BIJL 3: Bijlagen bij plantoelichting Bestemmingsplan IJsseldijk-West 13 Ouderkerk aan den IJssel
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN IJSSELDIJK WEST 13 Gemeente Krimpenerwaard 27 augustus 2024
1/2
Inhoudsopgave
Bijlagen toelichting
5
Bijlage 1
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
7
Bijlage 2
Participatieverslag
31
Bijlage 3
Quickscan ecologie
35
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
67
Bijlage 5
Archeologisch onderzoek
157
Bijlage 6
Verkennend bodemonderzoek IJsseldijk West 13
201
Bijlage 7
Stikstofmemo IJsseldijk West 13
283
Bijlage 8
Stikstofberekening realisatiefase IJsseldijk West 13
289
Bijlage 9
Stikstofberekening gebruiksfase IJsseldijk West 13
297
Bijlage 10
Besluit Hogere waarden
305
Bijlage 11
Beoordelingsbesluit m.e.r.
313
Bijlage 12
Nota zienswijzen
317
3/318
4/318
Bijlagen toelichting
5/318
6/318
Bijlage 1
7/318
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
BESTEMMINGSPLAN IJSSELDIJK WEST 13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 27 november 2023
1/22
DATUM KENMERK PROJECT PROJECTLEIDER
27 november 2023 Bestemmingsplan IJsseldijk ir. L.C. Snel
OPDRACHTGEVER U-Build PROJECTNUMMER 20221574
2/22
INHOUD 1.
2.
3.
3/22
Inleiding
5
1.1 1.2 1.3
Aanleiding Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in? Leeswijzer
5 5 5
Plaats en kenmerken van het project
6
2.1 2.2
Plaats van het project Kenmerken van het project 2.2.1 Huidige situatie 2.2.2 Beoogde ontwikkeling
6 8 8 9
Kenmerken van de milieueffecten
11
3.1
Verkeer en parkeren 3.1.1 Toetsingskader 3.1.2 Beoordeling effecten 3.1.3 Conclusie
11 11 11 12
3.2
Geluid 3.2.1 3.2.2 3.2.3
12 12 12 14
Toetsingskader Beoordeling effecten Conclusie
3.3
Luchtkwaliteit 3.3.1 Toetsingskader 3.3.2 Beoordeling en conclusie 3.3.3 Conclusie
14 14 14 15
3.4
Externe veiligheid 3.4.1 Toetsingskader 3.4.2 Beoordeling effecten 3.4.3 Conclusie
15 15 15 16
3.5
Bodem 3.5.1 Toetsingskader 3.5.2 Beoordeling effecten 3.5.3 Conclusie
16 16 17 17
3.6
Water 3.6.1 3.6.2 3.6.3
toetsingskader Beoordeling effecten Conclusie
17 17 17 18
3.7
Ecologie 3.7.1 Beoordeling effecten 3.7.2 Conclusie
18 19 19
3.8
Archeologie en cultuurhistorie 3.8.1 Toetsingskader 3.8.2 Effect beoordeling
19 19 20
3.8.3
4.
4/22
Conclusie
20
Mitigerende maatregelen en conclusie
22
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
In de noordwesthoek van de kern Ouderkerk aan den IJssel ligt een voormalige boerderij aan de binnenzijde (zuidzijde) van bebouwingslint langs de IJsseldijk. Op het betreffende perceel aan de IJsseldijk West 13 bevindt zich naast de voormalige boerderij ook een groot bijgebouw. De initiatiefnemer heeft het voornemen om op deze locatie woningen te realiseren. Het voornemen betreft de realisatie van een appartementengebouw met maximaal 32 appartementen. Deze ontwikkeling is niet toegestaan op basis van het geldende bestemmingsplan 'IJsseldijk-West'. De initiatiefnemer heeft daarom in 2022 een principeverzoek ingediend voor de ontwikkeling van het appartementengebouw. De gemeente heeft in 2023 -na diverse aanpassingen aan het eerdere plan- het besluit genomen om medewerking te verlenen aan de ontwikkeling. Op basis daarvan is een bestemmingsplan opgesteld. In het Besluit milieueffectrapporten (Besluit m.e.r.) is vastgelegd wanneer een milieueffectrapport (MER) of een milieueffectbeoordeling (m.e.r.-beoordeling) moet worden opgesteld bij projecten, plannen en besluiten. Voor dit bestemmingsplan is het volgende onderdeel van belang: Besluit milieueffectrapportage categorie D (sectie D 11.2) De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
Bij overschrijding van de volgende drempelwaarden dient een m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld, voor kleinere hoeveelheden is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig: ● een oppervlakte van 100 hectare of meer; ● een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen of; ● een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. In onderhavig geval worden de drempelwaarden niet overschreden en is dus een vormvrije m.e.r-beoordeling nodig.
1.2
Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in?
In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: ● de plaats van het project; ● de omvang van het project; ● de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet de hiervoor genoemde aspecten, waarbij mogelijke mitigerende maatregelen mogen worden betrokken.
1.3
Leeswijzer
Deze m.e.r.-beoordelingsnotitie: ● beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project; ● licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; ● geeft ten slotte in hoofdstuk 4 de conclusie weer voor de m.e.r.-beoordeling.
5/22
2. PLAATS EN KENMERKEN VAN HET PROJECT 2.1
Plaats van het project
Het plangebied vormt min of meer de westelijke entree van de dorpskern Ouderkerk aan den IJssel. De IJsseldijk West, een belangrijke waterkering, ontsluit hier het dorp en vormt de noordelijke begrenzing van het plangebied. Achter deze waterkering stroom de Hollandsche IJssel. Oostelijk grenst het plangebied aan de Abelenlaan een belangrijke ontsluitingsweg naar de kern Ouderkerk aan den IJssel. Het plangebied zal vanaf deze weg worden ontsloten. Ten zuiden van het plangebied, aan de overzijde van een watergang, zijn een kerk en een bedrijventerrein te vinden. De westzijde van het plangebied grenst aan een naastgelegen woning in het dijklint.
Figuur 2-1 Ligging plangebied (bron: Rho adviseurs)
Beschermde gebieden – Milieugevoelige gebieden Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied is niet gelegen binnen een weidevogelleef- of foerageergebied en maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van circa 5 km en betreft het gebied Boezems Kinderdijk, zie figuur 2-2. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura-2000 gebied betreft Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein, gelegen op een afstand van circa 12,25 km. Het dichtstbijzijnde onderdeel van een natuurgebied behorende tot het NNN ligt op een afstand van circa 15 m, zie figuur 2-3. Ten slotte is het gebied niet gelegen in een waterwin- of grondwaterbeschermingsgebied, zie figuur 2-4.
6/22
Figuur 2-2 Globale ligging plangebied (weergegeven als rode punt) t.o.v. Natura 2000-gebied (natura2000.nl)
Figuur 2-3 Plangebied (rood omlijnd) en Natuurnetwerk Nederland. (Atlas leefomgeving)
7/22
Figuur 2-4 Grondwaterbeschermingskaart rondom bronnen voor drinkwater (Atlas leefomgeving)
2.2
Kenmerken van het project
2.2.1 Huidige situatie De ruimtelijke opbouw van Ouderkerk aan den IJssel wordt bepaald door het oorspronkelijke dijklint IJsseldijk West Dorpsstraat - IJsseldijk Noord en de Kerkweg, die haaks op de dijklint staat, ter hoogte van de Dorpsstraat. De belangrijkste ontsluiting van het dorp voert inmiddels niet meer over de Dorpsstraat, maar gaat over de Abelenlaan, die later overgaat in de Burgemeester Neetstraat. Het plangebied ligt in de oksel van IJsseldijk West en de Abelenlaan. Op de locatie staat in de huidige situatie een vrijstaand woonhuis/voormalige boerderij met oprit aan de IJsseldijk-West. Op het perceel staan twee gebouwen, waarvan één gebruikt wordt als woonhuis en de andere voor opslag. Een impressie van het plangebied is weergegeven in onderstaand figuur.
8/22
Figuur 2-5 Impressie huidige situatie plangebied (bron: Google maps Streetview)
2.2.2 Beoogde ontwikkeling In de nieuwe situatie wordt een bouwvolume op de locatie gerealiseerd met 32 appartementen, verdeeld over vier bouwlagen. 25% van de appartementen worden koopwoningen in de categorie betaalbare koop en de worden koopwoningen in de categorie middelduur en duur. De gebouwmassa is vormgegeven als een solitair, compact en alzijdig volume op het perceel. Her gebouw sluit qua maat en schaal aan op de ruime maat van het perceel en de aanwezige hoogteverschillen.
Figuur 2-6 Impressie
Het perceel wordt ontsloten via de Abelenlaan. De parkeerplaatsen worden aan de zuid- en westzijde gesitueerd, de inpandige bergingen komen in de begane grond van het gebouw.
9/22
Figuur 2-7 Verkavelingsopzet
Cumulatie met andere projecten Er zijn geen andere projecten bekend in de omgeving die van invloed zijn op de milieuaspecten van het voorliggende plan.
10/22
3. KENMERKEN VAN DE MILIEUEFFECTEN 3.1
Verkeer en parkeren
3.1.1 Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer is er geen specifieke wetgeving van toepassing. In algemene zin is het bij nieuwe ontwikkelingen van belang om aan te tonen dat het verkeer op een goede en veilige wijze kan worden afgewikkeld. Beoordelingscriteria Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van verkeer zijn de volgende criteria van belang: ● gevolgen voor de verkeersafwikkeling: de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling en de capaciteit van de ontsluitende wegen en kruispunten; ● gevolgen voor de verkeersveiligheid: de vormgeving en weginrichting versus de te verwachten verkeersintensiteiten; ● parkeerbehoefte en gevolgen voor de parkeerdruk in de omgeving: de parkeerbehoefte van de beoogde functie en de wijze waarop daarin wordt voorzien. 3.1.2 Beoordeling effecten Verkeersgeneratie en -afwikkeling De ontwikkeling heeft een verkeersaantrekkende werking. Met kencijfers van het CROW is de verkeersgeneratie van de woningen bepaald. Hierbij wordt op basis van CBS-data voor de gemeente Krimpenerwaard een stedelijkheidsgraad van 'weinig stedelijk' aangehouden. Voor het gebiedstype wordt uitgegaan van een ligging in 'schil centrum'. Zie onderstaande tabel voor de beoogde verkeersgeneratie. Tabel 3-1 Toekomstige verkeersgeneratie
Koop, appartement, duur Koop, appartement, midden Koop, appartement, goedkoop Totaal
Aantal woningen 15
Kencijfer verkeersgeneratie 7,4 per woning
Weekdag (mvt/etmaal) 110,0
Werkdag (mvt/etmaal) 123,2
9
6,0 per woning
54,0
60,0
8
5,4 per woning
43,2
48,0
208,2 mvt/etmaal
231,2
32
In de huidige situatie is 1 vrijstaande woning aanwezig. Deze woning heeft een verkeersgeneratie van 8,2 mvt/etmaal op een weekdag en 9,1 mvt/etmaal op een werkdag. De verkeerstoename op een weekdag komt uit op 200 mvt/etmaal en op een werkdag 223 mvt/etmaal. Afgaande op de weginrichting van de verschillende ontsluitingswegen, kan worden geconcludeerd dat deze wegen over voldoende capaciteit beschikken om het verkeer dat gegenereerd wordt door de voorgenomen ontwikkeling goed te kunnen verwerken. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een onacceptabele verkeerstoename op de bestaande wegen. Parkeren Parkeren vindt op maaiveldniveau plaats aan de zuidzijde van het appartementengebouw. Op basis van de parkeernormen uit de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' zijn 50 parkeerplaatsen benodigd, zie onderstaande tabel.
11/22
Tabel 3-2 Benodigde parkeerplaatsen
Koop, appartement, duur Koop, appartement, midden Koop, appartement, goedkoop Totaal
Aantal woningen 15
Parkeerkencijfer 1,7 per woning
Totaal 25,5
9
1,5 per woning
12,0
8
1,4 per woning
12,6
32
50
3.1.3 Conclusie Het plangebied wordt goed ontsloten voor het gemotoriseerd verkeer. De parkeerbehoefte van de ontwikkeling is berekend en wordt opgelost binnen de plangrenzen. Daarnaast zal het extra verkeer wat als gevolg van de ontwikkeling wordt gegenereerd niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op verkeer en parkeren.
3.2
Geluid
3.2.1 Toetsingskader Het aspect 'geluid' gaat over geluidhinder op geluidsgevoelige objecten als gevolg van verkeer en industrie. De Wet geluidhinder (Wgh) is hiervoor het toetsingskader. Rondom wegen met een maximumsnelheid van meer dan 30 km/uur, spoorwegen en aangewezen bedrijven(terreinen) zijn geluidszones van toepassing. Als er geluidsgevoelige objecten, zoals woningen, binnen deze zones worden toegevoegd, dan moet de geluidsbelasting op de gevels hiervan worden bepaald en getoetst worden aan de normen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ● ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; ● rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. 3.2.2 Beoordeling effecten Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt in de wettelijke geluidzone van de Abelenlaan en de IJsseldijk West. Daarnaast ligt het plangebied in de nabijheid van de Dorpsstraat die een maximumsnelheid van 30 km/uur heeft. In het kader van een goed woon- en leefklimaat is deze weg ook onderzocht. Abelenlaan - IJsseldijk West De geluidbelastingen zijn berekend op de gevels van de toekomstige appartementen op 1,5, 4,5, 7,5 en 10,5 meter hoogte boven maaiveld.
De berekende geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeer op de Abelenlaan - IJsseldijk West zijn weergegeven in onderstaande tabel.
12/22
Tabel 3-3 Benodigde hogere waarden
Uit de resultaten blijkt dat de hoogste geluidbelasting 56 dB bedraagt ter plaatse van de noordgevel. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. Er dienen hogere waarden te worden aangevraagd voor de appartementen met een hogere geluidbelasting dan 48 dB. Dorpsstraat De hoogste geluidbelasting ten gevolge van de Dorpsstraat (30 km/uur) bedraagt 37 dB (inclusief aftrek van 5 dB ex artikel 110g Wgh) ter plaatse van de oostgevel. Vanwege deze weg is er geen relevante geluidbelasting. Er wordt ruim voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. In de rapportage is beschreven dat bron- en overdrachtsmaatregelen niet voldoende doelmatig zijn. Daarom dienen maatregelen bij de ontvanger getroffen te worden. Dit wordt hieronder toegelicht. De gemeente Krimpenerwaard heeft geluidbeleid opgesteld met voorwaarden voor het verlenen van hogere waarden. Wanneer de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai groter is dan 53 dB, dienen de appartementen een geluidluwe gevel te hebben en elk appartement heeft ten minste één buitenruimte die aan de geluidluwe gevel ligt. De appartementen die aan de zuidgevel grenzen hebben allemaal, op elke verdieping, een 'natuurlijk' geluidluwe gevel. Hiermee wordt voldaan aan het geluidbeleid. Om voor appartementen 01-06-15 en 24 ook geluidluwe buitenruimten te realiseren worden deze appartementen voorzien van een afsluitbare loggia.
De appartementen die grenzen aan de noordgevel hebben een hoge geluidbelasting en worden voorzien van een afsluitbare loggia. Met deze voorziening worden geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte gerealiseerd. Een afsluitbaar balkon/loggia kan gerealiseerd worden door M-View balkonbeglazing met Silent Air ventilatie box of een te openen balkonbeglazing met een Merford ventilatierooster. Voor de ventilatie van het balkon moet rekening gehouden worden met 3 dm3/s per m2 oppervlakte van het balkon/loggia. Dan mag er rekening mee gehouden worden dat er buitenluchtcondities zijn in de afgesloten buitenruimte en kan de scheidingsconstructies tussen verblijfsruimten het balkon beschouwd worden als gevel in de zin van de Wet geluidhinder. Met beide voorgestelde voorzieningen kan de benodigde 8 dB geluidreductie behaald worden. Conclusie Om het plan te kunnen realiseren zijn vanwege de Abelenlaan – IJsseldijk West hogere waarden nodig. Door het toepassen van afsluitbare loggia's kan voldaan worden aan de gestelde voorwaarden voor het verlenen van hogere waarden conform het geluidbeleid van de Omgevingsdienst Midden-Holland. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
13/22
Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. Geluid – VNG bedrijven en milieuzonering In de beoogde situatie worden woningen gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. In de omgeving van het plangebied bevinden zich naast woningen ook andere functies en een ontsluitingsweg waardoor de omgeving van het plangebied getypeerd kan worden als een 'gemengd gebied'. Rondom het plangebied bevinden zich vooral functies die in milieucategorie 1 en 2 vallen met een maximale richtafstand van 10 meter in een gemengd gebied. De afstand van het plangebied tot deze functies is groter dan 10 meter. Daarnaast heeft het plangebied reeds de bestemming 'wonen' waardoor de ontwikkeling geen belemmering vormt voor de omliggende functies. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich het bedrijventerrein waar planologisch bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 toegestaan zijn. De bijbehorende richtafstand is 30 meter in een gemengd gebied. De afstand van de gevel van de beoogde woning tot dit bedrijventerrein is groter dan 30 meter. Ook aan deze afstand wordt voldaan. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich ook een kerk. Kerken vallen in milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter in een gemengd gebied.
De afstand van het plangebied tot deze kerk bedraagt circa 30 meter. Er wordt voldaan aan deze richtafstand. 3.2.3 Conclusie Ten gevolge van wegverkeerslawaai dienen hogere waarden te worden vastgesteld. In de omgeving van het uitwerkingsgebied zijn verder geen bedrijven aanwezig die van invloed kunnen zijn op de leefomgevingskwaliteit, middels geluidoverlast, ter plaatse van het plangebied.
3.3
Luchtkwaliteit
3.3.1 Toetsingskader Voor luchtkwaliteit is de Wet milieubeheer (hoofdstuk luchtkwaliteitseisen) leidend. Hierin is onder andere opgenomen dat een ontwikkeling doorgang kan vinden indien wordt voldaan aan de grenswaarden, of indien een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen (bijdrage minder dan 3% van de grenswaarde). Beoordelingscriteria Bij de beoordeling van de luchtkwaliteit voor nieuwe woningen zijn de volgende criteria van belang: ● Gevolgen voor de concentraties luchtverontreinigende stoffen in relatie tot de wettelijke grenswaarden luchtkwaliteit (NO2, PM10,PM2,5) uit de Wet milieubeheer; ● Gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende gevoelige functies. In de Wet luchtkwaliteit zijn normen gesteld voor de concentraties voor met name NO2, PM10 en PM2,5. 3.3.2 Beoordeling en conclusie Het plan betreft de realisatie van 32 woningen. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit 2022. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Abelenlaan. Uit het CIMLK blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021; 17,3 µg/m³ voor NO2, 16,7 µg/m³ voor PM10 en 9,4 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen.
14/22
3.3.3 Conclusie De luchtkwaliteit ter plaatse is van goede kwaliteit. De beoogde ontwikkeling heeft geen significant effect op de luchtkwaliteit ter plaatse. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.
3.4
Externe veiligheid
3.4.1 Toetsingskader Voor de beoordeling van externe veiligheid zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) bevat de regels rondom transportroutes (over de weg, het spoor en het water) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) de regels met betrekking tot risicorelevante buisleidingen.
Beoordelingscriteria Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van externe veiligheid zijn de volgende criteria van belang: ● gevolgen voor de risicosituatie (plaatsgebonden risico en groepsrisico) van omliggende risicobronnen; ● gevolgen van de beoogde activiteiten voor de risicosituatie ter plaatse van omliggende kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. 3.4.2 Beoordeling effecten De beoogde ontwikkeling maakt geen risicovolle bronnen mogelijk. Er worden woningen mogelijk gemaakt welke te typeren zijn als kwetsbaar object. Vervoer van gevaarlijke stoffen Uit de informatie op de risicokaart blijkt dat de hogedrukaardgasleiding A-518 zich ten zuidwesten van het plangebied bevindt. Het invloedsgebied van deze hogedrukaardgasleiding bedraagt 380 meter. De afstand van het plangebied tot deze hogedrukaardgasleiding is circa 420 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied van deze hogedrukaardgasleiding. Het groepsrisico hoeft niet berekend of verantwoord te worden. Ten noorden van het plangebied bevindt zich het spoortraject Rotterdam Blijdorp - Gouda waarover vervoer van gevaarlijke stoffen van o.a. de stofcategorie D4 plaatsvindt. Het invloedsgebied hiervan is 4 kilometer. De afstand van het plangebied tot dit spoortraject is circa 3 kilometer.
Omdat dit groter is dan 200 meter, kan er volgens het Bevt worden voldaan met een beknopte verantwoording en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
15/22
Figuur 3-1 Ligging van de leiding en plangebied
3.4.3 Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Vanwege omvang van de beoogde ontwikkeling en ruime afstand tot de weg en het spoortraject zal het groepsrisico niet merkbaar toenemen. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Zodoende worden er geen negatieve effecten verwacht omtrent externe veiligheid.
3.5
Bodem
3.5.1 Toetsingskader De overheid streeft naar duurzaam gebruik van de bodem, door middel van het schoonmaken van ernstig verontreinigde grond (saneren), licht verontreinigde grond blijvend te beheren en schone grond schoon te houden. Bij een functiewijziging dient te worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Daarnaast geeft de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) invulling aan het bodembeschermingsbeleid met betrekking tot bedrijfsmatige activiteiten. Beoordelingscriteria Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van bodem zijn de volgende criteria van belang: ● huidige bodemkwaliteit en geschiktheid voor de beoogde functies(s); ● effect van de beoogde ontwikkeling op de bodemkwaliteit;
16/22
3.5.2 Beoordeling effecten In 2022 is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door RSK Netherlands. Dit onderzoek is toegevoegd in de bijlagen bij het bestemmingsplan. In dit onderzoek zijn geen sterk verontreinigende stoffen aangetroffen waardoor er geen aanleiding is om te veronderstellen dat er op de locatie sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het aspect 'bodem' zal daarom geen probleem opleveren voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.5.3 Conclusie Er zijn geen ernstige bodemverontreinigingen aangetroffen. De bodem is geschikt voor de voorgenomen woonfunctie. De woonfunctie zelf vormt geen gevaar voor de bodemkwaliteit, zodoende zijn er geen negatieve effecten omtrent de bodem(kwaliteit).
3.6
Water
3.6.1 toetsingskader Het toetsingskader voor water wordt met name gevormd door de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de uitwerking daarvan en de Waterwet en onderliggende uitvoeringsregels. De provincie en het waterschap hebben dit uitgewerkt in regionaal beleid en uitvoeringsplannen. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Beoordelingscriteria Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van water zijn de volgende criteria van belang: ● Effecten op de waterhuishouding: waterkwantiteit, waterberging en waterkwaliteit; ● Effecten op de waterkeringen en waterveiligheid; ● Effecten op waterketen; 3.6.2 Beoordeling effecten Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard stelt als eis dat 5% van de toename in verharding gecompenseerd dient te worden als deze toename meer dan 500 m2 bedraagt. In de toekomstige situatie neemt het verharde oppervlak af met circa 46 m2. Het plangebied bevindt zich in de beschermingszone (WBZ-4) van een waterkering. Ook bevindt het noordelijke deel van het plangebied zich in de kernzone van de waterkering. Werkzaamheden binnen deze zones zijn vergunningplichtig.
17/22
Figuur 3-2 Ligging waterkering
3.6.3 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
3.7
Ecologie
Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dieren plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: ● Natura-2000 gebieden; ● Natuurnetwerk Nederland (NNN) In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: ● soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; ● Soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; ● overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen en de voorwaarden waaronder Gedeputeerde Staten hiervan ontheffing of
18/22
Provinciale Staten hiervan vrijstelling kunnen verlenen. Beoordelingscriteria Bij de beoordeling van de effecten op het gebied van natuur zijn de volgende criteria van belang: ● gebiedsbescherming: aantasting of verstoring van Natura 2000 of Natuurnetwerk Nederland; ● soortenbescherming: aantasting of verstoring van bestaande natuurwaarden. 3.7.1 Beoordeling effecten Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied is niet gelegen binnen weidevogelleefgebied en maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen gezien de afstand worden uitgesloten. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten. In de bijlagen bij het bestemmingsplan zijn daarom de depositie-effecten als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase op het Natura 2000-gebied bepaald. Uit deze berekeningen blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr.
Soortenbescherming Om te bepalen wat de effecten van de ontwikkeling op beschermde dier- en plantensoorten zijn, is een quickscan ecologie uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in de bijlagen bij het bestemmingsplan. Uit het onderzoek blijkt dat het voorkomen van en negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen en broedvogels met vaste rust- en verblijfsplaatsen wordt uitgesloten. In verband met de mogelijk aanwezigheid van algemene broedvogels in de tuin is het noodzakelijk om de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat vogels niet tot broeden komen. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig in de tuin. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in de Provincie Zuid-Holland. Om de rugstreeppad zich niet te laten vestigen in het plangebied, gedurende de aanlegfase, is het van belang om het ontstaan van waterplassen op het land te voorkomen. Op grond van bovenstaande analyse worden negatieve effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de sloop en nieuwbouw van woonbebouwing aan de IJsseldijk West 13 is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. De zorgplicht blijft onverkort van kracht.
Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Voor- en gedurende de uitvoering dient hierbij rekening gehouden te worden. Daarom dient er één kant op gewerkt te worden bij de start van de werkzaamheden zodat eventueel aanwezige amfibieën en algemene zoogdieren het plangebied kunnen verlaten. 3.7.2 Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Ook zijn ter plaatse geen beschermde dier- en plantensoorten aanwezig. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling omtrent ecologie kunnen zodoende worden uitgesloten.
3.8
Archeologie en cultuurhistorie
3.8.1 Toetsingskader De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De
19/22
Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten. 3.8.2 Effect beoordeling Het plangebied ligt in een zone die is geclassificeerd als Waarde Archeologie 3 en een gedeelte Waarde Archeologie 2 (zie figuur 3-3). Hier geldt een onderzoekseis bij bodemingrepen dieper dan 0,30 meter onder maaiveld en groter dan 100 m2 bij WA-3 en voor WA-2 groter dan 50 m2. Omdat het project voorziet in grotere bodemingrepen is er een archeologisch onderzoek uitgevoerd.
Figuur 3-3 Uitsnede archeologische beleidskaart
Het archeologisch onderzoek is toegevoegd als bijlage bij het bestemmingsplan. 3.8.3 Conclusie Beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve effecten voor archeologie of cultuurhistorie. Uit het bureauonderzoek en het veldonderzoek bleek dat het plangebied is gelegen op IJssel-klei op veen. Op basis hiervan konden in het plangebied verschillende archeologische niveaus voorkomen. Voor de periode vóór de Late Middeleeuwen gold een lage verwachting, omdat het plangebied destijds een veengebied vormde. Tijdens het veldonderzoek zijn inderdaad de verwachte komafzettingen aangetroffen en zijn geen aanwijzingen gezien om de lage archeologische verwachting voor de periode tot de Late Middeleeuwen aan te passen. In de Late Middeleeuwen werd het plangebied ontgonnen. Resten uit de periode Late Middeleeuwen tot de Nieuwe Tijd werden op basis van het bureauonderzoek verwacht in de top van de IJssel-klei en in eventueel daarop gelegen ophooglagen vanaf het maaiveld. Specifiek werd verwacht dat de oudste resten uit de 17e of 18e eeuw zullen dateren, toen de eerste bewoning is ontstaan binnen het plangebied.
20/22
De resten uit dit niveau zouden naar verwachting behoren tot bewoning en bestaan uit muurresten, beerputten, waterputten, afvalkuilen, aardewerk, natuursteen, schelp, glas, hout, bot en leer. Mogelijk zijn de resten van oudere bewoningsfasen verstoord door latere bouwfasen. Mogelijk zijn de oudere resten begraven onder later aangebrachte ophogingslagen. Tijdens het veldonderzoek zijn relatief dunne resten IJssel-oeverklei aangetroffen, maar op basis van deze geringe overgebleven dikte worden hierin geen archeologische resten uit de periode vanaf de Late Middeleeuwen verwacht. Hoewel ook het niveau van de oude bouwvoor werd aangetroffen onder een dik ophogingspakket, werden daarin enkel sporen gezien van het bombardement uit de Tweede Wereldoorlog dat in het plangebied heeft plaatsgevonden. Vandaar dat de hoge archeologische verwachting voor de periode vanaf de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd naar laag kan worden bijgesteld. Op basis van dit onderzoek is een advies uitgebracht. De gemeente geeft aan dat er op basis van het eerdere milieukundig onderzoek mogelijk sprake is van plaatselijke verstoring en ophoging, zodat de 18e/19e eeuwse resten van bebouwing nog intact aanwezig kunnen zijn. Ook is niet bekend hoe de riolering, kabels en leidingen worden aangelegd. Daarom is er een vervolgonderzoek nodig in de vorm van een gravend onderzoek.
21/22
4. MITIGERENDE MAATREGELEN EN CONCLUSIE Uit de informatie in deze m.e.r.- beoordeling blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Ten gevolge van de gezoneerde Abelenlaan - IJsseldijk West wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden daarom wordt voorgesteld dat het college van Burgemeester en Wethouders de in tabel 3-3 genoemde hogere waarden vast te stellen. Daarnaast dient nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd om te bepalen of ter plaatse archeologische resten aanwezig zijn. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen.
22/22
30/318
Bijlage 2
31/318
Participatieverslag
Verslag Participatieverslag Nieuwbouwplan IJsseldijk-West 13 Datum: 13 juni 2023 Opsteller: J.L. Kik Betreft: Participatieverslag Nieuwbouwplan IJsseldijk-West 13 De informatieavond heeft zich gericht op de directe omwonenden en ondernemers binnen een straal van ongeveer 100 meter vanaf de projectlocatie. Hun inbreng is van groot belang om de impact van het nieuwbouwplan op de lokale gemeenschap en omgeving te begrijpen. Het doel van dit verslag is om een overzicht te bieden van de reacties van de aanwezigen op de informatieavond en te identificeren welke van deze reacties mogelijk kunnen leiden tot aanpassingen in het voorgestelde ontwerp bestemmingsplan voor het nieuwbouwproject IJsseldijk-West 13. In totaal zijn er ongeveer 40 uitnodigingen verstuurd. Zie voor de uitnodigingsbrief bijlage 1. Opkomst en deelnemers: De informatieavond heeft enkel directe omwonenden aangetrokken. Dit heeft geresulteerd in een beperkt maar relevant publiek dat zijn zorgen, suggesties en meningen heeft gedeeld over het voorgestelde nieuwbouwplan. Belangrijkste reacties: Tijdens de informatieavond zijn de omwonenden bevraagd op twee specifieke aspecten van het nieuwbouwplan: wat zij positief vinden aan het plan en welke verbeterpunten zij zien. Hieronder volgt een samenvatting van enkele opmerkingen die naar voren zijn gebracht: Positieve aspecten:
Enkele omwonenden hebben het nieuwbouwplan als "prachtig" bestempeld. Enkele omwonenden verwelkomen de toevoeging van appartementen in het gebied. Er is waardering voor het ontwerp en materiaalkeuze van het voorgestelde nieuwbouwplan. Er werd opgemerkt dat het nieuwbouwplan een mooie vertaling is van de oorspronkelijke Steenplaatsen naar een modern ontwerp.
Verbeterpunten en zorgen:
Er zijn zorgen geuit over de inkijk vanaf de balkons in de tuinen van de omliggende woningen. Bezorgdheid over de lichtinval van koplampen van auto's bij de in-/uitrit. Voor sommige omwonenden is de belemmering van uitzicht als gevolg van het nieuwbouwplan een punt van zorg. Er is kritiek op de grootte en moderne uitstraling van het nieuwbouwplan, met de suggestie dat het nieuwbouwplan meer moet passen bij de omgeving en dan specifiek het huidige dijklint. Een omwonende wil graag een wooncomplex in boerderijstijl zien.
Er zijn oproepen geweest om het nieuwbouwplan om te zetten in twee jaren 30 villa's met appartementen en starterswoningen. Er is bezorgdheid geuit over de afname van de waarde van omliggende woningen door de komst van het nieuwbouwplan. Enkele bewoners geven aan verbaasd en daardoor negatief over het bouwplan te zijn aangezien zij zeer negatieve ervaringen hebben over hun eigen (afgewezen) verzoeken tot nieuwbouw in en nabij het dijklint
Conclusie en vervolgstappen: Dit participatieverslag bevat de belangrijkste reacties van de omwonenden op het nieuwbouwplan. Het biedt een overzicht van zowel positieve reacties als zorgen en verbeterpunten die van invloed kunnen zijn op het nieuwbouwplan. Het stelt de gemeente en de ontwikkelaar in staat om de komende periode duidelijk te communiceren waarom bepaalde reacties al dan niet hebben geleid tot de aanpassing van het nieuwbouwplan. Bijlage 1: Uitnodiging inloopavond d.d. 25 April 2023
34/318
Bijlage 3
35/318
Quickscan ecologie
QUICK SCAN BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN IJSSELDIJK WEST 13 TE OUDERKERK AAN DEN IJSSEL
Eindrapport
QUICK SCAN BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN IJSSELDIJK WEST 13 TE OUDERKERK AAN DEN IJSSEL
rapportnummer 2023.4256 augustus 2023 In opdracht van: Kairos Estate Beheer II BV Ridderstraat 6 2981 HA Ridderkerk
Adviesbureau Mertens B.V.
Bureau voor natuur, ruimtelijke ordening en natuurwetgeving Utrechtseweg 120, 6871 DV Renkum 06-29458456 info@adviesbureau-mertens.nl www.adviesbureau-mertens.nl
© Adviesbureau Mertens BV, Renkum, 2023. Deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming vrij worden vermenigvuldigd. De verzamelde data zijn alleen te gebruiken voor het hier geschetste onderzoek en mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt.
Quick scan beschermde planten- en diersoorten IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel. Eindrapport augustus 2023
INHOUDSOPGAVE
1. INLEIDING .......................................................................................................................................................... 2 1.1 INLEIDING ................................................................................................................................................. 2 1.2 HET PLANGEBIED EN DE PLANNEN .............................................................................................................. 2 1.3 DOELSTELLING VAN HET ONDERZOEK ........................................................................................................ 6 1.4 OPBOUW RAPPORT ................................................................................................................................... 6
2. BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN ............................................................................................... 7 2.1 WET NATUURBESCHERMING ...................................................................................................................... 7 2.2 OMGEVINGSWET ....................................................................................................................................... 7 2.3 RODE LIJST............................................................................................................................................... 8
3. METHODE......................................................................................................................................................... 10
4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING .................................................................................... 12 4.1 BESTAANDE GEGEVENS .......................................................................................................................... 12 4.2 FLORA .................................................................................................................................................... 12 4.2 VLEERMUIZEN ......................................................................................................................................... 12 4.4 OVERIGE ZOOGDIEREN............................................................................................................................ 13 4.5 BROEDVOGELS ....................................................................................................................................... 15 4.6 AMFIBIEËN .............................................................................................................................................. 18 4.7 VISSEN ................................................................................................................................................... 18 4.8 REPTIELEN .............................................................................................................................................
18 4.9 OVERIGE ................................................................................................................................................ 20
5. SAMENVATTENDE CONCLUSIE .................................................................................................................... 21
GERAADPLEEGDE LITERATUUR ...................................................................................................................... 22
BIJLAGEN ............................................................................................................................................................ 23 1. PLANGEBIED ......................................................................................................................................... 24 2. BEGRIPPEN ........................................................................................................................................... 25 3. VOORWAARDEN ................................................................................................................................... 27
Adviesbureau Mertens
1
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel. Eindrapport augustus 2023
1. INLEIDING
1.1 Inleiding Er is het voornemen voor sloop en nieuwbouw van woonbebouwing aan de IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel (zie figuur 1 voor de globale ligging en bijlage 1 voor de exacte ligging en begrenzing van het plangebied). De aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. Op grond hiervan is aan Adviesbureau Mertens B.V. uit Renkum gevraagd om een verkennend veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van wettelijk beschermde soorten en indien aanwezig, aan te geven hoe hiermee dient te worden omgegaan. In dit rapport worden de resultaten van deze verkenning gepresenteerd.
Figuur 1. Globale ligging van het plangebied aan de IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel (rood).
1.2 Het plangebied en de plannen Aan de IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel is een woning, schuur en tuinhuisje gelegen met rondom bestrating en tuin. Rond deze woning ontbreekt het aan oppervlaktewater. Het initiatief bestaat uit de sloop van de opstallen (schuur en woning), het bouwrijp maken van het gebied en de realisatie en het gebruik van een appartementencomplex. In figuur 2 wordt een beeld gegeven van het plangebied op dinsdag 10 mei 2023.
Adviesbureau Mertens
2
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel. Eindrapport augustus 2023
Figuur 2. Foto-impressie van het plangebied aan de IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel op dinsdag 10 mei 2023. Adviesbureau Mertens
3
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel. Eindrapport augustus 2023
Vervolg figuur 2. Foto-impressie van het plangebied aan de IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel op dinsdag 10 mei 2023. Adviesbureau Mertens
4
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel. Eindrapport augustus 2023
Vervolg figuur 2. Foto-impressie van het plangebied aan de IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel op dinsdag 10 mei 2023.
Adviesbureau Mertens
5
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel. Eindrapport augustus 2023
Figuur 3. Beeld van de plannen aan de IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel.
1.3 Doelstelling van het onderzoek De doelstelling van het onderzoek is tweeledig. Enerzijds wordt inzichtelijk gemaakt welke wettelijk beschermde natuurwaarden in het kader van de soortbescherming van planten- en diersoorten te verwachten zijn. Anderzijds worden de consequenties van deze aanwezigheid voor de planontwikkeling weergegeven. Gelet op de opdracht genoemd in de inleiding en de doelstelling, is het van belang dat de volgende vragen worden beantwoord: 1. Welke wettelijk beschermde planten- en diersoorten komen mogelijk voor ter plaatse van en in de directe omgeving van het plangebied aan de IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel? 2. Welke verwachte wettelijk beschermde planten- en diersoorten ondervinden nadelen van de plansituatie?
1.4 Opbouw rapport Na een korte uitleg over de soortbescherming van de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) komen achtereenvolgens aan de orde: - De onderzoeksmethode (hoofdstuk 3). - Een beschrijving van de aanwezigheid van beschermde soorten (hoofdstuk 4). - Een beoordeling van de effecten op beschermde soorten (hoofdstuk 5). In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van de gebruikte definities en afkortingen. In bijlage 3 worden de voorwaarden van het onderzoek weergegeven.
Adviesbureau Mertens
6
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel. Eindrapport augustus 2023
2. BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN
2.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet implementeert de Vogelen Habitatrichtlijn en andere verdragen in het nationaal natuurbeschermingsrecht. Het bevoegd gezag is Gedeputeerde Staten van de Provincie(s) waar een project wordt gerealiseerd. Gedeputeerde Staten kunnen deze bevoegdheid ook overdragen conform lid 7 van deze wet. Doorgaans zijn dit Omgevingsdiensten. De soortbescherming richt zich dan ook primair op de bescherming van plant- en diersoorten die genoemd zijn in deze richtlijnen. Daarnaast is een deel van de soorten van de Rode Lijst (zie paragraaf 2.2) beschermd via de Wet natuurbescherming. Voor alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten is de algemene zorgplicht van toepassing; handelen of nalaten die gevolgen kunnen hebben dienen achterwege gelaten te worden of er dienen maatregelen getroffen te worden om effecten te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Indien een plan resulteert in negatieve beïnvloeding van een soort of soorten kan ontheffing worden verleend conform artikel 3.3 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.1 en 3.2 (Vogelrichtlijnsoorten). Ontheffing kan worden verleend conform artikel 3.8 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.4 en 3.6 (Habitatrichtlijnsoorten).
De criteria voor ontheffingsverlening voor deze soorten zijn identiek aan die Vogel- en Habitatrichtlijn omdat deze richtlijnen zijn geïmplementeerd in het nationaal recht. Het nationaal recht staat het niet toe om hiervan af te wijken. De criteria zijn: in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren; ter bescherming van flora en fauna. Om in aanmerking te komen voor een ontheffing dienen mitigerende en eventueel compenserende maatregelen genomen te worden die tot gevolg hebben dat soorten niet nadelig worden beïnvloed in het voorkomen en gedurende de uitvoering van een project. Provincies kunnen voor de nationaal beschermde soorten een algemene vrijstelling verlenen. In de Provincie Zuid-Holland wordt voor een aantal soorten generieke vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het betreft o.a. aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat. 2.2 Omgevingswet Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking.
Deze wet zorgt er, simpel gezegd, voor dat alle regels over de fysieke leefomgeving duidelijker en overzichtelijker worden, de leefomgeving integraal wordt benaderd en leidt tot snellere en betere besluiten. In de Omgevingswet wordt ook de natuurbescherming geregeld die voorheen werd geregeld via de Wet natuurbescherming. Het doel is één wet voor alle activiteiten in de fysieke leefomgeving en is ingegeven door de vraag naar een eenvoudige en overzichtelijke wet. De Omgevingswet is meer gericht op maatwerk, door meer ruimte te geven aan overwegingen van decentrale overheden. De huidige Wet natuurbescherming wordt bij de inwerkingtreden ‘aangehaakt’ en de huidige onderdelen van de Wet natuurbescherming worden dus in het stelsel van de Omgevingswet opgenomen.
Adviesbureau Mertens
7
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel. Eindrapport augustus 2023 Het stelsel van de Omgevingswet zit wat anders in elkaar dan de huidige Wet natuurbescherming ondanks het aanhaken. In de Omgevingswet wordt niet gesproken over verbodsbepalingen met betrekking tot soorten, maar over het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten (art. 5.1. tweede lid, aanhef en onder g Omgevingswet). Wat de schadelijke handelingen zijn en hoe en welke soorten beschermd zijn, staat in Bal2 in §11.2.2 (soorten vogelrichtlijn), § 11.2.3 (soorten Habitatrichtlijn) en § 11.2.4 (andere soorten). In deze paragrafen staan de vergunningsplichtige en vergunningsvrije cases en uitzonderingen op de vergunningsplicht. De schadelijke handelingen waarvoor een omgevingsvergunning nodig is, komen overeen met de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Ook de beschermde gebieden en soorten komen overeen met die uit de Wet natuurbescherming. De aanvraagvereisten zijn wel vergroot (zie § 7.1.8a.2 t/m 7.1.8a.5). Er wordt meer informatie verlangd inzake de onderbouwing van onderzoek, deskundigheid van onderzoeker(s) en resultaten alsmede mitigatie- of compensatiemaatregelen. Het college moet nagaan of de aanvraag volledig is en de aanvrager zo nodig in de gelegenheid stellen om zijn aanvraag aan te vullen.
De volledigheidstoets houdt in dat het college nagaat of voor de aangevraagde activiteit een natuurvergunning nodig is. Net als onder de Wet natuurbescherming komt er onder de Omgevingswet weer een algemene vrijstelling voor algemene soorten zoals bosmuis en bruine kikker (art. 4.31 Or en bijbehorende bijlage V11c). Ook de zorgplicht van de Wet natuurbescherming is opgenomen onder de Omgevingswet. De Wet natuurbescherming stelt dat ‘een ieder’ voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht onder de Omgevingswet krijgt een bredere basis. In de Omgevingswet is immers een algemene zorgplicht opgenomen voor de gehele fysieke leefomgeving en specifieke zorgplichten in het Bal. Het betreft eventueel significant verstorende gevolgen op Natura 2000-gebieden (art. 11.6 Bal) en activiteiten met gevolgen voor in het wild levende dieren en planten (art. 11.27 Bal). In lid 1 wordt de algemene zorgplicht herhaald en in lid 2 wordt de specifieke zorgplicht voorgeschreven. In lid 2 is voorgeschreven hoe aan de zorgplicht moet worden voldaan, dit gaat dus verder dan de algemene zorgplicht.
Standaard aanvullend op Wet natuurbescherming is dat: Tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en Het verrichten van de activiteit wordt gestaakt, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen als zich, ondanks de getroffen maatregelen, verslechterende of significant verstorende gevolgen voordoen voor de leefgebieden, natuurlijke habitats of habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Vooralsnog lijkt het er op dat de Omgevingswet voor natuurbescherming niet veel veranderingen met zich mee zal brengen. De huidige Wet natuurbescherming wordt bij de inwerkingtreden immers ‘aangehaakt’. De lijn van ‘verzwaring van onderzoek en onderbouwing’ die sinds de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming in 2017 is ingezet, lijkt doorgang te vinden. Daarnaast is ‘monitoring van effecten’ en ‘staken activiteiten bij negatieve gevolgen’ standaard geworden onder de Omgevingswet dat voorheen alleen werd vereist voor in sommige vergunningen die verleend werden onder de Wet natuurbescherming.
2.3 Rode lijst De Rode lijst met bedreigde soorten zijn eind 2004 gepubliceerd in de Staatscourant en voor een deel in 2009 en 2017 herzien. Aan de op deze lijst genoemde soorten komt bescherming toe voor zover zij vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming.
2
Besluit en Regeling natuurbescherming (Bnb).
Adviesbureau Mertens
8
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel. Eindrapport augustus 2023 Tussen de Wet natuurbescherming en de Rode lijsten bestaat geen formele relatie. Alleen op basis van “gunstige staat van instandhouding” kunnen bij beschermde Rode lijstsoorten "zwaardere" randvoorwaarden gelden ten aanzien van mitigerende en compenserende maatregelen dan voor algemene soorten. Zo zal het bij zeer algemeen voorkomende soorten die gering afnemen in aantal (Rode lijstsoort met het criterium gevoelig) relatief eenvoudig zijn om aan te tonen dat de "gunstige staat van instandhouding" niet in het geding komt. Voor soorten met een beperkt verspreidingsbeeld en die afnemen in aantal (soorten van de Rode lijst met het criterium bedreigd of ernstig bedreigd) is een uitgebreide effectenstudie wenselijk. Voor deze soorten geldt namelijk de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Op deze manier wordt nader invulling gegeven aan de bescherming van soorten die in aantal en/of verspreiding afnemen.
Adviesbureau Mertens
9
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel. Eindrapport augustus 2023
3. METHODE
Op dinsdag 10 mei 2023 is een bezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving, gelegen aan de IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel. Gedurende dit bezoek is het gebied en de directe omgeving beoordeeld op het mogelijk voorkomen van beschermde planten- en diersoorten. Dit vond plaats aan de hand van aanwezige ecotopen en sporen. Voor het vaststellen van deze ecotopen en sporen is het dak van nabij geïnspecteerd door middel van ladderonderzoek (zie figuur 4). Daardoor was het mogelijk om de gehele woning af te zoeken of (sporen van) diersoorten. Na vaststelling van de aanwezigheid van volledig dichte vogelvides onder de dakpannen (de daken zijn dus ongeschikt als nestplaats voor bijvoorbeeld spreeuw en huismus) zijn de onderste dakpannen tevens gecontroleerd op nesten van vogels zoals mussen en spreeuwen. De onderste dakpannen zijn dus nagekeken op nesten nadat werd vastgesteld at nesten niet konden voorkomen. Er is daarnaast gebruik gemaakt van bestaande verspreidingsgegevens om het (potentieel) voorkomen van beschermde soorten te bepalen via o.a. Waarneming.nl, www.telmee.nl. en verspreidingsatlassen.
Figuur 4. Foto-impressie van het ladderonderzoek aan de IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel op dinsdag 10 mei 2023.
Adviesbureau Mertens
10
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel. Eindrapport augustus 2023
Vervolg figuur 4. Foto-impressie van het ladderonderzoek aan de IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel op dinsdag 10 mei 2023.
Adviesbureau Mertens
11
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel. Eindrapport augustus 2023
4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING
4.1 Bestaande gegevens Bestaande gegevens over het voorkomen van beschermde planten en diersoorten in en direct rond het plangebied aan de IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel berusten op enkele waarnemingen van vogels. Van vogels is onduidelijk of het broedvogels betreffen of dat het foeragerende / vliegende vogels zijn. Vleermuizen zijn alleen foeragerend waargenomen in de ruime omgeving. Verder zijn er waarnemingen van amfibieën in de (ruime) omgeving bekend.
4.2 Flora Het plangebied aan de IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel is volledig in cultuur gebracht en daarna enigszins verwilderd. Het plangebied is het pioniersstadium echter niet ontgroeid. Gedurende het verkennend veldonderzoek op dinsdag 10 mei 2023 zijn geen beschermde plantensoorten of resten van beschermde plantensoorten vastgesteld in of direct rond het plangebied. Ook zijn geen muurplanten vastgesteld gedurende het verkennend veldonderzoek op dinsdag 10 mei 2023. Beschermde planten komen doorgaans ook voor in specifieke ecotopen zoals vennen en zanverstuivingen. Dergelijke ecotopen komen niet voor. Op grond hiervan wordt de aanwezigheid van beschermde plantensoorten uitgesloten.
4.2 Vleermuizen Getoetst is op de verschillende functies die het plangebied kan hebben voor vleermuizen. Dit betreft plaatsen waar vleermuizen kunnen verblijven (verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en winterverblijfplaatsen), vaste routen tussen verblijfplaatsen in de zomer en winter; respectievelijk vlieg- en migratierouten en plaatsen en gebieden waar vleermuizen foerageren. De aanwezigheid van verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en overwinteringsplaatsen van vleermuizen kan volledig worden uitgesloten in de bebouwing. In de woning en schuur aan de IJsseldijk West 13 te Ouderkerk aan den IJssel zijn geen geschikte openingen vastgesteld waarin vleermuizen kunnen verblijven. Het ontbreekt aan geschikte openingen in muren en dak. In de muren en het dak ontbreekt het aan geschikte gaten waarin vleermuizen zich kunnen ophouden. Voegen zijn volledig gedicht en het dak is volledig aangesloten (zie figuur 5). De dakgoten lijken van recente datum en zijn gemaakt van plaatmateriaal met aan de binnenzijde doek en daardoor zijn er geen aansluitingen tussen muren en dakgoten waarin vleermuizen kunnen verblijven. Gedurende het verkennend veldonderzoek zijn ook geen sporen van vleermuizen vastgesteld zoals keutels en afgebeten vleugels van vlinders op bijvoorbeeld kozijnen van de woning.