BIJL 4e Bijlagen bij de toelichting Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
QUICKSCAN Wet Natuurbescherming
QUICKSCAN Wet Natuurbescherming Zuidbroek 138 Bergambacht
West Vlisterdijk 64
IN OPDRACHT VAN
Vlist
QUICKSCAN Wet Natuurbescherming West Vlisterdijk 64 Vlist
R.J.S. Terlouw
COLOFON:
© Bui-TeGewoon | groenprojecten ◊ publicatie 2020/20 Ouderkerk aan den IJssel, juni 2020 Auteur : R.J.S. Terlouw In opdracht van : Verstoep BV-Schoonhoven Disclaimer: De inhoud van dit rapport is met uiterste zorg samengesteld. De informatie in dit document wordt aangeboden zonder enige garantie. BUI-TEGEWOON | groenprojecten sluit alle aansprakelijkheid uit voor enigerlei directe of indirecte schade, van welke aard dan ook, die voortvloeit uit of verband houdt met het gebruik van dit document. Niets uit dit rapport mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt door middel van drukwerk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder schriftelijke toestemming van BUI-TEGEWOON | groenprojecten en de opdrachtgever, noch zonder toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.
INHOUDSOPGAVE
1]
Inleiding en doel
3.
2]
Locatie plangebied
3.
3]
Doel en centrale vraagstelling
4.
4]
Criteria 4.1. Algemene criteria 4.2. Reikwijdte
4. 4. 5.
5]
Werkwijze
5.
6]
Voorgenomen ontwikkeling
7.
7]
Bureaustudie & veldonderzoek 7.1. Beschermde natuurwaarden 7.2. Beknopte levering NDFF 7.3. Raadpleging overige bronnen 7.4. Locatie bezoek
7. 7. 8. 9. 10.
8]
Beoordeling soortgroepen, beschermde soorten en –situaties 8.1. Algemeen 8.2. Habitat 8.3. Soorten en omstandigheden
15 15. 15. 16.
9]
Conclusies
19.
BIJLAGEN. 1. 2.
Verantwoording ecologische deskundigheid – Bui-TeGewoon | groenprojecten Beknopte levering NDFF
1
2
1]. Inleiding en doel Op de locatie West Vlisterdijk 64 te Vlist worden voorbereidingen getroffen voor het omvormen van bestaande bebouwing naar woningen. Daarnaast worden overbodige verhardingen, paardenbakken, etc. verwijderd en een deel van het huidige bedrijfserf omgezet naar een landschappelijk inrichting. Voorafgaand aan een ruimtelijke procedure is ecologische informatie nodig om de voorgenomen ontwikkeling te onderbouwen. Hiervoor is het noodzakelijk om een QuickScan Wet Natuurbescherming op te stellen. De QuickScan moet inzicht geven in het mogelijk voorkomen van beschermde natuurwaarden op de te ontwikkelen locatie, alsmede of het ontwikkelingsplan effecten heeft op beschermde gebieden binnen de invloedsfeer van de voorgenomen maatregel. Wanneer het aannemelijk is dat er beschermde soorten en/of situaties aanwezig zijn kan aanvullend onderzoek noodzakelijk blijken alvorens ontheffing kan worden aangevraagd. Bij ruimtelijke ontwikkeling geldt dit voor soorten die zijn geplaatst in tabel 1 (beschermingsregiem soorten vogelrichtlijn), tabel 2 (beschermingsregiem soorten habitatrichtlijn) of tabel 3 (beschermingsregiem andere soorten) van de Wet Natuurbescherming of soorten en situaties die anderszins een vergelijkbare beschermde status hebben. Voor de verstoring of aantasting van beschermde natuurwaarden kan een ontheffing ex.
artikel 3.3 van de Wet Natuurbescherming nodig zijn. Een QuickScan Wet Natuurbescherming heeft een verkennend karakter, dit houdt in dat bij mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten aanvullend onderzoek noodzakelijk kan zijn in de activiteit periode van de soort. Voor sommige soorten zijn hiertoe meerdere bezoeken noodzakelijk en/of is onderzoek in een vastgestelde periode van het jaar vereist. Verstoep, Bouwadvies-Architectuur-Ontwikkeling B.V. heeft Bui-TeGewoon | groenprojecten verzocht een QuickScan Wet Natuurbescherming uit te voeren voor bovenvermelde locatie om de mogelijke aanwezigheid van soorten te verkennen en de effecten op beschermde gebieden te beoordelen. De onderhavige rapportage geeft de resultaten van deze QuickScan weer. 2]. Locatie plangebied West Vlisterdijk 64 Vlist. De projectlocatie is kadastraal bekend Vlist sectie A nummers 1332 & 1333 ged. De locatie valt in zijn geheel binnen het kilometerhok met nummer 116-442 en is gelegen ten zuiden van de kern Vlist in de gemeente Krimpenerwaard. De projectlocatie is weergegeven in onderstaand topografisch en kadastraal kaartbeeld.
Figuur 1. Ligging plangebied en kadastrale situatie
3
West Vlisterdijk 64 te Vlist betreft een locatie die momenteel in gebruik is als woning met paardenhouderij. Het ligt ten zuiden van de kern Vlist en ten westen van de West Vlisterdijk. Langs de zuidgrens loopt de molenkade naar molen de Bachtenaar. Een luchtfoto is opgenomen als figuur 2.
Figuur 2. Luchtfoto projectgebied (bron: Google earth)
3] Doel en centrale vraagstelling De QuickScan Wet Natuurbescherming wordt uitgevoerd om te bepalen of de geplande ontwikkeling passend kan worden uitgevoerd, of eventueel aanvullend onderzoek noodzakelijk is en welke mitigerende maatregelen eventueel moeten worden toegepast om tot een passende uitvoering te kunnen komen. De centrale vraagstelling is vierledig en luidt als volgt: · Zijn er voldoende ecologische gegevens beschikbaar omtrent het voorkomen van (zwaarder) beschermde flora en fauna in het projectgebied; Is er in het gebied habitat aanwezig waar (zwaarder) beschermde soorten voor kunnen komen; Heeft de voorgenomen ontwikkeling effect op beschermde gebieden in de invloedsfeer van het projectgebied; Zijn de beoogde werkzaamheden en maatregelen passend binnen de Wet natuurbescherming uitvoerbaar. 4] Criteria 4.1. Algemene criteria Op de onderhavige QuickScan zijn de volgende criteria van toepassing: Het onderzoek dient onafhankelijk te worden uitgevoerd. Bui-TeGewoon | groenprojecten verklaart geen belangen te hebben bij de uitkomst van het onderhavige onderzoek; Het onderzoek dient onafhankelijk te worden uitgevoerd. Bui-TeGewoon | groenprojecten verklaart geen belangen te hebben bij de uitkomst van het onderhavige onderzoek; Het onderzoek dient te worden uitgevoerd door een deskundige ecoloog die voldoet aan de hiervoor gestelde criteria.
Het onderhavige onderzoek is uitgevoerd door Bui-TeGewoon | groenprojecten, de heer R.J.S. Terlouw. Terlouw heeft ruim 30 jaar ervaring in verschillende functies als ecoloog en als regiohoofd terreinbeheer bij een natuur beherende organisatie (bijlage 1); Gegevens gebruikt ten bate van het onderzoek dienen objectief te zijn verkregen en uit betrouwbare bronnen voort te komen; De kwaliteit van het onderzoek dient aan de hand van de rapportage te kunnen worden beoordeeld door het bevoegd gezag; Omtrent de uitkomsten van het onderzoek dient begrijpbaar voor opdrachtgever en/of gebruiker te worden gerapporteerd; Dit onderzoek is maximaal drie jaar geldig na de opleverdatum.
4
4.2. Reikwijdte In deze ecologische Quick Scan wordt getoetst aan de soortbescherming en gebiedsbescherming van de Wet Natuurbescherming. Daarnaast wordt getoetst of er negatieve effecten zijn te verwachten op beschermde gebieden. Soortbescherming Onderzocht wordt of mogelijk verbodsbepaling uit de Wet Natuurbescherming worden overtreden bij uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden of gebiedsontwikkeling. De toetsing vindt plaats op vogelrichtlijnsoorten (artikel 3.1), habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5), andere soorten uit de wet Natuurbescherming (artikel 3.10) en het zorgplichtartikel (artikel 1.11). Gebiedsbescherming Er wordt onderzocht of er negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde gebieden. In de Wet Natuurbescherming gaat dat om Natura 2000-gebieden (artikel 2.7) of bijzondere nationale gebieden. Daarnaast wordt rekening gehouden met provinciaal beleid zoals het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de provinciale verordening belangrijke weidevogelgebieden en strategische reservering natuur. Een wat grotere afstand tussen projectgebied en beschermd gebied betekent niet altijd dat negatieve effecten per definitie uitgesloten kunnen worden. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een negatief effect op soorten die buiten een beschermd gebieden verblijven of effecten door depositie van stikstof.
Indien negatieve effecten op beschermde gebieden niet uitgesloten kunnen worden, is vervolg onderzoek nodig, zoals een ‘voortoets’ of ‘NNN-toetsing’. Deze nadere toetsing maakt geen onderdeel uit van deze Quick Scan. Ook het aanvragen van een ontheffing maakt geen onderdeel uit van een ecologische Quick Scan. Beoordeling Indien negatieve effecten op beschermde soorten of gebieden niet uitgesloten kunnen worden, wordt in eerste instantie beoordeeld of deze kunnen worden gemitigeerd of gecompenseerd, Ook wordt beoordeeld of effecten kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden onder een ecologisch protocol uit te voeren. Hiervoor worden adviezen verstrekt die ter beoordeling kunnen worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Indien aanvullend onderzoek noodzakelijk wordt geacht wordt dit vermeldt, de criteria waaraan dit dient te voldoen worden hierbij benoemd. Eventueel nadere onderzoek maakt geen onderdeel uit van de onderhavige Verkenning Wet Natuurbeheer. Ook het aanvragen van een ontheffing maakt hier geen onderdeel van uit. 5]. Werkwijze Ten bate van de Quick Scan heeft zowel een bureauonderzoek als locatieonderzoek plaatsgevonden. Nadat een opdracht tot QuickScan is verkregen wordt in een oriënterend gesprek met bewoner en/of opdrachtgever de voorgenomen ontwikkeling verkend en worden plandocumenten als aanwezige bouw- en inrichtingstekeningen ingezien.
Aansluitend vindt een bureaustudie plaats waarbij het gebied topografisch wordt verkend aan de hand van topografische atlassen, de websites “OpenTopo” en “Google Earth”. Gelet wordt op aanwezige gebieden, elementen en habitats als kleine landschapselementen, watergangen, en structuren als bijvoorbeeld bomenrijen, die aanwijzingen kunnen geven voor mogelijk gebiedsgebruik door fauna. Aan de hand van de bodemkaart en de website van het waterschap worden o.a. drooglegging, vigerend waterpeil en bodemsituaties beoordeeld. Speciale aandacht wordt besteed aan de aanwezigheid van mogelijk ingraafbare bodem als stroomruggen en zandopduikingen, die bijvoorbeeld in verband met het voorkomen van rugstreeppad kunnen worden gebracht en gebieden met een geringe drooglegging of extensief grondgebruik die habitat kunnen bieden aan beschermde flora en fauna. Om te kunnen bepalen of de voorgenomen werkzaamheden effect kunnen hebben op beschermde natuurgebieden, wordt gekeken of het projectgebied planologisch beschermd is en of er beschermde gebieden rond het projectgebied aanwezig zijn. De ligging wordt bepaald door gebruik te maken van de kaartmachines van het ministerie van Economische Zaken m.b.t. wettelijk beschermde gebieden en het raadplegen van de websites van de provincie Zuid-Holland.
5
Om het mogelijk voorkomen van flora en fauna te beoordelen wordt bij aanvang standaard een zogenaamde “beknopte levering” bij het NDFF geraadpleegd. Naast de beknopte levering wordt via verschillende zoekfuncties gericht gezocht naar mogelijke inventarisaties en rapportages van natuur en landschap uit het recente verleden. De website waarneming.nl wordt gecheckt op vermelde waarnemingen van soorten uit de Habitat- en Vogelrichtlijn alsmede Rode lijst soorten voor een periode tot vijf jaar terug. Verspreidingsatlassen van gegevens verzamelende organisaties worden geraadpleegd waarbij er rekening mee wordt gehouden dat de onderzoeksperiode van deze atlassen, voorafgaand aan publicatie, veelal leidt tot gegevens ouder dan 5 jaar die in sommige situaties als onvoldoende recent moeten worden beoordeeld. In diverse archieven en zoekmachines is gezocht naar relevante informatie met betrekking tot natuur en landschap in de afgelopen vijf jaar. De resultaten worden benut voor het opstellen van een checklist met mogelijk aanwezige beschermde soorten en/of situaties. De op deze wijze verkregen lijst van mogelijk aanwezige soorten wordt vergeleken met de vermelde aantallen per soortgroep uit de beknopte levering NDFF. Bovenstaande activiteiten leidt tot de definitieve lijst met mogelijk aanwezige soorten en habitats die als checklist wordt gehanteerd bij het locatiebezoek.
Op basis van de volgens bovenstaande systematiek opgestelde lijst van (mogelijk) aanwezige soorten wordt een locatiebezoek gepland en uitgevoerd waarbij rekening wordt gehouden met tijdens het bureauonderzoek gevonden specifieke aandachtsvelden. Het terreinbezoek wordt opgesplitst in twee delen. In het eerste deel wordt de feitelijke situatie van het projectgebied en de aanwezige habitat gekarteerd. Hierbij worden (indien aanwezig) aantekeningen gemaakt van breedte en diepte van watergangen, aanwezige vegetatietypen waarbij, indien relevant, ook de kruidenrijkdom van graslanden, de botanische kwaliteit van oevervegetaties en de aanwezigheid van watervegetaties wordt beoordeeld. Aanwezigheid van bomen en houtopstanden en hier binnen eventuele aanwezigheid van holte bomen (als mogelijke verblijfplaats voor fauna) of lijnvormige structuren (migratieroute voor vleermuizen) worden eveneens geregistreerd. Nadat het projectgebied is verkend op basis van de aanwezige habitat wordt een tweede ronde door het projectgebied gemaakt. Tijdens deze rondgang wordt op voor beschermde soorten geschikt beoordeelde locaties/habitats, gericht naar tabel 1, 2 en 3 soorten volgens de Wet Natuurbescherming, gezocht. Opstallen en kunstwerken als bijvoorbeeld bruggen worden gecheckt op muurplanten, holten en aanwezige nesten (bijv.
voor huismussen geschikten daken, boerenzwaluwen onder bruggen, etc.) en bereikbare ruimten (plafonds/spouwmuren) en/of mestsporen van bijvoorbeeld vleermuizen. Houtopstanden worden gecheckt op (jaarrond) beschermde nesten en geschiktheid als broedhabitat. Holte bomen worden met een spiegellamp of boomcamera gecontroleerd. Indien watergangen onderdeel uitmaken van de ontwikkelingslocatie wordt de geschiktheid voor beschermde soorten visueel beoordeeld. Indien watergangen waarin mogelijk beschermde soorten aanwezig kunnen zijn tot het projectgebied behoren, wordt met behulp van een standaard steeknet een eerste proefbemonstering uitgevoerd conform de hiervoor geldende protocollen van RAVON (amfibieën & vissen) en mollusken (Stichting Anemoon). Hierbij worden o.a. specifiek geschikte habitats voor beschermde vissoorten en platte schijfhoren bemonsterd. Van gevonden schijfhorenslakken wordt thuis een monster met behulp van een binoculair (10-30x) gedetermineerd om eventuele aanwezigheid van bijvoorbeeld platte schijfhoorn vast te kunnen stellen. Graslanden en oevervegetaties worden beoordeeld op de geschiktheid voor beschermde plantensoorten en als broedhabitat. Indien soorten als bijvoorbeeld ringslang, rugstreeppad, vleermuizen, groene glazenmaker, waterspitsmuis, etc. mogelijk voorkomen op de ontwikkelingslocatie kan aanvullend onderzoek worden geadviseerd.
Wanneer het voorkomen van beschermde soorten of situaties wordt aangetoond of niet valt uit te sluiten, worden afhankelijk van de bevindingen voorstellen opgesteld voor aanvullend onderzoek of de aanvraag van een ontheffing. Ook kan het treffen van mitigerende maatregelen of uitvoering volgens een ecologisch werkprotocol worden geadviseerd. Dit kan zowel gericht zijn op soorten, situaties als het type van de werkzaamheden.
6
6]. Voorgenomen ontwikkeling Vanuit de opdrachtgever, Verstoep B.V., is de voorgenomen ontwikkeling toegelicht. Onderstaande informatie is hierbij verkregen: “Het projectplan voorziet in het verwijderen van verhardingen, sleufsilo’s en paardenbakken, waarna het westelijke en noordelijke deel van het perceel een landschappelijke inrichting krijgt. De bestaande monumentale woning blijft geheel gehandhaafd. De overige opstallen worden deels geamoveerd en opnieuw opgebouwd en deels omgevormd naar nieuwe wooneenheden. Bij de omvorming blijven delen van de opstal behouden, maar zullen ook grote delen worden vervangen door nieuwbouw. Ten bate van de ontwikkeling worden geen bomen, struiken of struweel verwijderd of worden geen watergangen gedempt”. De voorgenomen ontwikkeling is weergegeven in figuur 3
Figuur 3. Bestaande situatie en voorgenomen ontwikkeling West Vlisterdijk 64 Vlist
7]
Bureaustudie en veldonderzoek 7.1] Beschermde natuurwaarden
Natuurbeschermingswet De Natuurbeschermingswet regelt de bescherming van natuurgebieden in Nederland. Het gaat daarbij om de bescherming van gebieden van nationaal belang (de Beschermde Natuurmonumenten) en van internationaal belang (Natura 2000). In een groot aantal gevallen overlappen de Beschermde Natuurmonumenten de gebieden die zijn aangewezen als Natura 2000gebied. De waarden die behoren bij het Beschermd Natuurmonument zijn dan meegenomen in het Natura 2000 ontwerp of concept aanwijzingsbesluit. Er zijn geen Beschermde Natuurmonumenten in de zin van de wet in de directe omgeving van de projectlocatie aanwezig. Het meest nabij gelegen Natura 2000 gebied betreft Reeuwijkse plassen & polder Stein op 5395 meter in noordelijke richting (figuur 4). Op basis van de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling worden geen effecten verwacht op N2000 gebieden. Nationaal Natuur Netwerk (voorheen EHS) De meest nabij gelegen NNN-gebieden betreffen de Bergvlietkade op 1270 meter in westelijke richting, NNN polder Bilwijk op 2775 meter in noordelijke richting en Lekuiterwaarden Schoonhoven op 3610 meter in zuidelijke richting (figuur 4). De Bergvlietkade bestaat uit een houtkade en is begrenst als ecologische verbindingszone, NNN polder Bilwijk betreft Kruiden & faunarijkgrasland en Vochtig weidevogelgrasland. NNN Lekuiterwaarden heeft als natuurbeheertype ‘Dynamisch moeras’.
De afstand tot en aard & omvang van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wordt door ons beoordeeld als geen effect veroorzakend op de doelstellingen van genoemde NNN gebieden.
7
Begrenzing leefgebied open grasland Graslandgebieden rondom de projectlocatie zijn door de provincie Zuid-Holland begrenst als leefgebied open grasland. Binnen deze gebieden kunnen pakketten voor weidevogels en grasland natuur worden gesloten door het Collectief Agrarisch Beheer. Zowel de polders Bergambacht, Vlist west zijde als Vlist oostzijde hebben delen met een redelijke tot hoge weidevogeldichtheid. Binnen deze polderdelen zijn pakketten met weidevogelbeheer gesloten. Tussen de projectlocatie en de weidevogelgebieden is aan de zuidzijde een houtkade aanwezig, aan de noordzijde de bebouwde kom van de kern Vlist en aan de oostzijde de West- en Oost Vlisterdijk met weg, woningen en erfbeplantingen (figuur 4). De voorgenomen activiteiten veroorzaken geen vergroting van het effectgebied op gebieden met een weidevogel doelstelling. Overige natuurdoelen van het leefgebied open grasland betreffen oever- en graslandvegetaties en zijn niet verstoringsgevoelig. Als gevolg van de aard en omvang van de werkzaamheden en de bestaand aanwezige verstoringszone van het aangrenzende gebied voor weidevogels, die niet wordt versterkt of vergroot, wordt geen effect van de voorgenomen ontwikkeling op weidevogels of andere natuurdoelen verwacht.
Figuur 4. Ligging projectgebied ten opzichten van beschermde natuurgebieden
7.2] Beknopte levering NDFF Via het raadplegen van de beknopte levering bij het Natuurloket vanuit de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) is beoordeeld welke informatie over het voorkomen van beschermde soorten aanwezig is en met welke volledigheid soorten in het gebied zijn onderzocht. De geleverde gegevens hebben betrekking op het voorkomen van soorten gedurende de periode 2010–2019. De NDFF rapportage van kilometer hok 116 – 442 waarbinnen de projectlocatie is gelegen betreft nummer HNL-2020-100 d.d. 31 mei 2020 en laat zien dat het gebied voor broedvogels, wintervogels, dagvlinders en libellen als goed onderzocht wordt beoordeeld. Als redelijk onderzocht worden de soortgroepen vleermuizen, landzoogdieren en amfibieën gemeld in de beknopte levering. Alle overige soortgroepen scoren een slechte of onbepaalde onderzoekintensiteit. Op basis hiervan moet de beschikbare ecologische informatie van het atlasblok waar binnen de projectlocatie is gelegen als matig onderzocht worden beoordeeld. Uit de groep van de vleermuizen worden vier soorten en uit de Habitatrichtlijn voor het atlasblok vermeld. Voor de ‘Wet Natuurbescherming-andere soorten’ landzoogdieren (6) en amfibieën (4) gemeld. Voor de vogelrichtlijn zijn 49 soorten broedvogels en 182 soorten wintervogels vastgesteld.
Als rode-lijst soorten worden vaatplanten (1), vleermuizen (1) landzoogdieren (3) en broedvogels (13) soorten vermeld.
8
De resultaten van de beknopte levering zijn samengevat in tabel 1. De rapportage is integraal opgenomen als bijlage 2. Soort groepen
Vaatplanten Mossen Korstmossen Paddenstoelen Land zoogdieren Vleermuizen Vogels - broedvogels -
wintervogels
Amfibieën Reptielen Vissen Dagvlinders Macronachtvlinders Micronachtvlinders Libellen Sprinkhanen en krekels Over. ongewervelden
Onderzoek status NDFF
slecht slecht niet onbepaald redelijk redelijk goed goed redelijk niet niet goed slecht niet goed onbepaald niet
Wet Natuurbescherming
Rode lijst
Habitat richtlijn
Vogelrichtlijn
1 0 0 0 3 1
0 0 0 0 6 0
0 0 0 0 0 0
0 0 0 0 0 4
13 0
0
49
0
0
182
0
0 0 0 0 0 0 0 0 0
4 0 0 0 0 0 0 0 0
0 0 0 0 0 0 0 0 0
0 0 0 0 0 0 0 0 0
Tabel 1. Voorkomen van beschermde soorten per soortgroep in kilometer hok 116-442 volgens NDFF
7.3.] Raadpleging overige bronnen Naast het beoordelen van de beknopte levering is de website Waarnemingen.nl bezocht en is gericht gezocht op voor het plangebied relevant geachte soorten voor de periode 01 januari 2015 tot heden. Voor de soortgroepen broedvogels, zoogdieren, vleermuizen, vissen en amfibieën zijn de verspreidingskaarten op de websites van RAVON, SOVON, VZZ, Vleermuisnet & EIS-Nederland beoordeeld en zijn de verspreidingsatlassen van deze soorten geraadpleegd. Opgemerkt wordt dat de periode van gegevens verzamelen voor veel publicaties en atlassen langer dan vijf jaar terug is geweest. Via gerichte zoektermen is actief gezocht naar publicaties en rapporten met betrekking tot inventarisaties en soorten uit het gebied. Er werden geen specifiek op de projectlocatie en /of de direct aangrenzende locaties toegespitste rapporten of verslagen aangetroffen. Ten slotte is het natuurarchief van Bui-TeGewoon | groenprojecten geraadpleegd. In dit archief bevinden zich registraties van waarnemingen, inventarisaties & onderzoek en natuurrapportages uit de periode 1969 tot heden in het bijzonder m.b.t. de Krimpenerwaard en Vijfheerenlanden. Relevante onderwerpen die werden aangetroffen betreft het voorkomen van de waterspitsmuis in de Bergvliet ten westen van de projectlocatie en de rugstreeppad op de hogere delen ten zuiden van de kern Haastrecht.
Een meer algemene beschrijving betreft de samenstelling van de erfvogel gemeenschap langs de Vlist. Uit deze informatie komt naar voren dat er in de Vlistzone meerdere soorten met jaarrond beschermde nesten uit zowel categorie 4 als 5 aanwezig kunnen zijn. Vleermuisonderzoek is van diverse locaties in de kern Schoonhoven en Haastrecht in dit archief aanwezig. Van de Vlistzone tussen Haastrecht en Bonrepas is een eenmalige vleermuiskartering uit juni 2017 beschikbaar.
9
7.4.] Locatie bezoek Op 11 juni 2020 heeft een omgevingsbezoek plaatsgevonden in de ruime omgeving van de projectlocatie om te beoordelen of mogelijke effecten van het ontwikkelingsplan op natuurwaarden in de directe omgeving kunnen optreden. Aansluitend is de projectlocatie bezocht, waarbij de betrokken locatie en opstallen, zowel in- als uitwendig, is geïnspecteerd en beoordeeld op aanwezige of mogelijk aanwezige soorten en habitats. A – Opstallen Bij het beoordelen van de opstallen zijn deze van nummercode voorzien om de beschrijvingen te koppelen aan de individuele locaties. Deze nummercodering is weergegeven in figuur 5.
Figuur 5. Nummercodering betrokken opstallen t.b.v. beschrijvingen
Opstal 1 betreft een binnen rijbak voor paarden. Het is opgebouwd uit plaatstalen wanden en dak. Er zijn geen spouwen, ventilatieopeningen, plafonds of funderingen aanwezig. De bodem betreft een zandlaag. De locatie is niet geschikt voor vleermuizen. Voor broedvogels zijn er vrijwel geen aanhechting mogelijkheden of anderzijds geschikte locaties aanwezig. De opstal is ongeschikt voor overige beschermde flora en fauna. Tijdens de inspectie zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) planten en dieren. Een fotobeeld is opgenomen als figuur 6.
Figuur 6. Foto impressie opstal nr. 1 – Binnen rijbak paarden
Opstal 2 betreft een uit steen opgetrokken schuur met een asbest golfplaten dak (figuur 2). De opstal heeft geen fundering of spouwmuren. Inpandig bestaat de opstal uit twee verdiepingen. De benedenverdieping is geheel gesloten en wordt gebruikt als opslagruimte. Hier zijn geen sporen of aanwezigheid van dieren aangetroffen. De zolder is niet in gebruik. Via een kozijn zonder glas aan de zuidzijde is de zolderruimte toegankelijk voor dieren. Op deze zolder zijn twee nesten van de boerenzwaluw aanwezig tijdens het locatie bezoek. Vleermuizen zijn niet aangetroffen. De locatie wordt op basis van lichtinval en het ontbreken van nissen, kieren, plafonds, etc. als ongeschikt als verblijfslocatie voor vleermuizen beoordeeld.
10
Figuur 7. Zuidzijde schuur (opstal 2) met toegankelijk (open) kozijn
Opstal 3 betreft de voormalige hooiberg die deels van gemetselde en deels van golfplaat wanden is voorzien en al schuur in gebruik is genomen (figuur 8a). Ook de hooiberg heeft twee verdiepingen. De benedenruimte wordt gebruikt voor opslag van materialen. De zolder staat leeg. In de benedenverdieping werd een nest van een boerenzwaluw aangetroffen (figuur 8b). Tussen dakplaten en wanden werd op twee plaatsen een ingang vastgesteld waar zich een spreeuwen nest bevond (figuur 8c). Het betrof in beide gevallen de locatie waar de palen van de oude kapconstructie aansluit op de wand/dak overgang. Vanuit toegankelijkheid, materiaal opbouw en inkruipbare ruimten wordt de hooiberg als ongeschikt voor vleermuizen beoordeeld.
Figuur 8. Impressie oude hooiberg (8a), met boerenzwaluw nest (8b) en mestspoor bij spreeuwen broedplaats (8c)
Opstal 4 betreft de noordelijk geplaatste voormalige melkveestal (figuur 9a). Deze ruimte is al vele jaren in gebruik als paardenstalling en geheel voorzien van paardenboxen. De opstal heeft geen inkruipbare fundering en is opgebouwd van een metselwerk onderrand die overgaat in stalen golfplaten. De ventilatie ramen zijn steeds geopend en bidt zowel vogels als vleermuizen de mogelijkheid om binnen te komen in de opstal. Het dak is opgebouwd uit golfplaten met een groot aantal licht doorlatende platen, waardoor de ruimte erg licht is (figuur 9b). Inpandig heeft de ruimte geen zolder, plafond of spouw en zijn er weinig mogelijkheden voor nestbouw. Voor zowel zwaluwen als vleermuizen is de ruimte als te licht beoordeeld. Huismussen zouden hier een nestplek kunnen vinden, maar er zijn geen waarnemingen van huismussen of sporen van (recent) verblijf in de vorm van nestrestanten vast gesteld.
Figuur 9. Impressie opstal 4, oude melkstal (9a) en inpandige situatie (9b)
11
Opstal nummer 5 betreft de oorspronkelijke boerderijwoning. Het betreft een monumentale boerderij met twee wooneenheden. De muren zijn van metselwerk die voor een belangrijk deel zijn voorzien van een pleisterlaag. Het dak betreft een rietenkap. De gehele boerderij woning is in goede staat van onderhoud. Er zijn geen nissen, kieren, inkruipbare ventilatie sleuven of funderingen aanwezig. Het rieten dak is enkele jaren terug vernieuwd en in goede staat van onderhoud zonder gaten of openingen. De overgang tussen rietenkap en muren is gesloten en geheel dicht afgewerkt. Een impressie van de boerderij woning is weergegeven in figuur 10. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor broeden van vogels of mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen. De boerderij woning zal ook niet worden aangepast, verbouwd of gewijzigd en blijft als dubbele woning in het projectplan gehandhaafd.
Figuur 10. Impressie boerderij woning, opstal 5
Opstal 6 betreft de oude melkstal. De ruimte staat leeg behoudens een stapel pakken stro en een tractor met aanbouwwerktuig. De opbouw is vergelijkbaar met de nieuwere melkstal(opstal4) en heeft opgemetselde wanden overgaand in staalplaten voor een deel zijn de wanden open, waardoor de stalruimte vrij toegankelijk is voor dieren. De dakconstructie bestaat uit golfplaten op balken, zonder plafond of anderszins inkruipbare ruimten. Spouwen funderingen, etc. zijn niet aanwezig. De ruimte is erg licht en ongeschikt voor vleermuizen of boerenzwaluwen. Alleen het aan de oostzijde van de opstal ingebouwde tanklokaal en melkruimte biedt mogelijkheden voor boerenzwaluwen. Hier werd één bewoond van deze soort nest aangetroffen. Voor andere soorten is de ruimte als geschikt beoordeeld voor huismussen. Op en rond het erf zijn geen huismussen vastgesteld. Er zijn geen sporen of nestrestanten aangetroffen die wijzen op een (recent) gebruik door deze soort. Een impressie van opstal 6 is weergegeven in figuur 11.
Figuur 11. Impressie oude melkstal (opstal 6)
Opstal 7 betreft een romneyloods van enkelwandige staalplaten, achter op het erf (westzijde). De loods heeft een open front en is volledig toegankelijk voor dieren. Er is geen bodemverharding aanwezig. De loods is los op het maaiveld geplaatst. De loods staat leeg behoudens enkele karren. Er zijn geen spouwen, funderingen of anderszins inkruipbare ruimten aanwezig. De loods is geïnspecteerd op aanwezigheid van dieren of sporen die op recente aanwezigheid kunnen wijzen. Deze zijn niet aangetroffen. De loods is als ongeschikt beoordeeld voor zowel broedende vogels als vleermuizen. Een impressie van de romneyloods, opstal nummer 7 is weergegeven in figuur 12.
12
Figuur 12. Impressie romneyloods, opstal nummer 7
B] - Erf Het erf is vanaf de wegzijde tot ruim achter de achterzijde van de stallen voorzien van een verharding van klinkers en betonplaten. Op het achterdeel van het erf zijn enkele sleufsilo’s aanwezig die zijn opgebouwd uit beton. De strook aan de oost- en noordzijde van de woonboerderij heeft een grindverharding. Alleen het achter terrein is deels ruderaal, met open, vastgereden bodemdelen en ruderale kruiden en grassen. Er zijn geen beschermde planten, of overige voor (beschermde) fauna als geschikt beoordeelde situaties aangetroffen. Op enkele plaatsen zijn houtgewassen aanwezig. Het betreft een solitaire stamboom schietwilg op het achtererf, een singel van knotwilgen langs de noordzijde van het erf, een klein grasvlak langs de weg met drie half hoogstam fruitbomen en een siertuin aan de zuidzijde van de woonboerderij (figuur 13).
Figuur 13. Impressie erf
Hoewel er geen voornemen bestaat bomen, struiken te rooien of anderszins te verwijderen zijn de houtopstanden met uitzondering van de siertuin bij de woonboerderij allen geïnspecteerd op de aanwezigheid van (jaarrond) beschermde nesten. Deze zijn niet aangetroffen. Tijdens het bezoek zijn koolmees, vink, merel en Turkse tortelduif waargenomen op het erf of in de directe omgeving hiervan. Aanwezigheid van broedende vogels kan daardoor niet op voorhand worden uitgesloten. C.] - Omgeving De projectlocatie is gelegen in een open lintbebouwing langs West Vlisterdijk te Vlist (figuur 14). Veel opstallen langs deze weg zijn geschikt voor erf bewonende dieren als o.a. huismussen, zwaluwen en vleermuizen. Uit een opname in 2017 komt naar voren dat de gehele Vlistzone een rijke tot zeer rijke erffauna gemeenschap bezit, waaronder vele rode lijst soorten en soorten met jaarrond beschermde nesten (Natuurlogboeken Buisman & Terlouw, 2017). Van de soorten uit categorie 4 “jaarrond beschermde nesten”, zijn tijdens de kartering in 2017 aangetroffen: gierzwaluw, huismus, ooievaar en steenuil. Van de soorten uit categorie 5 “mogelijk jaarrond beschermde nesten” (soorten waarvan de nesten als permanente verblijfplaats kunnen kwalificeren indien geen c.q.
onvoldoende alternatieve locaties aanwezig zijn), zijn tijdens de kartering in 2017 aangetroffen; boerenzwaluw, boomkruiper, bosuil, ekster, grauwe vliegenvanger, grote bonte specht, koolmees, pimpelmees, spreeuw, torenvalk, zwarte roodstaart en torenvalk. Tijdens een eenmalige vleermuis kartering in juni 2017 werden de soorten gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis waargenomen (Natuurlogboeken Buisman & Terlouw, 2017). De woningen en schuren hebben sterk verschillende beplantingen. In de directe omgeving van de projectlocatie betreft het tuinen van woningen en erven van boerderijen met uitgebreide erf beplantingen, boomgaardjes, elzensingels, solitair opgaande bomen en knotbomenrijen.
13
Figuur 14. Directe omgeving West Vlisterdijk 64 Vlist
Binnen de projectlocatie zijn nestlocaties van zowel boerenzwaluw als spreeuw aangetroffen. Beide soorten hebben jaarrond beschermd nestlocaties onder categorie 5, wat betekend dat de nesten niet aangetast mogen worden als er onvoldoende alternatieven in de directe omgeving beschikbaar zijn (zie kader). Categorie 5: Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De nesten zijn alleen jaarrond beschermd als er onvoldoende alternatieve in de directe omgeving voorhanden zijn.
Om hieraan te kunnen toetsen is de directe omgeving (straal van circa 500 meter) van de projectlocatie beoordeeld op de aanwezigheid van geschikte broedhabitat voor de soorten boerenzwaluw en spreeuw. De resultaten van deze beoordeling zijn weergegeven in figuur 15. Op basis van de bevindingen wordt geconcludeerd dat er voldoende alternatieve locaties beschikbaar zijn een voor duurzame staat van instandhouding voor beide soorten in de directe omgeving van de projectlocatie. Met betrekking tot de boerenzwaluw wordt op basis van de landelijke geconstateerde matig sterke afname van het aantal geschikte broedlocaties geadviseerd als compenserende maatregel het plaatsen van 5 nestkommen in de voorgenomen schuren op te nemen in het ontwikkelplan. De landelijk vastgestelde negatieve aantalsontwikkeling van de spreeuw wordt naar onze verwachting niet veroorzaakt door een afname van broedplaatsen. Voor deze soort worden mede hierdoor geen compenserende maatregelen in het projectplan voorgesteld.
Figuur 15. Omgevingsverkenning waarnemingen en habitat geschiktheid boerenzwaluw & spreeuw
14
8]
Beoordeling soortgroepen, beschermde soorten en situaties 8.1.] Algemeen In het projectgebied en de directe omgeving (beïnvloeding aspecten) worden op basis van uitgevoerd bronnenonderzoek, archiefmateriaal, de regionale ligging, de aanwezige habitats en het migratiegedrag van diersoorten, een aantal beschermde soorten of situaties mogelijk aanwezig geacht. Deze tijdens de Quick Scan te onderzoeken soortgroepen en soorten zijn met een korte onderbouwing weergegeven in tabel 2 en vormde de basis voor het onderzoeksplan tijdens het locatie bezoek. Onderzoek status NDFF
Vaatplanten Mossen Korstmossen Paddenstoelen Zoogdieren land vleermuizen Vogels broedvogels wintervogels Amfibieën Reptielen Vissen Dagvlinders Macronachtvlinders Micronachtvlinders Libellen Sprinkhanen/krekels Over. ongewervelden Algemene Zorgplicht
slecht slecht niet onbepaald redelijk redelijk goed goed redelijk niet niet goed slecht niet goed onbepaald niet
Check uitvoeren
ja niet niet niet ja ja ja niet ja niet niet niet niet niet niet niet niet ja
Mogelijk aanwezige beschermde soorten en/of omstandigheden op basis van landschapstypen (laagveen en rivierengebied)
Let ook op muurplanten Geen wet NB soorten te verwachten Geen wet NB soorten te verwachten Geen wet NB soorten te verwachten Check op verblijfsplaatsen Check op verblijfs-, paar-, voortplantings-, foerageer- en migratiehabitat Check opstallen en begroeiingen op broedvogels en beschermde nesten Let op overwinteringshabitat Geen water in plangebied betrokken Geen habitat beschermde soorten aanwezig
Geen water in plan betrokken (larven) Geen geschikt habitat aanwezig Uitsluitend platte schijfhoren mogelijk, maar geen water in plan betrokken Vast onderdeel QuickScan Wet Natuurbescherming
Tabel 2. Onderzoeksplan bij locatie bezoek mogelijk aanwezige beschermde soorten en situaties
Op basis van deze analyse is tijdens het bureauonderzoek gericht gezocht naar aanvullende informatie en waarnemingen uit de periode 01-01-2015 tot heden via de website Waarneming.nl. Uit deze check is geen aanvullende informatie verkregen. Tijdens het locatiebezoek is, naast het totaal beeld, extra gelet op habitat en/of omstandigheden waarbij mogelijk aanwezige soorten uit deze soortgroepen zouden kunnen voorkomen. 8.2.] Habitat Zoals beschreven in paragraaf 7.2 tot 7.5 zijn onderstaande biotopen niet in het projectgebied aanwezig of worden niet door de voorgenomen ontwikkeling beïnvloed: Water gerelateerde fauna (vissen, larven libellen en amfibieën, platte schijfhoren) Rietlanden en ruigten; Sprinkhanen (geen schrale en bloemrijke vegetaties aanwezig); Reptielen (geen reptielen bekend uit ruime omgeving); Dagvlinders, libellen (geen habitat aanwezig).
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen effect zal hebben op soorten uit bovengenoemde soortengroepen of die zijn gebonden aan genoemde habitats. De aanwezige habitat waar mogelijk effecten kunnen optreden bij de voorgenomen ontwikkeling op beschermde soorten en situaties vanuit de Wet Natuurbescherming betreffen vaatplanten (vegetaties & muren), winterschuilplaatsen (amfibieën, vleermuizen, landzoogdieren), broedvogels (beplantingen, gebouwen) en vleermuizen (foerageer-, migratie-, paar-, verblijfs- & voortplantingshabitat).
15
8.3.] Soorten en omstandigheden In de onderhavige paragraaf worden alleen de resultaten van soorten en omstandigheden nader beschreven die op basis van bovenstaande onderzoeken mogelijk aanwezig kunnen zijn, het betreft: Vaatplanten De muren van de betrokken een aantal opstallen bestaan deels uit metselwerk en beton. Hierop zijn geen muurplanten aangetroffen De overige wanden betreft staalplaat en of houten wanden, zonder aanhechting mogelijkheden voor muurplanten. Een deel van de projectlocatie is actueel onbebouwd of verhard met grind en of bestratingsmaterialen. Het niet verharde deel bestaat uit een kruidachtige vegetatie met grassen en ruderale planten in een open bedekking. Er zijn geen (beschermde) planten aangetroffen. Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen vanuit het onderdeel vaatplanten zijn voor de voorgenomen ontwikkeling. Landzoogdieren Het terrein is niet geschikt voor zwaarder beschermde soorten landzoogdieren. Algemene soorten zoogdieren als muizen, mol en bruine rat zullen naar verwachting aanwezig zijn binnen de projectlocatie. Voor niet zwaarder beschermde, maar als kwetsbaar beoordeelde, soorten biedt het terrein mogelijk habitat aan egel, bunzing en wezel.
Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er bij uitvoering van het ontwikkelingsplan geen belemmeringen vanuit het onderdeel zoogdieren in de Wet Natuurbescherming optreden. Vanuit het zorgvuldigheidsbeginsel wordt geadviseerd, bij slopen in/van opstallen en verwijderen van rommelbulten en ruigten vooraf de werklocatie actief te verstoren, zodat eventueel aanwezige dieren worden verjaagd. Vleermuizen Voor het atlasblok waar binnen de projectlocatie is gelegen worden vier soorten vleermuizen gemeld in de NDFF documentatie. Vanuit andere bronnen is bekend dat de randbeplantingen langs de West Vlisterdijk en de rivier de Vlist gebruikt worden door migrerende en foeragerende vleermuizen. Deze locaties grenzen vrijwel direct aan de projectlocatie. Delen van het erf van de projectlocatie zijn eveneens beoordeeld als geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Tijdens het gesprek met de initiatiefnemer / bewoner heeft deze vermeld dat hij enkele malen per jaar één tot enkele vleermuizen rond het erf waarneemt. Van verblijvende of uitvliegende vleermuizen heeft hij nooit iets waargenomen. De bij de projectontwikkeling betrokken opstallen zijn geïnspecteerd op aanwezigheid van vleermuizen, sporen die op (recent) verblijf wijzen en/of geschikte locaties voor vleermuizen om zich te vestigen.
Er zijn tijdens dit bezoek geen vleermuizen, sporen van vleermuizen of mogelijkheden voor vleermuizen aangetroffen. Wij sluiten de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in of om de projectlocatie op basis van onze waarnemingen uit. Als gevolg van een aantal als potentieel geschikt beoordeelde opstallen in de directe omgeving, de informatie omtrent het gebruiken als migratieroute van de West Vlisterdijk en rivier de Vlist en de als lokaal geschikt voor foerageren beoordeelde erfdelen kan migratie en foerageren van vleermuizen in de nabijheid van de projectlocatie niet worden uitgesloten. Om verstoring van migrerende en foeragerende vleermuizen te voorkomen dient bij de ontwikkeling terughoudend met bouwplaats verlichting te worden omgegaan. Indien bouwplaats verlichting noodzakelijk is, dient te worden gewerkt met gerichte lichtbronnen zonder uitstraling effect. Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat de betrokken opstallen ongeschikt zijn als winter-, kraam- & paarverblijfplaats of anderszins geschikt zijn voor verblijvende vleermuizen. Foerageer- en migratiehabitat is in de directe omgeving aanwezig. Om verstoring te voorkomen dient zo veel als mogelijk te worden afgezien van bouwplaats verlichting. Indien dit als nog noodzakelijk wordt bevonden dient met gerichte lichtbronnen en afschermingsmaatregelen voor uitstralend licht te worden gewerkt.
16
Broedvogels en jaarrond beschermde nesten Binnen het projectgebied zijn waarnemingen gedaan van circa 4 nesten van boerenzwaluwen en twee broedplaatsen van de spreeuw. De nesten van de boerenzwaluw waren aanwezig in de schuur aan de voorzijde van het erf, de voormalige hooiberg en de oude koestal. Respectievelijk opstal 2, 3 en 6 in figuur 5). De spreeuw vond twee nestplaatsen in de oude hooiberg (opstal 3). Beide soorten worden gerekend tot zogenaamde categorie vijf broedvogel soorten, wat betekend dat nesten buiten het broedseizoen uitsluitend kunnen worden verwijderd/verstoord indien er in de directe omgeving voldoende alternatieve broedplaatsen aanwezig zijn. Uit een verkenning van de omgeving is gebleken dat dit voor beide soorten het geval is (figuur 15). Op basis van de landelijke ontwikkeling wordt verondersteld dat de afname van de spreeuw voornamelijk door andere aspecten wordt veroorzaakt dan afname van beschikbare broedlocaties. Voor de boerenzwaluw is afname van geschikte broedplaatsen wel één van de oorzaken van de afnemende trend van de soort. Op basis hiervan wordt geadviseerd binnen de projectontwikkeling vijf boerenzwaluw kunstnesten aan te brengen op daartoe geschikte locaties in overleg met een ecoloog of de lokale vogelwerkgroep. Het erf heeft verder weinig beplantingen die verwijderd of beïnvloed worden door de voorgenomen activiteiten.
Indien aanwezig worden mogelijk aanwezige nesten beïnvloed in de drie fruitbomen en hagen tussen opstal 2 en de West Vlisterdijk, en mogelijke broedgevallen van een soort als bijvoorbeeld witte kwikstaart nabij de paardenbakken en/of sleufsilo’s. Bij het verwijderen van of werken in de directe omgeving van deze locaties in het broedseizoen dient vooraf een broedvogelcheck te worden uitgevoerd. Het broedseizoen voor mogelijk aan te treffen soorten wordt op basis van de aanwezige habitat bepaald op half maart tot half juli. Indien ten bate van de bouw ontgraven grond of zandige bouwmaterialen in depot worden gezet dient te worden voorkomen dat deze wordt benut door oeverzwaluwen. Geadviseerd wordt om geen grond- of zandmateriaal in hopen op te slaan. Indien dit noodzakelijk is in dient dit in een flauw taludhelling (<45 graden) of in een laag depot te worden afgewerkt. Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er geen ontheffing aanvraag voor het onderdeel broedvogels en jaarrond beschermde nesten noodzakelijk is, mits buiten het broedseizoen wordt gewerkt en of voorafgaand aan werkzaamheden een broedvogelcheck op de te bewerken locaties wordt uitgevoerd. Als preventieve maatregelen dient de aanwezigheid van op hopen geplaatste bouwmaterialen als zand, grind en grond in de periode half maart eind juli te worden voorkomen.
Indien materialen in deze periode moeten worden geplaatst dienen ze in flauw talud of als laag depot te worden afgewerkt. Als compenserende maatregel voor het verlies van broedplaatsen boerenzwaluw wordt geadviseerd vijf kunstnesten voor deze soort op te nemen in het ontwikkelingsplan. Amfibieën Tijdens het veldbezoek is gelet op de aanwezigheid van geschikte habitat voor amfibieën. Er is geen water in het projectplan betrokken. Larvale stadia kunnen daardoor worden uitgesloten. De landhabitat is als ongeschikt beoordeeld voor amfibieën. Ingraafbare bodem of onderkruipbare funderingen voor overwinteren zijn niet aanwezig. Indien tijdens de bouw, bijvoorbeeld ten bate van het ontgraven van de funderingen, grond in depot wordt geplaatst of bouwmaterialen als los gestort materiaal worden opgeslagen dient te worden voorkomen dat zich hierin amfibieën vestigen voor de overwinteringsperiode. Het plaatsen van een amfibieënscherm rondom eventueel aanwezige grond- of zandhopen gedurende de periode oktobermaart wordt als preventieve maatregel geadviseerd. Geconcludeerd is dat er geen belemmeringen zijn van uit de soortgroep amfibieën met betrekking tot de voorgenomen werkzaamheden.
17
Algemene zorgplicht voor wilde flora- en fauna Conform de Wet Natuurbescherming geldt voor alle soorten een zorgplicht (artikel 1.11). Voor de voorgenomen werkzaamheden worden geen andere situaties verwacht dan bij de beoordeling van soortgroepen en situaties is beschreven. Er is dan ook geen aanleiding om extra maatregelen vanuit de algemene zorgplicht te treffen anders dan hierboven vermeld. Wel is het steeds raadzaam om tijdens de bouwactiviteiten alert te zijn op de aanwezigheid van fauna en indien dieren worden gesignaleerd deze zorgvuldig te verplaatsen naar een veilige locatie in de omgeving en advies in te winnen bij een ecoloog. Als algemene beschermende en mitigerende maatregelen voor het onderhavige projectgebied worden de volgende onderdelen geadviseerd: Het steeds voorhanden hebben van enkele emmers of kuipen om eventueel aangetroffen dieren apart te kunnen zetten. Indien dieren tijdelijk worden opgeslagen dienen deze binnen maximaal één uur na de vondst te worden uitgezet op een geschikte locatie voor de soort buiten het projectgebied.
Eventueel opgeslagen dieren in kuipen dienen op een beschutte en schaduwrijk plaats te worden bewaard; Het voorkomen of beperken van bouwplaats verlichting en indien dit noodzakelijk is het toepassen van een gerichte lichtbron met voorkoming van zij- of boven uitstraling; Het beperken van opslag van bouwmaterialen als grond, zand, etc. in hopen tijdens de bouwperiode. Indien tijdelijk in depot plaatsen van zand- en/of grond noodzakelijk is dient vestiging van fauna te worden voorkomen door: afschermen van opgeslagen grond en zand in depot met een amfibieënraster in de periode september maart; Het laten uitvoeren van een broedvogelcheck indien struiken moeten worden gerooid in de periode half maart-half juli; Het op afroep kunnen beschikken over een ecoloog bij aantreffen van mogelijk beschermde situaties m.b.t. de Wet Natuurbescherming.
18
9] Conclusie De ontwikkelingslocatie gelegen aan de West Vlisterdijk 64 te Vlist, gelegen op het kadastrale perceel Vlist sectie A nummer 1132 & 1133 ged. zijn zowel administratief als door middel van veldonderzoek beoordeeld op de aanwezigheid van beschermde soorten en situaties in het kader van de Wet Natuurbescherming en op de ligging ten opzichte van Beschermde Natuurgebieden. Gebleken is dat er geen effecten zullen optreden die van invloed zijn op beschermde gebieden. M.b.t. soortbescherming leiden de bevindingen niet tot de noodzaak voor het aanvragen van een ontheffingen en of een specialistisch vervolg onderzoek, mits aan mitigerende en compenserende voorwaarden tijdens de uitvoering van de werkzaamheden wordt voldaan. De conclusies zijn onderstaand tabelmatig samengevat, aanbevelingen ten bate van preventieve of mitigerende maatregelen zijn bij de betreffende soortgroepen puntsgewijs weergegeven. Samenvattende tabel QuickScan Wet natuurbescherming West Vlisterdijk 64 Vlist Soortgroep (beschermde soorten) - algemeen Vaatplanten
- muurvegetaties Mossen & korstmossen
Broedvogels
- algemeen
Habitat geschikt
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffing
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee N.v.t.
Nee N.v.t.
Nee Nee
Nee Nee
Nee
Mogelijk
Nee
Opmerkingen
Rooien van struiken buiten het broedseizoen half maart – half juli; Geen opslag van grond en zandhopen in het broedseizoen of afwerken in taludhelling < 45 graden; Voorafgaand aan uitvoeren van werken in de periode maart-juli een broedvogelcheck uitvoeren;
Nee
Als compenserende maatregel vijf boerenzwaluw nestkommen in de projectontwikkeling plaatsen.
Vleermuizen
- jaarrond beschermd - vliegroute - foerageergebied - kraamverblijven
Nee Mogelijk Mogelijk Nee
Nee
Nee
Nee Nee Nee
Nee Nee Nee
Nee Nee Nee
- winterverblijven
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Mogelijk
Nee
Nee
Ruim verstoren voor aanvang ruim en sloopwerken. Geen opslag van grond en zandhopen in de periode dat rugstreeppadden de overwintering locatie betrekken of afschermen met een amfibieënraster in de periode oktober -maart;
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Amfibieën
Nee
Mogelijk
Nee
Nee
Vissen Reptielen
Nee Nee
Nee Nee
Nee Nee
Nee Nee
Vlinders & libellen Overige ongewervelden Algemene zorgplicht Wnb
N.v.t. Nee
N.v.t. Nee
Nee Nee
Nee Nee
Algemene zorgplicht flora & fauna
Gebiedsbescherming Natura 2000 Programmatische aanpak Stikstof (PAS) Natuur Netwerk Nederland Weidevogelkerngebied
Ja
Afstand tot 5395 m n.v.t. 400 m 50m
Het voorkomen van uitstralend licht tijdens de bouw activiteiten
Algemene zorgplicht voor flora en fauna geldt voor alle in het wild levende planten en dieren in Nederland (art 1.11 Wnb). Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient dan ook steeds rekening te worden gehouden met flora en fauna. Bij aantreffen van dieren dienen deze voorzichtig buiten de projectlocatie op een geschikte plaats te worden gebracht. Bij twijfel dient ecologisch advies te worden ingewonnen. Geadviseerd wordt relevante genoemde maatregelen onder de paragraaf algemene zorgplicht toe te passen.
Ingreep verstorend
Vergunning plichtig
Nee n.v.t. Nee Nee
Nee Nee Nee Nee
Opmerkingen
Overige relevante zaken N.v.t.
Tabel 3. Samenvatting bevindingen QuickScan Wet Natuurbescherming West Vlisterdijk 64 te Vlist
19
BIJLAGEN BIJLAGE 1.
Verantwoording ecologische deskundigheid - Bui-TeGewoon | groenprojecten
Definitie deskundig ecoloog (Bron: Dienst Regelingen, van het Ministerie van Economische zaken). Het ministerie van Economisch zaken, verstaat onder een deskundige een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soort specifieke ecologie. De ervaring en kennis moet zijn opgedaan doordat de deskundige: Op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of Op MBO niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt de Flora- en faunawet, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of Als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau wat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of Zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, de Landschappen, Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of Zich aantoonbaar actief inzet op het gebied voor soortenmonitoring en/of bescherming.
Verantwoording deskundigheid Bui-TeGewoon, groenprojecten. De ecologische begeleiding namens de opdrachtgever is uitbesteed aan bureau Bui-TeGewoon | groenprojecten. Vanuit dit bureau zullen de werkzaamheden worden gecoördineerd en het ecologisch deel worden uitgevoerd door de heer R.J.S. Terlouw. Terlouw heeft specialisatie ontwikkeld in inrichting en beheer van natuur en landschap in het algemeen. Ten opzichte van flora en fauna heeft Terlouw kennis van vrijwel het gehele soortspectrum, waarbij specialisatie is ontwikkeld in vogels, amfibieën, zoogdieren en ongewervelden. Terlouw is aangesloten bij o.a. SOVON, Vogelbescherming Nederland, RAVON, VZZ, KNNV, EIS Nederland en Stichting Partner. Voor deze organisaties is hij actief als vrijwilliger, waarvan voor SOVON gedurende 26 jaar een districtscoördinatorschap is vervuld. Vanuit zijn basisprofessie als medewerker van het toenmalige ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en een dienstverband van 22 jaar als regiohoofd bij de Stichting het Zuid-Hollands Landschap heeft hij vanaf 1988 kennis opgedaan m.b.t. natuurbeheer en inrichting van natuurterreinen. Sedert 2012 voert Terlouw een zelfstandig ecologisch advies- en onderzoeksbureau waarvoor inmiddels voor meer dan zestig opdrachtgevers opdrachten zijn uitgevoerd. Administratieve taken rondom de ecologische begeleiding worden verzorgd door mevrouw A.
Buisman van Bui-TeGewoon | groenprojecten. Buisman heeft ruim 12 jaar ervaring in administratie, verpachting, cartografie en bureaustudies in natuur en landschap gerelateerde projecten, die zijn opgedaan tijdens een dienstverband bij de Stichting Het ZuidHollands Landschap en bij Bui-TeGewoon | groenprojecten. Buisman is aangesloten en actief als vrijwillig inventarisatiemedewerker bij o.a. SOVON, voor welke organisatie zij 11 jaar als assistent districtscoördinator heeft opgetreden. Buisman is als mede-eigenaar verbonden aan Bui-TeGewoon | groenprojecten.
20
BIJLAGE 2. Beknopte levering NDFF
22
IN OPDRACHT VAN: