CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 2c Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 3 Quickscan flora en fauna

Raadsvergadering 28 september 2021, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (H) Bestemmingsplan Waterwoningen Schoonhoven6.717 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

QUICKSCAN Wet Natuurbescherming Project: “Waterwoningen Schoonhoven”

R.J.S. Terlouw

IN OPDRACHT VAN

QUICKSCAN Wet Natuurbescherming Project: “Waterwoningen Schoonhoven”

R.J.S. Terlouw

COLOFON:

© Bui-TeGewoon, groenprojecten ◊ publicatie 2020/16a- met aanpassingen na beoordeling ODMH Bergambacht, april 2020 - januari 2021 Status : Definitief Auteur : R.J.S. Terlouw In opdracht van : Verstoep BV-Schoonhoven Disclaimer: De inhoud van dit rapport is met uiterste zorg samengesteld. De informatie in dit document wordt aangeboden zonder enige garantie. BUI-TEGEWOON, groenprojecten sluit alle aansprakelijkheid uit voor enigerlei directe of indirecte schade, van welke aard dan ook, die voortvloeit uit of verband houdt met het gebruik van dit document. Niets uit dit rapport mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt door middel van drukwerk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder schriftelijke toestemming van BUI-TEGEWOON, groenprojecten en de opdrachtgever, noch zonder toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.

INHOUDSOPGAVE

1]

Inleiding en doel

3.

2]

Locatie plangebied

4.

3]

Doel en centrale vraagstelling

4.

4]

Criteria 4.1. Algemene criteria 4.2. Reikwijdte

5. 5. 5.

5]

Werkwijze

6.

6]

Voorgenomen ontwikkeling

7.

7]

Bureaustudie & veldonderzoek 7.1. Beschermde natuurwaarden 7.2. Beknopte levering NDFF 7.3. Raadpleging overige bronnen 7.4. Locatie bezoek

8. 8. 9. 10. 11.

8]

Beoordeling soortgroepen, beschermde soorten en –situaties 8.1. Algemeen 8.2. Habitat 8.3. Soorten en omstandigheden

12 12. 13. 13.

9]

Conclusies

16.

BIJLAGEN. 1. 2.

Verantwoording ecologische deskundigheid – Bui-TeGewoon | groenprojecten Beknopte levering NDFF

1

2

1]. Inleiding en doel Het project “waterwoningen Schoonhoven” betreft de ontwikkeling van een aantal bouwkavels omsloten door de straten ‘Waterviolier’ – ‘Zonnedauw’ en ‘Veldsalie’ in Schoonhoven. De locaties zijn in eigendom van de gemeente Krimpenerwaard en een projectontwikkelaar en zullen in samenhang tot elkaar worden gerealiseerd. Voorafgaand aan een bestemmingsplan procedure is ecologische informatie nodig om effecten op beschermde flora- en fauna en beschermde gebieden uit te sluiten dan wel te onderbouwen dat er geen (blijvende) negatieve effecten optreden. De QuickScan moet inzicht geven in het mogelijk voorkomen van beschermde natuurwaarden, alsmede of het ontwikkelingsplan effecten heeft op beschermde gebieden binnen de invloedsfeer van de voorgenomen maatregel. Op basis van de resultaten uit de ecologische beoordeling dient door het bevoegd gezag te kunnen worden vastgesteld of de voorgenomen ontwikkeling vergunbaar is en of er voorwaarden aan de ontwikkeling moeten worden gesteld. Wanneer het aannemelijk is dat er beschermde soorten en/of situaties aanwezig zijn kan aanvullend onderzoek noodzakelijk blijken alvorens ontheffing kan worden aangevraagd.

Bij ruimtelijke ontwikkeling geldt dit voor soorten die zijn geplaatst in tabel 1 (beschermingsregiem soorten vogelrichtlijn), tabel 2 (beschermingsregiem soorten habitatrichtlijn) of tabel 3 (beschermingsregiem andere soorten) van de Wet Natuurbescherming of soorten en situaties die anderszins een vergelijkbare beschermde status hebben. Voor de verstoring of aantasting van beschermde natuurwaarden kan een ontheffing ex. artikel 3.3 van de Wet Natuurbescherming nodig zijn. Een QuickScan Wet Natuurbescherming heeft een verkennend karakter, dit houdt in dat bij mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten aanvullend onderzoek noodzakelijk kan zijn in de activiteit periode van de soort. Voor sommige soorten zijn hiertoe meerdere bezoeken noodzakelijk en/of is onderzoek in een vastgestelde periode van het jaar vereist. Verstoep, Bouwadvies-Architectuur-Ontwikkeling B.V. heeft Bui-TeGewoon | groenprojecten verzocht een QuickScan Wet Natuurbescherming uit te voeren voor bovenvermelde locatie om de mogelijke aanwezigheid van soorten te verkennen en de effecten op beschermde gebieden te beoordelen. De onderhavige rapportage geeft de resultaten van deze QuickScan weer.

3

2]. Locatie plangebied De projectlocatie is gelegen aan de oostzijde van Schoonhoven in de voormalige gemeente Willige Langerak. . De projectlocatie is kadastraal bekend Schoonhoven sectie E nummers 1174. De locatie valt binnen kilometerhok nummer 119 – 439. De ontwikkelingslocatie is weergegeven in onderstaand topografisch en kadastraal kaartbeeld.

Figuur 1 Ligging plangebied en kadastrale situatie

De directe omgeving is te omschrijven als een nieuwbouwwijk uit de eerste decade van de 21e eeuw. In de directe omgeving is veel water dat van een beschoeiing is voorzien waardoor de water/land overgangen als ‘hard’ en moeilijk voor dieren passeerbaar worden beoordeeld. Beplantingen zijn in beperkte mate aanwezig, gazons zijn er zowel ten noorden als ten zuiden van de van de projectlocatie. De woonwijk wordt als een weinig groene wijk beoordeeld en biedt hierdoor een beperkte habitat voor de stadvogel gemeenschap en overige aan woonwijken gerelateerde fauna. 3] Doel en centrale vraagstelling De QuickScan Wet Natuurbescherming wordt uitgevoerd om te bepalen of de geplande ontwikkeling passend kan worden uitgevoerd, of eventueel aanvullend onderzoek noodzakelijk is en welke mitigerende maatregelen eventueel moeten worden toegepast om tot een passende uitvoering te kunnen komen. De centrale vraagstelling is vierledig en luidt als volgt: Zijn er voldoende ecologische gegevens beschikbaar omtrent het voorkomen van (zwaarder) beschermde flora en fauna in het projectgebied; Is er in het gebied habitat aanwezig waar (zwaarder) beschermde soorten voor kunnen komen; Heeft de voorgenomen ontwikkeling effect op beschermde gebieden in de invloedsfeer van het projectgebied; Zijn de beoogde werkzaamheden en maatregelen passend binnen de Wet Natuurbescherming uitvoerbaar.

4

4]

Criteria

4.1. Algemene criteria Op de onderhavige QuickScan zijn de volgende criteria van toepassing: Het onderzoek dient onafhankelijk te worden uitgevoerd. Bui-TeGewoon | groenprojecten verklaart geen belangen te hebben bij de uitkomst van het onderhavige onderzoek; Het onderzoek dient te worden uitgevoerd door een deskundige ecoloog die voldoet aan de hiervoor gestelde criteria. Het onderhavige onderzoek is uitgevoerd door Bui-TeGewoon | groenprojecten, de heer R.J.S. Terlouw. Terlouw heeft ruim 30 jaar ervaring in verschillende functies als ecoloog en als regiohoofd terreinbeheer bij een natuur beherende organisatie (bijlage 1); Gegevens gebruikt ten bate van het onderzoek dienen objectief te zijn verkregen en uit betrouwbare bronnen voort te komen; De kwaliteit van het onderzoek dient aan de hand van de rapportage te kunnen worden beoordeeld door het bevoegd gezag; Omtrent de uitkomsten van het onderzoek dient begrijpbaar voor opdrachtgever en/of gebruiker te worden gerapporteerd; Dit onderzoek is maximaal drie jaar geldig na de opleverdatum. 4.2. Reikwijdte In deze ecologische Quick Scan wordt getoetst aan de soortbescherming en gebiedsbescherming van de Wet Natuurbescherming. Daarnaast wordt getoetst of er negatieve effecten zijn te verwachten op beschermde gebieden.

Soortbescherming Onderzocht wordt of (mogelijk) verbodsbepaling uit de Wet Natuurbescherming worden overtreden bij uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden of gebiedsontwikkeling. De toetsing vindt plaats op vogelrichtlijnsoorten (artikel 3.1), habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5), andere soorten uit de wet Natuurbescherming (artikel 3.10) en het zorgplichtartikel (artikel 1.11). Gebiedsbescherming Er wordt onderzocht of er negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde gebieden. In de Wet Natuurbescherming gaat dat om Natura 2000-gebieden (artikel 2.7) en/of bijzondere nationale gebieden. Daarnaast wordt rekening gehouden met provinciaal beleid zoals het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de provinciale verordening belangrijke weidevogelgebieden en de strategische reservering natuur. Een wat grotere afstand tussen het projectgebied en een beschermd gebied betekent niet altijd dat negatieve effecten per definitie uitgesloten kunnen worden. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een negatief effect op soorten die buiten een beschermd gebieden verblijven of effecten door depositie van stikstof. Indien negatieve effecten op beschermde gebieden niet uitgesloten kunnen worden, is vervolg onderzoek nodig, zoals een ‘voortoets’ of ‘NNN-toetsing’, dan wel een nadere verkenning. Deze nadere toetsing maakt geen onder- deel uit van deze Quick Scan.

Ook het aanvragen van een ontheffing maakt geen onderdeel uit van een ecologische Quick Scan. Beoordeling Indien negatieve effecten op beschermde soorten of gebieden niet uitgesloten kunnen worden, wordt in eerste instantie beoordeeld of deze kunnen worden gemitigeerd of gecompenseerd. Ook wordt beoordeeld of effecten kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden onder een ecologisch protocol uit te voeren. Hiervoor worden adviezen verstrekt die ter beoordeling kunnen worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Indien aanvullend onderzoek noodzakelijk wordt bevonden wordt dit vermeldt, de criteria waaraan dit dient te voldoen worden hierbij benoemd. Eventueel nadere onderzoek maakt geen onderdeel uit van de onderhavige Verkenning Wet Natuurbeheer.

5

5]. Werkwijze Ten bate van de QuickScan heeft zowel een bureauonderzoek als veldonderzoek plaatsgevonden. Nadat een opdracht tot QuickScan is verkregen wordt in een oriënterend gesprek met bewoner en/of opdrachtgever de voorgenomen ontwikkeling verkend en worden plandocumenten als aanwezige bouw- en inrichtingstekeningen ingezien. Aansluitend vindt een bureaustudie plaats waarbij het gebied topografisch wordt verkend aan de hand van topografische atlassen, de websites “OpenTopo” en “Google Earth”. Gelet wordt op aanwezige gebieden, elementen en habitats als kleine landschapselementen, watergangen, en structuren als bijvoorbeeld bomenrijen, die aanwijzingen kunnen geven voor mogelijk gebiedsgebruik door fauna. Aan de hand van de bodemkaart en de website van het waterschap worden o.a. drooglegging, vigerend waterpeil en bodemsituaties beoordeeld. Speciale aandacht wordt besteed aan de aanwezigheid van een mogelijk ingraafbare bodem als steil randjes langs oevers, stroomruggen en zandopduikingen, die in verband met het voorkomen van rugstreeppad kunnen worden gebracht en gebieden met een geringe drooglegging of extensief grondgebruik die habitat kunnen bieden aan beschermde flora en fauna.

Om te kunnen bepalen of de voorgenomen werkzaamheden effect kunnen hebben op beschermde natuurgebieden, wordt gekeken of het projectgebied planologisch beschermd is en of er beschermde gebieden rond het projectgebied aanwezig zijn. De ligging wordt bepaald door gebruik te maken van de kaartmachines van het ministerie van Economische Zaken m.b.t. wettelijk beschermde gebieden en het raadplegen van de websites van de provincie Zuid-Holland en als gevolg van de ligging nabij de provincie grens van de provincie Utrecht (www.provinciezuidholland.nl/kaarten/ecologischehoofdstructuur & provincie Utrecht kaartscanner).

Om het mogelijk voorkomen van flora en fauna te beoordelen wordt bij aanvang standaard een zogenaamde “beknopte levering” van het NDFF gebruikt. Naast de beknopte levering wordt via verschillende zoekfuncties gericht gezocht naar mogelijke inventarisaties en rapportages van natuur en landschap uit het recente verleden. De website ‘waarnemingen.nl’ wordt gecheckt op vermelde waarnemingen van soorten uit de Habitat- en Vogelrichtlijn alsmede Rode lijst soorten voor een periode tot vijf jaar terug. Verspreidingsatlassen van gegevens verzamelende organisaties worden geraadpleegd waarbij er rekening mee wordt gehouden dat de onderzoeksperiode van deze atlassen, voorafgaand aan publicatie, veelal leidt tot gegevens ouder dan vijf jaar die in sommige situaties als onvoldoende recent moeten worden beoordeeld. De resultaten worden benut voor het opstellen van een checklist met mogelijk aanwezige beschermde soorten en/of situaties. De op deze wijze verkregen lijst van mogelijk aanwezige soorten wordt vergeleken met de vermelde aantallen per soortgroep uit de beknopte levering NDFF. Bovenstaande activiteiten leidt tot de definitieve lijst met mogelijk aanwezige soorten en habitats die als checklist wordt gehanteerd bij het locatiebezoek.

Op basis van de volgens bovenstaande systematiek opgestelde lijst van (mogelijk) aanwezige soorten wordt een locatiebezoek gepland en uitgevoerd op de meest optimale periode van de dag en rekening houdend met specifieke aandachtsvelden. Het veldbezoek wordt opgesplitst in twee delen. In het eerste deel wordt de feitelijke situatie van het projectgebied en de aanwezige habitat gekarteerd. Hierbij worden (indien aanwezig) aantekeningen gemaakt van breedte en diepte van watergangen, aanwezige vegetatietypen waarbij, indien relevant, ook de kruidenrijkdom van graslanden, de botanische kwaliteit van oevervegetaties en de aanwezigheid van watervegetaties wordt beoordeeld. Aanwezigheid van bomen en houtopstanden en hier binnen eventuele aanwezigheid van holte bomen (als mogelijke verblijfplaats voor fauna) of lijnvormige structuren (migratieroute voor vleermuizen) worden eveneens geregistreerd. Nadat het projectgebied is verkend op basis van de aanwezige habitat wordt een tweede ronde door het gebied gemaakt. Tijdens deze rondgang wordt op voor beschermde soorten geschikt beoordeelde locaties/habitats, gericht naar tabel 1, 2 en 3 soorten volgens de Wet Natuurbescherming, gezocht. Opstallen en kunstwerken als bijvoorbeeld bruggen worden gecheckt op muurplanten, holten en aanwezige nesten (bijv.

voor huismussen geschikten daken, boerenzwaluwen onder bruggen, etc.) en bereikbare ruimten en/of mestsporen van bijvoorbeeld vleermuizen. Houtopstanden worden gecheckt op (jaarrond) beschermde nesten en geschiktheid als broedhabitat. Holte bomen worden met een spiegellamp of boomcamera gecontroleerd.

6

Indien watergangen onderdeel uitmaken van de ontwikkelingslocatie wordt de geschiktheid voor beschermde soorten visueel beoordeeld. Indien watergangen waarin mogelijk beschermde soorten aanwezig kunnen zijn wordt met behulp van een standaard steeknet een proefbemonstering uitgevoerd conform de hiervoor geldende standaardprotocollen van RAVON (amfibieën & vissen) en mollusken (Stichting Anemoon). Hierbij worden o.a. specifiek geschikte habitats voor beschermde vissoorten en platte schijfhoren bemonsterd. Van gevonden schijfhorenslakken wordt thuis een monster met behulp van een binoculair (10-30x) gedetermineerd om eventuele aanwezigheid van bijvoorbeeld platte schijfhoorn vast te kunnen stellen. Graslanden en oevervegetaties worden beoordeeld op de geschiktheid voor beschermde plantensoorten en als broedhabitat. Indien soorten als bijvoorbeeld ringslang, rugstreeppad, vleermuizen, groene glazenmaker, waterspitsmuis, etc. mogelijk voorkomen op de ontwikkelingslocatie kan aanvullend onderzoek worden geadviseerd. Wanneer het voorkomen van beschermde soorten of situaties wordt aangetoond of niet valt uit te sluiten, worden afhankelijk van de bevindingen voorstellen opgesteld voor aanvullend onderzoek of de aanvraag van een ontheffing. Ook kan het treffen van mitigerende maatregelen of uitvoering volgens een ecologisch werkprotocol worden geadviseerd.

Dit kan zowel gericht zijn op soorten, situaties als het type van de werkzaamheden. 6] Voorgenomen ontwikkeling Vanuit de opdrachtgever, Verstoep B.V., is de voorgenomen ontwikkeling toegelicht. Onderstaande informatie is hierbij verkregen: “Voornemen is de projectlocatie te ontwikkelen tot vier vrijstaande woningen. Hiervoor wordt de bestaande vegetatie verwijderd en een voormalige schuur gesloopt”. De plankaart ten bate van de bestemmingsplan procedure is weergegeven in figuur 2. Figuur 2. Voorgenomen ontwikkeling

7

7].

Bureaustudie en veldonderzoek

7.1]

Beschermde natuurwaarden

 Natuurbeschermingswet De Natuurbeschermingswet regelt de bescherming van natuurgebieden in Nederland. Het gaat daarbij om de bescherming van gebieden van nationaal belang (de Beschermde Natuurmonumenten) en van internationaal belang (Natura 2000). In een groot aantal gevallen overlappen de Beschermde Natuurmonumenten de gebieden die zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. De waarden die behoren bij het Beschermd Natuurmonument zijn dan meegenomen in het Natura 2000 ontwerp of concept aanwijzingsbesluit. Beschermde natuurmonumenten in de zin van de wet zijn in de directe omgeving van het projectgebied aanwezig langs de noordoevers van de rivier de Lek op circa 600 meter afstand in zuidelijke richting. Enigszins nabijgelegen gebieden die zijn opgenomen als Natura 2000-gebied betreffen, de Zouweboezem en polder Achthoven op 7.470 meter naar het oosten, de Reeuwijkse plassen en polder Stein op circa 10.110 meter naar het noorden, de Donkse Laagte op 10.160 meter in zuidelijke richting en de Boezems van Kinderdijk op 16.250 meter in zuidwestelijke richting. Gezien de aard en omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling en de Natura 2000 doelstellingen van de betreffende gebieden, in relatie tot de afstand en tussenliggende wegen en bebouwingen worden geen effecten van de voorgenomen ontwikkeling verwacht op de doelstellingen voor genoemde Natura 2000-gebieden.

 Nationaal Natuur Netwerk (voorheen EHS) Verschillende delen van de Lekuiterwaarden zijn begrenst onder het Natuur Netwerk Nederland met de doeltype moeras-en riviernatuur. NNN gebied Lekuiterwaarden Schoonhoven is gelegen op circa 600 meter ten zuiden van de projectlocatie. Het NNN-gebied bestaat hier uit verruigde rietlanden met struwelen van struikwilgen, open water en een bloemrijk dijktalud met een vegetatie type wat aansluit bij grote vossenstaart- en glanshaver graslanden. Het NNN-gebied wordt fysiek gescheiden van de ontwikkelingslocatie door een tussenliggende woning met erf en de dijkweg ten zuiden van het projectgebied langs de rivier de Lek. De aard en omvang van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wordt door ons beoordeeld als geen effecten veroorzakend op de doelstellingen van het in de nabijheid gelegen NNN-gebied langs de rivier de Lek.  Begrenzing leefgebied open grasland Het graslandgebied van polder Noord Zevender op circa 1050 meter ten noorden van het projectgebied zijn door de provincie Zuid-Holland begrenst als leefgebied open grasland. Binnen deze gebieden kunnen pakketten voor weidevogels en grasland natuur worden gesloten via het Collectief Agrarisch Beheer (figuur 3). Het graslandgebied is in 2019 gekarteerd op weidevogels in opdracht van het Agrarisch Collectief Krimpenerwaard (Terlouw R.J.S., 2019/BTG.RAPP-2019/47).

Hierbij is vastgesteld dat de meest nabij gelegen delen geen belangrijke weidevogelpopulaties bevatten het gebied relatief arm is aan weidevogels. Wel is zuidelijk gelegen buurtschap Zevender een kansrijke omgeving voor vogels uit der erfvogel gemeenschap. Tussen de projectlocatie en dit leefgebied open grasland ligt een woonwijk, een bedrijventerrein, verschillende wegen waaronder de drukke Provincialeweg N210. Als gevolg van de aard en omvang van de werkzaamheden, de tussen liggende bebouwing en provinciale weg N210 zullen geen effecten optreden vanuit de voorgenomen werkzaamheden op soorten en doelstellingen vanuit het leefgebied open grasland. De ligging van genoemde beschermde gebieden en situaties ten opzichte van de ontwikkelingslocatie zijn weergegeven in figuur 3.

8

Figuur 3. Ligging projectgebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden

7.2] Beknopte levering NDFF Via de aanvraag beknopte levering bij het Natuurloket vanuit de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) is beoordeeld welke informatie over het voorkomen van beschermde soorten aanwezig is en met welke volledigheid soorten in het gebied zijn onderzocht. De geleverde gegevens hebben betrekking op het voorkomen van soorten gedurende de periode 2010–2020. De ontvangen rapportage (HNL-2020-71 d.d. 12 april 2020) laat zien dat het gebied voor landzoogdieren, broedvogels, wintervogels, amfibieën, dagvlinders en libellen als goed onderzocht wordt beoordeeld. Als redelijk onderzocht worden vaatplanten en vissen beoordeeld. De overige soortgroepen scoren een slechte of onbepaalde onderzoekintensiteit. Op basis hiervan wordt de beschikbare ecologische informatie van het atlasblok waarbinnen de projectlocatie is gelegen als redelijk tot goed onderzocht beoordeeld. Uit de groep van de vleermuizen worden 2 soorten uit de groepen, landzoogdieren en libellen beide één soort uit de Habitatrichtlijn voor het atlasblok vermeld. Voor de Wet Natuurbescherming-andere soorten worden acht landzoogdieren en drie amfibieën soort uit het kilometerhok gemeld. Voor de vogelrichtlijn zijn 75 soorten broedvogels vastgesteld. Als rode-lijst soorten worden paddenstoelen (1), vleermuizen (1), landzoogdieren (1) en broedvogels (13) soorten vermeld.

De resultaten van de beknopte levering zijn samengevat in tabel 1. De rapportage is integraal opgenomen als bijlage 2

9

Soort groepen

Vaatplanten Mossen Korstmossen Paddenstoelen Land zoogdieren Vleermuizen Vogels - broedvogels wintervogels Amfibieën Reptielen Vissen Dagvlinders Macronachtvlinders Micronachtvlinders Libellen Sprinkhanen en krekels Over. ongewervelden

Onderzoek status NDFF

redelijk slecht slecht onbepaald goed slecht goed goed goed niet redelijk goed slecht slecht goed onbepaald niet

Rode lijst

0 0 0 1 1 1 13 0 0 0 0 1 0 0 0 0 0

Wet Natuurbescherming

Vogelrichtlijn

0 0 0 0 8 0 0 0 3 0 0 0 0 0 0 0 0

0 0 0 0 0 0 75 181 0 0 0 0 0 0 0 0 0

Habitat richtlijn

0 0 0 0 1 2 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 0

Tabel 1. Voorkomen van beschermde soorten per soortgroep in kilometer hok 116-439 volgens NDFF

7.3.] Raadpleging overige bronnen Naast het beoordelen van de beknopte levering is de websites Waarnemingen.nl bezocht en is gericht gezocht op voor het plangebied relevant geachte soorten voor de periode 01 januari 2013 tot heden. Voor de soortgroepen broedvogels, zoogdieren, vleermuizen, vissen en amfibieën zijn de verspreidingskaarten op de websites van RAVON, SOVON, VZZ, vleermuisnet &, EIS-Nederland beoordeeld en zijn de verspreidingsatlassen van deze soorten geraadpleegd. Opgemerkt wordt dat de periode van gegevens verzamelen voor veel publicaties en atlassen langer dan vijf jaar terug is geweest. In het archief van Bui-TeGewoon | groenprojecten is gezocht naar recente rapporten en ecologische gegevens. Dit archief bevat een groot aantal publicaties en data uit de periode 1969-heden van in het bijzonder de Krimpenerwaard en Vijfheerenlanden. In het archief is enige informatie aanwezig omtrent vegetaties, plantensoorten en broedvogels van de aangrenzende NNN Lekuiterwaarden. Deze data zijn overwegend ouder dan vijf jaar. Van meer recente datum zijn meerdere waarnemingen van de bever langs de binnen het atlasblok aanwezige delen van de rivier de Lek. Uit dit gebied is ook een waarneming van de rivierrombout beschikbaar uit 2019. De vermelde habitatrichtlijn soorten uit de groep van landzoogdieren en libellen zullen naar verwachting op deze soorten betrekking hebben.

Vanuit het direct aangrenzende atlasblok (118-439), waarbinnen een deel van de binnenstad van Schoonhoven is gelegen, zijn meerdere vleermuiskartering bekend. Hierin worden zes soorten vleermuizen gevonden. Het lijkt aannemelijk dat er ook in het atlasblok meer vleermuissoorten zullen voorkomen dan uit de informatie van de NDFF blijkt.

10

7.4]. Locatie bezoek Op 17 april 2020 heeft een terreinbezoek op de voorgenomen ontwikkelingslocatie plaatsgevonden. Parallel aan dit bezoek is de directe omgeving verkend om te beoordelen of mogelijke effecten van het ontwikkelingsplan op natuurwaarden in de directe omgeving kunnen optreden. A - Opstallen Op de projectlocatie is één opstal aanwezig. het betreft een voormalige schuur stal, waarvan de ramen zijn verwijderd, waardoor hij open en vrij toegankelijk is voor dieren. Het dak bestaat uit asbesthoudende golfplaten en heeft geen plafond. De muren zijn opgetrokken met metselwerk. Ze zijn enkel steens zonder spouw of anderszins inkruipbare ruimte. Er is geen onderkruipbare fundering. In deze schuur zijn geen waarnemingen van verblijvende dieren gevonden. Ook zijn er geen sporen aanwezig van recent gebruik. Rondom de schuur is vegetatie aanwezig van spontaan opgeslagen struiken en ruigte gewas. Dit biedt veel potentiele nestlocaties voor vogels en verblijfplaatsen voor dieren uit de soortgroepen kleine zoogdieren en amfibieën. Tijdens het bezoek is in de vegetatie actief gezocht naar jaarrond beschermde nesten deze zijn niet aangetroffen.

Figuur 6. Opstal op projectlocatie

B – Terrein Het terrein betreft een braakliggend terrein te midden van een jonge woonwijk. Het is rondom omgeven door waterpartijen die zijn voorzien van een houten beschoeiing. Hierdoor betreft het in feite een eiland. Op enkele plaatsen zijn ‘rommelbulten’ en hopen met grond- en zandachtig materiaal aanwezig. De vegetatie is verruigd en structuurrijk en bestaat uit riet, grove grassen en opslag van houtige gewassen, voornamelijk schietwilg. De vegetatie biedt broed gelegenheid aan een breed scala aan vogels en habitat voor amfibieën en kleine zoogdieren. Aan de oostzijde valt een smalle strook met grove heesters binnen het plangebied. De beplanting heeft een hoogte van circa 3.00 meter en bestaat uit wilde rozen, hazelaar, Spirea soorten kornoelje, etc. De strook biedt broedbiotoop aan vogels uit de stadsvogelgemeenschap. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van vogels aangetroffen in deze beplanting strook. Dit kan echter niet worden uitgesloten. Tijdens de locatie verkenning zijn nesten aangetroffen van meerkoet, wilde eend en knobbelzwaan. Op basis van zingende vogels zijn territoria van winterkoning, merel, tjiftjaf en zwartkop vastgesteld. De vegetatie is beoordeeld op de aanwezigheid van beschermde soorten. Deze zijn niet voor beschermde soorten. Op basis van de verkenning worden ook geen zwaarder beschermde plantensoorten verwacht.

De rondom gelegen watergang zal tijdens de ontwikkeling van de locatie niet worden aangetast of verstoord. Water gerelateerde flora en fauna zal dan ook niet worden aangetast Voor het totale gebied is te verwachten dat een aantal niet zwaar beschermde soorten uit verschillende diergroepen aanwezig zullen zijn. Broedende vogels zijn hierbij te alle tijden beschermd zolang er nesten in aanbouw, met eieren en/of jongen aanwezig zijn. Voor de zoogdier- en amfibieënfauna is het van belang het zorgvuldigheidsbeginsel uit de Wet Natuurbescherming te volgen. Dit vraagt een planmatige aanpak in ruimte en tijd, in het bijzonder tijdens het bouwrijp maken van de locatie.

11

Figuur 7. Terrein projectlocatie

C – Omgeving De projectlocatie betreft een braakliggend perceel in een recente nieuwbouwwijk waarop de bestemming woningen is gelegen. Met het projectplan wordt invulling gegeven aan het realiseren van de bestemming. De directe omgeving is een relatief jonge woonwijk met weinig groen in de straten. Alleen aan de zuidzijde is een wat grotere groenstrook op gemeente eigendom. De tuinen zijn relatief klein en hebben beperkte begroeiingen. Wel zijn er een aantal grotere gazons op gemeentelijk grondgebied. De woonwijk is waterrijk met vrij brede watergangen. De oevers aan de zijde van het gemeentelijk grond gebeid zijn allen hard beschoeid met houten oeververdedigingen.

8].

Beoordeling soortgroepen, beschermde soorten en situaties

8.1.] Algemeen In het projectgebied en de directe omgeving (beïnvloeding aspecten) worden op basis van uitgevoerd bronnenonderzoek, archiefmateriaal, de regionale ligging, de aanwezige habitats en het migratiegedrag van diersoorten, een aantal beschermde soorten of situaties mogelijk aanwezig geacht. Met betrekking tot de beknopte levering vanuit de Nationale Database Flora en Fauna wordt opgemerkt dat wij verwachten dat veel van de waargenomen soorten betrekking zullen hebben op waarnemingen uit het gebied Lekuiterwaarden boven Schoonhoven. Dit gebied wordt frequent door natuurliefhebbers bezocht. De nog jonge woonwijk waarbinnen de projectlocatie is gelegen heeft (nog) weinig habitat voor beschermde soorten of een groot scala aan soortgroepen. De projectlocatie zelf heeft echter vanuit de braakligging gedurende enkele jaren een rijke begroeiing en biedt hierdoor habitat aan een breed scala van algemene soorten. Deze tijdens de QuickScan te onderzoeken soortgroepen en soorten zijn met een korte onderbouwing weergegeven in tabel 2 en vormde de basis voor het onderzoeksplan tijdens het locatie bezoek.

12

Onderzoek status NDFF

redelijk slecht Korstmossen slecht Paddenstoelen onbepaald Zoogdieren land goed vleermuizen slecht goed Vogels broedvogels Vaatplanten Mossen

-

wintervogels

Amfibieën Reptielen Vissen Dagvlinders Macronachtvlinders Micronachtvlinders Libellen Sprinkhanen/krekels Over. ongewervelden Algemene Zorgplicht

goed goed niet redelijk goed slecht slecht goed onbepaald niet

Check uitvoeren

Mogelijk aanwezige beschermde soorten en/of omstandigheden op basis van landschapstypen (laagveen en rivierengebied)

ja niet

Check oevers en terrestrische oppervlakten Geen wet NB soorten te verwachten

niet

Geen wet NB soorten te verwachten

niet

Geen wet NB soorten te verwachten

ja

Check op verblijfsplaatsen

ja

Check op verblijfplaatsen, foerageer- en migratiehabitat

ja niet

Check begroeiingen op broedvogels en beschermde nesten

ja

Beoordeling overwintering mogelijkheden

niet niet

In Krimpenerwaard alleen ringslang. Ringslang is niet bekend uit ruime omgeving Schoonhoven Geen water in projectgebied betrokken

niet

Geen geschikt habitat betrokken

niet niet niet

Geen geschikte habitat aanwezig

niet

Geen geschikt habitat aanwezig

niet

Geen habitat in projectgebied aanwezig

ja

Vast onderdeel QuickScan wet Natuurbescherming

Tabel 2. Onderzoeksplan bij locatie bezoek mogelijk aanwezige beschermde soorten en situaties

Op basis van deze analyse is tijdens het bureauonderzoek gericht gezocht waar aanvullende informatie en waarnemingen uit de periode 01-01-2015 tot heden via de website ‘waarneming.nl’. Uit deze check is geen aanvullende informatie verkregen. Tijdens het locatiebezoek is, naast het totaal beeld, extra gelet op habitat en/of omstandigheden waarbij mogelijk aanwezige soorten uit deze soortgroepen zouden kunnen voorkomen.

8.2.] Habitat Zoals beschreven in paragraaf 7.2 tot 7.5 zijn onderstaande biotopen niet in het projectgebied aanwezig of worden niet door de voorgenomen ontwikkeling beïnvloed. Dagvlinders, sprinkhanen, libellen, vissen, reptielen en overige ongewervelden; Watergangen;  Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen effect zal hebben op soorten uit bovengenoemde soortengroepen of die zijn gebonden aan genoemde habitats. De aanwezige habitat waar mogelijk effecten kunnen optreden bij de voorgenomen ontwikkeling op beschermde soorten en situaties vanuit de Wet Natuurbescherming betreffen: vaatplanten (grazige en ruderale vegetaties), gebouwen (vleermuizen, broedvogels), winterschuilplaatsen (amfibieën, kleine zoogdieren, vleermuizen), broedgelegenheden (grazige vegetaties, bomen en struiken, oevers) en omgevingsfactoren (foerageer gebieden vogels, vleermuizen, landzoogdieren). 8.3.] Soorten en omstandigheden In de onderhavige paragraaf worden alleen die soorten en omstandigheden nader beschreven die op basis van bovenstaande onderzoeken mogelijk aanwezig kunnen zijn, het betreft: Vaatplanten Op het terrein is een structuurrijke overjarige vegetatie aanwezig bestaande uit grove soorten als riet, grote brandnetel, braamstruweel en opslag uit zaad van schietwilgen.

Er zijn geen beschermde planten aangetroffen of vegetatietypen die habitat bieden voort beschermde soorten. Op/in de muur van de te slopen opstal zijn geen muurplanten aanwezig.  Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen vanuit het onderdeel vaatplanten zijn voor de voorgenomen ontwikkeling.

13

Vleermuizen De projectlocatie bevat geen verblijfslocatie voor vleermuizen. Vanuit de ruime verspreiding van meerdere soorten vleermuizen in de stad Schoonhoven en kan foerageren van vleermuizen niet worden uitgesloten. Langs de zuidelijk gelegen Tiendweg ligt een als geschikt beoordeelde migratieroute en foerageergebied. Het ten noorden gelegen boerderij erf biedt eveneens potentieel foerageergebied. De projectlocatie bevind zich op het grensvlak van dit erf en de nieuwbouwwijk. Deze wijk is vrij recent gebouwd en bevat zeer weinig beplanting en overwegend tuinen met veel verhardingen, waardoor de foerageerhabitat vrijwel afwezig is. Er zijn geen geschikte migratie structuren beschikbaar in de vorm van bomenrijen. Migrerende vleermuizen zijn wel bekend van het op circa 150 meter ten westen gelegen Hazelaarpad (Bureau Stadsnatuur 2016). Naar onze verwachting is slechts een geringe verstoring mogelijk van foerageergebied in de nabijheid van het zuidelijk gelegen boerderijerf, wanneer na zonsondergang met bouwplaats verlichting wordt gewerkt. Om eventueel foeragerende vleermuizen niet te verstoren dient bij gebruik van bouwplaats verlichting dit met afgeschermde lichtbronnen en naar beneden gericht te zijn.

Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen vanuit het onderdeel vleermuizen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling, mits uitstraling van verlichting tijdens de ontwikkeling van de locatie wordt voorkomen. Broedvogels en jaarrond beschermde nesten Binnen het projectgebied zijn veel structuurrijke vegetaties, struweel en oevervegetatie aanwezig waarin zich broedvogels kunnen vestigen. Aan de oostzijde valt een beplantingsstrook van circa 4 meter breedte en een hoogte van 3.00 meter binnen het projectgebied. Tijdens het locatie bezoek zijn er geen jaarrond beschermde soorten vastgesteld. Deze worden ook niet verwacht op basis van habitat en vestiging mogelijkheden. Algemene, niet zwaarder beschermde soorten, broeden met een aantal soorten en paren op de projectlocatie. Tijdens het locatie bezoek werden nesten van knobbelzwaan, wilde eend en meerkoet vastgesteld. Waterhoen, zwartkop, merel, winterkoning en tjiftjaf werden tijdens het bezoek territoriaal vastgesteld. Op basis van deze waarnemingen en het potentiele soortspectrum wordt het broedseizoen bepaald op de periode 1 maart – 1 juli. Het is van belang werkzaamheden, in het bijzonder het bouwrijp maken van het terrein buiten deze periode uit te voeren. Het projectgebied bevindt zich in de directe omgeving van de rivier de Lek.

Deze locatie vergroot de mogelijkheid dat zich oeverzwaluwen vestigen indien zich in het broedseizoen van de soort grond- en zandhopen met een matig tot steil talud worden op geworpen. Het grote areaal water rondom de projectlocatie versterkt deze potentie. Geadviseerd wordt om vanuit preventie geen grond- en of zandhopen in de periode half maart – eind juli op te slaan tijdens de ontwikkeling van de projectlocatie. Indien het noodzakelijk wordt geacht om grond of zand in hopen op te slaan dienen deze zodanig te worden afgewerkt dat ze ongeschikt zijn voor oeverzwaluwen (taludhelling < 45 graden). Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er geen ontheffing aanvraag voor het onderdeel broedvogels en jaarrond beschermde nesten noodzakelijk is, mits: o Buiten het broedseizoen wordt gewerkt. Voor de specifieke locatie wordt op basis van habitata en engvonden soortspectrum het broedseizoen bepaald van 1 maart tot 1 juli. o het opslaan van grond- en zand in hopen wordt voorkomen dan wel in het broedseizoen een helling van 45 graden wordt afgewerkt.

Figuur 8. Broedgebied voor verschillende algemene soorten

14

Amfibieën Tijdens het veldbezoek is gelet op de aanwezigheid van geschikte habitat voor amfibieën. Alleen een roepende bruine kikker is hierbij aangetroffen. Er zijn geen watergangen betrokken bij de voorgenomen ontwikkeling, waardoor er geen voortplantingshabitat wordt beïnvloed. De projectlocatie wordt beoordeeld als een potentiele overwinteringshabitat voor algemene amfibieën als kleine watersalamander, gewone pad en bruine kikker. Vanuit dit aspect dient om te voldoen aan het zorgvuldigheidsbeginsel het bouwrijp maken buiten het overwinteringsseizoen plaats te vinden. Dit betekend dat het bouwrijp maken van de locatie buiten de periode 1 november - 1 maart dient plaats te vinden. Hiermee is in samenhang met het broedseizoen een korte tijdspanne voor de ontwikkelaar beschikbaar om werkzaamheden uit te voeren. Vanuit voortgang voor het project kan worden overwogen om het terrein in de maand september van vegetatie, grond- en zandhopen en rommelbulten te ontdoen, zodat zich geen overwinteren dieren zullen vestigen. Indien tijdens de bouw ten bate van het ontgraven van de fundering grond in depot wordt geplaatst of bouwmaterialen als los gestort materiaal worden opgeslagen dient te worden voorkomen dat zich hierin amfibieën vestigen bij het betrekken van overwintering plaatsen door het plaatsen van een amfibieënscherm rondom de opslag in de periode oktober-maart.

Geconcludeerd is dat er geen belemmeringen zijn van uit de soortgroep amfibieën met betrekking tot de voorgenomen werkzaamheden mits: o Het bouwrijp maken van het terrein buiten de overwinteringsperiode van algemene amfibieën (november – maart) plaatsvindt; o Indien bij de bouw (tijdelijk) ontgraven grond of bouwmaterialen in depot worden gezet dient te worden voorkomen dat zich rugstreeppadden vestigen om hier in te overwinteren. Dit kan door de grond hopen voor eind september te verwijderen of door een amfibieënraster rond de in depot geplaatste grond aan te brengen; Land zoogdieren Het terrein is niet geschikt voor zwaarder beschermde soorten landzoogdieren. Wel is de projectlocatie geschikt voor algemene soorten. De locatie biedt een geschikt foerageergebied voor de soort egel en verschillende soorten muizen uit de groep ‘ware muizen. Ook voor de bunzing biedt het een geschikte habitat. Deze soorten vormen geen belemmeringen vanuit de wet Natuurbescherming anders dan wat opgenomen in het zorgplicht artikel (artikel 11.1). Voor het projectgebied wordt geconcludeerd dat er bij uitvoering van het ontwikkelingsplan geen belemmeringen vanuit het onderdeel zoogdieren optreden. Algemene zorgplicht voor wilde flora- en fauna Conform de Wet Natuurbescherming geldt voor alle soorten een zorgplicht (artikel 1.11).

Voor de voorgenomen werkzaamheden worden geen andere situaties verwacht dan bij de beoordeling van soortgroepen en situaties is beschreven. Er is dan ook geen aanleiding om extra maatregelen vanuit de algemene zorgplicht te treffen anders dan hierboven vermeld. Wel is het steeds raadzaam om tijdens de bouwactiviteiten alert te zijn op de aanwezigheid van fauna en indien dieren worden gesignaleerd deze zorgvuldig te verplaatsen naar een veilige locatie in de omgeving en advies in te winnen bij een ecoloog. Als algemene beschermende en mitigerende maatregelen voor het onderhavige projectgebied worden de volgende onderdelen geadviseerd: Het bouwrijp maken van het terrein uitsluitend uit voeren in de periode 1 augustus – 1 oktober van enig jaar op basis van de kwalificatie als broedgebied voor algemene soorten vogels en overwinteringshabitat voor algemene amfibieën; Het uitvoeren van een broedvogelcheck voorafgaand aan het bouwrijp maken va het terrein, vanuit de massale en structuurrijke vegetatie die aanwezig is; Het steeds voorhanden hebben van enkele emmers of kuipen om eventueel aangetroffen dieren apart te kunnen zetten. Indien dieren tijdelijk worden opgeslagen dienen deze binnen maximaal één uur na de vondst te worden uitgezet op een geschikte locatie voor de soort buiten het projectgebied.

De opgeslagen dieren in kuipen dienen op een beschutte en schaduwrijk plaats te worden bewaard. Het voorkomen of beperken van bouwplaats verlichting en indien dit als nog noodzakelijk is het toepassen van een gerichte lichtbron met voorkoming van zij- of boven uitstraling. Het op afroep kunnen beschikken over een ecoloog bij aantreffen van mogelijk beschermde situaties.

15

9]. Conclusie De ontwikkelingslocatie gelegen aan straten Waterviolier en Veldsalie in Schoonhoven, op de kadastrale percelen Schoonhoven sectie E nummer 1174 is zowel administratief als door middel van veldonderzoek beoordeeld op de aanwezigheid van beschermde soorten en situaties in het kader van de Wet Natuurbescherming en op de ligging ten opzichte van Beschermde Natuurgebieden. Gebleken is dat er geen effecten zullen optreden die van invloed zijn op beschermde gebieden in de omgeving van het projectgebied en of beschermde soorten of habitats. Wel zijn er een aantal algemene, niet zwaar beschermde soorten broedvogels aanwezig, die in periode van nestbouw, eieren en nest jongen niet mogen worden verstoord. Binnen het broedseizoen die, voor locatie in combinatie met soortspectrum, is bepaald op 1 maart tot 1 juli kunnen hierdoor geen werkzaamheden gerelateerd aan het bouwrijp maken van de locatie worden uitgevoerd. Vanuit het zorgvuldigheidsbeginsel binnen de Wet Natuurbescherming dient rekening te worden gehouden met de winterrust van amfibieën en kleine zoogdieren. Hierdoor is bouwrijp maken ongewenst in de periode 1 november – 1 maart. Op basis van bovenstaande vraagt het projectplan een strakke planning en ruimte en tijd, in het bijzonder voor het bouwrijp maken van de locatie.

Aard en omvang van de bevindingen leiden naar onze zienswijze niet tot de noodzaak tot het aanvragen van ontheffingen en of een specialistisch vervolg onderzoek, mits aan boven genoemde tijdsplanning voor bouwrijp maken en enkele mitigerende voorwaarden tijdens de uitvoering van de werkzaamheden wordt voldaan. De conclusies zijn onderstaand tabelmatig samengevat, aanbevelingen ten bate van preventieve of mitigerende maatregelen zijn bij de betreffende soortgroepen puntsgewijs weergegeven. Samenvattende tabel QuickScan Wet Natuurbescherming Project : “Waterwoningen Schoonhoven” Habitat geschikt

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffing

- algemeen

Nee

Nee

Nee

Nee

- muurvegetaties

Nee

Nee

Nee

Nee

N.v.t.

N.v.t.

Nee

Nee

Soortgroep (beschermde soorten) Vaatplanten

Mossen & korstmossen

Broedvogels

- algemeen

Nee

Mogelijk

Nee

- jaarrond beschermd

Nee Mogelijk

Nee Mogelijk

Nee Nee

- vliegroute Vleermuizen

Nee

Nee Nee

- foerageergebied

Mogelijk

Mogelijk

Nee

Nee

- kraamverblijven

Nee

Nee

Nee

Nee

- winterverblijven

Nee

Nee

Nee

Nee

Grond gebonden zoogdieren

Nee

Nee

Nee

Nee

Reptielen

Nee

Nee

Nee

Nee

Vissen

Nee

Nee

Nee

Nee

Amfibieën

Mogelijk

Mogelijk

Nee

Nee

Vlinders & libellen

N.v.t.

N.v.t.

Nee

Nee

Overige ongewervelden

Nee

Nee

Nee

Nee

Opmerkingen

Bouwrijp maken van het terrein buitende periode 1 maart – 1juli van enig jaar uitvoeren; Geen opslag van grond en zandhopen in het broedseizoen of afwerken in taludhelling < 45 graden; Voorkom uitstralen van bouwplaats verlichting tijdens de bouw;

Bouwrijp maken buiten de periode van winterrust 1 november – 1 maart; Geen opslag van grond en zandhopen in de periode dat amfibieën het overwintering locatie betrekken of afschermen met een amfibieënraster in de periode oktober -februari;

16

Algemene zorgplicht Wnb

Algemene zorgplicht flora & fauna

Ja

Algemene zorgplicht voor flora en fauna geldt voor alle in het wild levende planten en dieren in Nederland (art 1.11 Wnb). Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient dan ook steeds rekening te worden gehouden met flora en fauna. Bij aantreffen van dieren dienen deze voorzichtig buiten de projectlocatie op een geschikte plaats te worden gebracht. Bij twijfel dient ecologisch advies te worden ingewonnen. Geadviseerd wordt relevante genoemde maatregelen onder de paragraaf algemene zorgplicht toe te passen.

Afstand tot

Ingreep verstorend

Vergunning plichtig

Natura 2000

600 meter

Nee

Nee

Natuur Netwerk Nederland

600 meter

Nee

Nee

Leefgebied open grasland

1050 meter

Nee

Nee

Gebiedsbescherming

Opmerkingen

Overige relevante zaken N.v.t.

17

18

BIJLAGEN BIJLAGE 1. Verantwoording ecologische deskundigheid - Bui-TeGewoon, groenprojecten Definitie deskundig ecoloog (Bron: Dienst Regelingen, van het Ministerie van Economische zaken). Het ministerie van Economisch zaken, verstaat onder een deskundige een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soort specifieke ecologie. De ervaring en kennis moet zijn opgedaan doordat de deskundige:  Op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of  Op MBO niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt de Flora- en faunawet, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of  Als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau wat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of  Zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, de Landschappen, Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of 

Zich aantoonbaar actief inzet voor op het gebied voor soortenmonitoring en/of bescherming.

Verantwoording deskundigheid Bui-TeGewoon, groenprojecten. De ecologische begeleiding namens de opdrachtgever is uitbesteed aan bureau Bui-TeGewoon, groenprojecten. Vanuit dit bureau zullen de werkzaamheden worden gecoördineerd en het ecologisch deel worden uitgevoerd door de heer R.J.S. Terlouw. Terlouw heeft specialisatie ontwikkeld in inrichting en beheer van natuur en landschap in het algemeen. Ten opzichte van flora en fauna heeft Terlouw kennis van vrijwel het gehele soortspectrum, waarbij specialisatie is ontwikkeld in vogels, amfibieën, zoogdieren en ongewervelden. Terlouw is aangesloten bij o.a. SOVON, Vogelbescherming Nederland, RAVON, VZZ, KNNV, EIS Nederland en Stichting Partner. Voor deze organisaties is hij actief als vrijwilliger, waarvan voor SOVON gedurende 26 jaar een districts- coördinatorschap is vervuld. Vanuit zijn basisprofessie als medewerker van het toenmalige ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en een dienstverband van 22 jaar als regiohoofd bij de Stichting het Zuid-Hollands Landschap heeft hij vanaf 1988 kennis opgedaan m.b.t. natuurbeheer en inrichting van natuurterreinen. Sedert 2012 voert Terlouw een zelfstandig ecologisch advies- en onderzoeksbureau waarvoor inmiddels voor meer dan vijftig opdrachtgevers opdrachten zijn uitgevoerd. Administratieve taken rondom de ecologische begeleiding worden verzorgd door mevrouw A.

Buisman van Bui-TeGewoon, groenprojecten. Buisman heeft ruim 10 jaar ervaring in administratie, verpachting, kartografie en bureaustudies in natuur en landschap gerelateerde projecten, die zijn opgedaan tijdens een dienstverband bij de Stichting Het ZuidHollands Landschap. Buisman is aangesloten en actief als vrijwillig inventarisatiemedewerker bij o.a. SOVON, voor welke organisatie zij 11 jaar als assistent districtscoördinator heeft opgetreden. Buisman is als mede-eigenaar verbonden aan Bui-TeGewoon, groenprojecten.

19

20

BIJLAGE 2.

Beknopte levering NDFF

21

IN OPDRACHT VAN:

22

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=7b1cbe62-fa6f-4e33-ab1c-c7a65aca50f6