CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 2f Bijlage 6 toelichting Nadere verkenning Wnb.pdf

Raadsvergadering 20 april 2021, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (H) Bestemmingsplan West-Vlisterdijk 8, Vlist10.042 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN Wet Natuurbescherming

Nadere verkenning Wet Natuurbescherming Zuidbroek 138 Bergambacht

West Vlisterdijk 8

IN OPDRACHT VAN

Vlist

familie Lameris

Nadere verkenning Wet Natuurbescherming West Vlisterdijk 8 Vlist

R.J.S. Terlouw

COLOFON:

© Bui-TeGewoon | groenprojecten ◊ publicatie 2020/03 Ouderkerk aan den IJssel, februari 2020 Auteur : R.J.S. Terlouw In opdracht van : Familie Lameris te Vlist Disclaimer: De inhoud van dit rapport is met uiterste zorg samengesteld. De informatie in dit document wordt aangeboden zonder enige garantie. BUI-TEGEWOON | groenprojecten sluit alle aansprakelijkheid uit voor enigerlei directe of indirecte schade, van welke aard dan ook, die voortvloeit uit of verband houdt met het gebruik van dit document. Niets uit dit rapport mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt door middel van drukwerk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder schriftelijke toestemming van BUI-TEGEWOON | groenprojecten en de opdrachtgever, noch zonder toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.

INHOUDSOPGAVE

1]

Inleiding en doel

3.

2]

Locatie plangebied

4.

3]

Doel en centrale vraagstelling

5.

4]

Criteria 4.1. Algemene criteria 4.2. Reikwijdte

6. 6. 6.

5]

Werkwijze

7.

6]

Voorgenomen ontwikkeling en interview de heer Lameris

9.

7]

Bureaustudie & veldonderzoek 7.1. Beschermde natuurwaarden 7.2. Gebiedsbescherming 7.3. Soortbescherming 7.3.1. Beknopte levering NDFF 7.3.2. Raadpleging overige bronnen 7.3.3. Locatie bezoek

10. 10. 10. 13. 13. 14. 15.

8]

Beoordeling soortgroepen, beschermde soorten en –situaties 8.1. Algemeen 8.2. Habitat 8.3. Soorten en omstandigheden

19. 19. 19. 20.

9]

Mogelijkheden voor natuur stimulerende maatregelen

24

10]

Conclusies

24.

11]

Gebruikte literatuur en bronnen

26.

BIJLAGEN. 1. 2. 3. 4.

Verantwoording ecologische deskundigheid – Bui-TeGewoon | groenprojecten Beknopte levering NDFF Aerius berekening – versie ‘gefaseerde aanpak’ Aerius berekening – versie: ‘wijzigen bestemming’

1

2

1]. Inleiding en doel Aan de West-Vlisterdijk 8 te Vlist is familie Lameris voornemens de huidige woning te slopen en een nieuwe woning te bouwen op het perceel ten noorden van de huidige woning. Naast het slopen van de oude woning en oprichten van een nieuwe woning zal het aangrenzende grasland perceel worden heringericht met aandacht voor landschappelijke kwaliteit en ecologische inpassingen. Met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling hebben meerdere afstemming overleggen met de gemeente Krimpenerwaard plaatsgevonden. Op 8 mei 2019 is er vanuit de gemeente Krimpenerwaard een positieve reactie ontvangen op het principe verzoek voor het projectplan. Hierna hebben gesprekken plaatsgevonden met de gemeente ne haar adviseur m.b.t. landschappelijke en ruimtelijke kwaliteit. Voorafgaand aan de ruimtelijke procedure om te komen tot een bestemmingswijziging is ecologische informatie nodig om effecten op beschermde flora- en fauna en beschermde gebieden uit te sluiten dan wel te onderbouwen dat er geen (blijvende) effecten optreden. Op basis van de resultaten uit de ecologische beoordeling dient door het bevoegd gezag te kunnen worden vastgesteld of de voorgenomen ontwikkeling vergunbaar is en of er voorwaarden aan de ontwikkeling moeten worden gesteld.

In november 2019 is hiertoe een Quik Scan Wet Natuurbescherming uitgevoerd, waarin is onderzocht welke soorten mogelijk aanwezig zouden kunnen zijn (Andringa J.I., 2019). Deze Quick Scan Wet Natuurbescherming is (via de gemeente Krimpenerwaard), in concept, ter beoordeling aangeboden aan de Omgevingsdienst Midden-Holland. In haar reactie heeft de Omgevingsdienst Midden Holland laten weten dat aanvullende informatie noodzakelijk is om tot een beoordeling van de Quick Scan te kunnen komen (Brief Omgevingsdienst Midden Holland met document kenmerk 2019710654). Familie Lameris vindt het wenselijk om te beoordelen of, en zo ja voor welke soorten, door middel van het toepassen van compenserende en/of mitigerende maatregelen, preventief kan worden gehandeld om effecten op beschermde planten en dieren te voorkomen. Ook de mogelijkheden van het werken volgens een ecologisch werkprotocol om de voorgenomen ontwikkeling veilig voor betreffende soorten te kunnen uitvoeren zijn nog onvoldoende in beeld gebracht in de uitgevoerde Quick Scan. en dienen nader te worden beoordeeld. Familie Lameris heeft Bui-TeGewoon | groenprojecten verzocht de opgestelde QuickScan Wet Natuurbescherming nader te detailleren waarbij onderscheid wordt gemaakt in de verschillende processtappen en planfasen in relatie tot de locaties waar deze werkzaamheden zijn voorgenomen.

Daarnaast wenst zij de op te stellen nadere verkenning te splitsen in de onderdelen: Bouwen nieuwe woning; Inrichten omgeving; Slopen oude woning. Naast onderscheid in de verschillende processtappen dient ook de volgordelijkheid van deze werkzaamheden inzichtelijk te worden gemaakt. Daar de voorgestelde werkzaamheden niet allen in dezelfde periode zullen plaatsvinden. De onderhavige rapportage geeft invulling aan de opdracht van familie Lameris.

3

2]. Locatie plangebied West Vlisterdijk 8 te Vlist. De projectlocatie is kadastraal bekend als Vlist sectie A nummers 1029 en 1191 met een oppervlakte van respectievelijk 0.15.81 hectare en 2.18.40 hectare. Kadastraal nummer A 1029 betreft de oude woning met erf. Hier zal de sloop van de oude woning plaatsvinden nadat de nieuwe woning is gebouwd en het aangrenzende terrein is ingericht. Binnen kadastraal nummer A1191 zal in de oostpunt de nieuwe woning worden gebouwd, waarna de overige delen van het perceel opnieuw zullen worden ingericht. De locatie valt in zijn geheel binnen kilometerhokken met nummer 113-444 & 114-444 en is gelegen ten zuiden van de rivier de Vlist in polder Vlist westzijde. De projectlocatie is gelegen in de gemeente Krimpenerwaard. De ontwikkelingslocatie is weergegeven in onderstaand topografisch en kadastraal kaartbeeld.

Figuur 1. Ligging plangebied en kadastrale situatie

Het projectgebied is gelegen aan de West-Vlisterdijk een lintbebouwing met boerderijen met bij behorende schuren en stallen en vrijstaande woningen. De erven zijn ruim van opzet en overwegend beplant met veel bomen en struiken. In het gebied is veel openruimte tussen de bebouwingen aanwezig waar de graslanden tot aan de West-Vlisterdijk rijken. Het erf van woonhuis nummer 8 bestaat naast uit de te slopen woning uit een schuur en houtopslag. Alleen de woning zal worden geamoveerd, nadat de nieuwe woning is opgeleverd. Het erf heeft een groene aankleding die zorgvuldig is afgestemd op traditionele erfbeplanting in de omgeving. Op het erf zijn onder andere een beukenhaag, een elzensingel en een kleine hoogstam boomgaard aanwezig. Behalve het amoveren van de woning zijn geen ingrijpende wijzigingen aan de inrichting van het erf voorzien.

4

Het ten noordwesten van de woning gelegen kadastrale perceel 1191 heeft geen bebouwing. Het bestaat overwegend uit grasland wat een extensief agrarisch gebruik kent. Tot dit perceel behoren een aantal sloten. Hiervan worden enkele kleine delen gedempt om de bouw van de woning mogelijk te maken. In de teen van de dijk is een rij knotwilgen aanwezig. Om het graslandperceel te ontsluiten vanaf de West-Vlisterdijk voorziet het plan in de aanleg van een nieuwe beheerontsluiting waarvoor circa vier knotwilgen moeten worden gerooid. Ten bate van de landschappelijke aankleding, begrenzing van het woonerf en als vervangend water zullen nieuwe sloten worden gegraven. Een luchtfoto van de projectlocatie met omgeving is opgenomen als figuur 2.

Figuur 2. Luchtfoto projectgebied (bron: Google earth)

3] Doel en centrale vraagstelling De Nadere verkenning Wet Natuurbescherming wordt uitgevoerd om te bepalen of de geplande ontwikkeling passend kan worden uitgevoerd, of eventueel aanvullend onderzoek noodzakelijk is en welke mitigerende maatregelen eventueel moeten worden toegepast om tot een passende uitvoering te kunnen komen. De centrale vraagstelling is vierledig en luidt als volgt: Zijn er voldoende ecologische gegevens beschikbaar omtrent het voorkomen van (zwaarder) beschermde flora en fauna in het projectgebied; Is er in het gebied habitat aanwezig waar (zwaarder) beschermde soorten voor kunnen komen; Heeft de voorgenomen ontwikkeling effect op beschermde gebieden in de invloedsfeer van het projectgebied; Zijn de beoogde werkzaamheden en maatregelen passend binnen de Wet natuurbescherming uitvoerbaar. Een deel van deze vragen is reeds beantwoord in de eerder opgestelde Quick Scan. In de onderhavige rapportage wordt nader ingegaan op beschikbare inventarisatie resultaten, eerder onderzoek in de omgeving en de mogelijkheden voor compenserende en mitigerende maatregelen.

5

4] Criteria 4.1. Algemene criteria Op de onderhavige Nadere verkenning ecologie zijn de volgende criteria van toepassing: Het onderzoek dient onafhankelijk te worden uitgevoerd. Bui-TeGewoon | groenprojecten verklaart geen belangen te hebben bij de uitkomst van het onderhavige onderzoek; Het onderzoek dient te worden uitgevoerd door een deskundige ecoloog die voldoet aan de hiervoor gestelde criteria. Het onderhavige onderzoek is uitgevoerd door Bui-TeGewoon | groenprojecten, de heer R.J.S. Terlouw. Terlouw heeft ruim 30 jaar ervaring in verschillende functies als ecoloog en als regiohoofd terreinbeheer bij een natuur beherende organisatie (bijlage 1); Gegevens gebruikt ten bate van het onderzoek dienen objectief te zijn verkregen en uit betrouwbare bronnen voort te komen; De kwaliteit van het onderzoek dient aan de hand van de rapportage te kunnen worden beoordeeld door het bevoegd gezag; Omtrent de uitkomsten van het onderzoek dient begrijpbaar voor opdrachtgever en/of gebruiker te worden gerapporteerd; Dit onderzoek is maximaal drie jaar geldig na de opleverdatum. 4.2. Reikwijdte In deze Nadere beoordeling ecologie wordt getoetst aan de soortbescherming en gebiedsbescherming van de Wet Natuurbescherming. Daarnaast wordt getoetst of er negatieve effecten zijn te verwachten op beschermde gebieden.

Soortbescherming Onderzocht wordt of mogelijk verbodsbepaling uit de Wet Natuurbescherming worden overtreden bij uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden of gebiedsontwikkeling. De toetsing vindt plaats op vogelrichtlijnsoorten (artikel 3.1), habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5), andere soorten uit de wet Natuurbescherming (artikel 3.10) en het zorgplichtartikel (artikel 1.11). Gebiedsbescherming Er wordt onderzocht of er negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde gebieden. In de Wet Natuurbescherming gaat dat om Natura 2000-gebieden (artikel 2.7) of bijzondere nationale gebieden. Daarnaast wordt rekening gehouden met provinciaal beleid zoals het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de provinciale verordening belangrijke weidevogelgebieden. Een wat grotere afstand tussen projectgebied en beschermd gebied betekent niet altijd dat negatieve effecten per definitie uitgesloten kunnen worden. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een negatief effect op soorten die buiten een beschermd gebieden verblijven of effecten door depositie van stikstof. Beoordeling Indien negatieve effecten op beschermde soorten of gebieden niet uitgesloten kunnen worden, wordt in eerste instantie beoordeeld of deze kunnen worden gemitigeerd of gecompenseerd, Ook wordt beoordeeld of effecten kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden onder een ecologisch protocol kunnen worden uitgevoerd.

Hiervoor worden adviezen verstrekt die ter beoordeling kunnen worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Indien aanvullend onderzoek noodzakelijk wordt geacht wordt dit vermeld, waarbij de criteria waaraan dit dient te voldoen worden vermeld. Eventueel nadere onderzoek maakt geen onderdeel uit van de onderhavige Verkenning Wet Natuurbeheer. Ook het aanvragen van een ontheffing maakt hier geen onderdeel van uit.

6

5]. Werkwijze Ten bate van de onderhavige Nadere verkenning Wet Natuurbescherming heeft zowel een bureauonderzoek als locatieonderzoek plaatsgevonden. Nadat een opdracht is verkregen is in een oriënterend gesprek met bewoner / opdrachtgever de voorgenomen ontwikkeling verkend en zijn plandocumenten als bouw- en inrichtingstekeningen ingezien. Aansluitend heeft een bureaustudie plaatsgevonden waarbij het gebied topografisch is verkend aan de hand van topografische atlassen, de websites “OpenTopo”, “Google Earth”, “Boerenbunder” en “Topotijdreis”. Gelet is hierbij op aanwezige gebieden, elementen en habitats als kleine landschapselementen, watergangen, en structuren als bijvoorbeeld bomenrijen, die aanwijzingen kunnen geven voor mogelijk gebiedsgebruik door fauna. Het recente gebiedsgebruik, gewijzigde landschapsstructuren als slootdempingen en nieuw aangeplante, dan wel verwijderde landschapselementen, etc. zijn eveneens beoordeeld. Aan de hand van de algemene hoogtekaart Nederland (AHN3), bodemkaart en de website van het waterschap zijn o.a. drooglegging, vigerend waterpeil en bodemsituaties beoordeeld.

Speciale aandacht is besteed aan de aanwezigheid van mogelijk ingraafbare bodem als stroomruggen en zandopduikingen, die in verband met het voorkomen van rugstreeppad kunnen worden gebracht en gebieden met een geringe drooglegging of extensief grondgebruik die habitat kunnen bieden aan beschermde flora en fauna. Om te kunnen bepalen of de voorgenomen werkzaamheden effect kunnen hebben op beschermde natuurgebieden, wordt gekeken of het projectgebied planologisch beschermd is en of er beschermde gebieden rond het projectgebied aanwezig zijn. De ligging wordt bepaald door gebruik te maken van de kaartmachines van het ministerie van Economische Zaken m.b.t. wettelijk beschermde gebieden en het raadplegen van de websites van zowel de provincie ZuidHolland. Om het mogelijk voorkomen van flora en fauna te beoordelen is een zogenaamde “beknopte levering” bij het NDFF geraadpleegd. Naast de beknopte levering is via verschillende zoekfuncties gericht gezocht naar mogelijke inventarisaties en rapportages van natuur en landschap uit het recente verleden. De website waarneming.nl is gecheckt op vermelde waarnemingen van soorten uit de Habitat- en Vogelrichtlijn alsmede Rode lijst soorten voor een periode tot vijf jaar terug.

Verspreidingsatlassen van gegevens verzamelende organisaties zijn eveneens geraadpleegd waarbij er rekening mee wordt gehouden dat de onderzoeksperiode van deze atlassen, voorafgaand aan publicatie, veelal leidt tot gegevens ouder dan 5 jaar die in sommige situaties als onvoldoende recent moeten worden beoordeeld. In diverse archieven en zoekmachines is gezocht naar relevante informatie met betrekking tot natuur en landschap in de afgelopen vijf jaar. Een belangrijke bron hierbij is het digitaal archief en de natuurlogboeken van Bui-TeGewoon | groenprojecten waarin ruim 50 jaar onderzoek, inventarisaties en losse waarnemingen van natuur en landschap in de Krimpenerwaard zijn opgetekend. De op boven omschreven wijze verkregen resultaten zijn benut voor het opstellen van een checklist met mogelijk aanwezige beschermde soorten en/of situaties. De verkregen checklist van mogelijk aanwezige soorten en situaties is vervolgens vergeleken met de vermelde aantallen per soortgroep uit de beknopte levering NDFF. Bovenstaande activiteit leidt tot de definitieve lijst met mogelijk aanwezige soorten en habitats die als checklist wordt gehanteerd tijdens het locatiebezoek.

Op basis van de volgens bovenstaande systematiek opgestelde lijst van (mogelijk) aanwezige soorten is het locatiebezoek gepland en uitgevoerd waarbij rekening is gehouden met tijdens het bureauonderzoek gevonden specifieke aandachtsvelden. Het terreinbezoek is opgesplitst in twee delen. In het eerste deel is de feitelijke situatie van het projectgebied en de aanwezige habitat gekarteerd. Hierbij zijn (indien aanwezig) aantekeningen gemaakt van breedte en diepte van watergangen, aanwezige vegetatietypen waarbij, indien relevant, ook de kruidenrijkdom van graslanden, de botanische kwaliteit van oevervegetaties en de aanwezigheid van watervegetaties is beoordeeld. Aanwezigheid van bomen en houtopstanden en hier binnen eventuele aanwezigheid van holte bomen (als mogelijke verblijfplaats voor fauna) of lijnvormige structuren (migratieroute voor vleermuizen) zijn eveneens geregistreerd.

7

Nadat het projectgebied was verkend op basis van de aanwezige habitat is een tweede ronde door het projectgebied gemaakt. Tijdens deze rondgang is op voor beschermde soorten geschikt beoordeelde locaties/habitats, gericht naar tabel 1, 2 en 3 soorten volgens de Wet Natuurbescherming, gezocht. Opstallen en kunstwerken als bijvoorbeeld bruggen zijn gecheckt op muurplanten, holten en aanwezige nesten (bijv. voor huismussen geschikten daken, boerenzwaluwen onder bruggen, etc.) en bereikbare ruimten (plafonds/spouwmuren) en/of mestsporen van bijvoorbeeld vleermuizen. Houtopstanden zijn gecheckt op (jaarrond) beschermde nesten en geschiktheid als broedhabitat. Holtebomen zijn met een spiegellamp of boomcamera gecontroleerd. Betrokken watergangen die onderdeel uitmaken van de ontwikkelingslocatie zijn visueel beoordeeld op de geschiktheid voor beschermde soorten en op de mate waarin de voorgenomen werkzaamheden effect kunnen hebben (isolatie/doodlopend/etc). In watergangen waarin mogelijk beschermde soorten aanwezig kunnen zijn en die tot het projectgebied behoren, is met behulp van een standaard steeknet een eerste proefbemonstering uitgevoerd conform de hiervoor geldende protocollen van RAVON (amfibieën & vissen) en mollusken (Stichting Anemoon). Hierbij zijn specifiek geschikt bevonden habitats voor beschermde vissoorten en platte schijfhoren bemonsterd.

Van gevonden schijfhorenslakken is thuis een monster met behulp van een binoculair (10-30x) gedetermineerd om eventuele aanwezigheid van bijvoorbeeld platte schijfhoorn vast te kunnen stellen. Graslanden en oevervegetaties zijn beoordeeld op de geschiktheid voor beschermde plantensoorten en als broedhabitat voor vogels. Met betrekking tot soorten als ringslang, rugstreeppad, heikikker, vleermuizen, groene glazenmaker, waterspitsmuis, etc. die mogelijk voor kunnen komen op de ontwikkelingslocatie is de habitat geschiktheid beoordeeld.

8

6]. Voorgenomen ontwikkeling en interview de heer Lameris Door de opdrachtgever, de heer Lameris, is de voorgenomen ontwikkeling toegelicht. Onderstaande informatie is hierbij woning aan de noordwest zijde hiervan is gebouwd. Om de nieuwe woning te kunnen ontwikkelen worden twee korte delen van doodlopende slooteinden gedempt. Nadat de woning is gebouwd zal het aangrenzend gebied opnieuw worden ingericht, waarbij vervangend water wordt gegraven en het gebied wordt heringericht in aansluiting op cultuurhistorische patronen en landschappelijke kwaliteiten. Daarnaast worden enkele sloten gedempt en nieuwe sloten gegraven. De voorgenomen ontwikkeling is weergegeven in figuur 3.

Figuur 3. Voorgenomen ontwikkeling West Vlisterdijk 8 e.o. te Vlist

9

Van belang is de volgordelijkheid van de verschillende projectonderdelen te betrekken in de beoordeling, zodat waar mogelijk de beide eerste planfasen reeds uit kunnen worden gevoerd vooruitlopend op het beschikbaar komen van aanvullende informatie voor planfase drie en vier. Deze planfasen zijn als volgt onderscheiden: 1. Dempen van twee doodlopende slooteinden op de nieuwe bouwlocatie; 2. Bouwrijp maken bouwvlak en bouwen nieuwe woning; 3. Inrichten omgevingspercelen/graven sloten; 4. Amoveren huidige woning nr. 8. Tijdens het locatie bezoek is gesproken met de heer Lameris. De heer Lameris heeft een toelichting op de plannen gegeven tijdens een rondleiding over het terrein en langs/door de gebouwen. Desgevraagd heeft de heer Lameris aangegeven geen aanwijzingen te hebben van gebruik door vogels, vleermuizen of andere dieren van de opstallen. De heer Lameris heeft hierbij aangegeven dat de openingen achter de goten en onder de boeiboorden gelijktijdig met de noodreparatie aan enkele verticale scheuren zijn dicht gekit en/of met purschuim afgesloten. E.e.a. is destijds uitgevoerd vanuit de matige staat van onderhoud van de woning en ontbrekende isolatie. Vanuit dit aspect verwacht hij dat de woning niet toegankelijk zal zijn. Vleermuizen worden wel langs vliegend gezien in de schemering langs en boven de Vlist en WestVlisterdijk.

Ringslangen zijn nooit gezien op of rond de project locatie. M.b.t. overige (beschermde) diersoorten / soortgroepen is onvoldoende kennis aanwezig om dit te kunnen beoordelen/vermelden. 7]

Bureaustudie en veldonderzoek 7.1] Beschermde natuurwaarden

 Wet Natuurbescherming De Wet Natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen (houtopstanden). Gebiedsbescherming in de wet vind plaats via de bescherming van Natura 2000-gebieden. Ook kunnen provincies ervoor kiezen om gebieden te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap. 7.2] Gebiedsbescherming  Natura 2000- gebieden Binnen de Wet Natuurbescherming betreffen gebieden van nationaal belang (de Beschermde Natuurmonumenten) en van internationaal belang (Natura 2000). In een groot aantal gevallen overlappen de Beschermde Natuurmonumenten de gebieden die zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. De waarden die behoren bij het Beschermd Natuurmonument zijn dan meegenomen in het Natura 2000 ontwerp of concept aanwijzingsbesluit.

Beschermde natuurmonumenten in de zin van de wet zijn niet aanwezig in de directe omgeving van de projectlocatie. De dichtstbij zijnde locatie betreft Natura 2000 gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein op circa 2920 meter naar het noorden (figuur 4). Dit gebied bevat geen stikstofgevoelige habitattypen en/of soorten. Op basis van afstand en windrichting kan worden gesteld dat voor het N2000 Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein de thema’s verdroging, verontreiniging, versnippering en verstoring als gevolg van de werkzaamheden kunnen worden uitgesloten.

10

Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een toename in stikstofemissie tot gevolg hebben. Sinds 16 september 2019 is AERIUS calculator weer beschikbaar. Met deze tool kan gerekend worden om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te bepalen. Op 14 januari 2020 is versie 2019A beschikbaar gekomen en is er geen aandachtspunt wat betreft het toepassingsbereik. Vanaf februari 2020 is het verplicht om AERIUS te gebruiken om de stikstofdepositie te bepalen. AERIUS Calculator 2019A wordt in eerstvolgende wijziging van de Regeling Natuurbescherming verplicht voorgeschreven als rekeninstrument voor het vaststellen van de omvang van de depositie. Dit wordt naar verwachting in februari 2020 per Ministeriële Regeling vastgesteld. Om het effect te bepalen is er een onderscheid te maken tussen de gebruiksfase en de aanleg (bouw en sloop) fase. In de gebruiksfase neemt het stikstof gebruik niet toe maar af. Voor de woningbouw is het wettelijk (conform het bouwbesluit) verplicht om gasloos te bouwen. Hierdoor neemt de stikstof uitstoot af. De nieuwe woning zal vanaf het gereedkomen bewoond worden en op datzelfde moment is de oude woning niet meer bewoond. De verkeer aantrekkende werking zal niet veranderen omdat het gebruik hetzelfde blijft. Derhalve is voor de gebruiksfase geen AERIUS-berekening gemaakt. De aanlegfase is onderverdeeld in een aanlegfase, een bouwfase en een sloopfase.

De aanlegfase betreft het graven van een watergang en het dempen van stukjes sloot waar de nieuwe woning moet komen te staan. Daarna kan de bouwfase van start. Als de nieuwe woning gereed is wordt de oude woning gesloopt. In bijlage 3 met kenmerk RnBkhbnb5ukz is de AERIUSberekening uitgevoerd. Uit de berekening komt dat er geen Natura2000 gebieden zijn met een depositie meer dan 0,00 mol/ha/j. Als alternatief is er met AERIUS nog wel een berekening te maken van een bestemmingsplan. Dit is een andere manier om het effect van het plan te beoordelen. Hierbij is echter alleen te kiezen voor het toevoegen van 1 woning (3,03 kg/j). Voor de zekerheid is ook deze berekening uitgevoerd, zie bijlage 4 met kenmerk RcLnLZQYjEvj. Ook uit deze berekening komt dat er geen Natura2000 gebieden zijn met een depositie meer dan 0,00 mol/ha/j. Alternatieve bepaling en waardering stikstof uitstoot Voor oudere vrijstaande woningen wordt uitgegaan van een uitstoot van 3,59 kg per jaar. De totale aanleg, bouw en sloopfase levert 4,39 kg stikstof op. Dit kan nog gesplitst worden in de aanleg (0,67 kg) bouwfase (3,24 kg) en sloopfase (0,48 kg). Opgemerkt dient te worden dat de sloop pas zal plaatsvinden als de (nieuwe) woning al geen stikstof meer uitstoot.

Na minder dan 1 jaar en 3 maanden na het gereedkomen en in gebruik nemen van de nieuwe woning zal er een positief effect zijn op de totale stikstof uitstoot. Uitgaande van een bouwtijd van 1 jaar kan dus in circa 2,5 jaar een blijvend positief effect betreffende de stikstof uitstoot worden gecreëerd. 10 jaar na de start van de bouw zal 31,51 kg stikstof zijn voorkomen. Conclusie Stikstofdepositie: De uitkomst van de AERIUS berekeningen is dat de depositie op Natura-2000 gebieden 0,00 mol/ha/jaar is. Gelet op de beperkte omvang, de aard van het project en de depositieberekening kan geconcludeerd worden dat het plan niet zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie in de kritische gebieden en dat het daarom duidelijk is dat deze in redelijkheid, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied niet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Ofwel: het is voldoende duidelijk dat de toename van stikstofdepositie op gebieden waarvan de kritische depositiewaarde wordt overschreden ten hoogste 0,00 mol/hectare/jaar is. Er is sprake van een uitvoerbaar initiatief in het kader van de Wet natuurbescherming voor het onderdeel stikstofdepositie.

Op basis van de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de afstand tot de dichtbij gelegen Natura 2000 gebieden worden geen effecten verwacht op de beschermde natuurwaarden. Op basis van de AERIUS berekening kan worden vastgesteld dat geen negatieve effecten op Natura 2000 gebieden aanwezig zijn.

11

 Nationaal Natuur Netwerk (voorheen EHS) De meest nabij gelegen NNN-gebieden betreffen ‘NNN gebied Hoge Boezem achter Haastrecht’ ten noorden op circa 150 meter en ‘NNN gebied polder Bilwijk’ op circa 300 meter naar het westen (figuur 4). NNN gebied Hoge Boezem achter Haastrecht heeft de natuurbeheertype Zoete plas (N04.02), Moeras (N05.01), Kruiden- & faunarijkgrasland (N12.02) en Vochtig weidevogel grasland (N13.01) toegekend gekregen. De belangrijkste natuurwaardenpolder Bilwijk betreft voedselrijke graslanden en ruigte kruidenvegetaties. De toegekende natuurbeheertypen voor het gehele NNN-gebied betreft in het natuurgebiedsplan 2020 van provincie Zuid-Holland Vochtig hooiland N10.01), Kruiden- & faunarijkgrasland (N12.02) en Vochtig weidevogelgrasland (N13.01). Daarnaast is een smalle ecologische verbinding voor kleine organismen tussen de Vlistzone en de westelijke delen van de Krimpenerwaard voorzien. Het projectgebied bevindt zich in de nabijheid van delen van het NNN. De geplande werkzaamheden zullen naar verwachting geen effect hebben op het NNN. Er vinden geen werkzaamheden binnen het NNN plaats en er zijn geen externe effecten als gevolg van de werkzaamheden te verwachten als gevolg van werkzaamheden binnen het bestaande bouwingslint en de tussenliggende hoger gelegen dijkweg.

De aard en omvang van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wordt door ons beoordeeld als geen effecten veroorzakend op de doelstellingen van genoemde NNN gebieden.  Belangrijke weidevogelgebieden (provinciale verordening) Graslanden die zijn begrenst als belangrijk weidevogelgebied in de provinciale verordening zijn gelegen ten zuiden van de projectlocatie op circa 100 meter afstand (figuur 4). Binnen deze gebieden kunnen op vrijwillige basis pakketten voor agrarisch natuurbeheer (ANLb) via het Agrarisch Collectief Krimpenerwaard worden gesloten. Binnen polder Vlist westzijde zijn verschillende agrariërs actief met weidevogelbeheer. Het grootste deel van de gesloten overeenkomsten bevindt zich ten zuidwesten van de eerste wetering in het centrale deel van de polder. Hier bevindt zich ook de grootste weidevogelkern (bron: gegevens bestanden 2019 Agrarisch Collectief Krimpenerwaard).

De voorgenomen werkzaamheden bevinden zich binnen het bestaande bebouwingslint, waarbij deze zich verhouden met activiteiten op agrarische en overige bedrijfslocaties in het lint. Vanuit dergelijke linten is een verstoringsafstand op weidevogelpopulaties bekend van 200 tot 250 meter (Reijnen R., et al, 1995 & 1996 / Krijgsveld K.L., et al, 2009). De projectlocatie bevindt zich op basis van deze gegevens buiten de verstoorde afstand voor weidevogels.

De gedeeltelijke verplaatsing en verandering van de bestemming wonen heeft geen nadelige gevolgen voor het NNN. De aard en omvang van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling heeft geen effect op belangrijke weidevogelgebieden.

12

Figuur 4. Ligging projectgebied ten opzichten van beschermde natuurgebieden

7.3] Soortbescherming 7.3.1. Beknopte levering NDFF Via het raadplegen van de beknopte levering bij het Natuurloket vanuit de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) is beoordeeld welke informatie over het voorkomen van beschermde soorten aanwezig is en met welke volledigheid soorten in het gebied zijn onderzocht. De geleverde gegevens hebben betrekking op het voorkomen van soorten gedurende de periode 2010–2019. De projectlocatie bevind zich op de grens van de kilometerhokken 113-444 en 114-444. Voor beide kilometer hokken is de beknopte levering opgevraagd. De NDFF rapportage betreft nummer HNL-2020-14 d.d. 24 januari 2020 en laat zien dat het gebied voor broedvogels, wintervogels, amfibieën en dagvlinders als goed onderzocht wordt beoordeeld. Als redelijk onderzocht worden de soortgroepen vleermuizen, landzoogdieren en vissen gemeld in de beknopte leveringen. Alle overige soortgroepen scoren een slechte of onbepaalde onderzoekintensiteit. Op basis hiervan moet de beschikbare ecologische informatie van het atlasblok waar binnen de projectlocatie is gelegen als matig onderzocht worden beoordeeld. Uit de groep van de vleermuizen worden vier soorten en voor amfibieën respectievelijk 2 & 3 soorten uit de Habitatrichtlijn voor het atlasblok vermeld. Voor de ‘Wet Natuurbescherming-andere soorten’ worden zeven soorten landzoogdieren, drie amfibieën gemeld.

Voor de vogelrichtlijn zijn 80 soorten broedvogels vastgesteld. Als rode-lijst soorten worden vaatplanten (2), paddenstoelen (10), vleermuizen (1), landzoogdieren (2), broedvogels (23) en amfibieën (1) soort vermeld. De resultaten van de beknopte levering zijn samengevat in tabel 1. De rapportage is integraal opgenomen als bijlage 2.

13

Tabel 1. Voorkomen van beschermde soorten per soortgroep in kilometer hok 101-448 volgens NDFF

7.3.2. Raadpleging overige bronnen Naast het beoordelen van de beknopte levering is de website Waarnemingen.nl bezocht en is gericht gezocht op voor het plangebied relevant geachte soorten voor de periode 01 januari 2015 tot heden. Hierbij viel het op dat veel waarnemingen van binnen de betrokken atlasblokken betrekking hebben op het nabij gelegen NNN gebied Hoge Boezem achter Haastrecht wat intensief door een groot aantal natuurliefhebbers wordt bezocht. Voor de soortgroepen broedvogels, zoogdieren, vleermuizen, vissen en amfibieën zijn de verspreidingskaarten op de websites van RAVON, SOVON, VZZ, Vleermuisnet & EIS-Nederland beoordeeld en zijn de verspreidingsatlassen van deze soorten geraadpleegd. Opgemerkt wordt dat de periode van gegevens verzamelen voor veel publicaties en atlassen langer dan vijf jaar terug is geweest. Via gerichte zoektermen is actief gezocht naar publicaties en rapporten met betrekking tot inventarisaties en soorten uit het gebied. Uit de nabije omgeving waren enkele vleermuis inventarisaties aanwezig. Door een vrijwilliger van RAVON is intensief gezocht naar rugstreeppadden en heikikkers in het nabijgelegen NNN-gebied Bilwijk zuidoost. Vanuit de kern Haastrecht zijn verschillende vleermuis inventarisaties bekend. Tenslotte is het natuurarchief van Bui-TeGewoon | groenprojecten.

In dit archief bevinden zich registraties van waarnemingen uit de periode 1969 tot heden in het bijzonder m.b.t. de Krimpenerwaard en Vijfheerenlanden. Relevante onderwerpen die werden aangetroffen betreft het voorkomen van de waterspitsmuis in de Bergvliet ten westen van de projectlocatie en de rugstreeppad op de hogere delen ten zuiden van de kern Haastrecht. Een meer algemene beschrijving betreft de samenstelling van de erfvogel gemeenschap langs de Vlist en er waren enkele vleermuisinventarisaties rond de Overtuin Bisdom van Vliet in dit archief aanwezig.

14

7.3.3. Locatie bezoek Op 01 februari 2020 heeft een omgevingsbezoek plaatsgevonden in de ruime omgeving van de projectlocatie om te beoordelen of mogelijke effecten van het ontwikkelingsplan op natuurwaarden in de directe omgeving kunnen optreden. Aansluitend is de projectlocatie bezocht, waarbij zowel de betrokken opstal als de onbebouwde delen van de projectlocatie zijn geïnspecteerd en beoordeeld op aanwezige soorten en habitats. A – Opstal Opstal West Vlisterdijk 8 De opstal is opgebouwd uit steen en heeft een pannendak. Het woongedeelte heeft geen inkruipbare spouw of onderkruipbare fundering. De kopgevels hebben een kleine overstek van wit geschilderd hout. Deze is potentieel geschikt voor huiszwaluwen. Tijdens de inspectie zijn geen nesten van huiszwaluwen aangetroffen, ook waren er geen aanwijzingen van recent gebruik in de vorm van herkenbare randen en resten die er op wijzen dat in recente jaren huiszwaluwnesten aanwezig zijn geweest. De aansluiting tussen metselwerk en overstek is dicht gekit waardoor er geen inkruipbare ruimten aanwezig zijn voor vleermuizen. Langs de lengte gevels is een dakgootaanwezig. De ruimte tussen dakgoot en metselwerk is afgedicht met een lat. Hierdoor kunnen geen dieren achter de goot langs het dakbeschot bereiken. De pannen laag is niet of hooguit op een enkele incidentele locatie toegankelijk voor dieren.

Over het grootste deel is dit al geruime tijd terug afgewerkt met purschuim en kit vanuit de beperkte isolatie die de opstal kent en om overlast door wespennesten te voorkomen. Het erf grenzend aan de opstal bestaat deels uit grind en deels uit betontegels die beide direct aansluiten tegen de gevel. De fundering is niet onderkruipbaar voor dieren. Rond de opstal en in de directe omgeving waren geen huismussen aanwezig tijdens het bezoek. Tijdens het bezoek zijn geen sporen van dieren aangetroffen, in de vorm van nagelkrassen mest of nestrestanten. Een foto registratie van de opstal is weergegeven in figuur 5, details van de dakafwerking zijn weergegeven in figuur 6

Figuur 5. Actuele situatie opstal West Vlisterdijk 8 te Vlist

Figuur 6. Dak details West Vlisterdijk 8 te Vlist

15

B] - Terrein en erf Naast de tot de tuin van de opstal gerekende delen behoort ook een circa 2,2 hectare groot grasland perceel met enkele sloten tot het projectgebied. Bij de voorgenomen nieuwe toegang tot het grasland perceel staan een viertal knotwilgen die moeten worden verwijderd. Deze knotwilgen maken deel uit van een rij van 38 stuks knotwilg. Omtrent bovengenoemde elementen en onderdelen worden onderstaand afzonderlijk gerapporteerd. Tuin en erf De tuin heeft veel gras waarin op een deel een hoogstamboomgaard is ingeplant. Langs de voorzijde van het huis en een deel van de oprit is een haag van gewone beuk aanwezig. Langs de noord en noordwestzijde is een korte singel aanwezig van elzen die op stoof zijn gezet. De leeftijd van de staken bedraagt circa 8 jaar. De singel heeft geen onder begroeiing, maar een gemaaide grasvegetatie. Siertuin beplanting is vrijwel afwezig (figuur 7).

Figuur 7. Erf rondom te amoveren woning.

Het erf is in de basis geschikt voor huismussen. In het bijzonder het grasveld en de haag bieden omgevingshabitat voor de soort. Tijdens het bezoek zijn geen huismussen rond de opstal of in de nabijheid hiervan waargenomen. De woning biedt geen nestgelegenheid voor huismussn. Grasland Het grasland is in gebruik als maailand en voor de beweiding van enkele stuks schapen en/of jong rundvee. Het grasland wordt extensief gebruikt en uitsluitend bemest met ruige stalmest. Tijdens het locatie bezoek was het grasland kort begraasd zonder overstaande delen of lokale ruigtekruiden vegetaties (figuur 8). De vegetatie betreft een grassenmixvegetatie met slechts een zeer beperkte bijmenging van kruiden. Waar kruiden aanwezig zijn betreft dit steeds algemene soorten van voedselrijke omstandigheden. Er zijn geen opgeslagen grondhopen of overige delen die als geschikt worden beoordeeld voor overwintering van rugstreeppadden. Voor de beschermde soorten uit de zoogdiergroep wordt het perceel als ongeschikt beoordeeld. Broedvogels zijn evenmin te verwachten als gevolg van de korte vegetatie die geen broedhabitat biedt en de nabijheid van de West Vlisterdijk die met haar bochtstraal het perceel omsluit. De drooglegging bedraagt circa 40 centimeter.

De oevers zijn kort gemaaid en de kanten opgeschoond ten bate van de najaars schouw van het waterschap en hebben geen structuurrijke vegetaties of anderszins oevervegetaties die van belang voor dieren kunnen zijn. De oevers gaan in een beperkte zone over van maaiveld naar waterkant. De oeverzone heeft een breedte van 1.00 tot 1.50 meter. In de oevers is de kruidenrijkdom groter dan op het grasland. De aangetroffen plantensoorten zijn allen algemene soorten zoals voorkomen in oevers van het veenweidengebied. Er zijn geen beschermde soorten aangetroffen, op basis van de algehele habitat kwaliteit worden deze ook niet verwacht. Voor beschermde fauna worden de oevers als ongeschikt beoordeeld.

16

Figuur 8. Grasland

Sloten Binnen het projectgebied zijn een aantal sloten aanwezig. Het merendeel van de watergangen wordt niet door de voorgenomen ontwikkeling beïnvloed. Alleen op de locatie waar de nieuwe woning wordt gerealiseerd worden twee doodlopende slooteinden gedempt (figuur 9). De sloten hebben geen duikerverbinding met andere watergangen aan de te dempen zijde. Het betreft een deel van circa 26 meter lengte met een breedte van 5 meter en een deel van circa 21 meter met een breedte van 6.50 meter. In de sloten is geen vegetatie van waterplanten aan getroffen tijdens een net bemonstering. De oevers zijn kort gemaaid en hebben geen in het water doorgroeiende vegetaties. Sloot A heeft een waterdiepte van circa 35 centimeter, sloot B is zeer ondiep met slechts 10- tot 15 centimeter water. Op de bodem is een dikke baggerlaag aanwezig. In de doodlopende slooteinde heeft zich enig drijfvuil verzameld. Tijdens het locatiebezoek zijn beide slooteinden bemonsterd met een standaard steeknet van RAVON. Hierbij zijn geen beschermde soorten aangetroffen. Tot de aangetroffen soorten behoorde bootsmannetje, zoetwaterpissebed, tiendoornige stekelbaars, poelslak, posthoornslak en één exemplaar van een schijfhorenslak spec.. Deze laatste is thuis met behulp van een binoculair gedetermineerd als Gewone schijfhoren (Planorbis planorbis).

Op basis van de verschijningsvorm van de sloten, de aanwezige habitat en de waargenomen soorten tijdens de bemonstering wordt het voorkomen van zwaarder beschermde soorten uitgesloten. Mogelijk kunnen delen van de watergang echter worden benut als voortplantingshabitat voor meer algemene amfibieën als bruine kikker of gewone pad.

Figuur 9. Te dempen slootdelen

17

Houtopstanden In het plangebied zijn geen houtopstanden gelegen. Op het erf staan enkele elzen die periodiek worden afgezet op stoof als stookhout en langs de West-Vlisterdijk staan knotwilgen als wegbeplanting. Om de voorgenomen extra perceel toegang van het blijvende grasland naar de West Vlisterdijk te realiseren moeten aan de uiterste westzijde van het projectgebied een viertal knotwilgen uit de rij van 38 exemplaren langs de West Vlisterdijk worden gerooid. Het betreft bomen met een gemiddelde stamdiameter van circa 25 centimeter. De bomen hebben in zeer beperkte mate holten en scheuren, die allen klein van omvang zijn (figuur 10). De te rooien bomen zijn geïnspecteerd op aanwezigheid van (jaarrond) beschermde nesten en nestrestanten uit het verleden die aanwijzing kunnen geven dat het een geschikte broedlocatie betreft. De holten zijn beoordeeld met een spiegellamp op deze aspecten en/of op de aanwezigheid van boom bewonende vleermuizen, waarbij naast de holten zelf, ook de randen hiervan zijn beoordeeld op aanhechting sporen van nagels. Er werden geen aanwijzingen gevonden van recente bewoning of aanwezigheid van nesten tijdens het afgelopen broedseizoen.

Als gevolg van de aanwezigheid van vele tientallen knotbomen zowel in de resterende delen van de rij als in de directe omgeving worden geen effecten op beschermde soorten of situaties verwacht bij het verwijderen van de vier bomen.

Figuur 10. Te rooien knotwilgen

Omgeving De projectlocatie is gelegen in een open lintbebouwing langs West Vlisterdijk te Vlist. Veel opstallen zijn geschikt voor erf bewonende dieren als o.a. huismussen, zwaluwen en vleermuizen. Uit een opname in 2017 komt naar voren dat de gehele Vlistzone een rijke tot zeer rijke erffauna gemeenschap bezit, waaronder vele rode lijst soorten. Tijdens een eenmalige vleermuis kartering in juni 2017 werden de soorten gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis waargenomen (Natuurlogboeken Buisman & Terlouw, 2017). De woningen en schuren hebben sterk verschillende beplantingen. In de directe omgeving van de projectlocatie betreft het tuinen van woningen en erven van boerderijen met uitgebreide erf beplantingen, boomgaardjes, elzensingels, solitair opgaande bomen en knotbomen.

18

8]

Beoordeling soortgroepen, beschermde soorten en situaties

8.1.] Algemeen In het projectgebied en de directe omgeving (beïnvloeding aspecten) worden op basis van uitgevoerd bronnenonderzoek, archiefmateriaal, de regionale ligging, de aanwezige habitats en het migratiegedrag van diersoorten, een aantal beschermde soorten of situaties mogelijk aanwezig geacht. Deze tijdens de ‘nadere beoordeling’ te onderzoeken soortgroepen en soorten zijn met een korte onderbouwing weergegeven in tabel 2 en vormde de basis voor het onderzoeksplan tijdens het locatie bezoek. Onderzoek status NDFF

Vaatplanten Mossen Korstmossen Paddenstoelen Zoogdieren land vleermuizen Vogels broedvogels wintervogels Amfibieën Reptielen Vissen Dagvlinders slecht Macro nachtvlinders Micro nachtvlinders Libellen Sprinkhanen/krekels Over. ongewervelden Algemene Zorgplicht

slecht onbepaald slecht onbepaald redelijk redelijk goed goed redelijk niet slecht goed goed slecht niet goed onbepaald niet

Check uitvoeren

ja niet niet niet ja ja ja niet ja ja ja ja niet niet niet ja niet ja ja

Mogelijk aanwezige beschermde soorten en/of omstandigheden op basis van landschapstypen (laagveen en rivierengebied)

Let ook op muurplanten Geen wet NB soorten te verwachten Geen wet NB soorten te verwachten Geen wet NB soorten te verwachten Check op verblijfsplaatsen Check op verblijfs-, paar-, voortplantings-,foerageer- en migratiehabitat Check opstallen en begroeiingen op broedvogels en beschermde nesten Let op larvenstadia, winterverblijfplaatsen en mogelijkheid ‘paddenregen’ Let op overwinteringshabitat Te dempen watergang in projectgebied betrokken Mogelijk voortkomende rode lijst soort betreft argusvlinder

Larvale stadia in te dempen water (geen foerageerhabitat imago’s) Geen geschikt habitat aanwezig Uitsluitend platte schijfhoren i.r.t. te dempen water Vast onderdeel QuickScan Wet Natuurbescherming

Tabel 2. Onderzoeksplan bij locatie bezoek mogelijk aanwezige beschermde soorten en situaties

Tijdens het locatiebezoek is, naast het totaal beeld, extra gelet op habitat en/of omstandigheden waarbij mogelijk aanwezige soorten uit de als te beoordelen soortgroepen zouden kunnen voorkomen. 8.2.] Habitat Zoals beschreven in paragraaf 7.2 tot 7.5 zijn onderstaande biotopen niet in het projectgebied aanwezig of worden niet door de voorgenomen ontwikkeling beïnvloed: Sprinkhanen (geen schrale en bloemrijke vegetaties aanwezig); Rietlanden en ruigten;  Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen effect zal hebben op soorten uit bovengenoemde soortengroepen of die zijn gebonden aan genoemde habitats. De aanwezige habitat waar mogelijk effecten kunnen optreden bij de voorgenomen ontwikkeling op beschermde soorten en situaties vanuit de Wet Natuurbescherming betreffen vaatplanten (vegetaties & muren), winterschuilplaatsen (amfibieën, ringslang, vleermuizen, landzoogdieren), water gerelateerde organismen (vissen, amfibie larven, libellen larven, platte schijfhorenslak), broedvogels (beplantingen, grasland, gebouwen) en vleermuizen (foerageer-, migratie-, paar-, verblijfs- & voortplantingshabitat).

19

8.3.] Soorten en omstandigheden In de onderhavige paragraaf worden alleen die soorten en omstandigheden nader beschreven die op basis van bovenstaande onderzoeken mogelijk aanwezig kunnen zijn, het betreft: Vaatplanten Op het terrein zijn uitsluitend matig intensieve, soortenarme graslanden met korte vegetaties aanwezig. De vegetaties bestaan overwegend uit grassen. Slechts enkele algemene kruiden van voedselrijke bodem zijn aangetroffen. De habitat is ongeschikt voor beschermde soorten. De muren zijn geïnspecteerd op aanwezigheid van muurvegetaties. Deze zijn niet aangetroffen.  Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen vanuit het onderdeel vaatplanten zijn voor de voorgenomen ontwikkeling. Vleermuizen Voor het atlasblok waarbinnen de projectlocaties is gelegen worden meerdere soorten vleermuizen gemeld in de NDFF documentatie. Het betreft zowel gebouw bewonende soorten als gewone dwergvleermuis en laatvlieger, als boom bewonende soorten als ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis.

Bronnen: Vleermuisscan Overtuin Bisdom van Vliet Bron: Rapportage Bui-TeGewoon | groenprojecten 2018/61 Kartering met batdetector 17 juni 2017 Bron: Archief Bui-TeGewoon | groenprojecten Kartering met batdetector 28 mei & 22 juni 2016 Bron: Archief Bui-TeGewoon | groenprojecten Kerkzolder tellingen 2015 Bron: Artikel Zoogdier werkgroep Zuid-Holland Vleermuizen Bisdom van Vliet, Haastrecht 2014 Bron: Verslaglegging 2014 Vleermuiswerkgroep ZH Vleermuizen in project Bos& water Haastrecht 2006 Bron: Rapport Zoogdiervereniging VZZ

In het bijzonder de kern Haastrecht met de hier aanwezige Overtuin is meerdere keren geïnventariseerd op vleermuizen. De situatie met vleermuizen voor deze kern is recent vrij uitgebreid beschreven (Terlouw R.J.S., 2018). Ook langs de West-Vlisterdijk is een aantrekkelijke vleermuis habitat aanwezig. Veel opstallen bieden mogelijkheden voor vleermuizen en de rivier de Vlist met vele knotbomen, singels en begroeide erven bieden een geschikte foerageer en migratiehabitat. De binnen de projectlocatie aanwezige opstal is als ongeschikt beoordeeld voor vleermuizen. Vrijwel alle inkruipbare ruimten zijn afgedicht met purschuim en dakranden zijn dicht gekit. Bij de kozijnen is lokaal een tweetal gaten van circa 25 mm doorsnede aanwezig. Deze zijn ondiep en op geringe hoogte (circa 2.00 meter) gelegen. Hiermee worden ze als ongeschikt voor vleermuizen beoordeeld. Op basis van de nadere inspectie kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen worden uitgesloten. Met betrekking tot de foerageer- en migratie habitat voor vleermuizen is deze aanwezig langs de rivier de Vlist en de West Vlisterdijk. Het is te verwachten dat hierbij regelmatig ook locaties van erven en rond gebouwen worden bezocht. De elzensingel en fruitbomen op het betrokken erf bieden hiertoe geschikte omstandigheden.

Door rekening te houden met de foerageer en migratie habitat bij het eventuele gebruik van bouwplaats verlichting kan dit echter in voldoende mate worden gemitigeerd.  Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat voor de te slopen opstal gebruik door vleermuizen wordt uitgesloten. Indien als nog wordt besloten tot nader onderzoek, hoeft dit de bouw van de nieuwe woning niet te belemmeren. Wij stellen in voorkomend geval een fasering voor waarbij de bouw kan voortgaan, maar de sloop wordt uitgesteld tot na het uit voeren van een aanvullend onderzoek.  Foerageer- en migratiehabitat is in ruime mate aanwezig zowel op het bestaand erf als langs de West Vlisterdijk. Als mitigerende maatregel wordt geadviseerd om tijdens de ontwikkeling van de locatie uitstraling van bouwplaats verlichting te voorkomen door deze niet te gebruiken of door van de migratie zones afgeschermde gerichte verlichting gebruik te maken.

20

Broedvogels en jaarrond beschermde nesten Binnen het projectgebied zijn uitsluitend broedende vogels te verwachten in of aan de aanwezige beplantingen. De te slopen opstal is ongeschikt voor broedende vogels. Ook in de te verwijderen knotbomen zijn geen nesten aangetroffen. Jaarrond beschermde nesten of aanwijzingen dat deze in het afgelopen broedseizoen aanwezig zijn geweest zijn nergens aangetroffen. Indien rooien van de knotbomen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd zijn geen belemmeringen vanuit broedvogels te verwachten. Het broedseizoen voor de locatie wordt op basis van het te verwachten soortspectrum vastgesteld van begin maart tot eind juli. Indien ten bate van de bouw ontgraven grond of zandige bouwmaterialen in depot wordt gezet dient te worden voorkomen dat deze wordt benut door oeverzwaluwen. Geadviseerd wordt om geen grond of zandmateriaal op de projectlocatie op te slaan. Indien dit noodzakelijk is dient dit in een flauw taludhelling of in een laag depot te worden afgewerkt.  Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er geen ontheffing aanvraag voor het onderdeel broedvogels en jaarrond beschermde nesten noodzakelijk is, mits buiten het broedseizoen wordt gewerkt en of voorafgaand aan werkzaamheden een broedvogelcheck op de te bewerken locaties wordt uitgevoerd.

 Als preventieve maatregelen dient de aanwezigheid van op hopen geplaatste bouwmaterialen als zand, grind en grond in de periode half maart eind juli te worden voorkomen. Indien materialen in deze periode moeten worden geplaatst dienen ze in flauw talud of als laag depot te worden afgewerkt. Amfibieën Op enige afstand van de projectlocatie zijn de beschermde soorten rugstreeppad en heikikker bekend. De rugstreeppad komt verspreid op meer zandige delen in de woonwijk Bergvliet voor. Deze woonwijk is doormiddel van voorbelasting met een dikke laag zand ontwikkeld in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw, waarna zich rugstreeppadden in de omgeving hebben gevestigd. Tijdens het veldbezoek is gelet op de aanwezigheid van geschikte habitat voor de soort. Winterhabitat is niet aangetroffen als gevolg van afwezigheid van open bodem en moeilijk ingraafbare oevers door een gesloten oevervegetatie en een stevig/hard bodem substraat (klei). De enige locatie waar heikikkers in de directe omgeving zijn waargenomen betreft een ruigte terrein binnen NNN gebied Bilwijk ten zuidwesten van de projectlocatie. In dit gebied zijn een vijftal geïsoleerde poelen aanwezig en is ruime overwinteringshabitat aanwezig. Op de projectlocatie worden op basis van de aanwezige habitat worden geen heikikkers verwacht.

Voortplantingshabitat voor amfibieën in het algemeen wordt eveneens niet verondersteld als gevolg van aanwezigheid van stekelbaars, onvoldoende geïsoleerd water, en de afwezigheid van waterplanten. Vanuit het zorgvuldigheidsbeginsel dienen de te dempen slootdelen echter buiten het voortplantingsseizoen te worden gedempt. Als voortplantingsseizoen wordt de periode 15 februari15 mei gehanteerd. Daarnaast is het van belang het dempen volgens een ecologisch protocol uit te voeren waarbij opdrijvend naar een open slooteinde wordt gewerkt zodat eventueel aanwezige fauna wordt verdreven naar open water.  Geconcludeerd is dat er geen belemmeringen zijn van uit de soortgroep amfibieën met betrekking tot de voorgenomen werkzaamheden, mits buiten de voortplantingsperiode wordt gedempt en deze werkzaamheid volgens een ecologisch werkprotocol worden uitgevoerd.  Indien tijdens de ontwikkeling van de locatie in de periode oktober-februari op hopen geplaatste bouwmaterialen als zand, grind en grond worden opgeslagen dienen deze met een amfibieën raster te worden afgeschermd zodat zich geen padden kunnen ingraven om te overwinteren. Idealiter worden genoemde materialen niet in depot op de projectlocatie opgeslagen tijdens de werkzaamheden.

21

Ringslang De ringslang is binnen de Krimpenerwaard voornamelijk bekend ten oosten van Gouderak en in de buurtschap Beijersche. Vanuit deze bronpopulaties breidt de soort zich al jaren uit in zuidelijke en zuidwestelijke richting. In het oostelijke deel van de Krimpenerwaard zijn slechts een beperkt aantal waarnemingen van de ringslang bekend. Dit betreft meer specifiek de Vlistzone. Verondersteld wordt dat deze waarnemingen dieren betreft die vanuit de Reeuwijkse populatie het gebied via de gekanaliseerde Hollandse IJssel hebben bereikt. Vooralsnog zijn geen voortplantingslocaties bekend geworden en is het aantal waarnemingen zodanig gering dat niet van een populatie kan worden gesproken (Natuurlogboeken Buisman & Terlouw, div. jaren). De projectlocatie is beoordeeld op de geschiktheid van de habitat voor ringslangen. Vastgesteld is dat op basis van de ondiepe sloten, de korte grasland- en oevervegetaties en het slechts in zeer beperkte mate beschikbaar zijn van houtwallen of anderszins winterhabitat de soort voor het projectgebied kan worden uitgesloten. Ook m.b.t. de voedselsituatie is het gebied weinig geschikt als gevolg van de slechts zeer beperkte geschiktheid van de watergangen voor amfibieën en het ontbreken van muizen rijke ruigte vegetaties.  Geconcludeerd is dat er geen belemmeringen zijn van uit de soort ringslang met betrekking tot de voorgenomen werkzaamheden.

Vissen Onderdeel van de locatie ontwikkeling betreft het dempen van twee doodlopende slooteinden. Het betreft ondiepe sloten met lengten van respectievelijk circa 21 en 26 meter. Tijdens het locatie bezoek zijn de sloten bemonsterd met een standaard steeknet. Er zijn geen beschermde soorten aangetroffen. Alleen twee exemplaren driedoornige stekelbaars werden gevonden. Op basis van de waterhabitat en de bemonstering wordt het voorkomen van de beschermde bittervoorn uitgesloten. Wel dient het zorgvuldigheidsbeginsel in acht te worden genomen. Dit kan veilig worden uitgevoerd door de sloten vanaf het dichte slooteinde opdrijvend via een ecologisch werkprotocol te dempen.  Geconcludeerd is dat er geen belemmeringen zijn van uit de soortgroep vissen met betrekking tot de voorgenomen werkzaamheden, mits buiten de deze werkzaamheid volgens een ecologisch werkprotocol worden uitgevoerd. Landzoogdieren Zowel vanuit het Vlist gebied als langs de (op circa 1500 meter westelijk gelegen) Bergvliet zijn waterspitsmuizen bekend (Natuurlogboeken Buisman & Terlouw, div.jaren). Het lijkt aannemelijk dat deze soort zich ook in NNN gebied Hoge Boezem achter Haastrecht zal hebben gevestigd Op basis van de aanwezigheid in de directe omgeving is de projectlocatie beoordeeld op geschiktheid van de habitat voor de soort.

Hierbij is vastgesteld dat als gevolg van de afwezigheid van oever- en natte ruigte vegetaties de waterspitsmuis wordt uitgesloten voor het projectgebied. Ook voor overige zwaarder beschermde soorten landzoogdieren is de locatie ongeschikt. Wel kunnen in de directe omgeving van de projectlocatie meer algemene soorten worden aangetroffen. Gedacht kan o.a. worden aan muizen, bruine rat, egel en mol. Deze soorten vormen geen belemmeringen vanuit de Wet Natuurbescherming anders dan wat opgenomen in het zorgplicht artikel (artikel 11.1).  Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er bij uitvoering van het ontwikkelingsplan geen belemmeringen vanuit het onderdeel land zoogdieren optreden. Dagvlinders Het gebied vormt een ongeschikte habitat voor beschermde soorten dagvlinders.  Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er bij uitvoering van het ontwikkelingsplan geen belemmeringen vanuit het onderdeel dagvlinders optreden.

22

Libellen Binnen het atlasblok zijn geen waarnemingen van beschermde soorten libellen bekend. De habitat binnen het projectgebied en de directe omgeving wordt als ongeschikt beoordeeld. De te dempen watergang binnen het project vormt een ongeschikt voortplantingswater. Uitsluitend zwervende exemplaren van imago’s kunnen het gebied bereiken.  Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er bij uitvoering van het ontwikkelingsplan geen belemmeringen vanuit het onderdeel libellen optreden. Ongewervelden Uitsluitend de te dempen watergangen kunnen mogelijk leefruimte bieden aan een zwaarder beschermde soort. Het betreft de platte schijfhoren. De te dempen delen werden visueel beoordeeld als weinig geschikt voor deze soort als gevolg van het ontbreken van waterplanten en de afwezigheid van in het water afhangende oevervegetaties. Tijdens het veldbezoek zijn beide te dempen waterdelen bemonsterd met een standaard schepnet. Er is hierbij één schijfhorenslak aangetroffen. Deze soort is verzameld en met behulp van een binoculair en de Veldgids Slakken en Mossels (Jansen B., 2015) gedetermineerd als gewone schijfhorenslak.  Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er bij uitvoering van het ontwikkelingsplan geen belemmeringen vanuit het onderdeel ongewervelden optreden.

Algemene zorgplicht voor wilde flora- en fauna Conform de Wet Natuurbescherming geldt voor alle soorten een zorgplicht (artikel 1.11). Voor de voorgenomen werkzaamheden worden geen andere situaties verwacht dan bij de beoordeling van soortgroepen en situaties is beschreven. Er is dan ook geen aanleiding om extra maatregelen vanuit de algemene zorgplicht te treffen anders dan hierboven vermeld. Wel is het steeds raadzaam om tijdens de bouwactiviteiten alert te zijn op de aanwezigheid van fauna en indien dieren worden gesignaleerd deze zorgvuldig te verplaatsen naar een veilige locatie in de omgeving en advies in te winnen bij een ecoloog. Als algemene beschermende en mitigerende maatregelen voor het onderhavige projectgebied worden de volgende onderdelen geadviseerd:  Het steeds voorhanden hebben van enkele emmers of kuipen om eventueel aangetroffen dieren apart te kunnen zetten. Indien dieren tijdelijk worden opgeslagen dienen deze binnen maximaal één uur na de vondst te worden uitgezet op een geschikte locatie voor de soort buiten het projectgebied. De opgeslagen dieren in kuipen dienen op een beschutte en schaduwrijk plaats te worden bewaard.  Het voorkomen of beperken van bouwplaats verlichting en indien dit noodzakelijk is het toepassen van een gerichte lichtbron met voorkoming van zij- of boven uitstraling.

 Het beperken van opslag van bouwmaterialen als grond, zand, etc. in hopen tijdens de bouwperiode. Indien tijdelijk in depot plaatsen van zand- en/of grond noodzakelijk is dient vestiging van fauna te worden voorkomen door:  afschermen van opgeslagen grond en zand in depot met een amfibieënraster in de periode september maart;  het afwerken in een talud < 45°in de broedtijd van oeverzwaluwen (maartjuli).  Het laten uitvoeren van een broedvogelcheck voorafgaand aan sloop en rooiwerkzaamheden, dan wel werkzaamheden bij het bouwrijp maken van het grasland.  Het op afroep kunnen beschikken over een ecoloog bij aantreffen van mogelijk beschermde situaties m.b.t. de Wet Natuurbescherming.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=ad1d2bf5-5e5a-4da9-9ae1-dd923cea4cb4