CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 2A - bijlage 8 nader onderzoek overige soorten

Raadsvergadering 12 maart 2026, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan 'Dikke Boom, Ouderkerk aan den IJssel' en beeldkwaliteitsplan 'Dikke Boom. Ouderkerk aan den IJssel'4.693 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nader onderzoek ecologie

Ouderkerk aan den IJssel

Velp, 24 oktober 2022

Pagina |2

Colofon Titel Subtitel

: Nader onderzoek ecologie : Ouderkerk aan den IJssel

Projectnummer Datum

: 21.378 : 24 oktober 2022

Veldonderzoek

Auteur(s)

: L. den Besten, B. Flier, E.M. de Goede, C. Helmich, K. Hiemstra, M. Houtriet, T. van den Hove, T. Kooij, C. Pelters, M.J. Stoetzer, A.T. Strikwerda : A.T. Strikwerda

Collegiale toets

: T. Kooij

Opdrachtgever Contactpersoon

: Agel Adviseurs : M. Kooijman

Bezoekadres Postcode Telefoon

: Kerkstraat 20 : 6883 HT Velp : 026-2001900

info@ekoza.nl www.ekoza.nl

Ekoza B.V. is lid van het Netwerk Groene Bureaus: www.netwerkgroenebureaus.nl

Nader onderzoek ecologie Ouderkerk aan den IJssel

Pagina |3

Inhoudsopgave 1. 2.

Inleiding ............................................................................................................................... 4 Wettelijk kader ..................................................................................................................... 5 2.1 Soorten ......................................................................................................................... 5 3. Gebiedsbeschrijving .............................................................................................................. 8 3.1 Gebiedsbeschrijving....................................................................................................... 8 3.2 Voorgenomen ingreep ................................................................................................... 9 4. Onderzoeksmethode ........................................................................................................... 10 4.1 Gierzwaluwen ............................................................................................................. 10 4.2 Waterspitsmuis ........................................................................................................... 11 4.3 Ringslang.....................................................................................................................

14 4.4 Rugstreeppad .............................................................................................................. 15 4.5 Uitwerking en rapportage ............................................................................................ 15 5. Resultaten .......................................................................................................................... 16 5.1 Gierzwaluwen ............................................................................................................. 16 5.2 Waterspitsmuis ........................................................................................................... 16 5.3 Ringslang..................................................................................................................... 17 5.4 Rugstreeppad .............................................................................................................. 18 6. Conclusies........................................................................................................................... 19 6.1 Gierzwaluwen ............................................................................................................. 19 6.2 Waterspitsmuis ...........................................................................................................

19 6.3 Ringslang..................................................................................................................... 19 6.4 Rugstreeppad .............................................................................................................. 19 Bronnen ..................................................................................................................................... 20 Rapporten .............................................................................................................................. 20 Literatuur ............................................................................................................................... 20 Websites ................................................................................................................................ 20

Nader onderzoek ecologie Ouderkerk aan den IJssel

Pagina |4

1.

Inleiding Op een terrein aan de IJsseldijk Noord te Ouderkerk aan de IJssel worden gebouwen gesloopt en zullen nieuwe woningen worden gerealiseerd. Uit de quickscan flora en fauna, uitgevoerd door Ekoza B.V. (rapportnummer 20.269), kwam naar voren dat er nader onderzoek uitgevoerd moest worden. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden moet rekening worden gehouden met beschermde soorten. Om te bepalen of beschermde soorten aanwezig zijn en gebruik maken van de bebouwing en het terrein dat erbij aanwezig is, is onderzoek noodzakelijk. Het gaat hierbij om gierzwaluw, rugstreeppad, ringslang en waterspitsmuis. In een eerder rapport van Ekoza B.V. (rapportnummer 21.162) zijn de resultaten van huismussenonderzoek en vleermuisonderzoek op deze locatie verwerkt. Indien de voorgenoemde soorten voorkomen beoordeelt Ekoza B.V. de effecten van de werkzaamheden op deze soorten. Als er negatieve effecten te verwachten zijn, volgt een afweging of een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. In hoofdstuk 2 staat het wettelijke kader uiteengezet, waaraan getoetst dient te worden. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het onderzoeksgebied en de voorgenomen ingrepen. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van de onderzoeksmethodes die gebruikt zijn. In hoofdstuk 5 worden de resultaten van het onderzoek besproken en getoetst aan de Wet natuurbescherming.

Ten slotte zijn in hoofdstuk 6 de conclusies en aanbevelingen beschreven.

Nader onderzoek ecologie Ouderkerk aan den IJssel

Pagina |5

2.

Wettelijk kader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het bevoegd gezag ligt bij de provincies. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor handelingen en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk, zoals hoofdwegen, spoorwegen, hoofdvaarwegen, waterkeringen, militaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen, delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij etc. De Wet natuurbescherming is gericht op de bescherming van: • Natura 2000-gebieden • Soorten • Houtopstanden Dit onderzoek heeft enkel betrekking op soorten, in dit geval gierzwaluw, waterspitsmuis, ringslang en rugstreeppad. In dit hoofdstuk is daarom ook alleen de soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming uitgelicht.

2.1 Soorten Onder de Wet natuurbescherming geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes: • soorten van de Vogelrichtlijn • soorten van de Habitatrichtlijn • andere soorten

Vogelrichtlijnsoorten Onder de soorten van de Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Ingevolge artikel 3.1 is het verboden om: 1. Opzettelijk vogels te doden of te vangen; 2. Opzettelijk vogelnesten, -rustplaatsen en -eieren te vernielen of te beschadigen of vogelnesten weg te nemen; 3. Eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; 4. Opzettelijk vogels te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Habitatrichtlijnsoorten Onder de soorten van de Habitatrichtlijn vallen soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Wat betreft deze soorten is het ingevolge artikel 3.5 (Bern bijl. II, Bonn bijl. I) verboden om: 1. Opzettelijk dieren te doden of te vangen; 2. Opzettelijk dieren te verstoren; 3. Opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen; 4. Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; Nader onderzoek ecologie Ouderkerk aan den IJssel

Pagina |6

5. Opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Wat betreft deze soorten is het ingevolge artikel 3.6 (Bern bijl. I en II, Bonn bijl. I) verboden om dieren of planten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden, tenzij het gaat om aantoonbaar gefokte of gekweekte dieren of planten.

Andere soorten Onder het beschermingsregime andere soorten vallen soorten waarvoor er geen Europese verplichting tot bescherming is. Dit zijn soorten die vanuit nationaal belang extra bescherming behoeven. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. In dit geval gaat het om de provincie Zuid-Holland. Ingevolge de Wet natuurbescherming artikel 3.10 is het verboden om: 1. Opzettelijk dieren te doden of te vangen; 2. Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; 3. Opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Zorgplicht Artikel 1.11 Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor eenieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Het betreft bovendien niet alleen dieren en planten van soorten waarvoor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn specifieke beschermingsmaatregelen eisen, maar alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: • dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, • indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of • voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Voor de bescherming van dieren en planten van soorten waarvoor geen specifiek beschermingsregime geldt op grond van hoofdstuk 3, heeft de zorgplicht zelfstandig betekenis.

Op grond van de zorgplichtbepaling moeten schadelijke handelingen in beginsel achterwege worden gelaten dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.

Nader onderzoek ecologie Ouderkerk aan den IJssel

Pagina |7

Jaarrond beschermde nesten Nesten van vogelsoorten van categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd, de nesten van soorten in categorie 5 zijn beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. Categorieën: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Enkele provincies, zoals Limburg en Overijssel, hebben hun eigen lijst van jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten.

Nader onderzoek ecologie Ouderkerk aan den IJssel

Pagina |8

3.

Gebiedsbeschrijving

3.1 Gebiedsbeschrijving Het projectgebied betreft vier kavels die zich buiten de bebouwde kom van Ouderkerk aan den IJssel, Zuid-Holland bevinden. De meest zuidelijke kavel betreft een nog bewoonde woning met het adres IJsseldijk Noord 111. Direct ten noorden daarvan bevindt zich een kavel met een vervallen woonhuis en een loods. De twee kavels die daar ten noorden van liggen zijn braakliggend. Ten westen van het projectgebied ligt de IJssel. In Figuur 1 is de globale ligging van het projectgebied weergegeven. In de verdere omgeving bevinden zich bebouwing, agrarisch gebied en smalle watergangen. Figuur 2 geeft een impressie van het projectgebied.

Figuur 1. Globale ligging van het projectgebied (rood).

Nader onderzoek ecologie Ouderkerk aan den IJssel

Pagina |9

Figuur 2. Impressie van het projectgebied.

3.2 Voorgenomen ingreep De initiatiefnemer is voornemens om een aantal huizen te realiseren op de buitendijkse kavels van Ouderkerk aan den IJssel. Hiervoor wordt alle bestaande bebouwing (woonhuis met huisnummer 111, vervallen huis en loods) gesloopt, worden alle bomen gekapt en struiken verwijderd en moet bodemsanering plaatsvinden. Ook wordt er een nieuwe insteekhaven gerealiseerd (grenzend aan het perceel van de huidige woning met huisnummer 111 is al een bestaande insteekhaven).

Nader onderzoek ecologie Ouderkerk aan den IJssel

P a g i n a | 10

4.

Onderzoeksmethode Iedere dier- en plantengroep behoeft zijn eigen methode van inventarisatie om een zo goed mogelijk beeld te verkrijgen van de betekenis van het projectgebied voor de betreffende soorten of groepen. Nesten van gierzwaluwen zijn jaarrond beschermd (categorie 2). Rugstreeppadden zijn zwaar beschermde soorten die onder de Habitatrichtlijn vallen. Waterspitsmuizen en ringslangen zijn beschermde soorten die onder de bijlage van Bern (III) vallen.

4.1 Gierzwaluwen Gierzwaluwen broeden in gebouwen en hebben maar een kleine opening nodig om hun nest te maken. Dat gebeurt vaak onder verschoven dakpannen, spleten in de muur, onder opgelichte loodslabben of onder dakgoten. Gierzwaluwen zijn erg plaatstrouw en blijven naar hetzelfde nest terugkeren zolang ze leven. Meestal broeden er meerdere paren bij elkaar en vormen kolonies. Vanaf eind april komen de gierzwaluwen terug uit de overwinteringsgebieden in Afrika en gaan ze in Nederland broeden. In augustus trekken ze weer weg.

Inventarisatie Het onderzoek naar gierzwaluwen is conform het kennisdocument van BIJ12 uitgevoerd. Vanaf eind april tot en met half juli kunnen de gierzwaluwen geïnventariseerd worden, waarbij tussen 1 juni en half juli de meest geschikte periode is. Bij gunstige weersomstandigheden (droog, niet te koud, weinig wind) is op drie dagen onderzocht of er gierzwaluwen in het projectgebied nestelen (Tabel 1). Opgelichte loodslabben, verschoven dakpannen, spleten in de muur of kleine openingen tussen de afvoer en de dakgoot bieden mogelijkheden voor nestplaatsen voor gierzwaluwen. Deze plaatsen zijn vrijwel altijd 3 meter of hoger vanaf de grond te vinden. Dunne poepstreepjes op de muur kunnen wijzen op de aanwezigheid van een nest. Op voorhand is in het projectgebied een goede inschatting gemaakt waar zich mogelijke gierzwaluwnesten bevinden, waardoor er gerichter onderzoek is uitgevoerd. Tijdens de inventarisatierondes is gelet op gierzwaluwen die laag langs de gebouwen gieren. Deze laag gierende dieren geven een goede indicatie of en waar gierzwaluwen in een wijk nestelen. Tijdens het laag gieren vliegen de dieren langs de plekken waar de nesten aanwezig zijn. Meestal reageren jongen of broedende vogels in de nesten op het gieren, waardoor deze te horen zijn.

Als extra toevoeging op het onderzoek is net na zonsondergang het geluid van gierzwaluwen afgespeeld nabij de locaties waar mogelijke gierzwaluwnesten zich bevinden. Vaak reageren de dieren ook op dit geluid. Waarnemingen van hoogvliegende dieren zijn geen aanwijzing of gierzwaluwen al dan niet in de wijk nestelen. Deze dieren kunnen tot de kolonie behoren, maar zijn bijvoorbeeld nog te jong om zelf te nestelen. Zij vliegen met de groep mee, maar blijven in de lucht om te slapen. Later in de avond gaan deze dieren ook steeds hoger vliegen.

Nader onderzoek ecologie Ouderkerk aan den IJssel

P a g i n a | 11

Tabel 1. Bezoekdata en weersomstandigheden gierzwaluwen. Bezoek 1 2 3

Datum 9-6-2022 22-6-2022 13-7-2022

Tijd 21:00-22:30 21:30-00:00 21:30-00:00

Weersomstandigheden 18°C, wind 1 Bft, helder 22°C, wind 2 Bft, helder 19°C, wind 2 Bft, helder tot licht bewolkt

4.2 Waterspitsmuis Uiterlijk De waterspitsmuis is de grootste spitsmuis van alle Europese spitsmuizen. De bovenzijde van zijn vacht is donkerbruin tot zwart. De onderzijde varieert van grijs-wit tot donkerbruin-zwart en soms gelig of roodbruin. Hij heeft een tweekleurige staart, met aan de onderzijde een dubbele rij haren (ook wel kiel genoemd) en franje bij met name de achterpoten en zwemvliezen. Dit is kenmerkend voor de waterspitsmuis. Deze muis heeft korte poten met lange vingers. De oren liggen geheel verborgen in de vacht en worden bedekt door huidflapjes. Hij heeft kleine zwarte ogen en een spitse snuit met lange witte snorharen. De tanden hebben een rood randje. Jongere dieren hebben een doffere vacht. Deze muis is 7 tot 10,5 cm groot met een lengte van de staart van 4, 5 tot 7,7 cm. De muis weegt 9 tot 25 gram. Leefgebied De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt. Langs de binnenduinrand, natuurlijke duinmeren en kunstmatige infiltratiegebieden wordt deze muis ook aangetroffen. Bodembedekkende vegetatie is belangrijk binnen een straal van 500 meter van water. In de oevers moet ook voldoende schuilmogelijkheid zijn voor het eten van prooien.

De waterspitsmuis komt in een groot deel van Europa voor. In Nederland is de verspreiding van deze muis versnippert en hij komt het meest voor in waterrijke provincies Friesland en Overijssel. In Oost- en Zuid-Nederland komt zijn verspreiding overeen met de situering van de beek- en rivierdalen van de zand- en lössgronden, in laag Nederland betreft het vooral kwelgebieden die als doorstroomgebied fungeren. Ook op de Zeeuwse eilanden en het Waddeneiland Texel komen waterspitsmuizen voor. Leefwijze en voedsel De waterspitsmuis is erg schuw en kan zich dood schrikken van plotseling hard geluid. De muis is zowel overdag als ’s nachts actief, waarbij hij wisselt tussen activiteit en rust. De actieve periode is om voedsel te zoeken en duurt enkele minuten tot 2 uur. De rustperiode duurt niet langer dan een uur. De rustperiode vindt plaats in een ondergronds hol. De waterspitsmuis kan goed springen, klauteren, zwemmen en duiken. Ze kunnen 20 seconden onder water blijven. De waterspitsmuis leeft solitair. In de voortplantingsperiode leven de dieren in een los familieverband. Het voedsel wordt zowel op land als in het water gevangen. Het bestaat uit insecten en andere ongewervelden. Kleine vissen, amfibieëneieren en aas Nader onderzoek ecologie Ouderkerk aan den IJssel

P a g i n a | 12

worden ook gegeten. Soms legt de muis een voedselvoorraad aan. Ze kunnen twee dagen zonder voedsel. Territorium en verblijfplaats Het leefgebied van een waterspitsmuis loopt parallel aan een oever. Hij loopt zo’n 30 tot 160 meter. Een territorium bedraagt in veengebied met kleine slootjes 250 tot 750 meter. Mannetjes en vrouwtjes hebben hun eigen territorium. Het nest bestaat uit gras, bast, wortels en mos in holtes, beschutte plekjes en in holen aan de oevers van de oeverzones. Ze maken ook gebruik van holen van muizen, bruine ratten en woelratten. In de nesten wordt gerust en daar planten ze zich voort. Holen en gangen bevinden zich in de oever. Voortplanting en leeftijd Het voortplantingsseizoen van de waterspitsmuis is van april tot september. Het mannetje gaat naar de territoria van de vrouwtjes op zoek naar een partner. Ze communiceren via prikkelende geuren en hoge gillen. De draagtijd is 20 tot 24 dagen. Een worp bestaat uit 3 tot 8 jongen. De jongen worden 14 dagen gezoogd. Er zijn 2 tot 3 worpen per jaar. De waterspitsmuis wordt maximaal 19 maanden oud, maar in gevangenschap soms 3 jaar. Bedreiging en bescherming De waterspitsmuis wordt voornamelijk bedreigd door vernietiging van zijn leefgebied. Er kan slecht ingeschat worden hoe groot een populatie is en de mate van achteruitgang, omdat het een klein en ongrijpbaar dier is.

Predatoren van de waterspitsmuis zijn kerkuil, steenuil en boommarter. Ook worden ze gevangen door bunzing, kat, vos en ransuil, maar deze predatoren eten de waterspitsmuis niet. Spitsmuizen scheiden een vieze geur uit waardoor ze niet gegeten worden.

Inventarisatie Om aan te kunnen tonen of de waterspitmuis in het projectgebied voorkomt of niet, is het noodzakelijk om de muizen te vangen. De methode die gebruikt is komt zoveel mogelijk overeen met de methode welke wordt gebruikt door de Zoogdiervereniging bij o.a. de vangst van noordse woelmuis (Koelman, 2007). De methode van vangen houdt in dat er gevangen wordt met zogenaamde inloopvallen (Longworth life-traps) welke in groepen (raaien) op verscheidene locaties binnen het projectgebied worden uitgezet. De muizen worden levend gevangen en weer vrijgelaten. De beste periode hiervoor is augustus – oktober omdat dan de dichtheid aan muizen het hoogst is. Eerder in het seizoen is de dichtheid lager en daardoor de vangkans kleiner. De vallen zijn in de vegetatie aan de randen van het gebied geplaatst. Op elke locatie zijn vallen paarsgewijs geplaatst, tussen de vallen lag een onderlinge afstand van ongeveer 5 meter. Op deze manier wordt de kans verkleind dat algemenere soorten alle vallen bezetten, en de minder algemene soorten gemist worden. De 32 locaties waarlangs de paren vallen zijn uitgezet is in Figuur 3 weergegeven. Voorafgaand aan het daadwerkelijke onderzoek zijn de Nader onderzoek ecologie Ouderkerk aan den IJssel

P a g i n a | 13

vallen 4 nachten ‘op slot’ neergezet om de dieren te laten wennen. De vallen zijn dan zo afgesteld dat de deurtjes niet dichtvallen als de muizen in en uit lopen. Zo kunnen de muizen een aantal dagen wennen aan de vallen (prebaiten) en wordt de vangkans vergroot. Om de muizen te lokken is er gevoerd in de vallen. Er is gevoerd met meelwormen, wortel en konijnenvoer. Het voer dient tevens om de overlevingskansen van de gevangen dieren zoveel mogelijk te optimaliseren. Met name spitsmuizen hebben een hoge verbranding zodat ze regelmatig eten nodig hebben om te overleven en met wortel wordt in hun vochtbehoefte voorzien. Ook zijn de vallen gevuld met hooi zodat de muizen voldoende warm blijven als ze gevangen zijn. Tevens dient het hooi ook als voer. Gedurende 3 nachten werden de vallen gecontroleerd. Daarbij zijn twee volledige dagen gevangen, zowel in de ochtend, de middag en de nacht. Op de eerste en laatste vangdag is 1 keer gecontroleerd. Zo werden in totaal 8 vangcontroles uitgevoerd. Het onderzoek heeft plaatsgevonden van 3 oktober 2022 tot en met 6 oktober 2022 (Tabel 2). Tussen elke controle zat ongeveer 8 uur.

Figuur 3. Locaties vallen.

Nader onderzoek ecologie Ouderkerk aan den IJssel

P a g i n a | 14

Tabel 2. Bezoekdata en weersomstandigheden waterspitsmuis. Bezoek

Datum 3-10-2022

Dagdeel Middag

1 2 3 4 5 6 7 8

3-10-2022 4-10-2022 4-10-2022 4-10-2022 5-10-2022 5-10-2022 5-10-2022 6-10-2022

Avond Ochtend Middag Avond Ochtend Middag Avond Ochtend

Werkzaamheden Vallen op scherp zetten Controle vallen Controle vallen Controle vallen Controle vallen Controle vallen Controle vallen Controle vallen Controle vallen

Weersomstandigheden

Droog Droog Droog Droog Droog Droog Miezer regen Droog

4.3 Ringslang De ringslang komt voornamelijk voor in waterrijke habitats. Meestal bevindt de ringslang zich op zandgronden of op overgangen van zandgronden naar veen- of kleigronden. De gebieden kunnen niet te nat zijn vanwege de levensstadia die de ringslang doorloopt. In laagveen, bos, struweel en weg- en spoorbermen wordt de ringslang vaak waargenomen. De eieren worden op warme en vochtige plekken afgezet. Deze zijn te herkennen als broeihopen. Overwinteren gebeurt echter op droge en vochtvrije plekken.

Inventarisatie Voor ringslang is het gebruikelijk om door middel van zichtwaarnemingen en herpetoplaatjes op geschikte plekken te onderzoeken of deze soorten aanwezig zijn. De soortinventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus is aangehouden. Tussen april en september kan de aanwezigheid van reptielen worden aangetoond. Op zonnige tot half bewolkte dagen met lage temperaturen of na een koude periode is er gezocht naar reptielen door geschikte locaties rustig af te lopen en te zoeken naar zonnende dieren. Er zijn herpetoplaatjes in de vorm van tapijttegels uitgelegd op plaatsen die aantrekkelijk lijken voor de te onderzoeken soorten om de trefkans te vergroten. De plaatjes werden neergelegd op plaatsen waar de zon de plaatjes kan verwarmen maar waar ook voldoende dekkingsmogelijkheden aanwezig zijn, bijvoorbeeld in de vorm van struweel. Het projectgebied is 4 keer bezocht. De veldbezoeken hebben plaatsgevonden op de dagen aangegeven in Tabel 3.

Tabel 3. Bezoekdata en weersomstandigheden. Bezoek 1 2 3 4

Datum 25-4-2022 2-6-2022 9-6-2022 29-9-2022

Nader onderzoek ecologie Ouderkerk aan den IJssel

Weer Helder Licht bewolkt Helder Zonnig

Wind (bft) 1 1 1 1

Temperatuur 12°C 19°C 10°C 17°C

P a g i n a | 15

4.4 Rugstreeppad De rugstreeppad wordt vooral waargenomen in duinen en ruderale terreinen. Het voortplantingswater van de rugstreeppad bestaat uit ondiep, onbeschaduwd water. Vaak zijn de wateren tijdelijk, maar ook permanent water wordt gebruikt voor de voortplanting. De landhabitat bestaat uit onbeschaduwd, laag begroeid tot volledig onbegroeid terrein. Op het terrein zijn vaak plekken waar een extreem microklimaat heerst en ondiepe wateren die heel snel opwarmen. Overdag en in de winter moet er voldoende schuilmogelijkheden aanwezig zijn. In de winter graven rugstreeppadden zich in.

Inventarisatie Het onderzoek voor de rugstreeppad is uitgevoerd volgens het onderzoeksprotocol dat beschreven staat in het kennisdocument Rugstreeppad (BIJ12). Voortplanting van rugstreeppadden is redelijk makkelijk vast te stellen. In de paartijd roepen de mannetjes vrij luid vanuit het water om de vrouwtjes te lokken. Dit geluid is over honderden meters te horen. In die periode half april t/m mei werden twee avond/nachtbezoeken afgelegd om te luisteren naar kooractiviteit. De bezoeken werden afgelegd op relatief warme, broeierige avonden/nachten, omdat rugstreeppadden bij dit weer veel activiteit vertonen. Daarnaast is er nog één bezoek afgelegd in de periode juni-juli. Indien tijdens alle bezoeken geen activiteit van rugstreeppadden te horen is, mag men er vanuit gaan dat er geen voortplanting in het betreffende water plaatsvindt. De bezoeken hebben plaatsgevonden op de datums aangegeven in Tabel 4.

Tabel 4. Bezoekdata en weersomstandigheden. Bezoek 1 2 3

Datum 19-4-2022 31-5-2022 13-7-2022

Weer Bewolkt Bewolkt Deels bewolkt

Wind (bft) 2 1 2

Temperatuur 12°C 12°C 19°C

4.5 Uitwerking en rapportage Onderzocht wordt of de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden, een ontheffing noodzakelijk is en of daaruit voortvloeiende verplichtingen in de vorm van mitigatie of compensatie noodzakelijk zijn.

Nader onderzoek ecologie Ouderkerk aan den IJssel

P a g i n a | 16

5.

Resultaten

5.1 Gierzwaluwen Bij de veldbezoeken zijn geen gierzwaluwen waargenomen in of boven het projectgebied of de nabije omgeving van het projectgebied. Op geruime afstand van het projectgebied zijn enkele gierzwaluwen gezien.

Effectenbeoordeling Er zijn geen negatieve effecten van de werkzaamheden op de gierzwaluw.

5.2 Waterspitsmuis Tijdens het onderzoek met inloopvallen zijn 4 soorten muizen gevangen. Dit waren de bosmuis, de veldmuis, de bosspitsmuis en de huisspitsmuis (Waarnemingen van v.l.n.r. en v.b.n.b Bosmuis, veldmuis, bosspitsmuis, huisspitsmuis.Figuur 4, Tabel 5).

Figuur 4. Waarnemingen van v.l.n.r. en v.b.n.b Bosmuis, veldmuis, bosspitsmuis, huisspitsmuis.

Nader onderzoek ecologie Ouderkerk aan den IJssel

P a g i n a | 17

Tabel 5. Vangsten per vanglocatie. Locatie Bosmuis 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32

Veldmuis

Huisspitsmuis

Bosspitsmuis

7

3

1 3 5 2 3 1 4

1

1 2

1 2 1 1

1 1

1

3

1 3 3 1

2 1 1 1 5

3 1

1 3 3

3

1 2 1

1 3

Effectenbeoordeling Er zijn geen zwaar beschermde soorten vastgesteld binnen het projectgebied. Er zijn geen negatieve effecten van de werkzaamheden op zwaar beschermde muizen.

5.3 Ringslang Uit de NDFF blijkt dat ringslangen in de omgeving zich in een natuurlijk boezemgebied bevinden dat voor de achterliggende polder voor ontwatering zorgt. Binnen het projectgebied zijn tijdens de veldbezoeken, waarbij het projectgebied is onderzocht door middel van zichtwaarnemingen en het keren van herpetoplaatjes, geen reptielen waargenomen.

Effectenbeoordeling Er zijn geen negatieve effecten van de werkzaamheden op beschermde reptielen.

Nader onderzoek ecologie Ouderkerk aan den IJssel

P a g i n a | 18

5.4 Rugstreeppad Tijdens de avond- en nachtbezoeken is geluisterd naar de roep van de rugstreeppad nabij de wateren binnen het projectgebied. Ook is het geluid van de roep van de rugstreeppad afgespeeld om mogelijke reactie uit te lokken. Er zijn geen rugstreeppadden waargenomen binnen het projectgebied. Verder is de roep van een rugstreeppad tot 1 kilometer hoorbaar, waardoor de rugstreeppad in het omliggende gebied ook kan worden uitgesloten.

Effectenbeoordeling Er zijn geen negatieve effecten van de werkzaamheden op beschermde amfibieën.

Nader onderzoek ecologie Ouderkerk aan den IJssel

P a g i n a | 19

6.

Conclusies De Wet natuurbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Niet alleen de instandhouding van verblijfplaatsen is van belang, maar ook de instandhouding van het leefgebied. Te allen tijde dient men de zorgplicht in acht te nemen. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet.

6.1 Gierzwaluwen Er zijn geen gierzwaluwnesten in het projectgebied vastgesteld, waardoor een negatief effect van de werkzaamheden op gierzwaluwen is uitgesloten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

6.2 Waterspitsmuis Er zijn geen waarnemingen of vangsten van de waterspitsmuis binnen het projectgebied, waardoor een negatief effect van de werkzaamheden op deze soort is uitgesloten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

6.3 Ringslang Er zijn geen reptielen waargenomen binnen het projectgebied, waardoor een negatief effect van de werkzaamheden op reptielen is uitgesloten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

6.4 Rugstreeppad Er zijn geen beschermde amfibieën binnen het projectgebied of in de omgeving van het projectgebied waargenomen, waardoor een negatief effect van de werkzaamheden op beschermde amfibieën is uitgesloten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

Nader onderzoek ecologie Ouderkerk aan den IJssel

P a g i n a | 20

Bronnen Rapporten • •

Ekoza B.V. 2020. Quickscan flora en fauna IJsseldijk Noord te Ouderkerk aan den IJssel. Rapportnummer 20.269. Ekoza B.V. 2021. Nader onderzoek huismus en vleermuis Ouderkerk aan den IJssel. Rapportnummer 21.162.

Literatuur • •

• • • •

Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Kanters & J.C. Buys 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur van Nederland 12: 1-432. Creemers., R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON)(redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, EIS Nederland, Leiden. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12. Kennisdocument Rugstreeppad Bufo calamita. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12. Koelman, R. 2007. Handleiding inventarisatie noordse woelmuis m.b.v. inloopvallen. Zoogdiervereniging, Arnhem. VZZ rapportnummer 2007.30. Netwerk Groene Bureaus, 2021. Soortinventarisatieprotocollen. Versie juli 2017.

Websites • • • • • • • • •

https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/ https://wetten.overheid.nl/BWBR0038668/ www.google.nl/maps www.ndff.nl www.openstreetmap.org www.ravon.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.zoogdiervereniging.nl

Nader onderzoek ecologie Ouderkerk aan den IJssel

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=e0356928-aba7-4733-ad6a-a0309e007901