CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 4: Ontwerp omgevingsvergunning - 1139295

Raadsvergadering 2 november 2023, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Omgevingsvergunning voor de locatie Koolwijkseweg 6/6a in Stolwijk, transitieplan MooiMekkerland6.188 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Melkgeitenbedrijf MooiMekkerland VOF De heer G. Verhoef Koolwijkseweg 6 2821 NV Stolwijk

Ontwerp omgevingsvergunning Betreft: Ontwerp omgevingsvergunning voor het transitieplan van melkgeitenbedrijf MooiMekkerland VOF Locatie: Koolwijkseweg 6 en 6a, 2821 NV in Stolwijk, kadastraal bekend gemeente Stolwijk, sectie D, nummers 920, 921, 927, 928, 3908, 5143 en 5144 Datum ontvangst aanvraag 6 december 2022

Datum besluit nog nader te bepalen

Zaaknummer CLO19311005136

Besluit Burgemeester en wethouders besluiten: 1. dat er geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld; 2. de omgevingsvergunning te verlenen. De omgevingsvergunning wordt verleend voor de volgende activiteiten: 1. het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, lid 1 onder a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna Wabo); 2. het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingplan (artikel 2.1, lid 1 onder c Wabo); 3. het verrichten van een activiteit die behoort tot een bij algemene maatregelen van bestuur aangewezen categorie activiteiten (omgevingsvergunning beperkte milieutoets, artikel 2.1, lid 1 onder i Wabo). De omgevingsvergunning is verleend onder de bepaling dat de bijgevoegde documenten deel uitmaken van de vergunning. Onderdeel van het besluit vormt de algemene motivering en voorschriften, behorende bij de omgevingsvergunning onder nummer CLO19311005136, opgenomen op pagina 4 en verder. Hierin vindt u de overwegingen die tot het besluit hebben geleid en de voorschriften, waaraan u zich moet houden.

Bijgevoegde documenten De volgende documenten maken integraal onderdeel uit van dit besluit: 1. aanvraagformulier omgevingsvergunning 7444865, d.d. 6 december 2022; 2. bijlage 1 Voorgenomen transitie, d.d. 5 december 2022; 3. bijlage 2 Aanmeldingsnotitie vormvrije MER beoordeling, d.d. 28 maart 2023; 4. bijlage 3 Geuronderzoek, d.d. 24 maart 2023; 5. bijlage 4 Akoestisch onderzoek industrielawaai, d.d. 16 oktober 2018; 6. bijlage 5 Aeriusberekening stikstofdepositie, d.d. 6 december 2022; 7. brandveiligheidsadvies UIT-2018-079784, d.d. 15 november 2018; 8. formulier bedrijfsgegevens aanvrager 6 december 2022; 9. melding Activiteitenbesluit, d.d. 6 december 2022; 10. memo bouwen buiten het bouwvlak, d.d. 8 december 2022; 11. rapport gelijkwaardigheid brandveiligheid versie 01, d.d. 2 november 2018; 12. ruimtelijke onderbouwing, d.d. 26 april 2023; gemeente Krimpenerwaard Postbus 51 2820 AB Stolwijk www.krimpenerwaard.nl

13. 14. 15. 16. 17. 18. 19. 20. 21. 22. 23. 24. 25. 26. 27. 28. 29. 30. 31. 32. 33. 34. 35.

statische berekening B001, d.d. 1 juni 2017; statische berekening B001, d.d. 27 november 2015; statische berekening B002, d.d. 23 december 2015; statische berekening B003, d.d. 25 april 20216; statische berekening B004, d.d. 14 juni 2017; tekening BA-01, d.d. 10 februari 2023; tekening BA-02, d.d. 10 februari 2023; tekening BA-03, d.d. 13 december 2022; tekening BA-04, d.d. 10 februari 2023; tekening BA-11, d.d. 06 december 2022; tekening G18, d.d. 26 juni 2017; tekening invulling aanvraag, d.d. 6 december 2022; tekening SI-01, 10 februari 2023; tekening verantwoording bebouwingen, d.d. 10 februari 2023; tekening W1, d.d. 15 juni 2017; tekening W1, d.d. 30 november 2015; tekening W2, d.d. 15 juni 2017; tekening W2, d.d. 30 november 2015; tekening W3, d.d. 22 december 2015; tekening W4, d.d. 22 december 2015; tekening W5, d.d. 22 december 2015; tekening W11, d.d. 29 december 2015; tekening W12, d.d. 29 december 2015.

Melding werkzaamheden De volgende werkzaamheden moeten worden gemeld via https://eloket.krimpenerwaard.nl/#/f/2631 • de aanvang van de werkzaamheden, ten minste twee werkdagen van te voren; • de voltooiing van het gehele bouwwerk, onmiddellijk nadat het werk gereed is gekomen. Het is ook mogelijk de werkzaamheden te melden bij het team ‘toezicht en handhaving’(e-mail handhaving@krimpenerwaard.nl en telefoonnummer 14 0182).

Inwerkingtreding De beschikking treedt in werking nadat de termijn voor het indienen van een beroep is verstreken, of indien gedurende deze termijn een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, nadat hierop een beslissing is genomen.

CLO19311005136

pag. 2/16

U kunt in beroep gaan Bent u het niet eens met ons besluit? Dan kunt u in beroep gaan. Dat doet u binnen 6 weken na de datum van deze brief. U kunt uw beroep op twee manieren naar de rechtbank sturen: 1. Digitaal. Daarvoor gaat u naar https://mijn.rechtspraak.nl/keuze. U heeft hiervoor DigiD of eHerkenning nodig. 2. Per post. U stuurt uw beroep naar: Rechtbank Den Haag Sector Bestuursrecht Postbus 20302 2500 EH Den Haag In uw beroep zet u in ieder geval: uw naam; uw adres; de datum van uw beroep; het besluit waartegen u in beroep gaat; de reden waarom u in beroep gaat; het zaaknummer en/of het documentnummer van deze brief. Vergeet u niet uw beroepschrift te ondertekenen? U kunt een voorlopige voorziening aanvragen Het besluit blijft geldig tijdens de periode waarin de rechter uw beroep behandelt. Wilt u voorkomen dat het besluit wordt uitgevoerd tijdens de behandeling van uw beroep? Dan kunt u als belanghebbende een voorlopige voorziening aanvragen bij de rechtbank Den Haag. Houd er wel rekening mee dat u daar kosten voor betaalt. Via www.krimpenerwaard.nl/voorlopige-voorziening leest u hoe u een voorlopige voorziening aanvraagt. U betaalt de kosten van het beroep De rechtbank bepaalt hoeveel u betaalt om in beroep te gaan. Hierover krijgt u een bericht van de rechtbank. Met vriendelijke groet, burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, de secretaris,

de burgemeester,

J. Hennip

P.J. Bouvy-Koene

Het betreft een ontwerpbesluit en is daarom niet ondertekend.

CLO19311005136

pag. 3/16

Algemene motivering en voorschriften behorend bij de omgevingsvergunning met Nummer CLO19311005136 Inhoudsopgave De volgende onderdelen horen bij en maken deel uit van de verleende omgevingsvergunning voor het transitieplan van melkgeitenbedrijf MooiMekkerland VOF op de locatie Koolwijkseweg 6 en 6a in Stolwijk Procedure ................................................................................................................................................................5 Het (ver)bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo) ...............................................6 Het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo) .................................................................................................................................................................8 Het verrichten van een activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten (omgevingsvergunning beperkte milieutoets) (artikel 2.1, eerste lid, onder i van de Wabo) ...............10 Intrekken vergunning .............................................................................................................................................14 Overig

regelgeving.................................................................................................................................................15

CLO19311005136

pag. 4/16

Procedure Bevoegd gezag Gelet op de projectbeschrijving, alsmede op het bepaalde in hoofdstuk 3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de daarbij horende bijlage zijn wij het bevoegd gezag om de integrale omgevingsvergunning te verlenen. Daarbij zijn wij er procedureel en inhoudelijk voor verantwoordelijk dat in ons besluit alle relevante aspecten aan de orde komen met betrekking tot de fysieke leefomgeving, zoals ruimte, milieu, natuur en aspecten met betrekking tot bouwen, monumenten en brandveiligheid. Verder dienen wij ervoor zorg te dragen dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften op elkaar zijn afgestemd.

Ontvankelijkheid Artikel 2.8 van de Wabo biedt de grondslag voor een geharmoniseerde regeling van de indieningsvereisten. Dit betreft de gegevens en bescheiden die bij een aanvraag om een omgevingsvergunning moeten worden gesteld om tot een ontvankelijke aanvraag te komen. De regeling is uitgewerkt in paragraaf 4.2 van het Bor, met een nadere uitwerking in de Regeling omgevingsrecht (Mor). Wij zijn van oordeel dat de aanvraag, na een verzoek tot aanvulling en verlenging van de beslistermijn door het bevoegd gezag, voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook ontvankelijk en in behandeling genomen.

Procedure De aanvraag is in behandeling genomen conform de uitgebreide voorbereidingsprocedure van de Wabo (artikel 3.10). Hiertoe heeft het ontwerpbesluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning, met de daarbij behorende stukken, overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voor een periode van zes weken (datum tot en met datum) ter inzage gelegen. Daarbij is aan een ieder de gelegenheid geboden om een zienswijze kenbaar te maken. Van die mogelijkheid is wel/geen gebruik gemaakt. p.m. De aanvraag is beoordeeld voor: 1. het (ver)bouwen van een bouwwerk aan artikel 2.1, lid 1 onder a en 2.10 van de Wabo; 2. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan aan artikel 2.1, lid 1 onder c en 2.10 alsmede artikel 2.12, lid 1 onder a onder 3° van de Wabo; 3. het verrichten van een activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten (omgevingsvergunning beperkte milieutoets) aan artikel 2.1, lid 1 onder i en 2.17 van de Wabo. Verder is de aanvraag getoetst aan het Bor en de Mor. Gebleken is dat de aanvraag voldoet en daarom verlenen wij u de gevraagde omgevingsvergunning.

CLO19311005136

pag. 5/16

Het (ver)bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo) 1. Overwegingen Bij het nemen van het besluit hebben wij overwogen dat: • • • • • •

• • •

het voldoende aannemelijk gemaakt is dat deze activiteit zal voldoen aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012; het voldoende aannemelijk gemaakt is dat deze activiteit zal voldoen aan de voorschriften van de Bouwverordening Krimpenerwaard 2020; de opgegeven bouwkosten aanvaardbaar zijn; het plan in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan “Parapluplan Parkeren”, vastgesteld op 29 januari 2019 en de gronden hierin de gebiedsaanduiding “overige zone – parkeren” hebben; het plan in strijd is met het geldende bestemmingsplan “Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)” Zie hiervoor: Het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan; het plan is voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en deze, door middel van het advies, d.d. 29 augustus 2018 en 27 februari 2023, heeft verklaard dat het plan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, zoals vastgelegd is in de Nota Ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Krimpenerwaard, mits wordt voldaan aan de voorwaarden zoals deze zijn opgenomen onder het kopje: Specifieke voorschriften; het plan ter advisering is voorgelegd aan de brandweer Hollands Midden en deze, door middel van het advies, d.d.

15 november 2018 met kenmerk UIT-2018-079784, heeft verklaard dat er geen bezwaren bestaan tegen het voorgenomen plan mits, wordt voldaan aan de voorwaarden als gesteld in dit advies; het plan ter advisering is voorgelegd aan de Agrarische beoordelingscommissie en deze, door middel van het advies, d.d. 12 december 2022 met kenmerk 22 092 kw, heeft verklaard dat de huidige gebouwen noodzakelijk zijn voor het houden van de voorgenomen dieraantallen; het plan ter advisering inzake de omgevingsvergunning beperkte milieutoets is voorgelegd aan de Omgevingsdienst Midden-Holland en deze op 4 mei 2023 heeft verklaard dat er geen aanleiding is de OBM te weigeren. Zie hiervoor: Het verrichten van een activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten (omgevingsvergunning beperkte milieutoets).

2. Voorschriften De volgende voorschriften zijn van toepassing: Specifieke voorschriften - De overheaddeur in de nog te realiseren middelste voorgevel van het bedrijfsgebouw dient in en donkere bij de gevel passende kleur te worden uitgevoerd; - De paardenstal/box (gebouw P) dient te worden voorzien van een zadeldak en gevelbekleding van gepotdekselde houten delen; - Het bebouwde achterterrein dient te worden afgescheiden met een houtsingel van 5 tot 6 meter breed dan wel kan ook worden volstaan met een dwarssloot met een natuurlijke oever; - De voorwaarden zoals opgenomen in het advies van de brandweer Hollands Midden met kenmerk UIT2018-079784, d.d. 15 november 2015 dienen te worden opgevolgd. Algemene voorschriften - Gebouwd moet worden overeenkomstig het Bouwbesluit 2012 en de Bouwverordening Krimpenerwaard 2020; - Gebouwd moet worden overeenkomstig het bij de omgevingsvergunning behorende bouwplan; - Op het bouwterrein moet de omgevingsvergunning aanwezig zijn en op verzoek aan de gemeentelijke toezichthouder ter inzage worden gegeven. Uitvoeringsvoorschriften volgens bouwbesluit Veiligheidsplan Een bouw-/sloopveiligheidsplan als bedoeld in artikel 8.7 van het Bouwbesluit 2012 kan worden verlangd door de toezichthouder, voor zover niet reeds bij de aanvraag overlegd of als uitgestelde indieningsvereiste is opgelegd.

CLO19311005136

pag. 6/16

Veiligheid op het bouwterrein Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat, moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers. Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder Om veiligheid van hulpmiddelen te waarborgen en hinder te voorkomen dient er rekening te worden gehouden met het volgende: 1. Afscheidingen, steigers, ladders, hijskranen, transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren. 2. Het is verboden bij de uitvoering van een bouwwerk een werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de omgeving optreedt. 3. Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken, verbieden. Veiligheid in de omgeving Bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen ter voorkoming van: 1. letsel van personen op een aangrenzend perceel of een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen; 2.

letsel van personen die het bouw- of sloopterrein onbevoegd betreden, en 3. beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen. Geluidhinder Bedrijfsmatige bouw- of sloopwerkzaamheden worden op werkdagen en op zaterdag tussen 7.00 uur en 19.00 uur uitgevoerd. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden worden in onderstaande tabel aangegeven dagwaarden en de daarbij behorende maximale blootstellingsduur niet overschreden. Tabel geluidswaarden dagwaarde

≤ 60 dB(A)

> 60 dB(A)

> 65 dB(A)

> 70 dB(A)

> 75 – ≤ 80 dB(A)

maximale blootstellingsduur

onbeperkt

50 dagen

30 dagen

15 dagen

5 dagen

Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen. Onverkort het gestelde in de ontheffing, wordt bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden gebruik gemaakt van de best beschikbare stille technieken. Trillingshinder Trillingen veroorzaakt door het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden bedragen in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en in verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel e, van het Besluit geluidhinder niet meer dan de trilling sterkte, genoemd in tabel 4 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B “Hinder voor personen in gebouwen” 2006. Stofhinder Tijdens het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen om visueel waarneembare stofverspreiding buiten het bouw- of sloopterrein te voorkomen. Verbod tot ingebruikneming Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld.

CLO19311005136

pag. 7/16

Het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo) 1. Overwegingen Bij het nemen van het besluit hebben wij voor deze activiteit overwogen dat:

Geldend bestemmingsplan • • • •

het plan is gelegen in het geldende bestemmingsplan “Landelijk gebied (voormalige gemeente Vlist)”, vastgesteld op 15 december 2015; de grond(en) waarop het bouwplan is geprojecteerd hebben de enkelbestemming “Agrarisch met waarden” en de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 6”; het plan in strijd is met de volgende regels uit het bestemmingsplan: 1. de bouwwerken zijn gedeeltelijk buiten het daarvoor bedoelde bouwvlak gebouwd; 2. de aanduiding “paardenhouderij” ontbreekt op de planverbeelding en is niet bij recht toegestaan. een omgevingsvergunning in beginsel moet worden geweigerd, omdat de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Planologische afwijkingsmogelijkheden

Een omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met het bestemmingsplan kan in dit geval slechts worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke ordening bevat (artikel 2.12 lid 1 onder a. sub 3° Wabo). De aanvraag is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en voldoet aan een goede ruimtelijke ordening.

Motivering medewerking aan planologische afwijking Bestemmingsplan De locatie is gelegen in het bestemmingplan “Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)” (hierna: het bestemmingsplan) de gronden hebben de bestemming “Agrarisch met waarden”. Het plan voldoet niet aan artikel 3.2.1 van het bestemmingsplan. Op grond van artikel 3.2.1 van het bestemmingsplan zijn gebouwen uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. De te legaliseren gebouwen zijn gedeeltelijk buiten het bouwvlak gesitueerd. Op grond van artikel 3.7.1 is er een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het vergroten van het bouwvlak. Dit ten einde om meer gebouwen op te kunnen richten buiten het bouwvlak indien dit noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering Daarnaast wordt niet voldaan aan artikel 3.1.1 juncto artikel 3.1.6 van het bestemmingsplan, omdat de aanduiding “paardenhouderij” ontbreekt op de planverbeelding en is niet bij recht toegestaan. Binnen de bestemming “Agrarisch met waarden” worden zes categorieën agrarische bedrijven onderscheiden. De eerste categorie, en meest voorkomende categorie, betreft de reële grondgebonden rundveehouderijen (graasdierbedrijven). Deze hebben geen aanduiding gekregen. De overige categorieën worden wel met een aanduiding aangegeven. De aanduiding “paardenhouderij”, is gegeven aan bestaande paardenhouderijen.

Hierbij geldt dat binnen deze categorie uitsluitend productiegerichte paardenhouderijen zijn opgenomen. Voor een paardenhouderij is een specifieke aanduiding noodzakelijk en is niet bij recht toegestaan. Belangenafweging Het agrarisch bedrijf levert een bijdrage aan de instandhouding van het landelijk gebied; Er wordt een groot belang gehecht aan instandhouding en versterking van het agrarische karakter van het buitengebied. Het is een sector die gelet op de ontwikkelingen met betrekking tot stikstof en mest bijzonder onder druk staat. Maar de agrarische sector is ook een (beeld)bepalende factor in de gemeente. Het uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is om gezonde agrarische bedrijven te faciliteren en te behouden. Uit het bestemmingsplan blijkt ook de waarde die gehecht wordt aan de bescherming en het open karakter van het buitengebied en het niet toelaten van niet-agrarische bedrijven. De veehouderij is een drager van het landschap en de cultuurhistorische en ecologische kwaliteiten.

CLO19311005136

pag. 8/16

In de Krimpenerwaard is al sprake van een groot natuurlijk verloop van agrarische bedrijven. Dat brengt met zich mee dat ons beleid er op gericht is de bestaande agrarische bedrijven te behouden en de mogelijkheid te bieden te groeien, indien dit voor de continuïteit van de bedrijfsvoering noodzakelijk is. De te legaliseren stallen zijn ruimtelijk aanvaardbaar; De opstallen waren benodigd voor de hoeveelheid geiten die er werden gehuisvest tot 26 juli 2022. Dit heeft de Agrarische BeoordelingsCommissie geconcludeerd. Met de Provincie Zuid-Holland verschilden wij van mening ten aanzien van “het bestaand aantal geiten” en het al dan niet van toepassing zijn van de geitenstop zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Het beoordelen van de aanvraag op een goede ruimtelijke ordening ziet hoofdzakelijk op het gebruik van de stallen. De aanwezigheid van de bebouwing staat in ruimtelijke zin op zich niet ter discussie. De doorlopen rechtsprocedure zag altijd op het aantal dieren en niet op de bebouwing. Het bedrijf kan voortgezet worden ondanks de geitenstop, er kan een doorstart gemaakt worden met het houden van andere dieren; Er is advies ingewonnen bij de Agrarische BeoordelingsCommissie. Uit dit advies kan geconcludeerd worden dat de bestaande bebouwing (zowel legaal als illegaal) benodigd is voor de voorgenomen transitie.

Het betreft het legaliseren van bestaande bebouwing; Anders dan bij een nog te realiseren inrichting gaat het hierom legalisatie van bestaande bebouwing. Het beoordelingskader is dan anders ten aanzien van de financiële haalbaarheid. De bebouwing staat er al, dus de economische uitvoerbaarheid is al gebleken. De aanvraag ziet nu op consolidering van de bestaande bebouwing waarvoor de aangevraagde dieren noodzakelijk zijn. Bij een nieuwe ontwikkeling kan er nog worden afgewogen het ongebouwde gebied te beschermen. Dat is hier niet geval. Verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad Op basis van artikel 2.27 Wabo juncto artikel 6.5 Besluit omgevingsrecht dient de gemeenteraad een (ontwerp)verklaring van geen bedenkingen af te geven. Bij raadsbesluit van 22 september 2015 heeft de gemeenteraad op basis van artikel 6.5, lid 3 Besluit omgevingsrecht een lijst met categorieën vastgesteld waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist. Onderhavige aanvraag om omgevingsvergunning staat niet op de lijst van categorieën waardoor een verklaring van geen bedenkingen in deze is vereist. De benodigde (ontwerp)verklaring is door de gemeenteraad op 19 september 2023 afgegeven.

Conclusie Op basis van het bovenstaande zijn wij oordeel, dat de gevraagde omgevingsvergunning voor wat betreft de activiteit “het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan” met toepassing van de hiervoor genoemde afwijkingsprocedure kan worden verleend.

CLO19311005136

pag. 9/16

Het verrichten van een activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten (omgevingsvergunning beperkte milieutoets) aan artikel 2.1, lid 1 onder i en 2.17 van de Wabo 1. Overwegingen Bij het nemen van het besluit hebben wij overwogen dat het plan ter advisering inzake de omgevingsvergunning beperkte milieutoets is voorgelegd aan de Omgevingsdienst Midden-Holland en deze op 4 mei 2023 heeft verklaard dat er geen aanleiding is de OBM te weigeren. Zie hieronder nader gemotiveerd.

1. Aanleiding Op 5 december 2022 is een aanvraag ontvangen voor een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM). Het verzoek heeft betrekking op de wijziging van de veebezetting op de locatie Koolwijkseweg 6/6a in Stolwijk. Op grond van de aanmeldnotitie m.e.r. is beoordeeld of, voorafgaand aan de besluitvorming over de aanvraag om de vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), een milieueffectrapport moet worden opgesteld. In dit kader is de Omgevingsdienst Midden-Holland het bevoegd gezag en voeren zij deze m.e.r.-beoordeling uit.

2. Besluit De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft besloten, gelet op de overwegingen die zijn opgenomen in dit besluit: A. Dat voor de wijziging van de veebezetting bij melkgeitenbedrijf MooiMekkerland aan de Koolwijkseweg 6 in Stolwijk geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld; B. De aangevraagde omgevingsvergunning beperkte milieutoets te verlenen (artikel 2.1 lid 1 onder i Wabo juncto artikel 2.2a, lid 1 onder d Besluit omgevingsrecht). De volgende bijlagen maken onderdeel uit van dit besluit: - Ingediende aanvraag (kenmerk ODMH 2022315773); - Aanmeldnotitie van 28-03-2023 (kenmerk ODMH D-2023-00018630); - Memo MooiMekkerland in transitie (kenmerk ODMH D-2023-00020867); - Akoestisch onderzoek (kenmerk ODMH D-2023-00020887) - Geurberekening van 24-03-2023 (kenmerk ODMH D-2023-00018636); - Aerius berekening (kenmerk ODMH D-2023-00020873); - Tekening van de inrichting (kenmerk ODMH D-2023-00020874).

3. Overwegingen De volgende inhoudelijke overwegingen liggen aan dit besluit ten grondslag:

3.1 Toetsingskader De aangevraagde activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Hierdoor is er geen directe plicht om een milieueffectrapport op te stellen. De aangevraagde activiteit komt wel voor in onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapport, namelijk onder D14. In kolom 2 van D14 is opgenomen: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren. De drempelwaarde wordt niet overschreden. Voor zover een activiteit is opgenomen in onderdeel D, maar niet leidt tot een overschrijding van de drempelwaarde, dient op grond van artikel 2, lid 5 onder b van het Besluit milieueffectrapportage alsnog te worden beoordeeld of de activiteit kan leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit dient te gebeuren aan de hand van de criteria genoemd in bijlage III bij de EG-richtlijn milieueffectbeoordeling (2011/92/EU en 2014/52/EU). Deze criteria omvatten: - de kenmerken van het project (onder andere omvang en cumulatie); - de locatie van het project (de kenmerken van het plangebied in relatie met kwetsbaarheid omgeving);

CLO19311005136

pag. 10/16

-

soort en kenmerken van het potentiële effect (mogelijke effecten van de activiteit, onder andere bereik, waarschijnlijkheid en omkeerbaarheid).

Als uitgangspunt geldt dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, indien het bevoegd gezag van oordeel is dat dit noodzakelijk is vanwege belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben.

3.1.1 De kenmerken van het project De omvang van het project De voorgenomen activiteit betreft het wijzigen van diercategorieën. Op de locatie zullen 55 zoogkoeien worden gehouden, 807 stuks schapen, 70 stuks opfokpaarden en 25 volwassen paarden. Het aantal melkgeiten blijft gelijk. Op locatie worden enkel geiten gehouden die “aan de melk” zijn. Van opfok van lammeren is geen sprake. Melkgeiten worden van elders aangekocht en aangehouden tot het moment dat ze geen melk meer geven. Tabel 1: aangevraagde en bestaande veebezetting.

Rav-categorie A1.100 A2.100 B1.100 C1.100 C2.100 C3.100 K1.100 K2.100

Diercategorie Melkkoeien, overig huisvestingssysteem Zoogkoeien ouder dan 2 jaar Schapen; overig huisvestingsysteem Geiten ouder dan 1 jaar Opfokgeiten 61 dagen tot 1 jaar Opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen Volwassen paarden; overige huisvestingsysteem Paarden in opfok, jonger dan 3 jaar; overig huisvestingsysteem

Totaal

Aangevraagde situatie -

Vergunde situatie 10

55 807

-

812 -

650 135 27

25

-

70

-

1.769

822

De aangevraagde activiteit in het kader van de m.e.r. betreft de wijziging van een nieuwe installatie bij een veehouderij met meer dan 50 schapen. In dit geval voor het houden van 807 schapen. De cumulatie met andere projecten De inrichting is gevestigd in het buitengebied van de gemeente Krimpenerwaard. In de omgeving zijn geen nieuwe of voorgenomen activiteiten bekend die zodanig zijn dat deze in de beoordeling van de cumulatie betrokken dient te worden. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en afvalstoffen De grond- en hulpstoffen bestaan uit kracht- en ruwvoer en water voor de veestapel. De vrijkomende afvalstoffen bestaan voornamelijk uit mest die wordt uitgereden op het eigen land. Daarnaast zullen eventuele kadavers worden afgevoerd conform de wet- en regelgeving. Verontreiniging en hinder De belangrijkste milieuaspecten van het houden van dieren zijn geur, ammoniak en fijnstof. De wijziging leidt tot een toename van ammoniakemissie, geuremissie en fijnstofemissie (zie onderstaande tabel). Tabel 2: emissies, ammoniak, geur en fijnstof aanvraag en bestaand

RAVcat.

Diercategorie

A1.100

Melkkoeien, overig huisvestingssysteem

CLO19311005136

Emissie ammoniak Kg/jaar Aanvraag bestaand

-

130

Emissie geur Oue aanvraag bestaand

-

-

Emissie fijnstof g/jaar aanvraag bestaand

-

1.480

pag. 11/16

A2.100 B1.100 C1.100 C2.100 C3.100 K1.100 K2.100

Zoogkoeien Schapen; overig huisvestingsysteem Geiten ouder dan 1 jaar Opfokgeiten 61 dagen tot 1 jaar Opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen Volwassen paarden; overige huisvestingsysteem Paarden in opfok, jonger dan 3 jaar; overig huisvestingsysteem

Totaal

225,5 2.259,6

-

15.171,6

-

4.730 -

-

1.542,8

1.235

15.265,6

12.220

15.428

12.350

-

108

-

1.525,5

-

1.350

-

5,4

-

305,1

-

270

125

-

-

-

-

-

147

-

-

-

-

-

4.299,9

1.478,4

30.437,2

14.050,6

20.158

15.450

Ammoniak De toe te passen huisvestingssystemen voor het vee voldoen aan de emissie-eisen die op grond van de Wet ammoniak en veehouderij worden gesteld en zijn niet in strijd met het Besluit emissiearme huisvesting. Fijnstof/lucht Uit de berekeningen blijkt dat door deze wijzigingen de emissie van fijnstof met 4.708 gram toeneemt ten opzichte van huidige situatie. De cumulatie met andere projecten is niet uitgevoerd. Ondanks dat niet is gecumuleerd blijkt dat de uitstoot ruim onder de grens van niet in betekende mate ligt. Hierdoor zal ook met cumulatie niet sprake zijn van een in betekende mate toename van fijnstof. Geur Voor de geuremissiefactor is gekozen om 18,8 odour aan te houden in plaats van de vastgestelde geurfactor van 7,8 odour voor schapen. In de Regeling ammoniak en veehouderij onder eindnoot 1 wordt uitgegaan van een stalperiode van maximaal 3 maanden. In deze aanvraag gaat het om een stalperiode van meer dan 3 maanden. Om deze reden is besloten om aan te sluiten bij de geuremissiefactor van geiten die ook 18,8 odour is. De maximale geurbelasting van 8.0 odour op geurgevoelige objecten (woningen van derden) wordt niet overschreden. De hoogste geurbelasting wordt verwacht op de woning van Koolwijkseweg 25, dit is 7,4 odour.

Verder gelden er nog vaste afstanden van de gevel van het dierenverblijf tot aan de gevel van een geurgevoelig object, deze afstand mag niet minder zijn dan 25 meter. De afstand van het dichtstbijzijnde dierenverblijf tot de dichtstbijzijnde woning is ongeveer 56 meter en voldoet dus. Geluid In het advies van 13 januari 2023 met kenmerk 2022320887 en documentnummer 2023013665 is het aangeleverde akoestisch onderzoek uitgebreid beoordeeld. Daarnaast is gekeken of op basis van de aangereikte informatie in het rapport er sprake is van een acceptabele situatie in de gewijzigde bedrijfsvoering. Hieruit blijkt dat de wijziging in activiteiten bij het bedrijf niet zal resulteren in andere geluidniveaus ter plaatse van woningen van derden. Het bedrijf kan ook in de nieuwe situatie voldoen aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Hiermee is het aspect geluid geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Archeologische gevolgen Op basis van de bij ons bekende informatie vormt het onderdeel archeologie voor ons geen aanleiding om een MER te eisen.

CLO19311005136

pag. 12/16

Bodem Het risico van bodemverontreiniging ten gevolge van de activiteiten wordt getoetst aan het Activiteitenbesluit. De wijziging in dieren binnen de inrichting zijn niet als bodembedreigend aangemerkt en zijn niet zodanig dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zullen optreden. Ecologische gevolgen In de bijlage is een Aerius berekening bijgevoegd om aan te tonen dat er sprake is van intern salderen zonder toename van de stikstofdepositie. Dit is op basis van de op 13 mei 2016 verleende vergunning Wet natuurbescherming voor het houden van 3.000 geiten. Deze vergunning is als referentiesituatie gebruikt in de Aerius berekening voor het intern salderen. Gezondheid Aspecten die van invloed kunnen zijn op de volksgezondheid zijn o.a. geur, ammoniak en fijnstof. De uitbreiden gaat alleen over de schapen, koeien en paarden. Er zijn voldoende maatregelen beschreven om de gezondheid te beschermen en de verspreiding van dierziekten zoveel mogelijk te voorkomen.

3.1.2 De plaats van het project De inrichting is gelegen in het landelijk gebied van de gemeente Krimpenerwaard. Het gebied kenmerkt zich door de vele agrarische bedrijven aan meerdere bebouwingslinten. In deze bebouwingslinten zijn diverse functie gemengd. Door elkaar heen zijn agrarische-, woon- en bedrijfsbestemmingen te vinden. De locatie ligt op circa 9 kilometer van het Natura-2000 gebied de Donkse Laagte. De wijziging van de inrichting heeft geen invloed op de nabij gelegen Natura 2000 gebieden.

3.1.3 Kenmerken van het potentiële effect De belangrijkste milieueffecten van het houden van dieren zijn ammoniak-, geur- en fijnstofemissie. Door de wijziging van de inrichting neemt de ammoniakemissie met 2821,5 kg toe ten opzichte van de vergunde situatie. De totale ammoniakemissie bedraagt in de beoogde situatie 4.299,9 kg. De geur- en fijnstofemissie nemen beide toe ten opzichte van de vergunde situatie. De emissies blijven binnen de wettelijke kaders.

3.2 Conclusie milieueffectrapportage Gelet op bovenstaande overwegingen is het niet aannemelijk dat de activiteit “het wijziging van het dieraantallen” belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het opstellen van een milieueffectrapport is daarom niet nodig.

4. Omgevingsvergunning beperkte milieutoets Een OBM moet worden geweigerd indien voor de aangevraagde activiteit een milieueffectrapportage moet worden opgesteld (artikel 5.13b van het Bor).

4.1 Conclusie OBM Uit de beoordeling blijkt dat geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Een milieueffectrapportage als bedoeld in artikel 7.17 van de Wet milieubeheer hoeft niet te worden opgesteld. Samenvattend is geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, waardoor er geen aanleiding is om de OBM te weigeren.

CLO19311005136

pag. 13/16

Intrekken vergunning Burgemeester en wethouders kunnen op grond van artikel 2.33 en 5.19 van de Wabo de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken. Dit is onder andere mogelijk indien: 1. de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; 2. niet overeenkomstig de vergunning of ontheffing is of wordt gehandeld; 3. de aan de vergunning of ontheffing verboden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nageleefd; 4. de voor de houder van de vergunning of ontheffing als zodanig geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd; 5. gedurende drie jaar, dan wel indien de vergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a (het bouwen van een bouwwerk*) onderscheidenlijk b (het uitvoeren van werken of werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde) of g (het slopen van een bouwwerk), gedurende 26 weken onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; 6. de vergunninghouder daarom verzoekt. *: in de “Beleidsregels intrekken omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk” (te raadplegen via de gemeentewebsite) leest u wanneer wij van deze bevoegdheid gebruik maken.

CLO19311005136

pag. 14/16

Overige regelgeving Toestemmingen en verplichtingen op grond van andere regelgeving

Algemene plaatselijke verordening (Apv) In de Algemene plaatselijke verordening zijn belangrijke bepalingen opgenomen over de bruikbaarheid en het aanzien van het veroorzaken van (geluid)hinder. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit), toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

Burgerlijk wetboek In boek 5, titel 4, van het Burgerlijk Wetboek zijn de rechten en plichten van burgers ten opzichte van elkaar vermeld. Wij wijzen u erop dat u bij het uitvoering geven aan de omgevingsvergunning ook aan deze regels van het burenrecht moet kunnen voldoen. Dit is privaatrechtelijk en dient u dus zelf na te gaan.

Besluit bodemkwaliteit en Nota Bodembeheer Midden-Holland Indien vrijkomende grond op een andere locatie wordt toegepast kan deze mogelijk worden hergebruikt conform het gestelde in de Nota Bodembeheer Midden-Holland of dient deze te worden gekeurd conform het Besluit bodemkwaliteit. Hergebruik en opslag van grond dient in nagenoeg alle gevallen te worden gemeld bij de Omgevingsdienst Midden-Holland op de website van het meldpunt Bodemkwaliteit: www.meldgrond.nl. Voor nadere informatie over het keuren, het opslaan en het melden kunt u contact opnemen met de omgevingsdienst, telefoonnummer (088) 5450341 of de website www.odmh.nl raadplegen.

Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van planten- en diersoorten en natuurgebieden. In de wet staan onder meer regels voor beheer, schadebestrijding, jacht, handel en bezit van beschermde soorten. Onder meer vleermuizen en huismussen maken veelvuldig gebruik van bebouwing door zich te vestigen onder dakpannen of in spouwmuren. Het schaden van deze soorten en het vernietigen van verblijf- en nestlocaties is een overtreding van de Wet natuurbescherming. U dient rekening te houden met de Wet natuurbescherming. Ruim voorafgaand aan de bouw of sloop van een bouwwerk dient een gedegen onderzoek naar de aanwezigheid van en het gebruik door beschermde flora en fauna uitgevoerd te worden. De initiatiefnemer is hiervoor zelf verantwoordelijk ongeacht de beslissing van het bevoegd gezag (de gemeente) in het kader van de omgevingsvergunning. Uit het resultaat van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is of er nadere eisen worden gesteld aan het slopen, bijvoorbeeld het tijdstip ervan. Bij het overtreden van de Wet natuurbescherming kan de initiatiefnemer (degene die sloopt en/of in opdracht sloopt) door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) worden bestraft. Op de website www.ozhz.nl van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid is meer informatie te vinden over dit onderwerp.

Op de website van Omgevingsdienst Haaglanden (ODH), www.odh.nl is meer informatie te vinden over het aanvragen van een ontheffing.

Erfgoedwet Het kan voorkomen dat bij werkzaamheden in de grond archeologische vondsten worden gedaan. Volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet moet de vondst gemeld worden bij de minister. In de praktijk kan de vinder terecht bij de gemeente Krimpenerwaard en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Heeft u een vondst gedaan, vul dan op www.archeologieinnederland.nl het vondstformulier in. Stuur ook een foto mee, dan kunnen de archeologen van de Rijksdienst de vondst goed beoordelen. Zij kunnen niet altijd een uitspraak doen in hoeverre er sprake is van een archeologisch voorwerp (artefact), maar kunnen u wel doorverwijzen naar andere

CLO19311005136

pag. 15/16

experts. Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met de Infodesk van de Rijksdienst, telefoonnummer (033) 4217456, email info@cultureelerfgoed.nl.

Waterwet en waterschapskeur Indien u activiteiten verricht aan, op of bij het water of bij een dijk of kade (zoals bouwen, oppervlakte verharden of dempen of graven van een watergang) die invloed hebben op de waterhuishouding bent u mogelijk vergunning- of melding plichtig. Meer informatie vindt u op de website www.schielandendekrimpenerwaard.nl of u kunt contact opnemen met de afdeling Vergunningverlening & Handhaving, telefoonnummer (010) 4537354, e-mail: postvh@hhsk.nl.

Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) Ter voorkoming van schade dient navraag te worden gedaan bij de eigenaren en beheerders van ondergrondse kabels en leidingen, zoals gemeentewerken, het waterleidingbedrijf, het gasbedrijf, het elektriciteitsbedrijf, defensie, de KPN en de CAI. Als u mechanische graafwerkzaamheden uitvoert, bent u verplicht informatie over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie op te vragen bij het Kadaster. Elke ‘mechanische grondroering’ dient te worden gemeld op de website van het Kadaster: www.kadaster.nl. Via deze website kunnen ook tekeningen worden aangevraagd. Nadere informatie kunt u verkrijgen bij het klantcontactcenter KLIC, telefoonnummer (0800) 0080, e-mail: klic@kadaster.nl. Wanneer een afwijkende ligging wordt geconstateerd, circa één meter rechts of links, dient dit te worden gemeld bij de netbeheerder.

CLO19311005136

pag. 16/16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=9943c7fd-bef6-4a8c-9df1-5c5f7c489b22