BIJL 2h Toelichting bijlage 8 Quickscan wet Natuurbescherming C.G. Roosweg 23
Tekst van het document
QUICKSCAN Wet Natuurbescherming
QUICKSCAN Wet Natuurbescherming Zuidbroek 138 Bergambacht
C.G. Roosweg 23 Schoonhoven
IN OPDRACHT VAN
QUICKSCAN Wet Natuurbescherming C.G. Roosweg 23 Schoonhoven
R.J.S. Terlouw
COLOFON:
© Bui-TeGewoon | groenprojecten ◊ publicatie 2020/39 Ouderkerk aan den IJssel, augustus 2020 Auteur : R.J.S. Terlouw In opdracht van : Verstoep BV-Schoonhoven Disclaimer: De inhoud van dit rapport is met uiterste zorg samengesteld. De informatie in dit document wordt aangeboden zonder enige garantie. BUI-TEGEWOON | groenprojecten sluit alle aansprakelijkheid uit voor enigerlei directe of indirecte schade, van welke aard dan ook, die voortvloeit uit of verband houdt met het gebruik van dit document. Niets uit dit rapport mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt door middel van drukwerk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder schriftelijke toestemming van BUI-TEGEWOON | groenprojecten en de opdrachtgever, noch zonder toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.
INHOUDSOPGAVE
1]
Inleiding en doel
3.
2]
Locatie plangebied
3.
3]
Doel en centrale vraagstelling
4.
4]
Criteria 4.1. Algemene criteria 4.2. Reikwijdte
5. 5. 5.
5]
Werkwijze
6.
6]
Voorgenomen ontwikkeling
7.
7]
Bureaustudie & veldonderzoek 7.1. Beschermde natuurwaarden 7.2. Effect stikstof 7.3. Beknopte levering NDFF 7.4. Raadpleging overige bronnen 7.5. Locatie bezoek
8. 8. 9. 9. 10. 11.
8]
Beoordeling soortgroepen, beschermde soorten en –situaties 8.1. Algemeen 8.2. Habitat 8.3. Soorten en omstandigheden
13 13. 13. 14.
9]
Conclusie
16.
BIJLAGEN. 1. 2.
Verantwoording ecologische deskundigheid – Bui-TeGewoon | groenprojecten Beknopte levering NDFF
1
2
1]. Inleiding en doel Op de locatie C.G. Roosweg 23 te Schoonhoven worden voorbereidingen getroffen tot het verbouwen van een bestaande schuur tot woning. Voorafgaand aan een ruimtelijke procedure is ecologische informatie nodig om de voorgenomen ontwikkeling te onderbouwen. Hiervoor is het noodzakelijk om een QuickScan Wet Natuurbescherming op te stellen. De QuickScan moet inzicht geven in het mogelijk voorkomen van beschermde natuurwaarden op de te ontwikkelen locatie, alsmede of het ontwikkelingsplan effecten heeft op beschermde gebieden binnen de invloedsfeer van de voorgenomen maatregel. Wanneer het aannemelijk is dat er beschermde soorten en/of situaties aanwezig zijn kan aanvullend onderzoek noodzakelijk blijken alvorens ontheffing kan worden aangevraagd. Bij ruimtelijke ontwikkeling geldt dit voor soorten die zijn geplaatst in tabel 1 (beschermingsregiem soorten vogelrichtlijn), tabel 2 (beschermingsregiem soorten habitatrichtlijn) of tabel 3 (beschermingsregiem andere soorten) van de Wet Natuurbescherming of soorten en situaties die anderszins een vergelijkbare beschermde status hebben. Voor de verstoring of aantasting van beschermde natuurwaarden kan een ontheffing ex. artikel 3.3 van de Wet Natuurbescherming nodig zijn.
Een QuickScan Wet Natuurbescherming heeft een verkennend karakter, dit houdt in dat bij mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten aanvullend onderzoek noodzakelijk kan zijn in de activiteit periode van de soort. Voor sommige soorten zijn hiertoe meerdere bezoeken noodzakelijk en/of is onderzoek in een vastgestelde periode van het jaar vereist. Verstoep, Bouwadvies-Architectuur-Ontwikkeling B.V. heeft Bui-TeGewoon | groenprojecten verzocht een QuickScan Wet Natuurbescherming uit te voeren voor bovenvermelde locatie om de mogelijke aanwezigheid van soorten te verkennen en de effecten op beschermde gebieden te beoordelen. De onderhavige rapportage geeft de resultaten van deze QuickScan weer. 2]. Locatie plangebied C.G. Roosweg 23 Schoonhoven. De projectlocatie is kadastraal bekend Schoonhoven sectie F nummer 679 gedeeltelijk. De locatie valt in zijn geheel binnen het kilometerhok met nummer 116-439 en is gelegen ten noorden van de Provincialeweg C.G. Roosweg (N210) ter hoogte van de afslag Hemweg in gemeente Krimpenerwaard. De projectlocatie is weergegeven in onderstaand topografisch en kadastraal kaartbeeld.
Figuur 1. Ligging plangebied en kadastrale situatie
3
De projectlocatie aan de C.G. Roosweg 23 te Schoonhoven betreft een bestaande schuur die wordt omgebouwd tot woning. De betreffende schuur maakt onderdeel uit van een erf met meerdere opstallen, waaronder de boerderij woning, een hooiberg, carport en een drietal andere schuren. De projectlocatie bevindt zich op het achterste deel van het erf aan de westzijde. Een luchtfoto is opgenomen als figuur 2.
Figuur 2. Luchtfoto projectgebied (bron: Google earth)
3] Doel en centrale vraagstelling De QuickScan Wet Natuurbescherming wordt uitgevoerd om te bepalen of de geplande ontwikkeling passend kan worden uitgevoerd, of eventueel aanvullend onderzoek noodzakelijk is en welke mitigerende maatregelen eventueel moeten worden toegepast om tot een passende uitvoering te kunnen komen. De centrale vraagstelling is vierledig en luidt als volgt: · Zijn er voldoende ecologische gegevens beschikbaar omtrent het voorkomen van (zwaarder) beschermde flora en fauna in het projectgebied; Is er in het gebied habitat aanwezig waar (zwaarder) beschermde soorten voor kunnen komen; Heeft de voorgenomen ontwikkeling effect op beschermde gebieden in de invloedsfeer van het projectgebied; Zijn de beoogde werkzaamheden en maatregelen passend binnen de Wet natuurbescherming uitvoerbaar.
4
4] Criteria 4.1. Algemene criteria Op de onderhavige QuickScan zijn de volgende criteria van toepassing: Het onderzoek dient onafhankelijk te worden uitgevoerd. Bui-TeGewoon | groenprojecten verklaart geen belangen te hebben bij de uitkomst van het onderhavige onderzoek; Het onderzoek dient onafhankelijk te worden uitgevoerd. Bui-TeGewoon | groenprojecten verklaart geen belangen te hebben bij de uitkomst van het onderhavige onderzoek; Het onderzoek dient te worden uitgevoerd door een deskundige ecoloog die voldoet aan de hiervoor gestelde criteria. Het onderhavige onderzoek is uitgevoerd door Bui-TeGewoon | groenprojecten, de heer R.J.S. Terlouw. Terlouw heeft ruim 30 jaar ervaring in verschillende functies als ecoloog en als regiohoofd terreinbeheer bij een natuur beherende organisatie (bijlage 1); Gegevens gebruikt ten bate van het onderzoek dienen objectief te zijn verkregen en uit betrouwbare bronnen voort te komen; De kwaliteit van het onderzoek dient aan de hand van de rapportage te kunnen worden beoordeeld door het bevoegd gezag; Omtrent de uitkomsten van het onderzoek dient begrijpbaar voor opdrachtgever en/of gebruiker te worden gerapporteerd; Dit onderzoek is maximaal drie jaar geldig na de opleverdatum. 4.2. Reikwijdte In deze ecologische Quick Scan wordt getoetst aan de soortbescherming en gebiedsbescherming van de Wet Natuurbescherming.
Daarnaast wordt getoetst of er negatieve effecten zijn te verwachten op beschermde gebieden. Soortbescherming Onderzocht wordt of mogelijk verbodsbepaling uit de Wet Natuurbescherming worden overtreden bij uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden of gebiedsontwikkeling. De toetsing vindt plaats op vogelrichtlijnsoorten (artikel 3.1), habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5), andere soorten uit de wet Natuurbescherming (artikel 3.10) en het zorgplichtartikel (artikel 1.11). Gebiedsbescherming Er wordt onderzocht of er negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde gebieden. In de Wet Natuurbescherming gaat dat om Natura 2000-gebieden (artikel 2.7) of bijzondere nationale gebieden. Daarnaast wordt rekening gehouden met provinciaal beleid zoals het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de provinciale verordening belangrijke weidevogelgebieden en strategische reservering natuur. Een wat grotere afstand tussen projectgebied en beschermd gebied betekent niet altijd dat negatieve effecten per definitie uitgesloten kunnen worden. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een negatief effect op soorten die buiten een beschermd gebieden verblijven of effecten door depositie van stikstof. Indien negatieve effecten op beschermde gebieden niet uitgesloten kunnen worden, is vervolg onderzoek nodig, zoals een ‘voortoets’ of ‘NNN-toetsing’.
Deze nadere toetsing maakt geen onderdeel uit van deze Quick Scan. Ook het aanvragen van een ontheffing maakt geen onderdeel uit van een ecologische Quick Scan. Beoordeling Indien negatieve effecten op beschermde soorten of gebieden niet uitgesloten kunnen worden, wordt in eerste instantie beoordeeld of deze kunnen worden gemitigeerd of gecompenseerd, Ook wordt beoordeeld of effecten kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden onder een ecologisch protocol uit te voeren. Hiervoor worden adviezen verstrekt die ter beoordeling kunnen worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Indien aanvullend onderzoek noodzakelijk wordt geacht wordt dit vermeldt, de criteria waaraan dit dient te voldoen worden hierbij benoemd. Eventueel nadere onderzoek maakt geen onderdeel uit van de onderhavige Verkenning Wet Natuurbeheer. Ook het aanvragen van een ontheffing maakt hier geen onderdeel van uit.
5
5]. Werkwijze Ten bate van de Quick Scan heeft zowel een bureauonderzoek als locatieonderzoek plaatsgevonden. Nadat een opdracht tot QuickScan is verkregen wordt in een oriënterend gesprek met bewoner en/of opdrachtgever de voorgenomen ontwikkeling verkend en worden plandocumenten als aanwezige bouw- en inrichtingstekeningen ingezien. Aansluitend vindt een bureaustudie plaats waarbij het gebied topografisch wordt verkend aan de hand van topografische atlassen, de websites “OpenTopo” en “Google Earth”. Gelet wordt op aanwezige gebieden, elementen en habitats als kleine landschapselementen, watergangen, en structuren als bijvoorbeeld bomenrijen, die aanwijzingen kunnen geven voor mogelijk gebiedsgebruik door fauna. Aan de hand van de bodemkaart en de website van het waterschap worden o.a. drooglegging, vigerend waterpeil en bodemsituaties beoordeeld. Speciale aandacht wordt besteed aan de aanwezigheid van mogelijk ingraafbare bodem als stroomruggen en zandopduikingen, die bijvoorbeeld in verband met het voorkomen van rugstreeppad kunnen worden gebracht en gebieden met een geringe drooglegging of extensief grondgebruik die habitat kunnen bieden aan beschermde flora en fauna.
Om te kunnen bepalen of de voorgenomen werkzaamheden effect kunnen hebben op beschermde natuurgebieden, wordt gekeken of het projectgebied planologisch beschermd is en of er beschermde gebieden rond het projectgebied aanwezig zijn. De ligging wordt bepaald door gebruik te maken van de kaartmachines van het ministerie van Economische Zaken m.b.t. wettelijk beschermde gebieden en het raadplegen van de websites van de provincie Zuid-Holland. Om het mogelijk voorkomen van flora en fauna te beoordelen wordt bij aanvang standaard een zogenaamde “beknopte levering” bij het NDFF geraadpleegd. Naast de beknopte levering wordt via verschillende zoekfuncties gericht gezocht naar mogelijke inventarisaties en rapportages van natuur en landschap uit het recente verleden. De website waarneming.nl wordt gecheckt op vermelde waarnemingen van soorten uit de Habitat- en Vogelrichtlijn alsmede Rode lijst soorten voor een periode tot vijf jaar terug. Verspreidingsatlassen van gegevens verzamelende organisaties worden geraadpleegd waarbij er rekening mee wordt gehouden dat de onderzoeksperiode van deze atlassen, voorafgaand aan publicatie, veelal leidt tot gegevens ouder dan 5 jaar die in sommige situaties als onvoldoende recent moeten worden beoordeeld. In diverse archieven en zoekmachines is gezocht naar relevante informatie met betrekking tot natuur en landschap in de afgelopen vijf jaar.
De resultaten worden benut voor het opstellen van een checklist met mogelijk aanwezige beschermde soorten en/of situaties. De op deze wijze verkregen lijst van mogelijk aanwezige soorten wordt vergeleken met de vermelde aantallen per soortgroep uit de beknopte levering NDFF. Bovenstaande activiteiten leidt tot de definitieve lijst met mogelijk aanwezige soorten en habitats die als checklist wordt gehanteerd bij het locatiebezoek. Op basis van de volgens bovenstaande systematiek opgestelde lijst van (mogelijk) aanwezige soorten wordt een locatiebezoek gepland en uitgevoerd waarbij rekening wordt gehouden met tijdens het bureauonderzoek gevonden specifieke aandachtsvelden. Het terreinbezoek wordt opgesplitst in twee delen. In het eerste deel wordt de feitelijke situatie van het projectgebied en de aanwezige habitat gekarteerd. Hierbij worden (indien aanwezig) aantekeningen gemaakt van breedte en diepte van watergangen, aanwezige vegetatietypen waarbij, indien relevant, ook de kruidenrijkdom van graslanden, de botanische kwaliteit van oevervegetaties en de aanwezigheid van watervegetaties wordt beoordeeld. Aanwezigheid van bomen en houtopstanden en hier binnen eventuele aanwezigheid van holte bomen (als mogelijke verblijfplaats voor fauna) of lijnvormige structuren (migratieroute voor vleermuizen) worden eveneens geregistreerd.
Nadat het projectgebied is verkend op basis van de aanwezige habitat wordt een tweede ronde door het projectgebied gemaakt. Tijdens deze rondgang wordt op voor beschermde soorten geschikt beoordeelde locaties/habitats, gericht naar tabel 1, 2 en 3 soorten volgens de Wet Natuurbescherming, gezocht. Opstallen en kunstwerken als bijvoorbeeld bruggen worden gecheckt op muurplanten, holten en aanwezige nesten (bijv. voor huismussen geschikten daken, boerenzwaluwen onder bruggen, etc.) en bereikbare ruimten (plafonds/spouwmuren) en/of mestsporen van bijvoorbeeld vleermuizen. Houtopstanden worden gecheckt op (jaarrond) beschermde nesten en geschiktheid als broedhabitat. Holte bomen worden met een spiegellamp of boomcamera gecontroleerd.
6
Indien watergangen onderdeel uitmaken van de ontwikkelingslocatie wordt de geschiktheid voor beschermde soorten visueel beoordeeld. Indien watergangen waarin mogelijk beschermde soorten aanwezig kunnen zijn tot het projectgebied behoren, wordt met behulp van een standaard steeknet een eerste proefbemonstering uitgevoerd conform de hiervoor geldende protocollen van RAVON (amfibieën & vissen) en mollusken (Stichting Anemoon). Hierbij worden o.a. specifiek geschikte habitats voor beschermde vissoorten en platte schijfhoren bemonsterd. Van gevonden schijfhorenslakken wordt thuis een monster met behulp van een binoculair (10-30x) gedetermineerd om eventuele aanwezigheid van bijvoorbeeld platte schijfhoorn vast te kunnen stellen. Graslanden en oevervegetaties worden beoordeeld op de geschiktheid voor beschermde plantensoorten en als broedhabitat. Indien soorten als bijvoorbeeld ringslang, rugstreeppad, vleermuizen, groene glazenmaker, waterspitsmuis, etc. mogelijk voorkomen op de ontwikkelingslocatie kan aanvullend onderzoek worden geadviseerd. Wanneer het voorkomen van beschermde soorten of situaties wordt aangetoond of niet valt uit te sluiten, worden afhankelijk van de bevindingen voorstellen opgesteld voor aanvullend onderzoek of de aanvraag van een ontheffing. Ook kan het treffen van mitigerende maatregelen of uitvoering volgens een ecologisch werkprotocol worden geadviseerd.
Dit kan zowel gericht zijn op soorten, situaties als het type van de werkzaamheden. 6]. Voorgenomen ontwikkeling Vanuit de opdrachtgever, Verstoep B.V. en de eigenaar, de heer Lindsen, is de voorgenomen ontwikkeling toegelicht. Onderstaande informatie is hierbij verkregen: “Het projectplan voorziet in het verbouwen van de schuur tot woning. De schuur heeft een historisch karakter een hierdoor een beschermde status, waardoor niet tot volledige sloop zal worden over gegaan. De omgeving van de schuur zal niet worden beïnvloed. Er worden geen watergangen gedempt en er zal geen grootschalige kap van beplantingen plaatsvinden. De voorgenomen ontwikkeling is weergegeven in figuur 3
Figuur 3. Bestaande situatie en voorgenomen ontwikkeling C.G. Roosweg 23 Schoonhoven
7
7]
Bureaustudie en veldonderzoek 7.1] Beschermde natuurwaarden
Natuurbeschermingswet De Natuurbeschermingswet regelt de bescherming van natuurgebieden in Nederland. Het gaat daarbij om de bescherming van gebieden van nationaal belang (de Beschermde Natuurmonumenten) en van internationaal belang (Natura 2000). In een groot aantal gevallen overlappen de Beschermde Natuurmonumenten de gebieden die zijn aangewezen als Natura 2000gebied. De waarden die behoren bij het Beschermd Natuurmonument zijn dan meegenomen in het Natura 2000 ontwerp of concept aanwijzingsbesluit. Er zijn geen Beschermde Natuurmonumenten in de zin van de wet in de directe omgeving van de projectlocatie aanwezig. Het meest nabij gelegen Natura 2000 gebied betreft: ‘Uiterwaarden Lek’ op 3090 meter in oostelijke richting (figuur 4). Op basis van de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling worden geen effecten verwacht op N2000 gebieden. Nationaal Natuur Netwerk (voorheen EHS) De meest nabij gelegen NNN-gebieden betreft NNN de hem en Buitenlanden Ammerstol op 295 meter in westelijke richting (figuur 4). De beoogd natuurbeheertypen betreffen rivier begeleidende bostypen, riet & natte ruigten en open water. De afstand en tussenliggende bebouwing in combinatie met de aard & omvang van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wordt door ons beoordeeld als geen effect veroorzakend op de doelstellingen van genoemde NNN gebieden.
Begrenzing belangrijkweidevogelgebied Graslandgebieden in de polder direct ten noorden van de projectlocatie zijn door de provincie ZuidHolland opgenomen in de provinciale verordening “Belangrijke weidevogelgebieden”. Binnen deze gebieden kunnen pakketten voor weidevogels en grasland natuur worden gesloten door het Collectief Agrarisch Beheer. De begrenzingen in het aangrenzende deel van polder Bergambacht oost (figuur 4) heeft actueel een zeer lage weidevogeldichtheid. Dit wordt o.a. veroorzaakt door een beperkte mate van openheid van het gebied (Bron: Karteringen weidevogels Goes en Groot 2018). Er zijn momenteel geen weidevogel beheerpakketten gesloten voor dit deelgebied. Wel is er agrarisch natuurbeheer met betrekking tot oevervegetaties mond.med. via Agrarisch Collectief Beheer Krimpenerwaard, 2020).
De voorgenomen activiteiten veroorzaken geen vergroting van het effectgebied op gebieden met een weidevogel doelstelling. Overige natuurdoelen van het leefgebied open grasland betreffen oever- en graslandvegetaties en zijn niet verstoringsgevoelig. Als gevolg van het vrijwel ontbreken van weidevogels, de aard en omvang van de werkzaamheden en de bestaand aanwezige verstoringszone van het aangrenzende gebied voor weidevogels, die niet wordt versterkt of vergroot, wordt geen effect van de voorgenomen ontwikkeling op weidevogels of andere natuurdoelen verwacht.
Figuur 4. Ligging projectgebied ten opzichten van beschermde natuurgebieden
8
7.2] Effect stikstof Effect van de voorgenomen ontwikkeling op stikstof gevoelige natuur is beoordeeld door het invullen van het beoordelingskader effect stikstof (https://www.ozhz.nl/wp-content/uploads/Beoordelingskader-bouw- stikstof.pdf). De uitwerking is weergegeven in figuur 5. Conclusie is dat de realisatie van een nieuwbouw woning niet leidt tot het overschrijden van de in de tabel gehanteerde effect afstand van respectievelijk 800 meter indien de tussen liggende stedelijk gebied van Schoonhoven wordt meegewogen of 1400 meter wanneer we uitgaan van een tussenliggend gebied met grasland en water. De meest nabij gelegen stikstof gevoelige natuur is aanwezig in N2000 gebied Uiterwaarden Lek dat 3090 meter afstand is gesitueerd.
Figuur 5. Stroomschema beoordeling effecten op stikstof gevoelige Natuur
7.3] Beknopte levering NDFF Via het raadplegen van de beknopte levering bij het Natuurloket vanuit de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) is beoordeeld welke informatie over het voorkomen van beschermde soorten aanwezig is en met welke volledigheid soorten in het gebied zijn onderzocht. De geleverde gegevens hebben betrekking op het voorkomen van soorten gedurende de periode 2010–2020. De NDFF rapportage van kilometer hok 116 – 439, waarbinnen de projectlocatie is gelegen, betreft nummer HNL-2019-113 d.d. 16 juni 2019 en laat zien dat het gebied voor vaatplanten, landzoogdieren, wintervogels en dagvlinders als goed onderzocht wordt beoordeeld. Als redelijk onderzocht wordt de soortgroep broedvogels vermeld in de beknopte levering. Alle overige soortgroepen scoren een slechte of onbepaalde onderzoekintensiteit. Op basis hiervan moet de beschikbare ecologische informatie van het atlasblok waar binnen de projectlocatie is gelegen als ecologisch matig tot slecht onderzocht worden beoordeeld. Uit de groep van de vleermuizen worden één soort uit de Habitatrichtlijn voor het atlasblok vermeld. Voor de ‘Wet Natuurbescherming-andere soorten’ wordt landzoogdieren (7) en amfibieën (1) vermeld. Voor de vogelrichtlijn zijn 31 soorten broedvogels en 170 soorten wintervogels vastgesteld.
Als rode-lijst soorten worden vaatplanten (2), landzoogdieren (2), broedvogels (8) en dagvlinders (1) soorten vermeld. De resultaten van de beknopte levering zijn samengevat in tabel 1. De rapportage is integraal opgenomen als bijlage 2.
9
Soort groepen
Vaatplanten Mossen Korstmossen Paddenstoelen Vleermuizen Land zoogdieren Vogels - broedvogels -
wintervogels
Amfibieën Reptielen Vissen Dagvlinders Macronachtvlinders Micronachtvlinders Libellen Sprinkhanen en krekels Over. ongewervelden
Onderzoek status NDFF
Wet Natuurbescherming
Rode lijst
Habitat richtlijn
Vogelrichtlijn
goed slecht niet onbepaald slecht goed redelijk
2 0 0 0 0 2
0 0 0 0 0 7
0 0 0 0 0 0
0 0 0 0 1 1
8
0
31
0
goed slecht niet niet goed niet niet slecht onbepaald niet
0
0
170
0
0 0 0 1 0 0 0 0 0
1 0 0 0 0 0 0 0 0
0 0 0 0 0 0 0 0 0
0 0 0 0 0 0 0 0 0
Tabel 1. Voorkomen van beschermde soorten per soortgroep in kilometer hok 116-439 volgens NDFF
7.4.] Raadpleging overige bronnen Naast het beoordelen van de beknopte levering is de website Waarnemingen.nl bezocht en is gericht gezocht op voor het plangebied relevant geachte soorten voor de periode 01 januari 2015 tot heden. Voor de soortgroepen broedvogels, zoogdieren, vleermuizen, vissen en amfibieën zijn de verspreidingskaarten op de websites van RAVON, SOVON, VZZ, Vleermuisnet & EIS-Nederland beoordeeld en zijn de verspreidingsatlassen van deze soorten geraadpleegd. Opgemerkt wordt dat de periode van gegevens verzamelen voor veel publicaties en atlassen langer dan vijf jaar terug is geweest. Via gerichte zoektermen is actief gezocht naar publicaties en rapporten met betrekking tot inventarisaties en soorten uit het gebied. Er werden geen specifiek op de projectlocatie en /of de direct aangrenzende locaties toegespitste rapporten of verslagen aangetroffen. Ten slotte is het natuurarchief van Bui-TeGewoon | groenprojecten geraadpleegd. In dit archief bevinden zich registraties van waarnemingen, inventarisaties & onderzoek en natuurrapportages uit de periode 1969 tot heden in het bijzonder m.b.t. de Krimpenerwaard en Vijfheerenlanden.
Relevante onderwerpen die werden aangetroffen betreft het voorkomen van steenuil en ooievaar als broedvogel in de directe omgeving en een rijke vleermuisfauna in de stad Schoonhoeven (1200 meter oost), waarvan het foerageergebied zich uitstrekt over de ruime omgeving van de stad. De nabij gelegen uiterwaarden langs de Lek (350 meter zuid) bieden leefgebied aan o.a. bever en de rivierrombout. In deze uiterwaarden zijn tevens verschillende rode lijst soorten planten aanwezig. (Natuurregistraties Bui-TeGewoon | groenprojecten, div. jaren).
10
7.5.] Locatie bezoek Op 25 augustus 2020 heeft een omgevingsbezoek plaatsgevonden in de ruime omgeving van de projectlocatie om te beoordelen of mogelijke effecten van het ontwikkelingsplan op natuurwaarden in de directe omgeving kunnen optreden. Aansluitend is de projectlocatie bezocht, waarbij de betrokken locatie en opstal, zowel in- als uitwendig, is geïnspecteerd en beoordeeld op aanwezige of mogelijk aanwezige soorten en habitats. A – Opstallen De opstal maakt onderdeel uit van een erf met verschillende overige opstallen en terrein inrichtingen. Naast de projectlocatie betreft dit het woonhuis, een hooiberg en een drietal schuren. De erf verharding bestaat deels uit grind en deels uit beton. Daarnaast zijn verspreid korte gehouden grasachtige vegetatie delen aanwezig. Een luchtfoto van de locatie is opgenomen in figuur 2 op pagina 4. De opstal betreft de voormalige stal die al vele jaren terug is omgebouwd naar een schuurruimte met zolder. De mestgroep is gedicht en er is een inrichting met kasten en schappen ingebouwd. Het betreft een opstal met een begane grond en één verdieping (zolder). De muren zijn opgebouwd uit enkel steens metselwerk, zonder spouw. Er zijn geen open stootvoegen, onder of achter kruipbare of anderszins inkruipbare ruimte aanwezig. Kopgevels, ramen en deuren zijn geheel gesloten, zonder kieren of nissen.
De opstal is ontoegankelijk voor dieren wat actief wordt onderhouden door de eigenaar vanuit de functie als opslagruimte. Er zijn geen overstekken of anderszins aanhechtingen die door broedende vogels kunnen worden benut. Het dak is belegd met oud Hollandse pannen, die zijn aangebracht op een rachelwerk van panlatten. Er is geen plafond of dakbeschot. Van binnenuit is het pannendak volledig zichtbaar. De ruimte achter de dakgoot is afgedicht met een afdekkende lat. Tegen de achtergevel is een aanbouw van betonblokken met een dak van golfplaten gebouwd. De aanbouw is eveneens geheel gesloten, langs golfplaten is een afdichtende lat geplaatst waardoor deze vrijwel ontoegankelijk is voor dieren. Langs de oostgevel zijn enkele struiken en klimplanten (bonte hulst, trompetbloem) aanwezig, die mogelijk door broedvogels kunnen worden benut. Een fotobeeld is opgenomen als figuur 7.
Figuur 7. Foto impressie te verbouwen opstal (bovenste rij van links naar rechts voorzijde, oost, west, achterzijde) (onderste rij van links naar rechts gootafdichting, inpandig benedenverdieping, dakconstructie vanaf zolder)
11
B] - Erf Het erf vormt een open ruimte met verspreid wat bomen of struiken dat aansluit op het landschap van polder Bergambacht. Rondom de te verbouwen schuur is aan de zuid en oostzijde een grasachtige vegetatie aanwezig die kort is gemaaid. Aan de voorzijde en westzijde is een betonverharding aangebracht. Langs de oostgevel van de opstal staan een bonte hulst en een trompetbloem (klimplant) die mogelijk door algemene vogels uit de erfvogelgemeenschap als broedplaats kunnen worden benut. Gedacht kan worden aan Turkse tortel, merel, heggenmus, etc. De beide struiken zullen ten bate van de ontwikkeling moeten worden gerooid. Dit kan vanuit de Wet Natuurbescherming plaatsvinden buiten het broedseizoen. Aan de westzijde is op enige afstand van de gevel een rij oude knotwilgen aanwezig. Deze knotwilgen hebben verschillende holten. Bij een inspectie van de knotwilgen en een nabij staande wilde pruim zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Ook zijn tijdens de inspectie geen aanwijzingen verkregen dat de holte bomen bewoond zijn door (beschermde dieren). Tijdens het locatie bezoek heeft de initiatiefnemer, de heer Lindsen aangegeven de knotwilgen te willen handhaven, maar dat wel het reguliere knotonderhoud zal worden uitgevoerd.
Met betrekking tot de voorgenomen werkzaamheden worden geen effecten op de knotbomen en eventueel bewonende fauna verwacht mits de bomen worden gevrijwaard van materiaal opslag tegen de stam of onder de kroonprojectie. Het erf biedt slechts in beperkte mate mogelijkheden als vliegroute voor vleermuizen omdat het geen doorgaande structuur geeft waarlangs de dieren kunnen migreren. Boven de watergang langs de knotwilgenrij aan de westzijde kan mogelijk door vleermuizen worden gefoerageerd. Bij het toepassen van bouwplaats verlichting dient hiermee rekening te worden gehouden door het toepassen van gerichte lampen die zijn afgeschermd aan boven en achterzijde. Doordat er geen watergangen worden gedempt, oeverinrichtingen worden gewijzigd en de erfbeplanting voor het grootste deel in stand zal blijven, wordt geen aantasting van de erffauna gemeenschap verwacht. Een impressie van het erf is opgenomen als figuur 8.
Figuur 8. Impressie erf rond te verbouwen schuur (links bonte hulst-trompetklimmer / rechts knotbomenrij oostzijde langs sloot)
C.] - Omgeving De projectlocatie ligt binnen een kleine concentratie van woningen/opstallen in een verder open bebouwingslint aan de noordzijde van de Provincialeweg N210 (C.G. Roosweg). Deze weg heeft smalle bermen met steile overgangen naar de sloot tussen de weg en de erven. De bermen hebben een overwegend grasvegetatie met verspreid wat algemene kruiden die wijzen op een voedselrijke bodem. Langs de Provincialeweg is aan beide zijde een laanbeplanting aanwezig. In combinatie met de erven is dit lokaal een geschikte vlieg- en foerageerroute voor vleermuizen.
12
8]
Beoordeling soortgroepen, beschermde soorten en situaties 8.1.] Algemeen In het projectgebied en de directe omgeving (beïnvloeding aspecten) worden op basis van uitgevoerd bronnenonderzoek, archiefmateriaal, de regionale ligging, de aanwezige habitats en het migratiegedrag van diersoorten, een aantal beschermde soorten of situaties mogelijk aanwezig geacht. Deze tijdens de Quick Scan te onderzoeken soortgroepen en soorten zijn met een korte onderbouwing weergegeven in tabel 2 en vormde de basis voor het onderzoeksplan tijdens het locatie bezoek.
Vaatplanten Mossen Korstmossen Paddenstoelen Vleermuizen Landzoogdieren Vogels broedvogels wintervogels Amfibieën Reptielen Vissen Dagvlinders Macronachtvlinders Micronachtvlinders Libellen Sprinkhanen/krekels Over. ongewervelden Algemene Zorgplicht
Onderzoek status NDFF
Check uitvoeren
goed slecht niet onbepaald slecht goed redelijk goed slecht niet niet goed niet niet slecht onbepaald niet
ja niet niet niet ja ja ja niet ja niet niet niet niet niet niet niet niet ja
Mogelijk aanwezige beschermde soorten en/of omstandigheden op basis van landschapstypen (laagveen en rivierengebied)
Let ook op muurplanten Geen wet NB soorten te verwachten Geen wet NB soorten te verwachten Geen wet NB soorten te verwachten Check op verblijf-, paar-, voortplantings- & foerageerhabitat, vliegroutes Check op verblijfplaatsen en foerageerhabitat Check opstallen en begroeiingen op broedvogels en beschermde nesten Let op overwinteringshabitat Geen water in plangebied betrokken Geen habitat beschermde soorten aanwezig
Geen water in plan betrokken (larven) Geen geschikt habitat aanwezig Uitsluitend platte schijfhoren mogelijk, maar geen water in plan betrokken Vast onderdeel QuickScan Wet Natuurbescherming
Tabel 2. Onderzoeksplan bij locatie bezoek mogelijk aanwezige beschermde soorten en situaties
Op basis van deze analyse is tijdens het bureauonderzoek gericht gezocht naar aanvullende informatie en waarnemingen uit de periode 01-01-2015 tot heden via de website Waarneming.nl. Uit deze check is geen aanvullende informatie verkregen. Tijdens het locatiebezoek is, naast het totaal beeld, extra gelet op habitat en/of omstandigheden waarbij mogelijk aanwezige soorten uit deze soortgroepen zouden kunnen voorkomen. 8.2.] Habitat Zoals beschreven in paragraaf 7.2 tot 7.5 zijn onderstaande biotopen niet in het projectgebied aanwezig of worden niet door de voorgenomen ontwikkeling beïnvloed: Water gerelateerde fauna (vissen, larven libellen en amfibieën, platte schijfhoren) Rietlanden en ruigten; Sprinkhanen, dagvlinders, libellen (geen schrale en bloemrijke vegetaties aanwezig); Reptielen (geen reptielen bekend uit ruime omgeving); Dagvlinders, libellen (geen habitat in projectontwikkeling betrokken).
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen effect zal hebben op soorten uit bovengenoemde soortengroepen of die zijn gebonden aan genoemde habitats. De aanwezige habitat waar mogelijk effecten kunnen optreden bij de voorgenomen ontwikkeling op beschermde soorten en situaties vanuit de Wet Natuurbescherming betreffen vaatplanten (vegetaties & muren), winterschuilplaatsen (amfibieën, vleermuizen, landzoogdieren), broedvogels (beplantingen, gebouwen) en vleermuizen (foerageer-, migratie-, paar-, verblijfs- & voortplantingshabitat).
13
8.3.] Soorten en omstandigheden In de onderhavige paragraaf worden alleen de resultaten van soorten en omstandigheden nader beschreven die op basis van bovenstaande onderzoeken mogelijk aanwezig kunnen zijn, het betreft: Vaatplanten Op het terrein is een zeer open vegetatie van overwegend grassen met verspreid algemene kruiden van voedselrijke en ruderale omstandigheden aanwezig. Hieronder bevonden zich geen beschermde soorten. Op/in de muren van de betrokken opstal zijn geen muurplanten aanwezig. Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen vanuit het onderdeel vaatplanten zijn voor de voorgenomen ontwikkeling. Landzoogdieren Het terrein is niet geschikt voor zwaarder beschermde soorten landzoogdieren. Algemene soorten zoogdieren als muizen en mol zullen naar verwachting aanwezig zijn binnen de projectlocatie. Voor niet zwaarder beschermde, maar als kwetsbaar beoordeelde, soorten biedt het terrein mogelijk habitat aan de egel. Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er bij uitvoering van het ontwikkelingsplan geen belemmeringen vanuit het onderdeel zoogdieren in de Wet Natuurbescherming optreden. Vanuit het zorgvuldigheidsbeginsel wordt geadviseerd, bij het verwijderen van de beplanting rond de projectlocatie en de groentetuin alert te zijn op de aanwezigheid van egels.
Indien mogelijk is het gewenst de beplantingen te verwijderen buiten de winterrust periode van de egel (half oktober - half maart). Vleermuizen De projectlocatie bevat geen verblijfslocatie voor vleermuizen. Vanuit de ruime verspreiding van meerdere soorten vleermuizen in de stad Schoonhoven en de als geschikt beoordeelde vliegroute langs de laanbeplanting langs de Provincialeweg kan foerageren van vleermuizen niet worden uitgesloten. Naar verwachting zal dit slechts in beperkte mate optreden op of rond de projectlocatie als gevolg van matige geschiktheid van de habitat. Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat de betrokken opstal ongeschikt is als winter-, kraam- & paarverblijfplaats of anderszins geschikt voor verblijvende vleermuizen. Vliegroutes zijn in de directe omgeving aanwezig. Om verstoring te voorkomen dient zo veel als mogelijk te worden afgezien van bouwplaats verlichting. Indien dit als nog noodzakelijk wordt bevonden dient met gerichte lichtbronnen en afschermingsmaatregelen voor uitstralend licht te worden gewerkt. Broedvogels en jaarrond beschermde nesten Binnen het projectgebied zijn waarnemingen gedaan van verschillende vogelsoorten die tot de erfvogelgemeenschap worden gerekend. Het erf biedt enkele mogelijkheden voor broedende vogels. De betrokken opstal is als ongeschikt voor broedende vogels beoordeeld.
Geconcludeerd is dat uitsluitend bij het verwijderen van struikbeplanting rond de opstal mogelijk nesten van vogels kunnen worden verstoord of beschadigd. Rooien van deze beplantingen kan plaatsvinden buiten het broedseizoen. De vier knotwilgen op geringe afstand van de westgevel van de betrokken opstal kunnen mogelijk worden benut als nestplaats door vogels. Om broedende vogels niet te verstoren dient te worden afgezien van opslag van materiaal of materieel tegen of binnen een afstand van 2.00 meter van de stamvoet van deze knotwilgen. Idealiter worden de knotwilgen in de winter voorafgaand aan de voorgenomen ontwikkeling van de opstal geknot. Het broedseizoen voor mogelijk aan te treffen soorten wordt op basis van de aanwezige habitat bepaald op begin maart tot eind juli. Indien ten bate van de bouw ontgraven grond of zandige bouwmaterialen in depot worden gezet dient te worden voorkomen dat deze wordt benut door oeverzwaluwen. Geadviseerd wordt om geen grondof zandmateriaal in hopen op te slaan. Indien de opslag van genoemde materialen in hopen noodzakelijk is dient dit tijdens het broedseizoen in een flauw taludhelling (<45 graden) plaats te vinden of in een laag depot te worden afgewerkt.
14
Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er geen ontheffing aanvraag voor het onderdeel broedvogels en jaarrond beschermde nesten noodzakelijk is, mits buiten het broedseizoen wordt gewerkt en of voorafgaand aan werkzaamheden een broedvogelcheck op de te bewerken locaties wordt uitgevoerd. Als preventieve maatregelen dient de aanwezigheid van op hopen geplaatste bouwmaterialen als zand, grind en grond in de periode half maart eind juli te worden voorkomen. Indien materialen in deze periode moeten worden geplaatst dienen ze in flauw talud of als laag depot te worden afgewerkt. Amfibieën Tijdens het veldbezoek is gelet op de aanwezigheid van geschikte habitat voor amfibieën. Er is geen water in het projectplan betrokken. Larvale stadia kunnen daardoor worden uitgesloten. De landhabitat is als ongeschikt beoordeeld voor amfibieën. Ingraafbare bodem of onderkruipbare funderingen voor overwinteren zijn niet aanwezig. Wel kunnen amfibieën overwinteren indien in het najaar losse hopen ontgraven grond of zand ten bate van de bouw in depot worden gezet. Geconcludeerd is dat er geen belemmeringen zijn van uit de soortgroep amfibieën met betrekking tot de voorgenomen werkzaamheden, mits grond of zandige materialen niet in depot wordt gezet tijdens de periode dat amfibieën hun overwinteringslocaties bevolken.
Algemene zorgplicht voor wilde flora- en fauna Conform de Wet Natuurbescherming geldt voor alle soorten een zorgplicht (artikel 1.11). Voor de voorgenomen werkzaamheden worden geen andere situaties verwacht dan bij de beoordeling van soortgroepen en situaties is beschreven. Er is dan ook geen aanleiding om extra maatregelen vanuit de algemene zorgplicht te treffen anders dan hierboven vermeld. Wel is het steeds raadzaam om tijdens de bouwactiviteiten alert te zijn op de aanwezigheid van fauna en indien dieren worden gesignaleerd deze zorgvuldig te verplaatsen naar een veilige locatie in de omgeving en advies in te winnen bij een ecoloog. Als algemene beschermende en mitigerende maatregelen voor het onderhavige projectgebied worden de volgende onderdelen geadviseerd: Het steeds voorhanden hebben van enkele emmers of kuipen om eventueel aangetroffen dieren apart te kunnen zetten. Indien dieren tijdelijk worden opgeslagen dienen deze binnen maximaal één uur na de vondst te worden uitgezet op een geschikte locatie voor de soort buiten het projectgebied.
Eventueel opgeslagen dieren in kuipen dienen op een beschutte en schaduwrijk plaats te worden bewaard; Het voorkomen of beperken van bouwplaats verlichting en indien dit noodzakelijk is het toepassen van een gerichte lichtbron met voorkoming van zij- of boven uitstraling; Het beperken van opslag van bouwmaterialen als grond, zand, etc. in hopen tijdens de bouwperiode. Indien tijdelijk in depot plaatsen van zand- en/of grond noodzakelijk is dient vestiging van fauna te worden voorkomen door: afschermen van opgeslagen grond en zand in depot met een amfibieënraster in de periode september - maart; Voorkomen dat oeverzwaluwen de hoop betrekken door af te werken als laag depot of in een taludhelling < 45 graden; Voorkomen van opslag van materiaal en/of materieel of beschermen van de stamvoet van de aanwezige knotbomen aan de westzijde van de projectlocatie tot een afstand van 2.00 meter uit de stam; Het laten uitvoeren van een broedvogelcheck indien struiken moeten worden gerooid in de periode begin maart-half juli; Het op afroep kunnen beschikken over een ecoloog bij aantreffen van mogelijk beschermde situaties m.b.t. de Wet Natuurbescherming.
15
9] Conclusie De ontwikkelingslocatie gelegen aan de C.G. Roosweg 23 te Schoonhoven, gelegen op het kadastrale perceel Schoonhoven sectie F nummer 679 ged. is zowel administratief als door middel van veldonderzoek beoordeeld op de aanwezigheid van beschermde soorten en situaties in het kader van de Wet Natuurbescherming en op de ligging ten opzichte van Beschermde Natuurgebieden. Gebleken is dat er geen effecten zullen optreden die van invloed zijn op beschermde gebieden. Op basis van de beoordeling m.b.t. het effect op stikstof gevoelige natuur is vastgesteld dat er eveneens geen effecten aanwezig zullen zijn. M.b.t. soortbescherming leiden de bevindingen niet tot de noodzaak voor het aanvragen van een ontheffingen en of een specialistisch vervolg onderzoek, mits aan mitigerende en compenserende voorwaarden tijdens de uitvoering van de werkzaamheden wordt voldaan. De conclusies zijn onderstaand tabelmatig samengevat, aanbevelingen ten bate van preventieve of mitigerende maatregelen zijn bij de betreffende soortgroepen puntsgewijs weergegeven. Samenvattende tabel QuickScan Wet natuurbescherming C.G. Roosweg 23 te Schoonhoven Soortgroep (beschermde soorten) - algemeen Vaatplanten
- muurvegetaties Mossen & korstmossen
Habitat geschikt
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffing
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee N.v.t.
Nee N.v.t.
Nee Nee
Nee Nee
- algemeen
Nee
Mogelijk
Nee
Nee
- jaarrond beschermd - vliegroute - foerageergebied - kraamverblijven
Nee
Nee Mogelijk Mogelijk Nee
Nee
Nee
Nee Nee Nee
Nee Nee Nee
Nee Nee Nee
- winterverblijven
Nee
Nee
Nee
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Mogelijk
Nee
Nee
Amfibieën
Nee
Nee
Nee
Nee
Vissen Reptielen
Nee Nee
Nee Nee
Nee Nee
Nee Nee
Vlinders & libellen Overige ongewervelden Algemene zorgplicht Wnb
N.v.t. Nee
N.v.t. Nee
Nee Nee
Nee Nee
Broedvogels
Vleermuizen
Algemene zorgplicht flora & fauna
Gebiedsbescherming Natura 2000 Programmatische aanpak Stikstof (PAS) Natuur Netwerk Nederland PV Belangrijk weidevogelgebied prov. ZH
Ja
Opmerkingen
Rooien van struiken buiten het broedseizoen half maart – half juli; Geen opslag van grond en zandhopen in het broedseizoen of afwerken in taludhelling < 45°; Voorafgaand aan uitvoeren van werken in de periode maart-juli een broedvogelcheck uitvoeren; Knotbomen aan westzijde van de projectlocatie afschermend op 2.00 meter uit de stamvoet; Het voorkomen van uitstralend licht tijdens de bouw activiteiten
Ruim verstoren voor aanvang van verwijderen beplantingen; Indien mogelijk beplanting rooien buiten winterrust periode egels.
Algemene zorgplicht voor flora en fauna geldt voor alle in het wild levende planten en dieren in Nederland (art 1.11 Wnb). Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient dan ook steeds rekening te worden gehouden met flora en fauna. Bij aantreffen van dieren dienen deze voorzichtig buiten de projectlocatie op een geschikte plaats te worden gebracht. Bij twijfel dient ecologisch advies te worden ingewonnen. Geadviseerd wordt relevante genoemde maatregelen onder de paragraaf algemene zorgplicht toe te passen.
Afstand tot
Ingreep verstorend
Vergunning plichtig
2820 m n.v.t. 980 m 600 m
Nee n.v.t. Nee Nee
Nee Nee Nee Nee
Opmerkingen
Overige relevante zaken N.v.t.
Tabel 3. Samenvatting bevindingen QuickScan Wet Natuurbescherming C.G. Roosweg 23 te Schoonhoven
16
BIJLAGEN BIJLAGE 1.
Verantwoording ecologische deskundigheid - Bui-TeGewoon | groenprojecten
Definitie deskundig ecoloog (Bron: Dienst Regelingen, van het Ministerie van Economische zaken). Het ministerie van Economisch zaken, verstaat onder een deskundige een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soort specifieke ecologie. De ervaring en kennis moet zijn opgedaan doordat de deskundige: Op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of Op MBO niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt de Flora- en faunawet, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of Als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau wat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of Zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, de Landschappen, Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of Zich aantoonbaar actief inzet op het gebied voor soortenmonitoring en/of bescherming.
Verantwoording deskundigheid Bui-TeGewoon, groenprojecten. De ecologische begeleiding namens de opdrachtgever is uitbesteed aan bureau Bui-TeGewoon | groenprojecten. Vanuit dit bureau zullen de werkzaamheden worden gecoördineerd en het ecologisch deel worden uitgevoerd door de heer R.J.S. Terlouw. Terlouw heeft specialisatie ontwikkeld in inrichting en beheer van natuur en landschap in het algemeen. Ten opzichte van flora en fauna heeft Terlouw kennis van vrijwel het gehele soortspectrum, waarbij specialisatie is ontwikkeld in vogels, amfibieën, zoogdieren en ongewervelden. Terlouw is aangesloten bij o.a. SOVON, Vogelbescherming Nederland, RAVON, VZZ, KNNV, EIS Nederland en Stichting Partner. Voor deze organisaties is hij actief als vrijwilliger, waarvan voor SOVON gedurende 26 jaar een districtscoördinatorschap is vervuld. Vanuit zijn basisprofessie als medewerker van het toenmalige ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en een dienstverband van 22 jaar als regiohoofd bij de Stichting het Zuid-Hollands Landschap heeft hij vanaf 1988 kennis opgedaan m.b.t. natuurbeheer en inrichting van natuurterreinen. Sedert 2012 voert Terlouw een zelfstandig ecologisch advies- en onderzoeksbureau waarvoor inmiddels voor meer dan zestig opdrachtgevers opdrachten zijn uitgevoerd. Administratieve taken rondom de ecologische begeleiding worden verzorgd door mevrouw A.
Buisman van Bui-TeGewoon | groenprojecten. Buisman heeft ruim 12 jaar ervaring in administratie, verpachting, cartografie en bureaustudies in natuur en landschap gerelateerde projecten, die zijn opgedaan tijdens een dienstverband bij de Stichting Het ZuidHollands Landschap en bij Bui-TeGewoon | groenprojecten. Buisman is aangesloten en actief als vrijwillig inventarisatiemedewerker bij o.a. SOVON, voor welke organisatie zij 11 jaar als assistent districtscoördinator heeft opgetreden. Buisman is als mede-eigenaar verbonden aan Bui-TeGewoon | groenprojecten.
20
BIJLAGE 2. Beknopte levering NDFF
22
IN OPDRACHT VAN: