BIJL 2A - bijlage 10 beoordeling archeologie
Tekst van het document
Bijlage 4: Beoordeling Archeologie
MEMO Aan
Simon Witter
CC Van
D.R. Stiller
Betreft
Beoordeling archeologie BP Dikke Boom
Kenmerk
2015244247
Datum
18 augustus 2015
Bijlage(n) Aanleiding Je hebt gevraagd om de archeologie paragraaf in de onderbouwing bij het bestemmingsplan Dikke Boom te beoordelen. Dit mede omdat door de opstellers specifiek gevraagd wordt naar een aanvullende reactie van onze kant. Het te ontwikkelen gebied ligt in een zone met archeologische waarde VAW 2 (archeologisch onderzoek bij ingrepen groter dan 1000 m² en dieper dan 30 cm onder huidig maaiveld) en AW 2 (100m ² en dieper dan 30 cm onder huidig maaiveld: bij coupures/dijkdoorsnijdingen archeologisch onderzoek naar opbouw van de dijk). Door de opstellers wordt gesteld dat eventuele archeologische waarden die op/in intacte lagen liggen pas op grote diepte aanwezig kunnen zijn en in principe niet verstoord zullen worden. Een aanduiding/dubbelbestemming zou dan ook niet passend zijn. In de voorbereidende fase hebben de opstellers contact opgenomen met Christo Thanos over de noodzaak voor het opnemen van een dubbelbestemming archeologie (zie de brief met ons kenmerk 2014161732). Afgesproken is dat eerst het bodemonderzoek afgewacht zou worden, zodat op basis daarvan vervolgens conclusies getrokken kunnen worden over het al dan niet opnemen van een dubbelbestemming.
Beoordeling paragraaf 4.10 Archeologie en resultaten bodemonderzoek In de eerste plaats merk ik op dat indien de voorgenomen ontwikkeling, zoals betoogd wordt in de onderbouwing, eventuele archeologische waarden niet verstoord de dubbelbestemming geen belemmering zou vormen van dezelfde ontwikkeling. Door de dubbelbestemming archeologie hierom niet passend te verklaren en te laten vervallen, vervalt de bescherming van de archeologische waarden bij toekomstige activiteiten. Het niet verstoren van de “intacte bodem” is daarom geen geldige reden om een dubbelbestemming archeologie te laten vervallen. Met betrekking tot de eerste alinea merk ik op dat de vermelding van het geldende beleid & tegenstrijdigheid tussen provinciaal en gemeentelijk beleid inhoudelijk incompleet is. Indien het provinciaal beleid geen waarde toekent is het landelijk/wettelijk beleid van toepassing. Deze schrijft voor dat bij bodemverstoringen groter dan 100 m² archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Gemeenten mogen hiervan gemotiveerd afwijken en dit is wat de gemeente Krimpenerwaard gedaan heeft door het opstellen van een eigen archeologie beleid.
2015233254
12 van 14
de
In de 2 alinea wordt geconcludeerd dat eventuele “intacte bodem” door de voorgenomen ontwikkeling (verwijdering puinlaag en nieuwbouw) niet verstoord wordt. Dit omdat in het verleden enkele meters puin opgebracht zouden zijn en deze bodem dus op grotere diepte zou liggen dan 0.5 m. Wat de verstoring van de bodem precies inhoud is niet duidelijk in de paragraaf. Zo is onduidelijk wat bedoeld wordt met de 0.5 m. Is dit de verstoringsdiepte gerekend vanaf een peilmaat? En zo ja, wat is dan de peilmaat: maaiveld, toekomstig maaiveld etc? Tevens is er sprake van insteekhavens tussen de woningen. Onbekend is hoe diep deze aangelegd worden, maar dit zal een niveau zijn onder het waterpeil. In de Ruimtelijke onderbouwing is ook sprake van afgraven van de puinlaag. Specifiek wordt gesteld dat het verwijderen de onderliggende lagen niet zal verstoren. Onbenoemd is hoe men dit wil doen zonder deze (deels) te verstoren. Dit lijkt me in de praktijk niet uitvoerbaar. Ik moet opmerken dat het nog onduidelijk is of deze puinlaag verwijderd gaat worden. In tegenstelling tot de onderbouwing is in het bodemonderzoek nadrukkelijk alleen sprake van ophogingen. Mocht de puinlaag verwijderd worden, wordt dus ook dieper gegraven dan de aangegeven 0.5 m (zie resultaten bodemonderzoek hieronder).
Mocht de puinlaag niet verwijderd worden blijft men waarschijnlijk (op mogelijk de insteekhavens na) boven de potentieel archeologisch interessante lagen. Het bodemonderzoek heeft aangetoond dat er niet uitgegaan moet worden van meters dikke puinophogingen maar dat deze slechts 0.5 tot 1.5 m dik zijn. Uit het onderzoek is in eerste instantie niet met zekerheid op te maken of de onder het puin aangetroffen zandlagen intact of recent opgebracht zijn. Omdat de zandlagen tot een diepte van 3.7 m onder maaiveld aangetroffen zijn en omdat in enkele boringen op het zand kleilagen voorkomen, is het niet ondenkbaar dat het hier toch om relatief intacte (rivier)afzettingen gaat. Deze liggen dan een stuk minder diep dan verondersteld wordt. Samenvattend is het onduidelijk wat de verstoring inhoud. Op basis van het bodemonderzoek is het waarschijnlijk dat potentieel archeologisch interessante lagen (de “intacte bodem”) hoger liggen dan de opstellers van de onderbouwing vermoeden. Eventuele verwijdering van de puinlaag of afgraven tot een niet gespecificeerd 0.5 m peil kan leidden tot de verstoring van het archeologisch bodemarchief. Een archeologische dubbelbestemming is dan wel terecht en zou opgenomen moeten worden om eventuele archeologische waarden te beschermen.
De in de onderbouwing gegeven argumentatie is, mede gezien de resultaten van het bodemonderzoek, onvoldoende om af te zien van een dubbelbestemming archeologie. Ook merk ik op, indien inderdaad de lagen met archeologische waarden niet geraakt worden, eventuele archeologische waarden intact aanwezig blijven in de ondergrond. Zoals hierboven ook vermeld: Door het laten vervallen van de dubbelbestemming zijn deze vervolgens niet meer beschermd bij bodemverstorende activiteiten in de toekomst. Ook hierom is het dan juist wenselijk om de dubbelbestemming te handhaven. Quickscan Archeologie Omdat de locatie een zelling betreft hebben Christo (in 2014) en ik (aanvullend in 2015) een Quickscan uitgevoerd om de verwachting voor het terrein beter in beeld te krijgen. Dit omdat wij vermoeden (op inhoudelijke gronden) dat er voor het grootste deel van het plangebied weinig archeologische resten te verwachten zijn. De locatie is in twee stukken op te delen zoals ook terugkomt in het archeologie beleid van de de gemeente. Het grootste deel ligt in VAW2. Dit omvat de zelling die (waarschijnlijk) vanaf de 17 eeuw gebruikt werd om klei te winnen ten behoeve van de baksteenproductie. Dit blijkt ook uit de kadastrale kaart van 1811-1832. Voor het noordelijke deel (perceel 79 op de oude kadastrale kaart) is een 2015233254
13 van 14
steenplaats aangegeven. Voor het gebruik als steenplaats werd de gewonnen klei steeds weer afgegraven (ook wel aftichelen genaamd). Eventuele archeologische resten in de bovenste lagen zijn hiermee verdwenen. Omdat het plangebied in de uiterwaarden ligt is de locatie in Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd waarschijnlijk te nat voor bewoning geweest. De verwachting voor bewoningsresten (voor zover eventueel nog aanwezig) kan daarom naar beneden bijgesteld worden. Dit wordt bevestigt door de oudere kaarten waarop geen bebouwing zichtbaar is. Hoewel de nauwkeurigheid op perceelsniveau van oudere kaarten niet heel erg groot is, kunnen deze wel als indicatief gezien worden van waar de ongeveer bewoning heeft plaats gevonden. Pas in de 19 eeuw verschijnt op de eerder genoemde kadastrale kaart bebouwing buitendijks. Indien resten uit de periode prehistorie-vroege middeleeuwen aanwezig waren zijn deze door de rivier in de latere perioden verspoeld. De verwachting voor deze periode is daarmee ook laag. Het terreindeel bij de dijk heeft een AW2 waarde. Dit is gebaseerd op de ligging direct aan de IJsseldijk. Deze dijk gaat terug tot in de Middeleeuwen en behoort tot een ontginningsas. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek zijn geen uitspraken mogelijk of het deel van de historische dijk binnen het plangebied verstoord is of niet.
Indien deze dijk hier niet verstoord is, zijn hier naar alle waarschijnlijkheid archeologische resten aanwezig behorende bij de dijk en bijbehorende infrastructuur. Samenvattend concludeer ik dat voor het VAW2 deel er een lage verwachting is voor archeologische resten. Voor het deel met de waarde AW2 blijft de hoge waarde overeind. Conclusie en advies Kijkend naar het historische bodemgebruik als zelling/steenplaats en de landschappelijke ligging acht ik de kans klein dat er waardevolle archeologische resten aanwezig zijn binnen het VAW2 gebied. Een dubbelbestemming is wat mij betreft hier niet noodzakelijk, maar dit dient in de ruimtelijke onderbouwing wel beter onderbouwd te worden. Voor het deel van het plangebied met een AW2 waarde is de hoge waarde terecht en ik zou voor dit deel dan ook een dubbelbestemming archeologie opnemen.
Met vriendelijke groet Daniël Stiller
2015233254
14 van 14