CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJL 2A - bijlage 13 nota beantwoording overlegreacties

Raadsvergadering 12 maart 2026, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan 'Dikke Boom, Ouderkerk aan den IJssel' en beeldkwaliteitsplan 'Dikke Boom. Ouderkerk aan den IJssel'2.890 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

NOTA VAN BEANTWOORDING OVERLEGREACTIES BESTEMMINGSPLAN DIKKE BOOM, OUDERKERK AAN DEN IJSSEL vastgesteld d.d. Nr. 1.

2.

3.

Naam, adres

Samenvatting reactie

Beantwoording

Communicatie Infrastructuur Advies Groen B.V. Postbus 3081 4200 EB Gorinchem (email d.d. 8 augustus 2022) TenneT TSO B.V. Postbus 718 6800 AS Arnhem (email d.d. 9 augustus 2022 Veiligheidsregio Hollands Midden Postbus 1123 2302 BC Leiden (email d.d. 12 augustus 2022)

Namens VodafoneZiggo is er geen bezwaar tegen het bestemmingsplan Dikke Boom.

Voor kennisgeving aannemen.

Binnen de grenzen van het plangebied heeft TenneT (na een eerste beoordeling) geen bovengrondse- en geen ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer. TenneT heeft dan ook geen opmerkingen. De belangrijkste zaken ten aanzien van de fysieke veiligheid worden genoemd: 1. Er zijn geen bijzonderheden ten aanzien van de bereikbaarheid voor hulpdiensten en ook geen bijzonderheden ten aanzien van de bluswaterwinning. 2. Er zijn geen bijzonderheden ten aanzien van de opkomsttijd brandweer; de zorgnormtijd bedraagt acht minuten voor een woonfuncties, de daadwerkelijke tijd is hieraan gelijk. 3. Voor alarmering van de bevolking, bij calamiteiten buiten het bouwwerk, wordt gebruik gemaakt van de waarschuwings-alarmeringssirene. De meest nabijgelegen WAS-paal ligt op 1800 meter. Regulier wordt voor de sirene een dekkingscirkel van 800 meter aangehouden. Gezien de ontwikkelingen van het NL-alertsysteem en daarmee op termijn de afschaffing van de WAS-palen wordt niet geadviseerd alsnog een WAS-paal voor dit gebied te voorzien. 4. Naast het scenario ‘Gebouwbrand’ zijn er geen andere scenario’s relevant (denk hierbij aan externe veiligheid en overstromingsrisico).

Voor kennisgeving aannemen.

1

Voor kennisgeving aannemen.

Voor het bestemmingsplan is daarom in het kader van de fysieke veiligheid geen advisering benodigd.

4.

Dunea Postbus 756 2700 AT Zoetermeer (email d.d. 2 september 2022)

In het plangebied liggen geen transportleidingen van Dunea. Er zijn geen op- of aanmerkingen op dit plan.

Voor kennisgeving aannemen.

5.

Provincie Zuid-Holland Postbus 90602 2509 LP Den Haag (d.d. 7 september 2022)

Op basis van het voorontwerp-bestemmingsplan constateert de provincie dat het plan onvoldoende rekening houdt met de betrokken provinciale ruimtelijke belangen en verzoekt de provincie aanpassing op de onderdelen: 1. Ruimtelijke kwaliteit 2. Klimaatadaptatie Ad. 1 Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo tenminste gelijk blijft. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen moet in het bestemmingsplan rekening gehouden worden met: - beschermingscategorie - het gebiedstype - relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit.

1. In paragraaf 3.2 ‘Provinciaal beleid’ van de toelichting op het bestemmingsplan is de beoordeling aangepast waarbij nader is ingegaan op de richtpunten van de ruimtelijke kwaliteit. Om de open doorzichten te borgen is op de verbeelding en in de regels de specifieke bouwaanduiding ‘bijgebouwen uitgesloten’ opgenomen. 2. Daarnaast is in paragraaf 3.2 van de toelichting op het bestemmingsplan nader toegelicht op welke wijze rekening is gehouden met eventuele gevolgen van klimaatrisico’s ten aanzien van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte en droogte.

Voor het bestemmingsplan zijn onder andere de richtpunten ruimtelijke kwaliteit voor water en dijken (rivierdijken) relevant (zoals ook benoemd in de toelichting op het bestemmingsplan) alsook de ambities in het gebiedsprofiel Krimpenerwaard horende bij ‘Rivierdijk’, ‘Hollandsche IJssel’ en ‘Zelling’. In het bijzonder gaat het om de volgende punten: - doorzichten vanaf de dijk op de rivier behouden; - behoud of herstel van openbaarheid van oevers (waar mogelijk koppelen van recreatieve routes aan water en/of dijk);

2

-

bij herontwikkeling zellingen bij voorkeur geen damwanten toepassen (afhankelijk van de bestemming); verharde oever onder talud zoveel mogelijk groen inpassen (bijvoorbeeld rivieroevers); Uit het bestemmingsplan blijkt nog onvoldoende op welke wijze rekening wordt gehouden met deze richtpunten danwel hoe de ruimtelijke kwaliteit door het nemen van aanvullende ruimtelijke maatregelen per saldo tenminste gelijk blijft. In de toelichting wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling bijdraagt aan de realisatie van een compact bebouwd gebied met open doorzichten vanaf de dijk op het achterliggende landschap maar deze doorzichten worden geenszins gegarandeerd door de planregels. De ligging van het plangebied in de beschermingscategorie 3 (buitengebied) vraagt om een motivatie als bedoeld in artikel 6.9a van de verordening waarin onder andere de kwaliteit van de hiervoor genoemde vergezichten wordt betrokken. Ad. 2 Op grond van artikel 6.35a ‘risico’s van klimaatverandering’ van de Omgevingverordening ZuidHolland dient een bestemmingsplan rekening te houden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte en droogte. Hierbij wordt tevens gevraagd hoe wordt omgegaan met het risico op bodemdaling.

In paragraaf 2,2 van de toelichting wordt onder ‘duurzaamheid’ beschreven op welke manieren duurzaamheid meegenomen wordt in de plannen. Deze paragraaf bevat echter geen uitwerking van de vier hiervoor genoemde klimaatrisico’s. Het blijft daarom 3

onduidelijk (in) hoe(verre) mogelijke risico’s van klimaatverandering kunnen worden voorkomen en/of beperkt, of aanvaardbaar worden geacht. Gevraagd wordt aan te geven: - (in) hoe(verre) er sprake zal zijn van klimaatrisico’s voor het betreffende plangebied; - welke maatregelen en/of voorzieningen daarom worden overwogen/genomen; - wat de eventuele afwegingen zijn om maatregelen en/of voorzieningen wel of niet te treffen. De provincie verwacht dat de resultaten van de voor het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie uitgevoerde stresstesten en daaraan verbonden risicodialogen de basis vormen voor locatiekeuze en inrichting van het gebied. De provincie verwacht de afwegingen in relatie tot deze uitkomsten dan ook terug te zien in de toelichting op het bestemmingsplan.

5.

Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard Postbus 4059 3006 AB Rotterdam (d.d. 8 september 2022)

Op de website van Bouw Adaptie (www.bouwadaptief.nl) zijn meerdere hulpmiddelen en voorbeeldprojecten en -maatregelen te vinden om volgens een uitgewerkte en eenduidige structuur invulling te geven aan de uit artikel 6.35a volgende klimaatopgave. In het plan zijn de met het waterbeheer verbonden belangen voldoende gewaarborgd. Wel wordt het volgende onder de aandacht gebracht: 1. Watertoets 4.7 a. In de waterparagraaf ontbreekt een verwijzing naar het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van Schieland en de Krimpenerwaard. Verzocht wordt deze verwijzing in de waterparagraaf op te nemen. b. Plangebied: Het plangebied is niet gelegen tegen maar op de primaire waterkering. Het plangebied is aan de buitenzijde van de waterkering en niet aan de binnenkant. Het

4

1a In paragraaf 4.7 Watertoets van de toelichting is het volgende opgenomen: Beleid hoogheemraadschap Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 In dit programma beschrijft het hoogheemraadschap zijn visie en ambities voor het waterbeheer. Naast de wettelijke taken heeft het hoogheemraadschap voor de periode 2022-2027 ook specifieke ambities en doelen. Deze worden aan de hand van de volgende drie thema’s uiteengezet: 1. Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat. Door de omgeving aan te passen aan het veranderende klimaat blijft het mogelijk om de taken in de toekomst

gaar dus om een plangebied dat buitendijks is gelegen. Verplaatsen naar Grondwater: Het plangebied ligt binnen het zogenaamde ‘slagenlandschap’. Dit landschap wordt gekenmerkt door een (zeer) hoge grondwaterstand’ c. Waterveiligheid: Waterveiligheid gaat niet alleen om het in stand houden van de primaire waterkering. Verwezen wordt naar ‘Waterveiligheid en ruimtelijke ordening – Kenniscentreum InfoMil. Verzocht wordt om een aanvulling. 2. Wegen Er ontbreekt een hoofdstuk Verkeer. Het hoogheemraadschap acht het van groot belang dat een beschouwing en analyse wordt opgenomen over de verkeerskundige effecten op de toeleidende wegen en wellicht een plan om mogelijk nadelinge (onacceptabele) gevolgen te mitigeren danwel te compenseren. Er zal ook aangegeven moeten worden wat de extra verkeersbewegingen tot gevolg hebben op de geluidsbelasting van de toeleidende wegen. Dit is voor het hoogheemraadschap van belang gezien hun verantwoordelijkheid voor de geluidsbelasting van wegen, na de invoering van de Omgevingswet.

goed uit te voeren. Het vasthouden van regenwater kan helpen verdroging te bestrijden, de waterkwaliteit te verbeteren en wateroverlast te voorkomen. Waar nodig zullen ook dijken versterkt moeten worden. 2. Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen. Het hoogheemraadschap wil de eigen bijdrage aan klimaatverandering verkleinen en het hergebruik van grondstoffen vergroten. In samenwerking met andere partijen wil het hoogheemraadschap ook een bijdrage leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit en de vergroting van de biodiversiteit. 3. Water en waterschap als onderdeel van de samenleving. Het hoogheemraadschap staat in dienst van de gebruikers en wil vanuit die verbondenheid samen aan de wateruitdagingen werken. Tevens wil zij graag het waterbewustzijn vergroten en het versterken van participatie. Digitalisering en innovatie speelt hierbij een steeds belangrijkere rol. 1b/1c: In paragraaf 5.7 ‘Watertoets’ van de toelichting op het bestemmingsplan is hierop aangepast 2. In paragraaf 2.2 ‘Toekomstige situatie’ van de toelichting op het bestemmingsplan is onder het kopje ‘verkeer en parkeren’ dieper ingegaan op de verkeerskundige effecten op de omliggende wegen. Na het invoeren van de Omgevingswet zijn alle wegbeheerders in Nederland verantwoordelijk voor de veroorzaakte geluidsbelastingen.

Door de autonome groei van het verkeer kan dit leiden tot kosten die nu niet hoeven te worden gemaakt. Deze landelijke wetgeving staat los van het voorliggende bestemmingsplan. Overigens is het niet aannemelijk dat het bestemmingsplan op zichzelf in de toekomst tot hogere kosten leidt. In de toelichting is vermeld dat de verkeergeneratie 25,8 mvt/etmaal is. Dit moet worden afgezet tegen de bestaande verkeersintensiteit en is daarmee minimaal. Onder de

5

Omgevingswet is het pas verplicht om ‘in actie’ te komen als de verkeersintensiteit op de weg toeneemt met circa 40%. Omgevingsdienst Midden Holland Postbus 45 2800 AA Gouda (eerste advies 19 juli 2021 en tweede advies 9 september 2022)

1. Bodem (4.1): akkoord - de ontwikkeling komt niet voor in het Besluit m.e.r. Een m.e.r.-beoordeling of m.e.r-plicht is niet aan de orde. 2. Lucht (4.2): niet akkoord Er is getoetst op de NIBM regeling, maar niet getoetst op de NSL monitoring, Het advies is om ook hierop te toetsen om uit te sluiten dat de luchtkwaliteit in de omgeving een belemmering kan vormen voor het woonen leefklimaat. 3. Geluid (4.1.3): niet akkoord a. het akoestisch onderzoek is niet akkoord. De ODMH heeft op het eerder opgestelde akoestische onderzoek (kenmerk 20090140-01 d.d. 3 mei 2021) aangegeven dat geen gebruik mocht worden gemaakt van de verkeerstellingen, maar dat de prognose voor 2031 uit het regionale verkeersmodel moest worden gebruikt. Deze aanpassing zou worden uitgevoerd door initiatiefnemer. In het laatste rapport (11 juli 2022) is wel het type wegdek aangepast maar is er nog uitgegaan van de verkeerde verkeersintensiteiten. b. de toelichting moet worden aangepast als de verbeteringen van het akoestisch onderzoek dit nodig maken Aanpassing van de toelichting is noodzakelijk als de toename leidt tot hogere waarden van de op hele dB’s afgeronde geluidsbelastingen. c. de regels moeten worden uitgebreid Met instemming van de gemeente kan rekening worden gehouden met de voorziene vervanging van de wegverharding van de IJsseldijk noord door een geluidsarmer type.

Voorgesteld wordt om in de regels van het bestemmingsplan op te nemen dat het gebruik van de geluidsgevoelige 6

Het advies wordt voor onderdeel 1 voor kennisgeving aangenomen. In het tweede advies van de ODMH d.d. 9 september 2022 is aangegeven dat ingestemd kan worden met de aanpassingen en wijzigingen die zijn doorgevoerd in het bestemmingsplan op de onderdelen 2, 4, 5, 6, 8 en 9. Ten aanzien van de opmerkingen zoals deze zijn genoemd bij de onderdelen 3 en 7 wordt het volgende opgemerkt: 3a en 3b In een aanvullend advies vanuit de Omgevingsdienst Midden Holland (mail van 5 oktober 2022) is aangegeven dat in het geluidsrapport d.d. juli wel is uitgegaan van goede verkeersintensiteiten. Dit betekent dat de Omgevingsdienst op dit onderdeel akkoord is. 3c In artikel 5.2 van de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruik van geluidsgevoelige objecten uitsluitend is toegestaan als de wegverharding van de IJsseldijk van dicht asfaltbeton is vervangen door een geluidsarmer type met een geluidsemissie die hoogstens gelijk is aan de geluidsemissie van dunne deklagen B. 7. In de memo stikstof Dikke Boom (d.d. 16 december 2022) is de onderbouwing voor het onderdeel stikstof voldoende voor de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. De berekening is aangevuld met een berekening voor de aanleg/bouwfase. In de Aeriusberekening is rekening gehouden met het op 25 november 2022 vastgestelde ‘Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijnen vanwege aanwezige waarden’.

Negatieve effecten door stikstofdepositie op die gebieden zijn voldoende uitgesloten inzake beide fases.

objecten uitsluitend is toegestaan als de wegverharding van de IJsseldijk Noord van dicht asfaltbeton is vervangen door een geluidsarmer type, met een geluidsemissie die hoogstens gelijk is aan de geluidsemissie van dunne deklagen B. 4. Geurhinder 4.4): niet akkoord De grens van het bouwvlak van het agrarische bedrijf IJsseldijk Noord 123 ligt op ca 16 meter van het bouwvlak van de meest noordelijke woning. De stallen liggen verder weg, maar in het kader van de maximale planologische ruimte mogen stallen op de uiterste punt worden gesitueerd. De minimale afstand moet 25 meter zijn. De eigenaar heeft aangegeven dat de bedrijfsvoering wordt afgebouwd. 5. Bedrijven en milieuzonering (4.5): niet akkoord Het is niet gebruikelijk om te toetsen op richtafstanden met betrekking tot het fokken en houden van rundvee. Het advies is om de toets daarvoor weg te laten en alleen te baseren op de Wet Geurhinder en Veehouderij 6. Externe veiligheid (4.6): niet akkoord De onderbouwing ontbreekt ten aanzien van het transport van gevaarlijke stoffen over de Hollandscha IJssel. Daarnaast moet in de planregels worden opgenomen dat de mechanische ventilatie moet worden uitgevoerd met de mogelijkheid om deze met één druk op de knop te kunnen uitschakelen. 7. Ecologie en stikstof (4.8 en 4.9): niet akkoord. De stikstofonderbouwing in de toelichting op het bestemmingsplan moet worden herzien.

De zogenaamde bouwvrijstelling voor stikstof is komen te vervallen. a. De ecologische betreft een actualisatie van het in 2015 uitgevoerde onderzoek (AGEL adviseurs, met kenmerk 20090140-01 D02, d.d. 5 oktober 2015). De locatie is geschikt bevonden voor huismussen, gierzwaluwen, vleermuizen, ringslangen en waterspitsmuizen. De conclusie wordt onderschreven en nader 7

7a. Op grond van de uitgevoerde nadere onderzoeken heeft de Omgevingsdienst in een aanvullend advies (d.d. 29 november 2022) aangegeven dat voor de gierzwaluwen, ringslangen, waterspitsmuizen en huismussen voldoende is uitgesloten dat deze geschaad worden door de plannen. 7b. Met betrekking tot de aangeleverde nadere informatie ten aanzien van het vleermuisonderzoek heeft de Omgevingsdienst aangegeven dat een overzicht met de hoeveelheid waarnemers per onderzoeksronde en hun ervaring met vleermuisonderzoek ontbreekt. In een nader onderzoek (d.d. 9 januari 2023) is opgenomen dat de globale looproutes in een figuur zijn aangegeven, en dat er 3 personen aanwezig waren tijdens de avondrondes en 1 persoon tijdens de ochtendronde en de paarrondes. Ook is aangegeven dat alle onderzoeken zijn uitgevoerd door personen met voldoende kennis en ervaring omtrent vleermuisonderzoek. In het nadere ecologische advies van de ODMH (d.d. 23 februari 2023) is geconcludeerd dat de onderbouwing voldoende is. 7c. Met betrekking tot de huismussen onderkent de ODMH dat veldbezoeken van 40 minuten in overeenstemming zijn met het gehanteerde kennisdocument 1.0. Het kennisdocument 2.0 waarin wordt uitgegaan van een minimale waarneemtijd van een uur was nog niet van kracht tijdens het onderzoek. Het onderzoek naar huismussen voldoet aan de vereisten van het onderzoeksprotocol

onderzoek naar de genoemde soorten is nodig. Voor de overige beschermde soorten en voor beschermde gebieden zijn negatieve effecten voldoende uitgesloten. b. De nadere onderzoeken naar gierzwaluwen, vleermuizen, ringslangen en waterspitsmuizen zijn op dit moment in uitvoering. Zodra deze onderzoeken zijn uitgevoerd moeten deze worden verwerkt in de toelichting op het bestemmingsplan. Duidelijk moet zijn of een ontheffing van beschermde soorten nodig is en zo ja, of deze verkregen kan worden. De ontheffing zelf moet verkregen zijn voorafgaande aan de werkzaamheden. c. Het nader huismusonderzoek moet worden aangevuld om vast te stellen of deze voldoende is uitgevoerd. Het huismusonderzoek is uitgevoerd op basis van het kennisdocument Huismus (BIJ12). Er is echter niet voldaan aan de vereiste dat het veldbezoek tenminste 1 uur duurt. Elk veldbezoek heeft slechts 40 minuten geduurd. Een motivering van deze afwijking ontbreekt. 8. Archeologie (4.10): akkoord Het advies van 2015 is nog steeds geldig. De toelichting, regels en verbeelding zijn aangepast op basis van dit advies. Artikel 6.4.1, onder c, geeft een oppervlakte van 100 m2 aan waarboven onderzoek moet worden uitgevoerd. Dit moet 50 m2 zijn. 9. M.e.r. (4.12): akkoord De ODMH is het eens met de conclusie in de toelichting op het bestemmingsplan dat het opstellen van een MER niet nodig is.

Een concept-m.e.r.-beoordelingsbesluit is door de ODMH opgesteld. 10. Ontplofbare oorlogsresten: Uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek blijkt dat het plangebied onverdacht is op ontplofbare 8

oorlogsresten. Verder onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is niet noodzakelijk. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig, 11. Provinciaal milieubelangen: De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de provinciale milieubelangen. De provincie Zuid-Holland benoemt in haar Omgevingsbeleid vier provinciale milieubelangen: • Bescherming van stiltegebieden De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een stiltegebied. • Windenergie stimuleren De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een plaatsingsgebied voor windmolens. • Beschermen bedrijventerreinen voor Hogere Milieu Categorie-bedrijven De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een HMC-bedrijventerrein. Afname van HMC-locaties is derhalve niet aan de orde. • Beschermen van grote groepen mensen De voorgenomen ontwikkeling ligt wel in een invloedsgebied Groepsrisico van een EVrelevante risicobron, maar vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

9

10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=aa6b2cf9-4432-4e3d-9045-e1fdfc6fe4d6