke als foerageergebied voor vleermuizen kunnen functioneren. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt derhalve niet tot aantasting van een essentieel foerageergebied van vleermuizen. Tabel 3.1

Samenvatting van de beoordeling op mogelijke overtreding Wnb voor verschillende vleermuissoorten, essentiële vliegroute en foerageergebied.

Vleermuissoort

Potentie

Onderbouwing

Gewone dwergvleermuis

Nee

Geen sloop van bebouwing

Ruige dwergvleermuis

Nee

Geen holtes of andere openingen in bomen

Laatvlieger

Nee

Geen sloop van bebouwing.

Gewone grootoorvleermuis

Nee

Geen sloop van bebouwing

Meervleermuis

Nee

Geen sloop van bebouwing

Watervleermuis

Nee

Geen holtes of andere openingen in bomen

Rosse vleermuis

Nee

Geen holtes of andere openingen in bomen

Tweekleurige vleermuis

Nee

Buiten bekende verspreiding en afwezigheid van zeer hoge bebouwing voor paarverblijfplaatsen.

Vleermuizen algemeen

Potentie

Onderbouwing

Massawinterverblijfplaats (gewone dwergvleermuis) Essentiele vliegroute

Nee

Geen hoge bebouwing met bufferende vermogen

Ja

Aantasting van lijnvormige structuren

Essentieel foerageergebied

Nee

Voldoende alternatieven in de omgeving van de planlocatie

Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (NDFF 2012-2022). Voor al deze soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, maar vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. In de beoogde ruimtelijke ingreep worden watergangen gedempt. Blom Ecologie B.V. heeft in het verleden een onderzoek uitgevoerd in Bergambacht waarbij de aanwezigheid van de heikikker is vastgesteld. Dit geeft aan dat, ondanks dat er geen waarnemingen van de heikikker bekend zijn in NDFF, de grote modderkruiper in de omgeving van Bergambacht voorkomt. Derhalve wordt er een beoordeling betreffende de heikikker gemaakt. De heikikker is in de regel erg kritisch ten aanzien van zijn leefgebied. In de Alblasserwaard lijkt dit gezien de vele waarnemingen in agrarische gebieden echter niet te gelden. De heikikker komt voor in ondiep, relatief zuur, zonbeschenen en voedselarm voortplantingswateren, op vochtige plekken in schraal, ruig gebied en op vochtvrije plaatsen voor de overwintering (Creemers & van Delft, 2009).

Op de planlocatie is weiland aanwezig met een monocultuur van Engels raaigras. In de beoogde ruimtelijke ingreep worden watergangen gedempt. Het is niet op voorhand uit te sluiten dat de watergangen op de planlocatie niet als voortplantingswater voor de heikikker kunnen functioneren. Derhalve dient de aanof afwezigheid van de heikikker op de planlocatie vastgesteld te worden middels aanvullend onderzoek (zie H5.3). 14

Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de ringslang (NDFF 2012-2022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats waar ze jagen in het water en zonnen op open, rustige plaatsen in de buurt van water (Zoogdierverenging, 2022). In de beoogde ruimtelijke ingreep worden watergangen gedempt. Deze watergangen bevatten geen oevervegetatie welke als bedekking voor de ringslang kunnen functioneren. Tevens zijn er in de directe omgeving van de planlocatie voldoende watergangen aanwezig welke eventueel als leefgebied voor de ringslang kunnen functioneren. Eén van de te dempen watergangen is naast de milieustraat gelegen en ondervindt derhalve veel verstoring. Derhalve is uit te sluiten dat de te dempen watergangen een essentiële functie voor de ringslang vervullen. Van negatieve effecten op de ringslang wegens de beoogde ruimtelijke ingreep is derhalve geen sprake.

Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20122022). In de beoogde ruimtelijke ingreep worden watergangen gedempt. Blom Ecologie B.V. heeft in het verleden een onderzoek uitgevoerd in Bergambacht waarbij de aanwezigheid van de grote modderkruiper is vastgesteld. Dit geeft aan dat, ondanks dat er geen waarnemingen van de grote modderkruiper bekend zijn in NDFF, de grote modderkruiper in de omgeving van Bergambacht voorkomt. Derhalve wordt er een beoordeling betreffende de grote modderkruiper gemaakt. De grote modderkruiper leeft in kleinere, ondiepe stilstaande of langzaam stromende wateren. In de watergangen waar de grote modderkruiper voorkomt dienen ondiepe, zonbeschenen paaizones te zijn waar een rijk begroeide onderwatervegetatie en een dikke modderlaag aanwezig zijn. De grote modderkruiper kan in lage dichtheden stand houden in suboptimaal habitat (BIJ12 kennisdocument Grote modderkruiper, 2021). In de watergangen op de planlocatie is geen rijk begroeide onderwatervegetatie waargenomen. Aannemelijk is er wel een dikke modderlaag in de watergangen aanwezig. Door de bekende aanwezigheid van de grote modderkruiper in de omgeving van de planlocatie is de aanwezigheid van de grote modderkruiper in de te dempen watergangen op de planlocatie niet uit te sluiten.

Om de aan- of afwezigheid van de grote modderkruiper in de te dempen watergangen op de planlocatie vast te stellen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie H5.3). Om negatieve effecten op algemene vissoorten te voorkomen dient er bij het dempen van de watergangen één werkrichting aangehouden te worden (zie H5.4). Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: groene glazenmaker en rivierrombout (NDFF 2012-2022). De rivierrombout leeft langs rivieren en beken op plaatsen waar zand of slib is afgezet (Vlinderstichting, 2022). De dichtstbijzijnde waarneming is bekend op een afstand van 1,2 km ten zuiden van de planlocatie, bij de Lek (NDFF 2012-2022). Op de planlocatie is geen sprake van plaatsen waar zand of slib is afgezet. Op de planlocatie is derhalve geen geschikt leefgebied voor de rivierrombout aanwezig. De groene glazenmaker leeft in stilstaande wateren met dichte krabbenscheervelden in plassen, sloten, petgaten in laagveengebieden en sloten in veenweidegebieden (Vlinderstichting, 2022). De dichtstbijzijnde waarneming van de groene glazenmaker is bekend op een afstand van circa 1,6 km ten noordoosten van de planlocatie. 15

Tussen de bekende waarnemingen van de groene glazenmaker en de planlocatie in is de bebouwde kom van Bergambacht gelegen welke geen geschikt leefgebied vormt voor de groene glazenmaker (NDFF 2012-2022). In de beoogde ruimtelijke ingreep worden (delen van) watergangen gedempt. In delen van de watergangen was ten tijde van het veldbezoek de bodem van de watergang zichtbaar. In geen van de watergangen is tijdens het veldbezoek ((deels)ondergedoken) krabbenscheer waargenomen. De dichtstbijzijnde waarneming van krabbenscheer bekend op een afstand van circa 970 m ten westen van de planlocatie (NDFF 2012-2022). Krabbenscheer groeit op zonnige, luwe plaatsen in ondiep, stilstaand of langzaam stromend, schoon water dat matig voedselrijk tot voedselrijk is (Verspreidingsatlas, 2023). Langs (delen van) de te dempen watergangen zijn bosschages aanwezig, waardoor er beschaduwde plaatsen in het water ontstaan. Deze watergangen zijn derhalve niet geschikt als groeiplaats voor krabbenscheer. Hierdoor kan de aanwezigheid van krabbenscheer, en daarmee de aanwezigheid van geschikt leefgebied van de groene glazenmaker, in deze beschaduwde watergangen uitgesloten kan worden. Een deel van de overige watergangen bestaat uit eutroof water en beschikt derhalve over een slechte waterkwaliteit.

Hierdoor is tevens de aanwezigheid van krabbenscheer in de watergangen uit te sluiten en daarmee ook de aanwezigheid van leefgebied van de groene glazenmaker. Door te intensief beheer van watergangen, zoals het baggeren van de gehele watergang in één keer verdwijnen groeiplaatsen van krabbenscheer. De watergangen op de planlocatie worden zeer aannemelijk in één keer gebaggerd waardoor een populatie van krabbenscheer geen stand kan houden en aanwezigheid van krabbenscheer op de planlocatie is uit te sluiten. Dit wordt onderschreven doordat er in Nederland geen plekken bekend zijn waar een populatie krabbenscheer lang standhoudt zonder toedoen van de mens (Kloen, 2019). Daarnaast zijn er in de omgeving van Bergambacht geschikte watergangen aanwezig waar krabbenscheer kan groeien en waar derhalve geschikt leefgebied voor de groene glazenmaker aanwezig is. Wegens vorengenoemde is de aanwezigheid van krabbenscheer in de te dempen watergangen op de planlocatie uitgesloten. Wegens de afwezigheid van krabbenscheer en de aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied leidt het dempen van de watergangen in de beoogde ruimtelijke ingreep niet tot aantasting van een essentieel onderdeel van het leefgebied van de groene glazenmaker. Van negatieve effecten op de groene glazenmaker wegens de beoogde ruimtelijke ingreep is geen sprake.

Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: aalscholver, ekster, grauwe gans, grote Canadese gans, houtduif, kauw, knobbelzwaan, koolmees, meerkoet, merel, nijlgans, smient, vink, wilde eend en zwarte kraai. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 20122022). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. In de beoogde ruimtelijke ingreep wordt geen bebouwing gesloopt.

Van aantasting van nestlocaties van de huismus en gierzwaluw in de beoogde ruimtelijke ingreep is derhalve geen sprake. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot aantasting van groene delen. Binnen een straal van 50 m van de te verwijderen groenstructuren bevindt zich geen bebouwing met potentie voor nestlocaties va de huismus. Van aantasting van functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. In de beoogde ruimtelijke ingreep wordt geen bebouwing aangetast en is er derhalve geen sprake van aantasting van nestlocaties van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) welke in bebouwing broeden. 16

Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de groenstrook, bosschage en bomen op en rondom de planlocatie. De groenstructuren zijn gelegen naast een wandelpad en ervaren derhalve een hoge mate van verstoring. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd en ransuil kan uitgesloten worden. De omgeving van de planlocatie bestaat uit grasland waarin verspreid bosschages en groenstructuren aanwezig zijn. Op de planlocatie en binnen een straal van 100 meter van de planlocatie zijn geen nestlocaties of territoria van roofvogels of uilen bekend. In de directe omgeving van de planlocatie is tevens grasland aanwezig waarin verspreid bosjes en groenstructuren aanwezig zijn. Dit biedt meer dan voldoende uitwijkmogelijkheden. Op de planlocatie is derhalve geen sprake van essentieel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. Het grasland en de struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties.

Tijdens het veldbezoek zijn nesten aangetroffen van eksters. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

17

3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 3,6 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’ (figuur 3.1).

Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 3,6 km tot het Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’ (bron: Nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een nieuw gemeentehuis met parkeerplekken. Hiervoor dient een bosschage gekapt, en watergangen gedempt te worden. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase.

Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a). De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. 18

Gezien er sprake is van een grote ontwikkeling en er sprake is van een toename in het aantal verkeersbewegingen wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS-Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer). De planlocatie is deels in het Natuurnetwerk Nederland gelegen (figuur 3.2). Gezien er geen sprake is van een bestemmingsplanwijziging binnen het gedeelte van het plangebied dat binnen het Natuurnetwerk Nederland valt is toetsing aan het provinciaal beleid niet benodigd. Op een afstand van circa 35 km ligt het beschermd grasland in de Bollenstreek (geen kaartweergave). Op een afstand van circa 60 m ligt het Belangrijk weidevogelgebied (figuur 3.3) Op een afstand van circa 11,6 km ligt de Groene buffer (geen kaartweergave). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. De planlocatie valt onder het natuurbeheertype ‘Droogmakerijen’ (gebiedsprofielenzuid-holland.nl Cultuur en natuurlandschappenkaart, 2022).

In dit natuurbeheertype bestaat enkel het karakteristieke landschapselement ‘Geknipte haag’, hiervan is geen sprake op de planlocatie (Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, 2013). Derhalve zijn er geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep.

Figuur 3.2 De planlocatie is deels in ruimtelijkeplannenzuidholland.nl).

het

Natuurnetwerk

Nederland

gelegen

(bron:

19

Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 60 m tot het Belangrijk weidevogelgebied (bron: ruimtelijkeplannenzuidholland.nl).

3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn kapwerkzaamheden voorzien aan zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer welke niet onder de uitzonderingen vallen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is noodzakelijk. Voor het verwijderen van een onder de Wnb bepaalde houtopstand geldt een kapmelding welke minimaal 4 weken en maximaal 1 jaar voor de kap gedaan dient te worden. Bij toegestane kap van een houtopstand geldt een plicht tot herplant van eenzelfde kwaliteit binnen drie jaar. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

20

4 Samenvatting 4.1

Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: vleermuizen, heikikker en grote modderkruiper. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1

Overzicht van de Soortenbescherming.

Soortgroep

Bescherming Wnb

Soortspecifiek onderzoek

Mogelijke functie planlocatie

Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Heikikker Reptielen Vissen Grote modderkruiper Insecten en andere ongewervelden

art. 3.5

Ja

Vliegroute

art.3.5

Ja

Voortplantingswater

art. 3.10

Ja

Leefgebied

Vogels (cat. 1 t/m 4) Vogels (Algemeen en cat. 5)

4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator. Tabel 4.2

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Effecten

Nader onderzoek

Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Beschermd grassland in de bollenstreek Belangrijk weidevogelgebied Groene buffer

3,6 km 0m

Stikstof Geen

AERIUS N.v.t.

35 km

Geen

N.v.t.

60 m 11,6 km

Geen Geen

N.v.t. N.v.t.

4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht en compensatieplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

21

5 Conclusie 5.1

Conclusie Het verwijderen van groenstructuren, dempen van watergangen en de ontwikkeling van een gemeentehuis en realisatie van parkeerplaatsen aan de Veerweg ong. te Bergambacht is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

5.2 Uitvoerbaarheid Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Ten aanzien van houtopstanden dient er een melding in het kader van de Wnb gedaan te worden en geldt er een herplantingsplicht. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS-Calculator uitgevoerd te worden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te verwijderen groenstructuren en bomen een relevante functie hebben als vliegroute voor vleermuizen en of de te dempen watergangen een relevante functie hebben voor de heikikker en de grote modderkruiper (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen.

De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.

22

5.3 Vervolgstappen • Voor het verwijderen van groenstructuren en de kap van bomen dient aanvullend onderzoek naar een vliegroute van vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vliegroutes van vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal twee gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 15 oktober, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB). • Voor het dempen van de watergangen dient aanvullend onderzoek naar het voortplantingswater van de heikikker uitgevoerd te worden. Dit kan middels een eDNA onderzoek volgens het soorteninventarisatieprotocol van de NGB (bijlage 3). Of doormiddel van het luisteren naar kooractiviteit of het monsteren naar juveniele heikikkers met Ravon schepnetten volgens het soorteninventarisatieprotocol van de NGB. • Voor het dempen van de watergangen dient aanvullend onderzoek naar het leefgebied van de grote modderkruiper uitgevoerd te worden. Dit kan middels een eDNA onderzoek volgens het soorteninventarisatieprotocol van de NGB (bijlage 3). Of middels veldbezoeken waarbij er gemonsterd wordt middels Ravon schepnetten. • Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator.

• Voor de kap van houtopstanden dient er een melding in het kader van de Wet natuurbescherming gedaan te worden. • Voor de kap van houtopstanden geldt een herplantingsplicht binnen 3 jaar. Deze herplant dient van eenzelfde kwaliteit te zijn.

23

5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.

• Tijdens de werkzaamheden betreffende het dempen van de watergangen dient één werkrichting aangehouden te worden. Hierbij dienen de werkzaamheden de starten in het noordelijke deel van de watergang en dient er naar het zuiden toe gewerkt te worden om vissen de kans te geven om naar naastgelegen watergangen te vluchten. • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

24

Bronvermelding Kloen, J.F., 2019. Biotoopvoorkeur van de Groene glazenmaker (Aeshna viridis). Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, (2013). Beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid Holland 2013 Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gebiedprofielen.zuid-holland.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.ruimtelijkeplannenzuidholland.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Fotografische impressie Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming Environmental DNA (eDNA)

25

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Veerweg ong. te Bergambacht en bestaat uit deels uit verharding.

Figuur 2

Enkele opstallen welke behouden blijven en één van de watergangen welke gedempt zal worden.

26

Figuur 3

Een deel van de groenstructuren welke verwijderd zullen worden en een deel van de te dempen watergangen.

Figuur 4

Een deel van de groenstructuren welke verwijderd zullen worden (links) en het wandelpad op de planlocatie.

27

Bijlage 2 Vervolgstappen Wnb Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

28

Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; c) de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee).

De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c) er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

29

Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven en zijn aanvullend op de belangen die voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen worden aangevoerd (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2). 1. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het

daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 2. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen,

industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; 3. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter

plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 4. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 5. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 6. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 7. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 8. in het algemeen belang.

30

Bijlage 3 Environmental DNA Alle dieren laten middels urine, uitwerpselen, huidcellen, haar of geslachtscellen hun DNA achter in de omgeving waarin ze leven. Dit DNA kan worden geëxtraheerd uit milieumonsters zoals bodem, water, uitwerpselen, etc. Op basis van deze DNA sporen kunnen soorten worden gedetecteerd. De environmental DNA methode (afkorting: eDNA methode) is een relatief nieuwe benadering om de verspreiding van soorten te inventariseren, ongeacht levensstadium of geslacht. Wanneer eDNA zich in het milieu bevindt kan het worden getransformeerd of afgebroken door verschillende biotische en abiotische factoren. De relatief korte persistentie van eDNA in aquatische milieus kan worden gebruikt als momentopname van de aanwezige soorten. In deze context kan eDNA daarom worden gebruikt als krachtig middel om vast te stellen welke soorten in het water aanwezig zijn, en of deze aanwezigheid recent (tot enkele weken terug) was. De trefkans kan omschreven worden als de kans dat eDNA van de doelsoort gedetecteerd wordt met de eDNA methode, aangenomen dat de doelsoort aanwezig is op een locatie. Deze trefkans is afhankelijk van de bemonstering, dichtheid en ecologie of gedrag van de doelsoort. In veel onderzoeken bleek eDNA een hogere trefkans te hebben dan traditionele methoden.

Dit geldt met name voor zeldzame soorten (die in lage dichtheden voorkomen) en soorten die moeilijk waarneembaar zijn met traditionele methoden. Met de eDNA methode is het mogelijk soorten te detecteren zonder deze daadwerkelijk waar te nemen of te vangen. Methode eDNA kan worden aangetoond in bodem-, feces- of watermonsters. Afhankelijk van de grootte van het plangebied en de grootte van het aanwezige functioneel leefgebied. De monsters dienen altijd ten minste in duplo genomen te worden. Bij het nemen van de monsters is het belangrijk dat er steriel wordt gewerkt, om besmetting van de monsters te voorkomen. De monsters worden vervolgens verstuurd naar een deskundig laboratorium, waar het DNA van de doelsoort wordt geïsoleerd en vermenigvuldigd. Middels deze methode (qPCR, oftewel kwantitatieve PCR) kan de aanwezig- dan wel afwezigheid binnen het plangebied worden aangetoond. Tijdsduur De tijd die nodig is van bemonstering tot resultaat omvat de bemonstering zelf, het transport naar het lab en de tijd die nodig is voor de extractie en analyse van de monsters. In het algemeen werken labs gelijktijdig aan vele projecten om zo de kosten voor de analyses te beperken. De tijd van bemonstering tot resultaat ligt daarom in het algemeen tussen de 4 en 6 weken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=5986114f-4e94-4fe1-a469-1dc800492c08