BIJL 3 ruimtelijke onderbouwing versie concept 12 maart 2021.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Provincialeweg 15b, Bergambacht Gemeente Krimpenerwaard
COLOFON Gegevens over het plan: Plannaam: Identificatienummer: Status: Datum: Projectnummer Verstoep: Projectnummer Buro SRO:
Provincialeweg 15B, Bergambacht NL.IMRO.1931.PB2102BG041-ON01 Ontwerp 12-03-2020 3266 66.90.32
Opdrachtgever:
H.C. Bultman
Projectbetrokkenen:
Verstoep bouwadvies en architectuur Dhr. J. de Jong Vrouwenmantel 3 2871 NJ Schoonhoven 0182-320111 www.verstoep.nl info@verstoep.nl
In samenwerking met:
Buro SRO Jeanine Jentink Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG te Arnhem 026-3523125 www.buro-sro.nl arnhem@buro-sro.nl
2
Provincialeweg 15B, Bergambacht
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 Hoofdstuk 5 5.1 5.2
Inleiding Aanleiding voor het initiatief Ligging plangebied Leeswijzer Het initiatief Huidige situatie Toekomstige situatie Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Uitvoerbaarheid Milieu Water Ecologie Verkeer Cultuurhistorie en archeologie Economische uitvoerbaarheid Procedure Inspraak en overleg Van ontwerp naar vaststelling
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4
5 5 5 5 6 6 7 9 9 10 11 14 14 19 20 21 22 23 24 24 24
25 Verkennend bodemonderzoek Akoestisch onderzoek Quickscan wet natuurbescherming Quickscan archeologie
Provincialeweg 15B, Bergambacht
27 29 31 33
3
4
Provincialeweg 15B, Bergambacht
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het initiatief
De initiatiefnemer wil aan de Provincialeweg 15B in het buitengebied van Bergambacht de bestaande vervallen bebouwing slopen en hier een nieuwe woning realiseren. Het bouwen van een nieuwe woning op deze locatie is strijdig met het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief gewenst is en passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan deze ontwikkeling. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Provincialeweg 15B tussen Bergambacht en Schoonhoven. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Kaart omgeving plangebied, plangebied in rood (bron: openstreetmap.org)
1.3
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 is het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tevens wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 5 in op de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van overleg en zienswijzen zijn opgenomen.
Provincialeweg 15B, Bergambacht
5
Hoofdstuk 2
Het initiatief
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
2.1
Huidige situatie
Het plangebied is deel van een klein cluster van woningen aan de Provincialeweg tussen Bergambacht en Schoonhoven. Ten noorden van het plangebied loopt de Provincialeweg. Aan zowel de oost- als de westzijde van het plangebied ligt een woonperceel met een vrijstaande woning. Het plangebied wordt van het woonperceel aan de oostzijde gescheiden door een watergang. Ten zuiden van het plangebied ligt een plas tussen de woningen en de Hogedijk. In het plangebied staat in de huidige situatie de bebouwing van een agrarisch bedrijf dat in het verleden op deze locatie gevestigd was. De bebouwing wordt al lange tijd niet gebruikt en verkeert in zeer slechte staat. Het plangebied heeft een eigen inrit op de Provincialeweg. Tussen de bebouwing en de plas ligt een open grasveld, met enkele bomen langs de waterkant. Navolgende afbeeldingen geven de huidige situatie weer.
Luchtfoto plangebied, plangebied in rood (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
6
Provincialeweg 15B, Bergambacht
Vooraanzicht plangebied, gezien vanaf de Provincialeweg (bron: Verstoep Bouwadvies en Architectuur)
Bebouwing plangebied (foto: Omgevingsdienst Midden-Holland)
2.2
Toekomstige situatie
In de toekomstige situatie wordt de bestaande bebouwing op het perceel gesloopt, met uitzondering van de schuur daterend uit 2013, en wordt hier een nieuwe woning gebouwd. De nieuwe woning zal bestaan uit één bouwlaag met kap. De bestaande schuur zal gebruikt worden als bijgebouw bij deze woning. In vergelijking met de bestaande situatie wordt de woning op grotere afstand van de weg gebouwd in dezelfde rooilijn als de naastgelegen woningen. De woning heeft een bescheiden omvang van ca. 440 m 3 en sluit ook qua grootte aan bij de andere woningen. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van de nieuwe woning weer.
Provincialeweg 15B, Bergambacht
7
Situering woning in de toekomstige situatie (ontwerp: Verstoep Bouwadvies en Architectuur)
Door het slopen van de bestaande bebouwing en hier een woning te realiseren die qua omvang en uitstraling aansluit bij de naastgelegen woningen wordt de beeldkwaliteit en de uitstraling van het gebied als geheel versterkt.
8
Provincialeweg 15B, Bergambacht
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Gebiedsgericht De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, de ecologische hoofdstructuur, de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden, zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol. In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd. In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
Ladder duurzame verstedelijking Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro, artikel 3.1.6 onder 2. De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is. Daar wordt het volgende onder verstaan: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien.
Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'actuele regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan. Planspecifiek Gebiedsgericht Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en het Barro. Ladder duurzame verstedelijking In dit plan is sprake van een ruimte-voor-ruimte-ontwikkeling, waarbij een woning mag worden gebouwd als compensatie voor sloop van agrarische gebouwen. De hoeveelheid bebouwing neemt per saldo af. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet nodig.
Provincialeweg 15B, Bergambacht
9
3.2
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Deze zijn op 01-04-2019 in werking getreden. Met het samenvoegen van verschillende beleidsplannen c.q. verordeningen sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. Het gehele Omgevingsbeleid is alleen redactioneel gewijzigd, de beleidsinhoud is niet veranderd. Onder meer de Visie ruimte en mobiliteit en de Verordening ruimte zijn in het Omgevingsbeleid opgegaan. Met het Omgevingsbeleid streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Vanuit het bestaande beleid gaat het hier om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beleid voor ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, zoals benoemd op de kwaliteitskaart en uitgewerkt in richtpunten. De kwaliteitskaart toont in vier lagen de gebiedskenmerken en kwaliteiten die de provincie belangrijk vindt. De vier lagen zijn samengevat in één kaartbeeld; de integrale kwaliteitskaart.
De vier lagen zijn: laag van de ondergrond laag van de cultuur- en natuurlandschappen laag van de stedelijke occupatie laag van de beleving Het kwaliteitsbeleid gaat uit van 'ja, mits': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel in het stedelijk als in het landelijk gebied. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact is. Er wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.
(Bron: Omgevingsvisie Zuid-Holland, 2019)
Planspecifiek Het nieuwe plan sluit aan bij de identiteit van het gebied, en voegt zich in de bestaande structuur. Met deze ontwikkeling wordt de bestaande verpauperde bebouwing verwijderd, en wordt hier een nieuwe woning gerealiseerd die qua uitstraling aansluit bij de woningen op de naastgelegen percelen. Hier is dus sprake van inpassing. Met dit initiatief zal de kwaliteit en de uitstraling van het gebied verbeteren. Het initiatief is passend binnen de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening.
10
Provincialeweg 15B, Bergambacht
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Beleef Bergambacht De fusiegemeente Krimpenerwaard, ontstaan op 1 januari 2015, heeft geen eigen structuurvisie. De voormalige gemeente Bergambacht heeft in 2008 de structuurvisie 'Beleef Bergambacht' gepubliceerd. Deze structuurvisie is van rechtswege komen te vervallen, de inhoud en het gedachtegoed van de visie leven echter nog voort. De ruimtelijke kwaliteit in de gemeente Bergambacht wordt grotendeels gevormd door de cultuurhistorische waarde van de historische lintbebouwing en het slagenlandschap in het buitengebied. Het is daarom van belang dat deze cultuurhistorische waarden behouden blijven en beschermd worden en dat de transparantie van het lint door de doorzichten naar het open landschap zoveel mogelijk worden behouden. Nieuwe bebouwing en functies moeten passen in deze karakteristiek. Planspecifiek Onderhavig initiatief betreft het slopen van agrarische bedrijfsbebouwing en het daarvoor in de plaats bouwen van een vrijstaande woning. De woning heeft een gelijke omvang en uitstraling van de naastgelegen woningen, en past in de lintstructuur. Dit initiatief past binnen de structuurvisie. 3.3.2 Nota ruimtelijke kwaliteit De gemeente Krimpenerwaard heeft op 13 december 2016 de 'Nota Ruimtelijke kwaliteit' vastgesteld.
Doel van de Nota is het welstandsbeleid van de voormalige gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist te harmoniseren en dereguleren met behoud van kwaliteit. Bij de Nota Ruimtelijke kwaliteit horen twee kaarten; de niveaukaart en de gebiedenkaart. Op de niveaukaart is aangegeven wat het minimale toelatingsniveau is om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Op de gebiedenkaart zijn de gebieden weergegeven die zich onderscheiden met samenhangende bebouwingstypologieën. Planspecifiek Op onderstaande afbeeldingen zijn een uitsnede van de niveaukaart en de gebiedenkaart weergegeven. Het plangebied is rood omcirkeld.
Uitsnede Niveaukaart
Uitsnede Gebiedenkaart
Het plangebied heeft de aanduidingen 'bijzonder' en 'polderlint'. In de gebieden met een bijzonder welstandsniveau gelden extra criteria die aansturen op een zorgvuldige inpassing van bouwplannen. Inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit zijn hier gewenst. Een plan moet een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het straatbeeld.
Provincialeweg 15B, Bergambacht
11
Op de Gebiedenkaart ligt het plangebied in de 'polderlinten' (groen). De polderlinten hebben een bijzonder welstandsniveau. De waarde is in ieder geval gelegen in het goed behouden historische karakter met als basis de combinatie tussen de oorspronkelijke structuurelementen en de afwisselende lintbebouwing. De verkaveling met dicht op elkaar gelegen sloten leidt tot langwerpige kavels met tussen de kavels doorzichten op het achterland. Het uitgangspunt is dat bouwplannen een positieve bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. In verband hiermee wordt verwacht dat er in ieder geval aandacht geschonken wordt aan de hoofdoriëntatie van de bebouwing en de mate van afwisseling en individualiteit in de massa in combinatie met een terughoudende vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren. Voorliggend plan omvat de sloop van de verpauperde agrarische bedrijfsbebouwing en de bouw van een nieuwe woning. Hiermee neemt de hoeveelheid bebouwing af en verbetert de ruimtelijke kwaliteit. Door de situering van de nieuwe woning op het perceel en de beperkte omvang van de woning sluit deze goed aan op de omliggende woningen. Hiermee levert het plan een positieve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit. Bij het ontwerp van het plan is rekening gehouden met de bovenstaande uitgangspunten.
3.3.3 Duurzaamheid Duurzaamheid is een steeds belangrijker thema in de ruimtelijke ordening. In een duurzame leefomgeving wordt bewust omgegaan met energie, klimaat, grondstoffen, ruimte, water en groen. In het collegeprogramma van de gemeente Krimpenerwaard wordt aandacht gevraagd voor klimaatadaptie, waarbij de nadruk ligt op het tegengaan van bodemdaling, het beperken van wateroverlast en het tegengaan van hittestress. Daarnaast wordt ingezet op een lagere CO2-uitstoot en meer duurzaam opgewekte energie. Bouwbesluit Wettelijk kan er in Nederland geen verdere verduurzaming worden afgedwongen dan via het Bouwbesluit. Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Voor woningen geldt sinds 2015 een Energie Prestatie Coëfficiënt van 0,4 op gebouwniveau. Deze is later verlaagd richting een coëfficiënt dichter bij de nul. Vanaf 2020 moeten alle nieuwe gebouwen voldoen aan de BENG-eisen, dit is rijksbeleid. BENG staat voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen. Bij nieuwbouw liggen kansen om duurzaamheid te verbeteren. Het energieneutraal maken van een gebouw kan beter bij de bouw dan achteraf.
Nieuwbouw biedt de kans om meteen voor een duurzame wijze van verwarming te kiezen, maar ook andere duurzaamheidsaspecten zijn bij nieuwbouw relatief eenvoudig te realiseren, zoals het opwekken van duurzame energie. Sinds 01-07-2018 moeten nieuwe woningen gasloos worden gebouwd. Dit heeft gevolgen voor de toe te passen technische apparatuur. Waar voorheen een kleine compacte verwarmingsketel volstond, moet nu worden overgestapt naar bijvoorbeeld een warmtepompinstallatie met buffervaten en een warmteterugwin-unit. Dit zijn installaties die een behoorlijk ruimtebeslag in de woning innemen. Planspecifiek Met voorliggend plan worden voormalige bedrijfsopstallen gesloopt en wordt daarvoor een woning teruggebouwd. Een bestaande bouwlocatie krijgt hiermee een toekomstbestendige invulling. Ten opzichte van de bestaande situatie worden zowel het bouwvlak als de oppervlakte aan bebouwing en verharding sterk verminderd. Hiermee is sprake van duurzaam ruimtegebruik.
12
Provincialeweg 15B, Bergambacht
De vermindering van het verhard oppervlak en de landschappelijke inpassing dragen op positieve wijze bij aan een duurzame inrichting, verbetering van het waterbergend vermogen en het voorkomen van hittestress. Het aanplanten van groen is goed voor de klimaatbestendigheid, omdat het bijdraagt aan het verminderen van de hittestress en het verbeteren van het watervasthoudend vermogen van het gebied. Bij uitwerking van de plannen is er aandacht voor de energieprestatie van de woningen en maatregelen die genomen kunnen worden in de vorm van warmtepompen, zonnepanelen en gasloos bouwen. 3.3.4 Geldend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Buitengebied 2011", vastgesteld op 13 december 2011 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Bergambacht. Het plangebied heeft de bestemming 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde -Archeologie 2'.
Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied 2011' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Onderhavig perceel vormt samen met het oostelijk gelegen perceel (Provincialeweg 15A) één bestemmingsvlak 'Wonen'. Binnen dit bestemmingsvlak is één vrijstaande woning toegestaan. Dit is de bestaande woning op nr. 15A. Het realiseren van een tweede woning op deze locatie past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Omdat het saneren van de oude bedrijfsbebouwing op deze locatie wenselijk is, is een procedure gestart voor een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan.
Provincialeweg 15B, Bergambacht
13
Hoofdstuk 4
Uitvoerbaarheid
Voor een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de uitvoerbaarheid aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1
Milieu
4.1.1 Bodem Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming is met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Planspecifiek Er is op de locatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 1. De conclusie is dat de resultaten van het bodemonderzoek geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem. 4.1.2 Lucht De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5 (fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). De grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3.
Bijdrage aan luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.
14
Provincialeweg 15B, Bergambacht
Planspecifiek Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 16001555 (aan de Provincialeweg ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2018 (µg/m3) Grenswaarde concentratie (µg/m3)
NO2 (stikstofdioxide) PM10 (fijnstof) 3 21,9 µg/m 19,5 µg/m3
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) 12,0 µg/m3
40 µg/m3
25 µg/m3
40 µg/m3
De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijnstof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Bijdrage initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, gelijk aan 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. 4.1.3 Geluid De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd: woningen; geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen.
Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Voor voorliggend document is het van belang te kijken naar de mogelijke gevolgen van wegverkeerslawaai. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, de rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 2. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting 60 dB bedraagt. Dit is hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB en hoger dan de maximale toelaatbare waarde van 53 dB voor een nieuwe woning. Een andere situering op het perceel waarbij wel voldaan wordt aan de maximaal toelaatbare waarde is niet mogelijk. Andere bron- of overdrachtsmaatregelen stuiten op bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard.
Provincialeweg 15B, Bergambacht
15
Om de woning op deze locatie te kunnen realiseren moeten de voorgevel en rechterzijgevel worden uitgevoerd als een dove gevel. Het beleid van de Milieudienst Midden Holland staat echter maar één dove gevel toe. De milieudienst heeft aangegeven een uitvoering met twee dove gevels alleen kan worden toegestaan als gemotiveerd wordt dat plaatsing van een geluidscherm geen optie is. In paragraaf 2.3 van het akoestisch rapport is onderbouwd dat een dergelijk scherm dermate hoog moet zijn om aan de maximaal toelaatbare waarde te voldoen, dat dit esthetisch niet acceptabel is. Het ontwerp van de woning is aangepast door de voordeur te verplaatsen naar de minder belaste linkerzijgevel. De woning heeft bovendien een luwe buitenruimte en een geluidluwe achtergevel. Er is hiermee sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. De geluidbelasting op de linkerzijgevel bedraagt 53 dB. Om de woning te kunnen realiseren moet een hogere waarde worden aangevraagd. Om aan de binnenwaarde van 33 dB te voldoen, zijn geluidwerende maatregelen aan de gevels noodzakelijk. Deze worden in het definitieve ontwerp van de woning vastgesteld. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid. 4.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren.
De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren. Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor: geurgevoelig object gelegen in: concentratiegebied binnen bebouwde kom concentratiegebied buiten bebouwde kom niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom
maximaal toegestane geurbelasting (odour units per m3 lucht) 3,0 ouE/m3 14,0 ouE/m3 2,0 ouE/m3 8,0 ouE/m3
Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen: binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter; buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter. Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom. De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.
16
Provincialeweg 15B, Bergambacht
Planspecifiek De meest dichtbij zijnde veehouderij ten opzichte van het plangebied is de rundveehouderij aan de Provincialeweg 20. Deze ligt op een afstand van ca. 140 meter. Voor bedrijven met vaste afstandsdieren buiten de bebouwde kom geldt een richtafstand van 50 meter. Op basis van deze afstand kan geconcludeerd worden dat de geur van het bedrijf geen negatief effect heeft op het woon- en leefklimaat van de woning. Het bedrijf wordt niet in haar bedrijfsvoering of uitbreidingsmogelijkheden beperkt door het nieuwe initiatief, aangezien er meerdere woningen op een kortere afstand van het bedrijf liggen. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur. 4.1.5 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen).
Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Planspecifiek Het meest dichtbij zijnde bedrijf is een autohandel aan de Provincialeweg 18e, op ca. 35 meter van het plangebied. Voor een autohandelaar geldt in de VNG-publicatie milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter, op basis van de mogelijke geluidhinder. Aan deze richtafstand wordt voldaan. De betreffende locatie is in het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2011" bestemd voor bedrijven van milieucategorie 1 of 2.
Andere bedrijven die op dit terrein zijn toegestaan hebben maximaal een gelijke milieuzonering als de huidige functie, waarmee deze geen negatief effect zullen hebben op het woon- en leefklimaat in het plangebied. Voorliggend initiatief heeft geen beperkende gevolgen voor bedrijven in de directe omgeving. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering. 4.1.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.
Provincialeweg 15B, Bergambacht
17
De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.
Planspecifiek Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.
Screenshot risicokaart.nl, plangebied groen omcirkeld
Hieruit is op te maken dat het plangebied niet in de 10-6-contour voor het PR van enige risicobronnen ligt. Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van basisnetroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, namelijk de Lek en de N210.
18
Provincialeweg 15B, Bergambacht
Op grond van artikel 7 van het Bevt moet voor de (spoor-)wegen, gezien de ligging, worden ingegaan op de mogelijkheden voor: de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute en de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. In dit geval is sprake van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident.
Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Er zijn voldoende mogelijkheden om dit advies tijdig op te volgen.
4.2
Water
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.
Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan
Provincialeweg 15B, Bergambacht
19
kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterbeheerplan 2016-2021 Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan HHSK 2016-2021, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers. Het hoogheemraadschap houdt het land veilig en bewoonbaar, nu en in de toekomst, en draagt bij aan de leefbaarheid van het gebied. Het beheer en onderhoud zijn gericht op het vergroten van de toekomstbestendigheid van het (afval)watersysteem.
Bij grote investeringen in nieuwe infrastructuur en de aanleg van woon- of werkgebieden, denkt het Hoogheemraadschap actief mee met initiatiefnemers over de mogelijke gevolgen van hun plannen voor overstromingsrisico's, wateroverlast, de waterkwaliteit en de afvalwaterketen. In het waterbeheerplan staan 10 doelen van het Hoogheemraadschap omschreven. Deze doelen hebben onder andere betrekking op waterveiligheid, optreden bij incidenten en het onderhouden van de waterkering. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen: de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.
Planspecifiek Voorliggend plan betreft het saneren van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en de bouw van een woning in de plaats daarvan. De hoeveelheid verhard oppervlak neemt hiermee af. Er zijn derhalve geen waterhuishoudkundige belangen in het geding. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect water.
4.3
Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-012017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.
20
Provincialeweg 15B, Bergambacht
Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Om te onderzoeken wat de gevolgen van voorliggend initiatief zijn op beschermde soorten en natuurgebieden in de omgeving is een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Dit onderzoek is te lezen in bijlage 3. De bevindingen en conclusies van deze rapportage zijn hieronder uitgewerkt. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000 gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Het meest dichtbij zijnde Natura 2000-gebied is het gebied 'Uiterwaarden Lek', op ca. 5 kilometer afstand. Gezien de aard van de werkzaamheden en het toekomstig gebruik, en de afstand tot de omliggende Natura 2000 gebieden, is van een externe werking op de Natura 2000 gebieden geen sprake. Een Aeriusberekening voor de stikstofdepositie op de Natura 2000 gebieden is voor dit initiatief niet nodig. Soortenbescherming Uit het onderzoek blijkt dat het initiatief niet leidt tot nadelige effecten op beschermde soorten.
Er is geen noodzaak tot het aanvragen van ontheffingen of vervolgonderzoek, mits tijdens de uitvoering van de werkzaamheden aan een aantal mitigerende maatregelen wordt voldaan: Geen opslag van grond en zandhopen in het broedseizoen of afwerken in een taludhelling van 45°. Voorkom uitstralen van bouwplaatsverlichting. Geen opslag van grond en zandhopen in de periode dat amfibieën de overwinteringslocatie betrekken of afschermen met een amfibieënraster in de periode september-maart. Daarnaast geldt te allen tijde de Algemene zorgplicht voor flora en fauna.
4.4
Verkeer
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Het plangebied wordt ontsloten via de bestaande inrit op de Provincialeweg. Met het initiatief zal het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied licht toenemen. De Provincialeweg heeft voldoende capaciteit voor deze verkeersbewegingen.
Provincialeweg 15B, Bergambacht
21
Op grond van het Parapluplan Parkeren dient bij de nieuwe woning voldoende ruimte te zijn voor het parkeren van 3 personenauto's. Deze parkeerplaatsen worden aan de linkerzijde van het perceel gerealiseerd. De situering is weergegeven op de bouwtekeningen van de woning.
Situering parkeerplaatsen (visualisatie: Verstoep Bouwadvies en Architectuur)
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect verkeer.
4.5
Cultuurhistorie en archeologie
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.
Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Planspecifiek Cultuurhistorie In het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of objecten aanwezig. Archeologie De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft voor de planlocatie een quickscan archeologie uitgevoerd. Het advies van de Omgevingsdienst is opgenomen als bijlage 4. Op basis van de geactualiseerde archeologische beleidskaart van de gemeente Krimpenerwaard uit 2016 heeft de locatie van het plangebied een lage archeologische verwachting. Een archeologisch onderzoek is niet nodig. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect cultuurhistorie en archeologie.
22
Provincialeweg 15B, Bergambacht
4.6
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges.
Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst. Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
Provincialeweg 15B, Bergambacht
23
Hoofdstuk 5 5.1
Procedure
Inspraak en overleg
Inspraak De initiatiefnemer heeft aanwonenden (ca. 10 adressen) persoonlijk op de hoogte gebracht van dit plan. Hieruit zijn geen opmerkingen naar voren gekomen die geleid hebben tot aanpassingen van het plan. Overleg Onderhavig initiatief is in het kader van het wettelijk overleg besproken met het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Verder is advies gevraagd aan de omgevingsdienst Midden-Holland. Deze adviezen zijn verwerkt in deze ruimtelijke onderbouwing.
5.2
Van ontwerp naar vaststelling
De omgevingsvergunning is voorbereid met toepassing van een uitgebreide procedure ex artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3° Wabo juncto artikel 3.10 Wabo. Het ontwerpbesluit met bijbehorende stukken zal als ontwerp voor een termijn van zes weken ter inzage liggen. Een ieder kan hierop zienswijzen indienen. Bij het vaststellingsbesluit wordt hierop nader ingegaan.
24
Provincialeweg 15B, Bergambacht
Bijlagen
Provincialeweg 15B, Bergambacht
25
26
Provincialeweg 15B, Bergambacht
Bijlage 1
Verkennend bodemonderzoek
Provincialeweg 15B, Bergambacht
27
28
Provincialeweg 15B, Bergambacht
Bijlage 2
Akoestisch onderzoek
Provincialeweg 15B, Bergambacht
29
30
Provincialeweg 15B, Bergambacht
Bijlage 3
Quickscan wet natuurbescherming
Provincialeweg 15B, Bergambacht
31
32
Provincialeweg 15B, Bergambacht
Bijlage 4
Quickscan archeologie
Provincialeweg 15B, Bergambacht
33
34
Provincialeweg 15B, Bergambacht
Provincialeweg 15B, Bergambacht
35
36
Provincialeweg 15B, Bergambacht