BIJL 2e Bijlage 5 toelichting Quickscan Ecologie.pdf
Tekst van het document
QUICKSCAN WEST-VLISTERDIJK 8 TE VLIST Eindrapport
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 21-2-2020
VERANTWOORDING
Opdrachtgever: Adres: Tel: E-mail:
Uitvoering: Adres: Tel: E-mail:
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 64 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com
Auteur: Kwaliteitscontrole:
J.I. Andringa, MSc. K. den Hartogh, MSc.
Projectcode: Status: Datum:
LMNA1901 Definitief 21-2-2020
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen.
Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland.
2
SAMENVATTING
De heer Laméris is voornemens om de huidige woning in het projectgebied te amoveren en op het naastgelegen perceel een nieuwbouwwoning te realiseren. In het projectgebied zullen tevens delen van watergangen worden gedempt en nieuwe watergangen worden gerealiseerd. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. De bebouwing in het projectgebied is geschikt voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Bij de kozijnen zijn ruimtes aanwezig die mogelijk toegang geven tot de spouwmuur. Met het amoveren van de bebouwing in het projectgebied kunnen mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan. Daarnaast is de bebouwing in het projectgebied geschikt voor jaarrond beschermde nestlocaties van de huismus. Onder de dakpannen zijn ruimtes aanwezig die door de huismus als nestlocatie kunnen worden gebruikt. Met het amoveren van de bebouwing in het projectgebied kunnen jaarrond beschermde nestlocaties van de huismus verloren gaan. De watergangen met schuin oplopende oevers en het talud bieden geschikt voortplantingsbiotoop en winterbiotoop voor de heikikker en de rugstreeppad. Met de werkzaamheden in het projectgebied kan potentieel voortplantingswater van de heikikker en de rugstreeppad verloren gaan.
De talud en de houtwal in het projectgebied kunnen door de ringslang als zonplaats en verblijfplaats worden gebruikt. Afhankelijk van de geplande werkzaamheden kan mogelijk een gedeelte van het potentiële leefgebied van de ringslang verloren gaan. De watergangen vormen geschikt habitat voor de platte schijfhoren. Met de werkzaamheden in het projectgebied kan mogelijk leefgebied van de platte schijfhoren verloren gaan. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op het NNN en Natura 2000-gebieden worden niet verwacht. Naar verwachting zal de bestemmingsplanwijziging en de werkzaamheden geen significant negatief effect hebben op het nabijgelegen NNN en Natura 2000-gebied. Verwacht wordt dat de stikstofdepositie niet boven de waarde van 0,00 mol/ha/jaar uit zullen komen. Er is aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen, jaarrond beschermde nesten van de huismus, voortplantingswater van de heikikker en rugstreeppad, functies voor de ringslang en leefgebied van de platte schijfhoren benodigd, alvorens men met de geplande werkzaamheden kan beginnen. Het is aan te bevelen om het dempen van de watergangen en het ophogen van het terrein buiten het broedseizoen van vogels uit te voeren (globaal 15 maart – 15 juli) om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen.
Indien broedgevallen ten tijde van de werkzaamheden aanwezig zijn mogen deze niet worden verstoord of vernietigd. De werkzaamheden dienen overdag plaats te vinden om verstoring van vleermuizen te voorkomen. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten. Met de werkzaamheden worden enkele knotwilgen gekapt. Voor het uitvoeren van de kapwerkzaamheden in het projectgebied geldt geen meldplicht in het kader van de Wet natuurbescherming.
3
INHOUDSOPGAVE
1 Inleiding............................................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................................... 5 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ...................................................................................................... 5 1.2.1 Gebiedsbescherming .................................................................................................................. 5 1.2.2 Soortbescherming ...................................................................................................................... 6 1.2.3 Houtopstanden ........................................................................................................................... 7 1.2.4 Ontheffing en gedragscode ........................................................................................................ 7 1.3 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 7 2 2.1 2.2
Projectgebied en ontwikkelingen .................................................................................................... 8 Projectgebied ................................................................................................................................. 8 Ontwikkelingen............................................................................................................................... 8
3 Soortbescherming .......................................................................................................................... 10 3.1 Bronnenonderzoek....................................................................................................................... 10 3.2 Habitatscan .................................................................................................................................. 10 3.2.1 Zoogdieren ............................................................................................................................... 10 3.2.2 Vogels....................................................................................................................................... 11 3.2.3 Amfibieën.................................................................................................................................. 11 3.2.4 Reptielen .................................................................................................................................. 11 3.2.5 Vissen ....................................................................................................................................... 11 3.2.6 Ongewervelden ........................................................................................................................
11 3.2.7 Vaatplanten .............................................................................................................................. 11 3.2.8 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies .............................................................. 12 3.3 Effecten ........................................................................................................................................ 12 3.3.1 Effecten ontwikkelingen ............................................................................................................ 12 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming ....................................................... 13 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied ............................................................................... 13 3.4.2 Mitigerende maatregelen .......................................................................................................... 13 3.4.3 Ontheffing Wet natuurbescherming .......................................................................................... 14 4 4.1
Gebiedsbescherming ..................................................................................................................... 15 Effecten ........................................................................................................................................ 15
5
Houtopstanden ............................................................................................................................... 17
6 6.1 6.2
Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................................... 18 Conclusies ................................................................................................................................... 18 Aanbevelingen ............................................................................................................................. 18
7 Literatuur......................................................................................................................................... 19 Bijlage 1: Foto-impressie .......................................................................................................................... 20 Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten ........................................................................................... 21
4
1
INLEIDING
1.1
AANLEIDING EN DOEL De heer Laméris is voornemens om de huidige woning in het projectgebied te amoveren en op het naastgelegen perceel een nieuwbouwwoning te realiseren. Afhankelijk van het uit te voeren scenario zullen in het projectgebied tevens delen van één of meerdere watergangen worden gedempt en nieuwe watergangen worden gerealiseerd. Deze ingreep wordt gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er zorg voor te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen en of de ontwikkeling redelijkerwijs uitvoerbaar is.
1.2
NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1
GEBIEDSBESCHERMING
Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het document 'Spelregels EHS'. Het ruimtelijke beleid voor de NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in de NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.
5
1.2.2
SOORTBESCHERMING
Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht) Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2.
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
6
1.2.3
HOUTOPSTANDEN
Houtopstanden De bepalingen voor wat betreft houtopstanden zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Hieronder zijn de meest relevante onderdelen uit dit hoofdstuk beschreven. De bepalingen in de Wet natuurbescherming kennen een aantal uitzonderingen. De belangrijkste uitzondering betreft dat de bepalingen geen betrekking hebben op houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor het kappen van bomen die wel onder houtopstanden Wnb vallen geldt een meldplicht bij Gedeputeerde Staten en een herplantplicht.
1.2.4
ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE
Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. De ontwikkeling leidt niet tot een aantasting van de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten. De huidige gedragscodes zijn nog niet afgestemd op dan wel goedgekeurd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor handelingen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen met effecten op Europees beschermde soorten.
1.3
LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden. In hoofdstuk 5 worden de effecten op de onder de Wet natuurbescherming beschermde houtopstanden beschreven waarbij de eventueel te nemen vervolgstappen zijn weergegeven.
7
2
PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN
2.1
PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in de gemeente Vlist in kilometerhok: X: 114 / Y: 444 (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.
Afbeelding 1: Ligging projectgebied
Het projectgebied betreft een woonhuis met tuin en de aangrenzende weilanden met watergangen. Het woonhuis in het projectgebied is opgebouwd uit bakstenen en heeft een schuin dak met dakpannen. Het grootste gedeelte van de ruimtes onder de dakranden en kantpannen zijn dicht gezet. Rondom de kozijnen in de woning zijn kleine ruimtes aanwezig die mogelijk toegang geven tot de spouwmuur. Rond het huis ligt een goed onderhouden tuin met kort gras en enkele (fruit)bomen en struiken. Naast de schuur langs de watergang is een houtwal aanwezig met een rij bomen en (braam) struweel. De zeer flauw oplopende oevers langs de watergangen en de weilanden zijn begroeit met kort gras. De oever van de watergang grenzend aan de weg is aan een kant beschoeid. Deze oever heeft een stijl oplopend talud en heeft hogere en ruigere vegetatie. Op dit talud staat een rij met knotwilgen. In de watergangen in het projectgebied zijn waterplanten aanwezig. In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.
2.2
ONTWIKKELINGEN De ontwikkeling betreft het amoveren van de huidige woning en de realisatie van een nieuwbouw woning naast de huidige bebouwing. Voor de realisatie van de nieuwe woning worden delen van watergangen ter plaatse van de nieuw te bouwen woning gedempt. Daarnaast worden er enkele knotwilgen gekapt. Een deel van het perceel op de locatie van de nieuw te bouwen woning wordt opgehoogd. Overige geplande werkzaamheden betreffen het dempen van een klein gedeelte van de watergangen aan de westzijde van het projectgebied voor de realisatie van een nieuwe ontsluiting op de openbare weg. Voor de realisatie van de nieuwe ontsluiting worden een aantal knotwilgen gekapt. Op het perceel worden in het kader van watercompensatie nieuwe watergangen gerealiseerd. De huidige en nieuwe watergangen worden met behulp van duikers verbonden met de hoofdwatergang aan de zuidwestzijde van het projectgebied. Afbeelding 2 geeft de geplande werkzaamheden op kaart weer. De werkzaamheden worden uitgevoerd in verschillende fases. De eerste fase betreft de bouw van de nieuwe woning. Wanneer deze is gerealiseerd zal de oude woning worden geamoveerd. De werkzaamheden ten behoeve van de watercompensatie zullen voor de bouw van de nieuwe woning plaatsvinden. 8
Afbeelding 2: Geplande ontwikkeling met in rood de te amoveren bebouwing (Situatietekening aanvraag watervergunning, E.J. Laméris 2020)
9
3
SOORTBESCHERMING
3.1
BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhok-niveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen.
Voor de provincie Zuid-Holland zijn middels artikel 8.1 van de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten.
3.2
HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 8 november 2019 en is uitgevoerd door K. den Hartogh, MSc. Tijdens de habitatscan was het 8 °C, droog, licht bewolkt en windkracht 3. 3.2.1
ZOOGDIEREN
De bebouwing in het projectgebied biedt mogelijkheden voor verblijfplaatsen van beschermde vleermuizen. Een gedeelte van de kieren en gaten in de bebouwing zijn dichtgezet in verband met overlast van wespennesten. Bij de kozijnen zijn op enkele plaatsen ruimtes aanwezig, die mogelijk toegang geven tot de spouwmuur. De bebouwing is door de aanwezigheid van deze potentiële invliegopeningen geschikt voor verblijfplaatsen van vleermuizen. De groenstructuren zorgen voor luwte en insecten in het projectgebied. De groenstructuren en watergangen in het projectgebied kunnen deel uit maken van foerageergebied van vleermuizen. De rij met knotwilgen en de watergangen kunnen daarnaast mogelijk als vliegroute door vleermuizen worden gebruikt. In de bomen in het projectgebied zijn geen geschikte ruimtes aanwezig voor verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De ruige dwergvleermuis maakt als verblijfplaats zowel gebruik van bomen als gebouwen (bron: BIJ12 2017. Kennisdocument ruige dwergveermuis). Binnen het projectgebied kunnen, in de bebouwing, verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis verwacht. Door de grootte van de aanwezige potentieel geschikte ruimtes worden verblijfplaatsen van de grotere laatvlieger niet verwacht. De watergangen en de oevers in het projectgebied bieden geen geschikt habitat voor de waterspitsmuis.
Langs de oevers is enkel kort gras aanwezig. Bij de oevers van de watergangen is geen lange en/of dichte vegetatie aanwezig, dat door de waterspitsmuis als beschutting kan worden gebruikt. Het talud biedt tevens geen geschikt habitat door de aanwezigheid van beschoeiing langs de watergang. Door het ontbreken van beschutting wordt de waterspitsmuis in het projectgebied niet verwacht voor te komen. In het projectgebied komen mogelijk algemene zoogdieren voor, zoals de egel, haas, kleine marterachtigen, konijn en algemene muizen. Overige beschermde soorten, zoals de bever, worden door het ontbreken van geschikt habitat niet in het projectgebied verwacht voor te komen.
10
3.2.2
VOGELS
De bebouwing in het projectgebied is geschikt voor jaarrond beschermde nesten van de huismus. Bij het pannendak op de woning zijn op meerdere plekken openingen aanwezig, die toegang geven tot de ruimtes onder het pannendak. Deze ruimtes kunnen door de huismus als nestlocatie worden benut. De groenstructuren rond de woning en rond de schuren buiten het projectgebied kunnen deel uit maken van het functioneel leefgebied van de huismus. De bebouwing in het projectgebied is niet geschikt voor verblijfplaatsen van de gierzwaluw. Bij de dakrand aan de zijgevels zijn geen openingen aanwezig die door gierzwaluwen als invliegopening kunnen worden gebruikt. De gehele dakrand is met behulp van een lat en purschuim dichtgezet. De dakpannen langs de dakgoot bieden ook geen mogelijkheden voor nestlocaties van de gierzwaluw, aangezien de dakgoot de vrije aanvliegroute blokkeert. Binnen het projectgebied zijn in de bomen geen potententiele jaarrond beschermde nestlocaties van vogels waargenomen. In de bomen en knotwilgen zijn geen grote nesten aanwezig. In het projectgebied komen (algemene) vogels voor die mogelijk ook in het projectgebied broeden. Het struweel en de bomen in het projectgebied biedt geschikt broedbiotoop voor algemene broedvogels en in de weilanden kunnen mogelijk weidevogels broeden.
3.2.3
AMFIBIEËN
In de directe omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen van de heikikker en de rugstreeppad bekend. Het projectgebied biedt geschikt leefgebied voor de heikikker en de rugstreeppad. De watergangen in het projectgebied zijn op meerdere plaatsen ondiep en kunnen als voortplantingswater worden gebruikt. De oevers lopen langzaam schuin op, waardoor amfibieën gemakkelijk uit het water kunnen komen. Door de aanwezigheid van potentieel voortplantingswater is het projectgebied geschikt voor de heikikker en de rugstreeppad. Het talud en de houtwal tussen de watergang en de weg heeft een ruigere begroeiing dan de weilanden en bieden winterbiotoop voor de heikikker en de rugstreeppad. Beide soorten overwinteren buiten het water op vorstvrije locaties. De heikikker overwintert vooral langs sloten met een afgetrapte slootkant of in bosjes. De talud en de houtwal kan door de heikikker als winterverblijfplaats worden benut. In het talud zijn muizenholen aanwezig die door de rugstreeppad als winterverblijfplaats kan worden benut. In het projectgebied kunnen algemene amfibieën zoals de bastaard kikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en de meerkikker worden verwacht. Deze soorten kennen een provinciale vrijstelling van de Wet natuurbescherming in de provincie Zuid-Holland, wel is de zorgplicht van toepassing voor deze soorten.
3.2.4
REPTIELEN
In de omgeving van het projectgebied zijn enkele waarnemingen van de ringslang bekend. Het talud tussen de watergang en de weg en de houtwal bij de schuur kan door de ringslang als zonplaats of verblijfplaats worden gebruikt. Het projectgebied kan daarnaast door de ringslang als foerageergebied worden gebruikt. Delen van het projectgebied bieden geschikt habitat voor de ringslang.
3.2.5
VISSEN
In de omgeving van het projectgebied zijn geen waarnemingen van beschermde vissen bekend. Gezien de habitatkenmerken van de watergangen en de verspreiding van beschermde soorten worden er geen beschermde vissen in het projectgebied verwacht.
3.2.6
ONGEWERVELDEN
De onderzochte groep ongewervelden bestaat onder andere uit dagvlinders, libellen en weekdieren. In de omgeving van het projectgebied zijn de groene glazenmaker en de platte schijfhoren bekend voor te komen. De watergangen in het projectgebied bieden geschikt habitat voor de platte schijfhoren. In het water zijn voldoende waterplanten voor de platte schijfhoren aanwezig. Door het ontbreken van krabbenscheer, de plant waar de groene glazenmaker zijn eieren op afzet, wordt de groene glazenmaker niet in het projectgebied verwacht.
3.2.7
VAATPLANTEN
In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen waarnemingen van beschermde planten bekend. In het projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig voor standplaatsen van beschermde vaatplanten. Hierdoor worden er geen beschermde vaatplanten in het projectgebied verwacht.
11
3.2.8
MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES
Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort / soortgroep
Functies
Bescherming Wnb
Mogelijk aanwezig in:
Vleermuizen
Verblijfplaats(en) Foerageergebied Vliegroute
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)
Woning en schuur Gehele projectgebied Bomenrij en watergangen
Huismus
Nestlocatie Functioneel leefgebied
Artikel 3.1 (VR)
Bebouwing Groenstructuren rond woning
Heikikker
Voortplantingsbiotoop Winterbiotoop
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)
Watergangen en oevers Talud en oevers
Rugstreeppad
Voortplantingsbiotoop Winterverblijfplaats
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)
Watergangen en oevers Talud
Ringslang
Rust- en verblijfplaatsen Foerageergebied
Artikel 3.10, Bijlage, onderdeel A
Talud en houtwal Watergangen en oevers
Platte schijfhoren
Leefgebied
Artikel 3.10, Bijlage, onderdeel A
Watergangen
Broedvogels
Nesten
Artikel 3.1 (VR)
Struweel en bomen
3.3
EFFECTEN
Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn.
3.3.1
EFFECTEN ONTWIKKELINGEN
De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Daarnaast zijn de beschermde soorten en functies beschreven waar geen effecten op worden verwacht bij uitvoering van de werkzaamheden. Geen effecten De rij met knotwilgen langs de weg blijven met de werkzaamheden, op mogelijk een aantal bomen na, behouden. Ook de watergangen blijven grotendeels intact. Eventueel aanwezige vliegroutes van vleermuizen zullen met de werkzaamheden behouden blijven. Het projectgebied wordt mogelijk als foerageergebied gebruikt. Aangezien de groenstructuren en watergangen (grotendeels) behouden blijven zullen de werkzaamheden geen negatief effect hebben op foerageergebied van vleermuizen. Tijdelijke effecten De geplande werkzaamheden zullen mogelijk gepaard gaan met effecten van tijdelijke invloed door geluid en trillingen. Dit verstoord mogelijk de amfibieën, (broed)vogels en zoogdieren die gebruik maken van het projectgebied. Indien er tijdens de werkzaamheden gebruik wordt gemaakt van nachtelijke verlichting of in de nieuwe situatie verlichting word geplaatst, zijn mogelijk wel (tijdelijke) effecten te verwachten op foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen. Permanente effecten Permanente effecten op beschermde natuur als gevolg van de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten.
Met het amoveren van de woning kunnen mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen en jaarrond beschermde nesten van de huismus verloren gaan. Met het dempen van delen van de watergangen kan voortplantingswater van de heikikker en rugstreeppad verloren gaan. Met de werkzaamheden rond de delen van de watergangen kunnen daarnaast mogelijke winterverblijfplaatsen van de heikikker en de rugstreeppad verloren gaan.
12
Met de werkzaamheden op locaties waar geschikt habitat voor de ringslang aanwezig is rond de watergangen kan leefgebied van de ringslang verloren gaan. Het dempen van de watergang bij de schuur met de houtwal en de watergangen bij het talud kunnen rust- en verblijfplaatsen en foerageergebied van de ringslang worden verstoord of verloren gaan. Met het dempen van delen van de watergang kan mogelijk leefgebied van de platte schijfhoren verloren gaan. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen van vogels plaatsvinden kunnen mogelijke nestlocaties van algemene broedvogels worden vernielt. Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep
Effect
Verbodsbepaling
Vleermuizen
Opzettelijk doden Opzettelijk verstoren Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 1 Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2 Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 4
Huismus
Opzettelijk doden Opzettelijk vernielen / beschadigen nest Opzettelijk verstoren
Artikel 3.1 (VR) Lid 1 Artikel 3.1 (VR) Lid 2 Artikel 3.1 (VR) Lid 4
Heikikker
Opzettelijk doden Opzettelijk verstoren Opzettelijk vernielen / beschadigen voortplantingswater
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 1 Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2 Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 4
Rugstreeppad
Opzettelijk doden Opzettelijk verstoren Opzettelijk vernielen / beschadigen voortplantingswater
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 1 Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2 Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 4
Ringslang
Opzettelijk doden Opzettelijk verstoren Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats
Artikel 3.10 (Bijlage A) Artikel 3.10 (Bijlage A) Artikel 3.10 (Bijlage A)
Platte schijfhoren
Opzettelijk doden Opzettelijk verstoren Opzettelijk vernielen / beschadigen leefgebied
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 1 Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2 Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 4
Broedvogels
Opzettelijk doden Opzettelijk vernielen / beschadigen nest Opzettelijk verstoren
Artikel 3.1 (VR) Lid 1 Artikel 3.1 (VR) Lid 2 Artikel 3.1 (VR) Lid 4
3.4
AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE WET NATUURBESCHERMING
3.4.1
AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED
Het projectgebied herbergt mogelijk functies voor de beschermde huismus, heikikker, platte schijfhoren, ringslang rugstreeppad en vleermuizen. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar jaarrond beschermde nestlocaties van de huismus, voortplantingswater en winterbiotoop van de heikikker en de rugstreeppad, leefgebied van de ringslang, leefgebied van de platte schijfhoren en vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Het onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis.
3.4.2
MITIGERENDE MAATREGELEN
Om overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen de volgende maatregelen te worden genomen. Er zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig in de bebouwing binnen het projectgebied. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen zullen (indien verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. Er zijn mogelijk jaarrond beschermde nesten van de huismus aanwezig in de bebouwing in het projectgebied. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten zullen (indien jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. Er is mogelijk voortplantingswater en winterbiotoop van de heikikker en de rugstreeppad aanwezig in het projectgebied. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van voortplantingswater zullen (indien 13
-
-
-
-
-
3.4.3
voortplantingswater aanwezig is) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. Er is mogelijk leefgebied van de platte schijfhoren aanwezig in het projectgebied. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van leefgebied van de platte schijfhoren zullen (indien leefgebied aanwezig is) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. Er is mogelijk leefgebied van de ringslang aanwezig in het projectgebied. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van leefgebied van de ringslang zullen (indien leefgebied aanwezig is) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. Tijdens de werkzaamheden dient in de actieve periode van vleermuizen (april – november) nachtelijke verlichting te worden voorkomen om verstoring van vleermuizen te voorkomen. Indien er in de nieuwe situatie verlichting wordt geplaatst, dient het armatuur het licht naar beneden te geleiden en mag er geen gebruik worden gemaakt van diffuus licht. Het is aan te bevelen het dempen van de watergangen en het ophogen van het terrein buiten het broedseizoen van vogels (globaal 15 maart - 15 juli) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden.
Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten.
ONTHEFFING WET NATUURBESCHERMING
De noodzaak voor een ontheffing van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan op voorhand niet worden uitgesloten. Uit aanvullende onderzoeken zal moeten blijken of er beschermde functies of soorten in het projectgebied voorkomen en welke negatieve effecten mogelijk met de werkzaamheden gepaard gaan. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat het projectgebied functies bevat voor beschermde soorten en negatieve effecten niet voorkomen kunnen worden, dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Hier kunnen voorwaarden in de vorm van mitigerende maatregelen aan verbonden zijn. Het verkrijgen van een ontheffing voor de potentieel aanwezige soorten is redelijkerwijs te verwachten. De mogelijke effecten zijn door de omvang van het aanwezige potentieel geschikte habitat beperkt. Er gaan met het dempen van de watergangen slechts kleine gedeeltes van leefgebied (indien aanwezig) verloren. De rest van de watergangen blijft intact en in het projectgebied worden nieuwe watergangen en daarmee potentieel nieuw habitat gecreëerd. Momenteel is de huidige bebouwing beperkt geschikt voor vleermuizen en de huismus, doordat het grootste gedeelte van de ruimtes is dichtgezet. Met de bouw van de nieuwe woningen kunnen er meerdere nieuwe verblijfplaatsen en nestlocaties worden gecreëerd.
Er zijn in het projectgebied voldoende mogelijkheden voor mitigerende en of compenserende maatregelen waardoor de staat van in standhouding van de lokale populaties ook in de toekomst gewaarborgd kan blijven. Het is op voorhand niet uit te sluiten dat mogelijke effecten op beschermde flora en fauna in de weg liggen voor de toekenning van een bestemmingsplanwijziging aangezien deze nog onbekend zijn. Echter is redelijkerwijs te verwachten dat, wanneer uit aanvullend onderzoek zou blijken dat beschermde functies aanwezig zijn, een ontheffing op mogelijk te overtreden verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming toegekend kan worden.
14
4
GEBIEDSBESCHERMING
Binnen het projectgebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden liggen op circa 3 kilometer van het projectgebied en betreft “Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein”. Het projectgebied ligt naast een gedeelte van het NNN.
Afbeelding 3: Projectgebied ten opzichte van Natura 2000 (www.pzh.maps.arcgis.com/apps/)
Afbeelding 4: Projectgebied ten opzichte van Natuur Netwerk Nederland (www.pzh.maps.arcgis.com/apps/)
4.1
EFFECTEN Het projectgebied bevindt zich naast delen van het NNN. De geplande werkzaamheden zullen naar verwachting geen effect hebben op het NNN. Er vinden geen werkzaamheden binnen het NNN plaats en er zijn geen externe effecten als gevolg van de werkzaamheden te verwachten wanneer de mitigerende maatregelen als weergegeven in 3.4.2 worden genomen. Met een afstand van 3 kilometer bevindt het nabij gelegen Natura 2000gebied zich op voldoende afstand om verdroging, vermesting, verontreiniging, versnippering en verstoring als gevolg van de werkzaamheden uit te sluiten. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een toename in stikstofemissie tot gevolg hebben. Met de geplande ontwikkeling in het projectgebied is een toename in emissie van stikstof te verwachten. De emissie van stikstof is onder te verdelen in de emissie tijdens de bouwfase en de emissie in de gebruiksfase. De amovatie en de nieuwbouw zal leiden tot een tijdelijke toename in het aantal verkeersbewegingen in de omgeving van het projectgebied. Daarnaast zullen er werktuigen worden gebruikt tijdens het amoveren en het bouwen van de 15
woning. Het verkeer en de werktuigen zijn een bron van stikstof en zorgen voor een tijdelijke toename van de emissie van stikstof. De nieuwe woning wordt niet aangesloten op het gas, waardoor er geen emissie van stikstof meer zal plaatsvinden. Naar verwachting zal de tijdelijk toename in stikstofemissie geen significant negatief effect hebben op het Natura 2000-gebied “Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein”. Deze verwachting wordt onderschreven door de, door de opdrachtgever uitgevoerde, AERIUS berekening voor de geplande werkzaamheden. De uitkomst van deze berekening is dat de werkzaamheden een stikstofdepositie hebben van 0,00 mol/ha/jaar.
16
5
HOUTOPSTANDEN
De bomen vallen buiten de bebouwde kom van de gemeente Vlist (zie afbeelding 5). Voor bomen die buiten de bebouwde kom vallen kunnen de bepalingen voor houtopstanden in de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. Er dient een kapmelding te worden gemaakt indien1: -
de houtopstand buiten de 'bebouwde kom Wet natuurbescherming' ligt; de houtopstand groter is dan 10 are (1.000 m2) of het om bomen gaat in een rijbeplanting van meer dan 20 bomen.
Krachtens artikel 4.1 lid f van de Wet natuurbescherming hebben de verbodsbepalingen met betrekking tot houtopstanden geen betrekking op uit populieren of wilgen bestaande: -
Wegbeplantingen; Beplantingen langs waterwegen, en Eenrijige beplanting langs landbouwgronden.
De te kappen bomen maken onderdeel uit van een wegplanting van wilgen langs een watergang. De bepalingen ten aanzien van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming zijn dan ook niet van toepassing voor het kappen van de bomen.
Afbeelding 5: Bebouwde kom gemeente Vlist (bron: www.decentrale.regelgeving.overheid.nl) 1
www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/beschermde-planten-dieren-en-natuur/natuur-en-landschap/bomen/bos-enbomen-kappen 17
6
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
6.1
CONCLUSIES De bebouwing in het projectgebied is geschikt voor verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis en jaarrond beschermde nesten van de huismus. Met het dempen van gedeeltes van de watergangen in het projectgebied kan mogelijk voortplantingswater en winterbiotoop van de heikikker en rugstreeppad verloren gaan. Met het dempen van gedeeltes van de watergangen kan tevens leefgebied van de ringslang en leefgebied van de platte schijfhoren verloren gaan. Nadelige effecten als gevolg van de geplande ontwikkeling op het NNN en Natura 2000-gebieden worden niet verwacht. Naar verwachting zal de bestemmingsplanwijziging en de werkzaamheden geen significant negatief effect hebben op het nabijgelegen delen van het NNN en Natura 2000-gebied. Verwacht wordt dat de stikstofdepositie niet boven de waarde van 0,00 mol/ha/jaar uit zullen komen. Voor het uitvoeren van de kapwerkzaamheden in het projectgebied geldt geen meldplicht in het kader van de Wet natuurbescherming.
6.2
AANBEVELINGEN Er is aanvullend onderzoek naar de heikikker, huismus, platte schijfhoren, ringslang, rugstreeppad en vleermuizen nodig alvorens men aan de werkzaamheden in het projectgebied kan beginnen. Het is noodzakelijk om het dempen van de watergangen en het ophogen van het terrein buiten het broedseizoen van vogels uit te voeren (globaal 15 maart – 15 juli) om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Indien broedgevallen ten tijde van de werkzaamheden aanwezig zijn mogen deze niet worden verstoord of vernietigd. De werkzaamheden dienen overdag plaats te vinden om verstoring van vleermuizen te voorkomen. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten. Tabel 3: Te verwachte beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties Soort / soortgroep
Aanvullend onderzoek
Onderzoeksperiode
Vleermuizen
Zomer- kraamverblijfplaatsen
15 mei - 15 juli
Vleermuizen
Paarverblijfplaats(en) en Zwermplaatsen
15 augustus - 1 oktober
Vleermuizen
Zwermplaatsen in het kader van Winterverblijfplaatsen
1 augustus – 10 september
Huismus
Nesten en functioneel leefgebied
1 april - 15 mei
Heikikker
Voortplantingswater en winterbiotoop
Eind februari – eind mei
Rugstreeppad
Voortplantingswater en winterbiotoop
15 april - 31 juli
Ringslang
Verblijf- en zonplaatsen en leefgebied
April t/m september
Platte schijfhoren
Leefgebied
1 juni - 1 oktober
Algemene broedvogels
Nesten, indien niet buiten het broedseizoen gewerkt wordt
Binnen de periode 1 maart t/m 15 juli
18
7
LITERATUUR
BIJ12 2017, Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 2017, Kennisdocument gierzwaluw, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 2017, Kennisdocument huismus, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 2017, Kennisdocument ruige dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011, Vleermuizen, Tirion Natuur uitgevers BV, Baarn. NGB, Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, juli 2017. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2017), Vleermuisprotocol 2017, maart 2017.
Internet NDFF www.decentrale.regelgeving.overheid.nl www.gbif.org www.omgevingsloket.nl www.piscaria.nl www.provinciaalgeoregister.nl/georegister/ www.pzh.maps.arcgis.com/apps/ www.ravon.nl www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/beschermde-planten-dieren-en-natuur/natuur-enlandschap/bomen/bos-en-bomen-kappen www.stowa.nl (limnodata neerlandica) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl
19
Bijlage 1: Foto-impressie
20
Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten Tabel 1: Overzicht beschermde soorten in kilometerhok 114/444 Soortgroep Naam Bescherming
Afstand
Amfibieën
bastaardkikker1
Wnb A
< 5km
Amfibieën
bruine kikker1
Wnb A
< 1km
Amfibieën
gewone pad1
Wnb A
< 1km
Amfibieën
heikikker
HR IV & Bern II
< 1km
Amfibieën
kleine watersalamander1
Wnb A
< 5km
Amfibieën
meerkikker1
Wnb A
< 5km
Amfibieën
rugstreeppad
HR IV & Bern II
< 1km
Ongewervelden
groene glazenmaker
HR IV & Bern II
< 5km
Ongewervelden
platte schijfhoren
HR IV
< 1km
Reptielen
ringslang
Wnb A
< 5km
Vleermuizen
gewone dwergvleermuis
HR IV
< 5km*
Vleermuizen
laatvlieger
HR IV & Bern II
< 5km*
Vleermuizen
rosse vleermuis
HR IV & Bern II
< 5km*
Vleermuizen
ruige dwergvleermuis
HR IV & Bern II
< 5km*
Vleermuizen
watervleermuis
HR IV & Bern II
< 5km
Vogels
boerenzwaluw
Cat. 5
< 4km*
Vogels
boomkruiper
Cat. 5
< 5km
Vogels
boomvalk
Cat. 4
< 5km
Vogels
buizerd
Cat. 4
< 5km
Vogels
ekster
Cat. 5
< 5km
Vogels
gierzwaluw
Cat. 2
< 1km
Vogels
huismus
Cat. 2
< 4km*
Vogels
huiszwaluw
Cat. 5
< 5km
Vogels
koolmees
Cat. 5
< 5km
Vogels
pimpelmees
Cat. 5
< 5km
Vogels
ransuil
Cat. 4
< 5km
Vogels
sperwer
Cat. 4
< 5km
Vogels
spreeuw
Cat. 5
< 4km*
Vogels
torenvalk
Cat. 5
< 5km
Vogels
zwarte kraai
Cat. 5
< 5km
Zoogdieren
aardmuis1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
bever
HR IV
< 5km
Zoogdieren
bunzing1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
egel1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
haas1
Wnb A
< 1km
Zoogdieren
hermelijn1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
huisspitsmuis1
Wnb A
< 5km
1
Zoogdieren
veldmuis
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
wezel1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
woelrat1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren waterspitsmuis Wnb A * = op basis van eerdere waarnemingen van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. 1 = Vrijstelling
< 2 km
21